Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15647

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
NL 17.2402
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is afkomstig uit Tanzania en heeft een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft hieraan ten grondslag gelegd dat ze in Tanzania gedwongen als prostituée werkte, naar Nederland was gehaald om ook hier in de prostitutie te werken en bij terugkeer naar Tanzania vreest voor wraak van haar mensenhandelaar. Verweerder heeft het asielrelaas van eiseres geloofwaardig geacht, maar de aanvraag afgewezen omdat eiseres in Tanzania bescherming had moeten vragen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in Tanzania bescherming wordt geboden aan slachtoffers van mensenhandel. De verwijzing van verweerder naar informatie waaruit blijkt dat er ngo’s zijn die bescherming bieden is niet voldoende, omdat de bescherming volgens artikel 3.37c, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 alleen kan worden geboden door de staat of door partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2402

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1986, van Tanzaniaanse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 3 september 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Op 17 mei 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de taal Swahili. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft het volgende relaas aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres is afkomstig uit [locatie] in Tanzania. Haar ouders zijn overleden voordat ze zeven jaar oud was. Ze is vervolgens bij haar tante gaan wonen. Haar tante is prostituee en heeft eiseres vanaf haar veertiende gedwongen om ook als prostituee te werken. Eiseres heeft twee dochters gekregen, die inmiddels 6 en 8 jaar oud zijn, waarvan de vaders onbekend zijn. De nieuwe vriend van de tante van eiseres, [locatie] , heeft geregeld dat ze naar Nederland kon komen, om ook hier in de prostitutie te gaan werken. Bij terugkeer vreest eiseres voor problemen met [locatie] en haar tante, omdat ze zich niet aan de afspraak heeft gehouden om in Nederland als prostituee te gaan werken.

2. Eiseres is op [locatie] op Schiphol aangekomen en daar tegengehouden, omdat haar papieren niet in orde waren. Eiseres heeft toen asiel aangevraagd. Ze heeft ook aangifte van mensenhandel gedaan en om die reden is aan haar vanaf 1 oktober 2016 tot 1 oktober 2017 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Deze verblijfsvergunning is met terugwerkende kracht per 13 januari 2017 ingetrokken omdat de officier van justitie heeft besloten te stoppen met het opsporingsonderzoek in de mensenhandelzaak van eiseres.

3.1.

Verweerder heeft de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeeld en in dat kader de volgende relevante elementen onderscheiden:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- werkzaamheden in de prostitutie in Tanzania en reisdoel Nederland.

3.2.

Verweerder heeft beide elementen geloofwaardig geacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres als slachtoffer van mensenhandel weliswaar een lid is van een sociale groep in de zin van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), maar werpt haar tegen dat zij in Tanzania geen bescherming van de autoriteiten heeft gevraagd of anderszins heeft geprobeerd om zich aan haar bestaan als prostituee te onttrekken. Ook heeft eiseres geen hulp gevraagd aan een van de non-gouvernementele organisaties (ngo’s) die zich in Tanzania bezighouden met de hulp aan slachtoffers van mensenhandel en kwetsbare vrouwen. Gelet hierop is ook geen sprake van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar Tanzania, aldus verweerder. Daarom komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarnaast is volgens verweerder geen reden om ambtshalve aan eiseres een verblijfsvergunning op reguliere gronden te verlenen.

4. Eiseres voert in beroep aan dat ze geen bescherming kan krijgen van de Tanzaniaanse autoriteiten, omdat haar tante een contactpersoon heeft bij de politie en genoeg geld heeft om een aanklacht af te kunnen kopen.

5.1.

In artikel 3.37c, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000, staat dat bescherming tegen vervolging, dan wel tegen ernstige schade alleen kan worden geboden door de staat of door partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen, mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid.

5.2.

In het tweede lid van dat artikel staat dat bescherming tegen vervolging of ernstige schade doeltreffend en van niet-tijdelijke aard moet zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in het eerste lid redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

5.3

In paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 staat dat verweerder de VN en NAVO als internationale organisaties in de zin van artikel 3.37c, eerste lid, onder b, van het VV 2000 beschouwt.

6. Het is vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2087) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

(de Afdeling) dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient verweerder informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft

beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht.

7.1.

De rechtbank moet dus allereerst de vraag beantwoorden of verweerder er in is geslaagd aannemelijk te maken dat de autoriteiten in Tanzania in het algemeen bescherming bieden aan slachtoffers van mensenhandel en gedwongen prostitutie.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij bij één van de in Tanzania actieve ngo’s om bescherming had moeten vragen. Uit artikel 3.37c van het VV 2000 in samenhang bezien met paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000 volgt immers dat alleen de staat, dan wel de VN of NAVO , bescherming kan bieden tegen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

7.3.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Tanzaniaanse autoriteiten eiseres in het algemeen bescherming kunnen bieden. Verweerder heeft in het bestreden besluit de tekst uit het Trafficking in Persons Report 2016 van het United States Department of State (USDOS) aangehaald. Daarin staat echter dat de Tanzaniaanse autoriteiten bij de opvang en hulp van slachtoffers van mensenhandel voornamelijk leunen op ngo’s, en dat government officials daar behulpzaam bij zijn. Zoals hierboven onder 7.2 al uiteengezet mag verweerder niet aan eiseres tegenwerpen dat zij bij ngo’s om bescherming kan vragen. Om dezelfde reden kunnen de diverse ngo’s die verweerder in het verweerschrift heeft genoemd hem evenmin baten. Verweerder heeft in het verweerschrift verder gesteld dat hij in het bestreden besluit onder verwijzing naar het Human Rights Reports Tanzania 2016 van het USDOS heeft kunnen concluderen dat in Tanzania door de autoriteiten bescherming wordt geboden tegen (gedwongen) prostitutie en het risico om opnieuw slachtoffer te worden van mensenhandel. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft verwezen naar het Human Rights Reports Tanzania 2016 van het USDOS en ook in het verweerschrift of ter zitting niet nader heeft gemotiveerd uit welke passages van dat USDOS-rapport zou blijken dat de Tanzaniaanse autoriteiten bescherming bieden tegen mensenhandel en gedwongen prostitutie. Verweerder heeft dus niet aan zijn bewijslast voldaan.

8. Hieruit volgt dat aan het bestreden besluit geen voldoende draagkrachtige motivering ten grondslag is gelegd. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschilbeslechting, gelet op de nadere motiveringsplicht die op verweerder rust. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. F.P. van Straelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FvS

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.