Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15645

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
AWB 17-11851 en 17-11855
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is een Hazara afkomstig uit het district [naam] in de provincie [naam] in [locatie]. Hij heeft een derde asielaanvraag ingediend en daaraan ten grondslag gelegd dat het in [locatie] gevaarlijk is voor Hazara’s en dat hij tot het christendom is bekeerd. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen, omdat eiser niet tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort en verweerder eisers bekering ongeloofwaardig vindt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat Hazara’s in het district [naam] niet tot een kwetsbare minderheidsgroep behoren. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers bekering tot het christendom niet in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Hierbij betrekt de rechtbank, naast de verklaringen van eiser, ook de getuigenverklaringen die in zijn zaak zijn overgelegd en het rapport van de commissie [naam]. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/11851 (beroep)

AWB 17/11855 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 17 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1995, van Afghaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. F. Gieskes).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 21 april 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 9 juni 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de taal Dari, en de getuigen [naam] en [naam] . De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser is afkomstig uit het district [locatie] in de provincie [locatie] in Afghanistan. Hij heeft zijn land in 2006, dus toen hij 11 jaar oud was, verlaten en is via Iran, Turkije, Griekenland, Italië en Frankrijk in december 2009 in Nederland aangekomen.

1.2.

Eiser heeft twee keer eerder, in 2009 en 2013, in Nederland asiel aangevraagd. Ook heeft hij in 2013 om uitstel van vertrek op grond van medische omstandigheden gevraagd. Al deze aanvragen zijn afgewezen en de afwijzingen zijn inmiddels in rechte vast komen te staan.

2. Op 21 april 2016 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Hij heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser behoort tot de bevolkingsgroep Hazara. Hazara’s worden afschuwelijk behandeld in Afghanistan. Ook is eiser inmiddels verwesterd door zijn lange verblijf buiten Afghanistan. Daarnaast is eiser in Nederland tot het christendom bekeerd en vreest hij daarom voor problemen bij terugkeer in Afghanistan.

3.1.

Verweerder heeft de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeeld en in dat kader de volgende relevante elementen onderscheiden:

a. a) de bekering van eiser tot het christendom;

b) de stelling van eiser dat de situatie voor Hazara’s in [locatie] is verslechterd;

c) eiser is verwesterd.

3.2.

Verweerder heeft element a ongeloofwaardig geacht en heeft eiser in element b niet gevolgd. Ten aanzien van element c heeft verweerder overwogen dat het onvoldoende grond vormt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de verwestersing van eiser onvoldoende grond vormt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank zal dit element daarom buiten beschouwing laten.

De positie van Hazara’s in Afghanistan

5.1.

Eiser voert in beroep aan dat verweerder de ernst van de situatie voor Hazara’s in Ghazni miskent. In aanvulling op de landeninformatie die in de bestuurlijke fase is overgelegd, verwijst eiser naar een brief van 1 september 2016 van Vluchtelingenwerk, waarin wordt gepleit voor het instellen van een vertrekmoratorium en voor nader onderzoek naar de risico’s die Hazara’s lopen in Afghanistan. Ook verwijst eiser naar het ‘Standpunt Afghanistan’ van Vluchtelingenwerk van 8 augustus 2017 en naar berichten waaruit blijkt dat Duitsland zijn uitzettingen naar Afghanistan heeft opgeschort. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat niet wordt betoogd dat er in Jaghori sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn,1 maar dat Hazara’s wel als een kwetsbare minderheidsgroep moeten worden aangemerkt.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de situatie voor Hazara’s in Afghanistan in het algemeen zeer zorgelijk is, verweerder eiser terecht niet als lid van een kwetsbare minderheidsgroep heeft aangemerkt. Hierbij is van belang dat uit de informatie van Vluchtelingenwerk blijkt dat het district [locatie] , waar eiser vandaan komt, voor 100% uit Hazara’s bestaat en dat Hazara’s vooral worden gediscrimineerd en problemen ondervinden in gebieden waar zij een minderheid vormen. In de brief van Vluchtelingenwerk van 1 september 2016 staat dat meerdere bronnen berichtten over incidenten waarbij Hazara’s werden ontvoerd, gemarteld, onthoofd of op een andere manier gedood door de Taliban en andere anti-overheidsgroepen. Uit die brief blijkt echter ook dat vrijwel alle incidenten plaatsvonden in gebieden met gemengde Hazara- en niet-Hazara-gemeenschappen, dus niet in het district [locatie] . Bovendien is [locatie] aangesloten aan het Hazara-gebied in de provincie [locatie] . Uit de informatie van Vluchtelingenwerk blijkt dat het mogelijk is om vanuit [locatie] naar [locatie] te vliegen en vervolgens over land door te reizen naar [locatie] . Eiser zou dus niet over de gevaarlijke wegen tussen [locatie] en [locatie] hoeven reizen om [locatie] te bereiken.

Bekering: standpunt van eiser

6. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn bekering ongeloofwaardig heeft bevonden. Verweerder heeft te weinig rekening heeft gehouden met een aantal factoren die zijn eerdere asielaanvraag, waarin zijn bekering al ongeloofwaardig was geacht, in negatieve zin hebben beïnvloed. Zo was eiser tijdens zijn eerdere procedure nog jong, nog niet zo lang christen en had hij een laag opleidings- en kennisniveau. Eiser is inmiddels ouder en rijper en kan zich beter uitdrukken. Eiser is van mening dat hij zijn bekeringsproces wel overtuigend onder woorden heeft gebracht. Dit wordt ondersteund door het verslag van de commissie [naam] en de getuigenverklaringen die eiser heeft overgelegd. Hierbij is van belang dat verweerder er niet aan twijfelt dat eiser actieve contacten onderhoudt binnen de christelijke gemeenschap en actief is in de kerk. Daarnaast is de beslismedewerker van verweerder niet deskundig op het gebied van bekeringen en had verweerder nader onderzoek moeten doen, zoals aanvullend horen of het inschakelen van een deskundige.

Bekering: standpunt van verweerder

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende overtuigende verklaringen heeft afgelegd over zijn innerlijk proces tot bekering, gelet op zijn islamitische achtergrond. Eiser is blijven hangen in feitelijkheden en algemeenheden en is niet ingegaan op zijn innerlijke proces. Verweerder twijfelt er niet aan dat eiser actief is binnen de christelijke gemeenschap, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een oprechte, geloofwaardige bekering. Uit de door eiser overgelegde getuigenverklaringen kan het proces van bekering niet worden opgemaakt. Uit die getuigenverklaringen blijkt niet dat er sprake is van een diepe overtuiging of welke groei eiser in zijn geloofsbeleving heeft doorgemaakt.

Bekering: juridisch kader

8.1.

Onder meer in de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2889) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de vaste gedragslijn van verweerder bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van een bekering uiteengezet:

3.1.

Zoals volgt uit de uitspraak van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109839/1/V2 past de staatssecretaris een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat de staatssecretaris een vreemdeling vragen stelt die - voor zover toepasselijk in het concrete geval - grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht de staatssecretaris dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt de staatssecretaris ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten.

8.2.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3514 en ECLI:NL:RVS:2016:3513) volgt dat getuigenverklaringen of een verslag van de commissie [naam] kunnen dienen ter staving van de geloofwaardigheid van een bekering, maar onverlet laten dat eiser ook tegenover verweerder overtuigende verklaringen moet kunnen afleggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid.

8.3.

Op grond van artikel 83a van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 omvat de toetsing van de rechter een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. De rechter dient in een beroep tegen een afwijzend besluit op een verzoek om internationale bescherming grondig en zorgvuldig onderzoek te verrichten (rigorous scrutiny in de woorden van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens). Uit de vrije bewijsleer die geldt in het bestuursrecht volgt dat de bestuursrechter beschikt over een aanzienlijke mate van vrijheid bij de waardering van hetgeen als bewijs wordt aangedragen.

Bekering: beoordeling door de rechtbank

9.1.

Het hiervoor uiteengezette toetsingskader in acht nemende is de rechtbank van oordeel dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom hij de bekering van eiser ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank legt aan dit oordeel het volgende ten grondslag.

9.2.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn tegenwerping dat eiser onvoldoende overtuigende verklaringen heeft afgelegd over zijn innerlijke proces van bekering, waardoor er niet is gebleken dat er sprake is van een diepgewortelde overtuiging. De rechtbank overweegt dat verweerder in het gehoor van 21 april 2016 weliswaar aan eiser heeft gevraagd hoe hij terugkijkt op zijn beslissing om snel gedoopt te worden en hoe zijn geloof zich heeft ontwikkeld na de eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag, maar dat verweerder niet verder heeft doorgevraagd op eisers beleving van zijn bekeringsproces of zijn innerlijke overtuiging. Omdat verweerder hier niet verder op heeft doorgevraagd, is het innerlijke proces van bekering in het gehoor van 21 april 2016 nauwelijks aan de orde gekomen.

9.3.

Uit het transcript van het gesprek dat eiser met dominee [naam] heeft gevoerd (overgelegd bij de zienswijze) blijkt dat ook eiser de indruk had dat hem tijdens het gehoor van 21 april 2016 niet voldoende is gevraagd over zijn proces tot bekering. In het gesprek met [naam] licht eiser verder toe dat hij tot zijn bekering is gekomen nadat hij zag hoe een vriend van hem was veranderd door diens bekering tot het christendom:

“ [naam] : Waarom besloot je om naar de kerk te gaan?

[naam] : Het was voor mij verrassend en verwarrend, hoe een vriend die ik altijd kende, veranderde in een rustig en liefdevol mens. Dat inspireerde mij enorm. Ik was gewoon benieuwd, ik wilde deze rust en vrede en liefde zelf ook hebben. (…)

(…)

[naam] : Ok. Maar wat vond je van de kerk?

[naam] : Het was buiten mijn verwachting, ik dacht aan iets anders, iets totaal anders. Ik dacht dat we daar zouden zitten en naar een preek van 1 iemand luisteren. Maar er waren nog heel veel andere dingen in de kerk. Er waren mensen die mij heel liefdevol benaderden, terwijl ze mij niet kenden. Zulke onvoorwaardelijke liefde en respect had ik nooit in mijn leven ervaren, en dat raakte mij heel erg. In de kerk gaan de mensen heel anders met elkaar om, en dat had ik nooit ervaren.”

Gelet op deze verklaringen kan zonder nadere motivering niet worden geconcludeerd dat eiser onvoldoende overtuigend over het innerlijke proces van bekering heeft gesproken of dat hij zijn motieven voor de bekering onvoldoende naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft het transcript van dit gesprek ten onrechte in het geheel niet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid betrokken.

9.4.

Daarnaast volgt de rechtbank verweerder niet in zijn tegenwerping dat niet is gebleken welke groei eiser in zijn geloofsovertuiging heeft doorgemaakt. Eiser heeft in zijn gehoor verklaard over hoe hij thans probeert om anderen te evangeliseren, niet alleen door het woord van God over te brengen maar ook door in de praktijk mensen te helpen. Eiser heeft het verhaal uitgelegd van hoe Paulus door Jezus werd vergeven en hoe dat verhaal hem heeft beïnvloed. Eiser heeft in zijn gehoor verteld hoe hij door een islamitische man met een baksteen is geslagen en daardoor drie tanden heeft verloren. Eiser heeft uitgelegd hoe zijn geloof hem heeft geholpen om deze gebeurtenis te verwerken en hoop te houden. Hij heeft met deze gebeurtenis geïllustreerd hoe zijn geloof hem heeft veranderd en hoe hij nu in staat is om te vergeven, hetgeen hij voorheen niet kon. Eiser heeft uitgelegd dat hij een rustiger en vrediger mens is geworden dankzij het geloof. Zonder een nadere motivering van verweerder valt niet in te zien waarom uit deze verklaringen niet blijkt hoe eiser in zijn geloof is gegroeid.

9.5.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling van eisers verklaringen dat [naam] , voorganger van het [naam] in [locatie] , ter zitting heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat eiser weinig woorden heeft om van zijn geloof getuigen. Eiser is analfabeet in zijn moedertaal en heeft pas in Nederland leren lezen. Ook is hierbij van belang dat eiser al op 11-jarige leeftijd Afghanistan heeft verlaten en, zoals hij ter zitting heeft verklaard, nooit echt de islam heeft gepraktiseerd. Zijn vader was overleden en hij had niemand die hem over het geloof leerde. Het is dus niet onaannemelijk dat eisers islamitische achtergrond een andere rol speelt bij zijn bekering dan bij iemand die tot en met zijn volwassenheid in een islamitische omgeving heeft verbleven en op een volwassen bewuste manier de islam heeft gepraktiseerd, en dat eiser bij zijn bekering dus weinig hinder heeft ondervonden van zijn (gebrek aan) islamitische bagage.

9.6.

Gelet op het feit dat de toetsing door de rechtbank ex nunc en volledig behoort te zijn, betrekt de rechtbank bij de toetsing van verweerders oordeel over de geloofwaardigheid ook de overige bewijsstukken, zoals het verslag van de commissie [naam] en de getuigenverklaringen die eiser heeft overgelegd, alsmede de verklaringen die de getuigen ter zitting hebben afgelegd. Uit de hierboven aangehaalde Afdelingsjurisprudentie volgt dat, hoewel eiser ook zelf geloofwaardig over zijn bekering moet kunnen verklaren, de door eiser overgelegde getuigenverklaringen kunnen dienen om zijn bekering te staven. Verweerder heeft deze verklaringen niet terzijde mogen schuiven met de geringe motivering zoals die thans in het bestreden besluit is opgenomen.

9.7

De commissie [naam] heeft haar bevindingen in een verslag van 2 maart 2016 neergelegd. Hieruit komen onder meer de volgende verklaringen van eiser naar voren:

“Ik was bang voor God en dacht dat hij mij zou straffen. Maar ik overwon mijn aarzeling. In de kerk nam mijn stress af en begon ik rust te vinden. Ik werd vooral getroffen door de sfeer van liefde en verdraagzaamheid. Dat had ik nooit eerder meegemaakt.” (…) [naam] noemt Bijbelgedeelten die hem raken: verhalen over Jezus die wonderen doet, mensen vrijspreekt en hongerigen voedt. De kern is voor hem: ‘dat Jezus mij gered heeft door zijn bloed.’ Op onze vraag om die uitspraak te omschrijven zegt [naam] : “Hij heeft zich geofferd voor de zonden van de wereld, opdat in de wereld geen bloed meer vergoten zal worden.”

[naam] zegt met ieder die hij tegenkomt het gesprek over het geloof te zoeken. Bij het doorgeven van het goede nieuws, pleegt hij het verhaal van de verloren zoon te vertellen vanuit zijn eigen ervaring: “Ook ik was van God los en verloren. Er is niemand die niet zondigt. Belangrijk is dat je niet in de zonde blijft steken, maar terugkeert naar de Vader die naar jou uitziet.”

[naam] deelt een traumatische ervaring. Toen hij een moslim uit Afrika aansprak vanwege zijn geloof, bleek die er niet van gediend. “Eerst bedreigde hij mij, later is hij mij aangevlogen en heeft hij mij in een eethuis drie tanden uit de mond geslagen. Enorm pijnlijk en vernederend! Het kost mij de grootste moeite hem niet op zijn gezicht te slaan als ik hem tegenkom, maar mijn geloof leert mij mezelf te beheersen. Een woord van Jezus helpt mij: Wie mij volgt, zal verdrukking tegenkomen.”

Op onze vraag of hij Christen zou blijven als hij terug moet, antwoordt [naam] : “Ik zou ook in Afghanistan als gelovige mijn leven voortzetten en mijn landgenoten van Jezus vertellen. Ik wil dat ook mijn familie wordt gered. Maar nu is het voor mij onmogelijk om daar te leven.”

Conclusie: het geloofsverhaal van [naam] komt authentiek en oprecht op ons over. (…) [naam] is nu goed in staat om zijn bekeringsproces overtuigend onder woorden te brengen. (…) Uit de wijze waarop hij zich uitte, kwam naar voren dat de omgang met de Bijbel een beslissende rol speelt in zijn leven. Er vallen vruchten te zien van een ommekeer en een meer volwassen geloof. [naam] geeft er voldoende blijk van dat het christelijk geloof gaandeweg een beslissende impact op zijn leven heeft gekregen.”

9.8.

De voorganger [naam] van het [naam] in [locatie] heeft in zijn brief van 1 februari 2016 onder meer het volgende over eiser verklaard:

“ [naam] is in het [naam] door een vriend in aanraking gekomen met het christelijk geloof. Hij leed in die tijd onder flinke psychische problemen die te herleiden waren op wat er met zijn familie is gebeurd in Afghanistan en dat hij van zijn moeder gescheiden is. Behandelingen/medicijnen waren niet effectief. Hij heeft ervaren dat God innerlijke genezing teweeg brengt toen hij zijn hart aan Hem heeft gegeven. Geloof in Jezus is voor hem een heel goed medicijn gebleken. Hij ervaart nu rust als hij denkt aan wat er gebeurd is in zijn leven en dat hij van zijn moeder gescheiden is. Soms is hij er nog wel verdrietig over, maar als hij het in gebed brengt, ontvangt hij troost. Hij bidt ook voor zijn moeder en overige familie onder moeilijke omstandigheden.

Ik ken [naam] redelijk goed omdat ik hem als cursist heb in onze Bijbelcursus (dooponderwijs) op de dinsdagmorgen. (…) Ik merk aan hem dat hij door deze bijeenkomsten veel leert en dat hij echt ‘honger’ heeft naar de woorden uit de Bijbel. Hij geniet erg van het samenzijn met andere christenen. (…)

Een getuigenis van de leider van zijn wekelijkse Bijbelkring van onze kerk neem ik hier op. ‘Mijn naam is [naam] . Ik ben sinds 1992 christen. Ik ben een van de leiders van de kring van [naam] . Wij worden erg blij van [naam] . Hij is een positief figuur. Hij leeft zijn geloof in Christus volledig uit. (…) Hij getuigd [sic] van zijn geloof. Voor mij is hij een inspiratie omdat hij ondanks zijn zware leven zijn geloof behoudt. (…)”

9.9.

In hun brief van 25 januari 2016 hebben [naam] en [naam] het volgende verklaard:

“Wij kennen [naam] nu ruim anderhalf jaar (…). Tijdens onderlinge gesprekken en 1 op 1 gesprekken met [naam] zijn we vaak onder de indruk van zijn Bijbelkennis en ook de manier waarop hij verbanden kan leggen tussen bijbel verhalen in het Oude- en Nieuwe Testament. Zonder voorbehoud en enige gene legt hij uit wat het geloof in Jezus Christus voor hem betekend [sic] en de blijdschap en vrede die hij ervaart sinds hij niet meer leeft in het onzekere en vaak bange leven van de moslim. (…)

Als zijn vrienden hier in het weekend zitten te chatten of spelletjes te doen trekt hij zich vaak terug op zijn kamer boven en gaat in de bijbel lezen. (…)

[naam] vindt de verhalen van het Nieuwe Testament erg mooi en begrijpt ook heel goed wat het voor het leven van een christen voor vandaag betekent.

Voor ons is er geen enkele twijfel op de vraag of [naam] echt bekeerd is en een echt en oprecht Christen is, het antwoord daarop is volmondig: Ja!”

9.10.

Hoewel de getuigenverklaringen niet in de plaats kunnen worden gesteld van de verklaringen van eiser, sluiten zij aan op en ondersteunen zij naar het oordeel van de rechtbank wel de geloofwaardigheid van de verklaringen die eiser tegenover de hoormedewerker van verweerder heeft afgelegd. Uit deze getuigenverklaringen komt naar voren hoe eiser is veranderd onder invloed van het christelijke geloof en hoe dat zijn dagelijkse leven beïnvloedt.

9.11.

Ten slotte betrekt de rechtbank bij de toetsing van verweerders geloofwaardigheidsbeoordeling dat verweerder geen twijfel heeft aan het feit dat eiser actief is binnen de kerk en contacten onderhoudt in de christelijke gemeenschap. Ook heeft verweerder eisers evangeliseringsactiviteiten niet althans niet kenbaar ongeloofwaardig bevonden en niet expliciet en kenbaar aan hem tegengeworpen dat hij onvoldoende kennis zou hebben over de geloofsleer of de geloofspraktijk.

9.12.

In het licht van alle voornoemde omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de bekering van eiser ongeloofwaardig is bevonden.

Conclusie

10. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

11. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 17/11851,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/11855,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.P. van Straelen griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FvS

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.