Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15631

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2058
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

X heeft een appartementsrecht verkregen. Het betreft een (te bouwen) appartement in een voormalig kantoorgebouw.

Het pand was ten tijde van de verkrijging intern geheel gesloopt en er was een aanvang gemaakt met de opbouwwerkzaamheden.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur ten onrechte overdrachtsbelasting naar een tarief van 6% heeft geheven.

Volgens de rechtbank is sprake van een woning in de zin van artikel 14, tweede lid, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/135
Belastingadvies 2018/6.6
Viditax (FutD), 19-01-2018
FutD 2018-0213 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/2058

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.H. Rademaker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op aangifte een bedrag van € 5.178 aan overdrachtsbelasting voldaan.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte.

Bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2017 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres is tegen die uitspraak in beroep gekomen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 18 augustus 2017 een reactie op het verweerschrift gegeven.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

Gemachtigde is verschenen, vergezeld van [persoon A] (projectontwikkelaar) en [persoon B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .

Bij brieven van 1 september 2017 heeft de rechtbank partijen ingelicht dat de rechtbank de zaak naar de meervoudige kamer heeft verwezen.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017.

Gemachtigde is verschenen, vergezeld van [persoon A] (projectontwikkelaar).

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon C] , [persoon F] , [persoon E] en [persoon G] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft een koopakte getekend ter verkrijging van een appartementsrecht op de begane grond in een pand aan [adres] te [plaats] . Het pand is omstreeks 1991 gebouwd als kantoorgebouw en destijds als zodanig in gebruik genomen.

2. Er is een omgevingsvergunning om het kantoorgebouw te kunnen transformeren in woningen. Medio augustus 2016 is deze omgevingsvergunning onherroepelijk geworden.

3. Een aannemer is op 12 september 2016 gestart met sloopwerkzaamheden. Deze werkzaamheden waren eind september/begin oktober 2016 voltooid. De sloopwerkzaamheden bestonden in hoofdzaak uit het per etage (van boven naar beneden) strippen van de binnenwanden, systeemplafonds en vloerbedekkingen. Als een etage gesloopt was, begon de opbouw op die etage. In de eerste week van oktober is de aannemer gestart met de opbouwwerkzaamheden. De eerste opbouwwerkzaamheden bestonden uit het plaatsen van de binnenwanden en de rest van het inbouwpakket volgde daarna.

4. Bij notariële akte van 17 oktober 2016 heeft de verkrijging van het appartementsrecht plaatsgevonden. In deze akte is verwezen naar de koopakte. Hierbij heeft de notaris namens eiseres op aangifte een bedrag van € 5.178 aan overdrachtsbelasting voldaan, waarbij een tarief van zes percent van de koopsom is gehanteerd. In de notariële akte is, onder meer, het volgende opgenomen:

“Koop. Levering. Registergoed

Artikel 1.

[Verkoper] heeft bij overeenkomst van koop aan koper verkocht, die heeft gekocht, ter uitvoering waarvan [verkoper] bij deze aan koper levert, die bij deze aanvaardt:

appartementsrecht, rechtgevend op het uitsluitend gebruik van de woning op de begane grond met terras, parkeerplaats en verder toebehoren aan [adres] te [postcode] [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummer [cijferreeks] , uitmakende het [aandeel] ( [aandeel] ) aandeel in de gemeenschap, bestaande uit het appartementsgebouw “ [naam] ” met vijfentwintig (25) woningen op de begane grond tot en met de vierde verdieping (…)”

(de onroerende zaak).

5. Voorafgaand aan het moment van verkrijging van de onroerende zaak was de sloop op de begane grond net klaar en was aannemer begonnen met het vervangen van de kozijnen. Op het moment van verkrijging van de onroerende zaak moesten onder meer nog de volgende werkzaamheden plaatsvinden:

 de staalconstructie ten behoeve van de balkons monteren;

 de berging behorend bij het privé-gedeelte casco gereed maken;

 het casco gereed maken zijnde de binnenwanden en de kozijnen in het privé-gedeelte;

 de elektra en centrale verwarming aanleggen in het privé-gedeelte;

 stuc- en spuitwerk in het privé-gedeelte;

 tegelwerk in het privé-gedeelte; en

 oplevering van het privé-gedeelte.

6. De verkoper heeft namens eiseres bezwaar aangetekend tegen de voldoening van overdrachtsbelasting naar een tarief van 6%. De grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting bedraagt € 86.300. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar ongegrond verklaard.

Geschil

7. In geschil is of de onroerende zaak ten tijde van de onder 4 vermelde verkrijging kan worden aangemerkt als een woning in de zin van artikel 14, tweede lid, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wbr).

8. Eiseres stelt dat zij op de onder 4 vermelde leverdatum een (nieuwe) woning (in aanbouw) heeft verkregen en dat de koopsom met niet meer dan 2% overdrachtsbelasting belast dient te zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt voert zij aan dat de omgevingsvergunning medio augustus 2016 onherroepelijk is geworden, dat de sloopwerkzaamheden ten tijde van de verkrijging waren afgerond en het appartement van eiseres zich in de opbouwfase bevond. In verband met dat laatste verwijst eiseres naar de twee termijnen die door de aannemer op 16 september 2016 en 20 oktober 2016 zijn gedeclareerd. Het gebouw kon voorts niet meer worden gebruikt als kantoorgebouw omdat de sloopwerkzaamheden al waren voltooid. Volgens eiseres heeft de wetgever de hem toekomende beoordelingsmarge overschreden indien hij voor ogen zou hebben dat bij de verkrijging door eiseres geen sprake zou (kunnen) zijn van de verkrijging van een woning in aanbouw omdat geen sprake is van de bouw van een nieuwe woning.

9. Verweerder stelt dat ten aanzien van transformatiepanden uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat het tarief van 2% hiervoor niet geldt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een onroerende zaak die geen woning is maar wordt verbouwd tot woning niet onder het 2%-tarief valt. Verweerder stelt dat de onroerende zaak ten tijde van de onder 4 vermelde verkrijging nog niet was getransformeerd naar een woning en dat deze zijn kantoorfunctie had behouden. Er is geen sprake van een woning in aanbouw.

Beoordeling van het geschil

10. De Hoge Raad heeft op 24 februari 2017 een viertal arresten gewezen over de vraag wat moet worden verstaan onder ‘woning’ als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wbr. In onder meer het arrest met nr. ECLI:NL:HR:2017:295 heeft de Hoge Raad – het volgende overwogen:

“2.3.3. In artikel 14, lid 2, Wbr noch elders heeft de wetgever nader omschreven wat bij de toepassing van dit wettelijk voorschrift moet worden verstaan onder ‘woning’. Zoals is uiteengezet in de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal kan uit de wetsgeschiedenis slechts worden opgemaakt dat de wetgever voor ogen had bij de heffing van overdrachtsbelasting voor het lage tarief in aanmerking te laten komen het bouwwerk dat ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’.

De wetsgeschiedenis geeft dan ook geen aanknopingspunt om aan te nemen (zoals het middel lijkt te doen) dat de wetgever voor de toepassing van artikel 14, lid 2, Wbr heeft willen aansluiten bij de rechtspraak met betrekking tot artikel 220a, lid 2, Gemeentewet, waarin mede doorslaggevend is geacht dat het pand naar aard en inrichting niet alleen bestemd maar ook geschikt is om als woning te dienen.

2.3.4. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot invoering van het tweede lid van artikel 14 Wbr is benadrukt dat feitelijke bewoning nog niet meebrengt dat het gekochte bouwwerk naar zijn aard tot bewoning is bestemd, terwijl ook niet van belang is of de koper het gekochte zelf wil gaan bewonen. Gelet op deze toelichting ligt het in de rede om de vraag of de verworven onroerende zaak ‘naar zijn aard voor bewoning is bestemd’, te beantwoorden met toepassing van een zo objectief mogelijke maatstaf, dat wil zeggen een maatstaf die zoveel mogelijk aanknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf.

2.3.5. Aanknoping bij de kenmerken van het bouwwerk zelf wordt bereikt door aansluiting te zoeken bij het doel waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Indien dat doel bewoning is geweest maar het bouwwerk nadien is verbouwd om het geschikt te maken voor een andere vorm van gebruik, kan het alleen worden geacht zijn aard van woning te hebben behouden indien niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken.

Met een pand dat oorspronkelijk is gebouwd voor bewoning wordt in dit verband gelijkgesteld een pand dat oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen maar door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd.

2.3.6. Indien toepassing van de hiervoor in 2.3.5 vermelde regels niet leidt tot een duidelijke slotsom, komt mede betekenis toe aan de eisen of beperkingen die voor het (gebruik van het) bouwwerk voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften.”

11. Vast staat dat de onroerende zaak oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen en gebouwd, namelijk als kantoor. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de onroerende zaak door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd. Deze vraag moet worden beoordeeld naar het moment van verkrijging van de onroerende zaak door eiseres. De toepassing van de onder 10 opgenomen rechtsregels - in het bijzonder die in ov. 2.3.5 - op de onroerende zaak ten tijde van de onder 4 vermelde verkrijging, leidt de rechtbank niet tot een duidelijke slotsom. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Het pand was ten tijde van de verkrijging intern geheel gesloopt en er was een aanvang gemaakt met de opbouwwerkzaamheden. Op dat moment was er naar het oordeel van de rechtbank al geen sprake meer van een situatie waarin met niet meer dan beperkte aanpassingen het bouwwerk weer geschikt kon worden gemaakt voor een kantoorfunctie. De gemeente stond echter aan kopers naast de bestemming bewoning ook de bestemming bedrijfsruimtes en kantoren toe; van ten minste één kavel staat vast dat er zich ook daadwerkelijk een bedrijf heeft gevestigd. Ten tijde van de verkrijging bevond de kavel van eiseres zich naar het oordeel van de rechtbank dan in een staat waarvan niet kan worden geconcludeerd dat het zijn bestemming als kantoorpand had behouden, noch dat het bouwwerk inmiddels naar zijn aard was bestemd voor bewoning. Gelet hierop kent de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de eisen en/of beperkingen die voor het (gebruik van de) onroerende zaak voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften (ov. 2.3.6 van het arrest onder 10). Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten tijde van de onder 4 vermelde verkrijging over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning beschikte. Daarvan uitgaande - en in weerwil van de wetsgeschiedenis - is de rechtbank van oordeel dat de onroerende zaak op grond van publiekrechtelijke voorschriften alleen bestemd was voor bewoning en dus het tarief van 2% ten onrechte niet is toegepast. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter (nadere) zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Omdat eiseres in de bezwaarfase niet heeft verzocht om een proceskostenvergoeding, acht de rechtbank geen termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van de bezwaarfase.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt de uitspraak op bezwaar;

 draagt verweerder op tot teruggave van overdrachtsbelasting ten bedrage van € 3.452 aan eiseres;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.238

 draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 46 aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, mr. M.A. Dirks en mr. T.A. de Hek, rechters, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.