Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15614

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
AWB 17/7843 en 17/7844 (vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “arbeid als zelfstandige”. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: 17/7843 (beroep) en 17/7844 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 10 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1990, van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser)

(gemachtigde: mr. S. Guman),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).

Procesverloop

Met het besluit van 5 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is met het besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eiser zijn procedure in Nederland mag afwachten en in de tussentijd arbeid mag verrichten. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser heeft in Italië de status van langdurig ingezetene als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn langdurig ingezetenen.1 Hij is met ingang van 2 november 2016 met [de heer] een vennootschap onder firma aangegaan, met als doel het gezamenlijk exploiteren van een onderneming in de detailhandel. Voor die tijd dreef [de heer] de onderneming als een eenmanszaak.

1.2.

Op 24 november 2016 dient eiser een aanvraag in om arbeid als zelfstandige bij deze onderneming te verrichten. Bij deze aanvraag overlegt eiser onder andere een ingevuld aanvraagformulier en een antecedentenverklaring, een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, een bijlage Verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer, een ondernemingsplan en kopieën van zijn Pakistaans paspoort en zijn Italiaans verblijfsdocument.

2. Standpunten partijen

2.1.

Met het primaire besluit wijst verweerder de aanvraag af en met het bestreden besluit verklaart verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond. Volgens verweerder is niet aannemelijk gemaakt dat eiser door het verrichten van zelfstandige arbeid duurzaam over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Eiser heeft geen vennootschapscontract overgelegd en ook is niet vermeld tot welk deel van de winst eiser gerechtigd is. Ook is niet vast te stellen of de toetreding van eiser tot de vennootschap op een zakelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Verder heeft er geen waardering van de onderneming plaatsgevonden en is niet duidelijk tegen welk bedrag en/of welke prestatie eiser zich heeft ingekocht. Tot slot is niet benoemd wat zijn rol en toegevoegde waarde aan de onderneming zal zijn.

2.2.

In beroep voert eiser aan dat de door hem overgelegde gegevens en stukken voldoende zijn om hem de gevraagde vergunning te verlenen. Uit het ondernemingsplan volgt namelijk dat hij over voldoende inkomen zal beschikken. Tijdens de mondelinge behandeling geeft eiser aan dat hij het ondernemingsplan niet verder kan onderbouwen, omdat sprake is van een startende onderneming. Pas later zal blijken wat voor inkomen er gegenereerd wordt. Daarnaast is het niet vereist om een ondernemingsplan en een vennootschapscontract te overleggen en kan eiser ook met andere stukken aantonen dat hij voldoende inkomsten heeft. Dit heeft eiser ook gedaan. Verder heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord in bezwaar en is dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In vergelijkbare zaken van de [persoon] en [persoon 1] is namelijk wel een hoorzitting gehouden.

3. Beoordeling door de rechtbank

De in beroep overgelegde stukken

3.1.

In beroep overlegt eiser diverse stukken ter onderbouwing van zijn beroepschrift. Deze stukken bestaan uit kasboeken over de periode januari tot en met maart 2017, bankafschriften van maart 2017, aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016, jaarstukken van de onderneming over het jaar 2016, een balans en een winst- en verliesrekening van de onderneming over het eerste kwartaal van 2017 en een vennootschapscontract van 2 november 2016.

3.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de in beroep overgelegde stukken niet eerder kon overleggen, omdat hij niet eerder beschikte over deze stukken. De rechtbank moet de stukken dan ook bij haar beoordeling betrekken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze stukken niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken, omdat de rechtbank het bestreden besluit ex tunc moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter het besluit beoordeelt op basis van de feitelijke en juridische situatie zoals die bestond op het moment dat het bestreden besluit is genomen. Verder dateren enkele stukken, zoals het vennootschapscontract, van voor het bestreden besluit en die stukken konden dan ook eerder worden ingebracht.

3.3.

De rechtbank overweegt dat een belangrijk uitgangspunt van het bestuursprocesrecht is dat de rechter het bestreden besluit ex tunc beoordeelt. Dat betekent dat een aanvrager gegevens en stukken ter onderbouwing van zijn aanvraag uiterlijk in de bezwaarfase moet overleggen. Stukken die pas in beroep worden overgelegd kunnen door de rechtbank in beginsel niet bij de beoordeling worden betrokken. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:410. De in beroep overgelegde stukken zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten.

Inhoudelijke beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser langdurig ingezetene is in Italië en daarom niet hoeft te voldoen aan de eis dat zijn onderneming bijdraagt aan een wezenlijk Nederlands belang. Wel moet eiser voldoen aan de eis dat hij arbeid als zelfstandige verricht en dat die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan opleveren. (artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000). Partijen zijn dan ook verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft overwogen dat eiser met de onder 1.2. genoemde stukken onvoldoende heeft aangetoond dat hij als zelfstandige duurzaam over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser met de door hem overgelegde stukken onvoldoende heeft aangetoond als zelfstandige duurzaam over voldoende middelen van bestaan te zullen beschikken. Hoewel eiser stelt dat hij over voldoende middelen van bestaan zal beschikken, komt dit niet naar voren in de door hem overgelegde stukken. Het door eiser overgelegde ondernemingsplan is naar het oordeel van de rechtbank namelijk te summier en verschaft weinig duidelijkheid over eiser en zijn onderneming. Zo ontbreekt een gedegen marktanalyse waaruit blijkt dat de onderneming in een behoefte voorziet. Belangrijke onderdelen zoals een uitgebreide omschrijving van de producten of diensten die eiser wil gaan aanbieden, een beschrijving van de concurrentiepositie en inzicht in hoe eiser potentiele klanten gaat benaderen, ontbreken. In het ondernemingsplan ontbreekt ook een degelijke onderbouwing van de genoemde financiële gegevens. Zo wordt niet duidelijk gemaakt wat de onderbouwing is van de omzet- en winstprognoses en hoe eiser deze denkt te zullen realiseren. Ook heeft er geen waardering van de onderneming plaatsgevonden en is niet duidelijk tegen welk bedrag en/of welke prestatie eiser zich heeft ingekocht. Hierdoor is niet vast te stellen of de toetreding van eiser tot de vennootschap op een zakelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Tot slot is niet benoemd wat de rol en toegevoegde waarde van eiser in de onderneming zal zijn.

4.3.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het ondernemingsplan niet onderbouwd kan worden omdat sprake is van een startende onderneming. Juist bij een startende onderneming mogen aan het ondernemingsplan hogere eisen worden gesteld dan aan een ondernemingsplan van een onderneming die al meerdere jaren bestaat. In het laatstgenoemde geval kan aanvullende informatie over de levensvatbaarheid en de marktpositie uit de (financiële) stukken worden afgeleid. Daarbij merkt de rechtbank op dat voordat eiser toetrad tot de onderneming, zijn medevennoot [de heer] deze als een eenmanszaak dreef, zodat eiser gegevens van de eenmanszaak had kunnen overleggen ter onderbouwing van zijn aanvraag. Dat dit niet mogelijk zou zijn, heeft eiser niet onderbouwd. Verder overweegt de rechtbank dat het juist is dat eiser ook met andere stukken dan een ondernemingsplan kan onderbouwen dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser heeft nagelaten.

Hoorplicht

5. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet gehouden was eiser in bezwaar te horen, vanwege het volgende. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen afzien als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2803). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift en de aanvullingen daarop. Met het primaire besluit is tegengeworpen dat eiser niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Eiser heeft in bezwaar enkel een leenovereenkomst overgelegd en geen stukken die zijn gestelde middelen van bestaan onderbouwen. Hierdoor was er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot een ander oordeel. Er zijn geen stukken overgelegd van de zaak van de [persoon 1] , waardoor de rechtbank niet kan beoordelen of ten aanzien van [persoon 1] sprake is van gelijke gevallen. Uit het besluit in de zaak van de [persoon] volgt dat er in bezwaar diverse stukken zijn overgelegd die de in die zaak gestelde middelen van bestaan onderbouwen. Nu eiser heeft nagelaten dergelijke stukken over te leggen, is geen sprake van gelijke gevallen.

Conclusie

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht afgewezen. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7. De gevraagde voorziening strekt er toe dat eiser zijn procedure in Nederland mag afwachten en in de tussentijd arbeid mag verrichten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat heden op het beroep is beslist en daardoor geen aanleiding meer is tot het treffen van de gevraagde voorziening.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer 17/7843,verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer 17/7844,wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.