Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1561

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
NL17.571
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectief rechtsmiddel artikel 6, derde lid Vw, marginale toetsing bewaringsrechter artikel 3.109b, derde lid, Vb.

Gelet op artikel 93 Vw en artikel 94, eerste lid, Vw is er een effectief rechtsmiddel beschikbaar tegen de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw. Dat het na het instellen van een beroep ingevolge artikel 94, vierde en vijfde lid, Vw maximaal 21 dagen kan duren voordat de rechtbank de maatregel beoordeelt maakt dit niet anders.

De bewaringsrechter moet ingevolge artikel 94, zesde lid, Vw onder andere beoordelen of de maatregel in strijd is met de wet. Hoewel juist is dat de bewaringsrechter blijkens de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452) niet mag beoordelen of de asielaanvraag terecht in de grensprocedure wordt behandeld, kan hij - indien gesteld en deugdelijk onderbouwd wordt dat geen sprake is van een aanvraag waarop vermoedelijk zal worden besloten tot toepassing van artikel 30, 30a of 30b Vw - wel beoordelen of aan de norm van artikel 3.109b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voldaan. Indien de bewaringsrechter tot de conclusie komt dat de vreemdeling in dat standpunt kan worden gevolgd, leidt dat er immers toe dat de maatregel moet of had moeten worden opgeheven met ingang van de datum waarop dat vermoeden niet meer geldt. De rechtbank overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of geen sprake is van een aanvraag waarop vermoedelijk zal worden besloten tot toepassing van artikel 30, 30a of 30b Vw verweerder beoordelingsvrijheid toekomt, zodat het standpunt van verweerder hierover marginaal getoetst moet worden. Het standpunt van eiser dat zijn asielaanvraag, die ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 13 februari 2017 nog in behandeling was, niet als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen, zal de rechtbank beoordelen in het kader van de vraag of de situatie van artikel 3.109b, derde lid, Vb zich voordoet en dit tot opheffing van de maatregel moet of reeds eerder had moeten leiden. Eiser heeft in dit verband gewezen op de door hem in de asielprocedure reeds overgelegde verklaringen van de voorzitter van de UNPACU waarin – kort gezegd – staat vermeld dat eiser als actief lid van die unie heeft deelgenomen aan verschillende betogingen en dat hij als gevolg hiervan meer dan drie jaar is vervolgd en gedurende drie perioden in 2015 en 2016 in Cuba is gedetineerd.

Overeenkomstig hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1451) moet verweerder enige tijd worden gegund om onderzoek te verrichten naar de omstandigheden van artikel 31, achtste lid, Procedurerichtlijn, en dient de vreemdeling daartoe in elk geval ten minste te worden gehoord in het kader van zijn asielverzoek.

De in onderhavige zaak overgelegde verklaringen van de Patriottische Unie Cuba leiden de rechtbank op zichzelf niet tot het oordeel dat verweerder reeds vóór het sluiten van het onderzoek ter zitting van de in geding zijnde bewaringsprocedure niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die hem moesten brengen tot de conclusie dat geen sprake is van een asielaanvraag waarop vermoedelijk met toepassing van artikel 30b Vw zal worden besloten.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.571

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Cubaanse nationaliteit, verblijvende in het Justitieel Complex te Schiphol (JCS),

eiser,

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij mededeling van 3 februari 2017 is het besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland op grond van artikel 3, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) uitgesteld voor ten hoogste vier weken omdat de grensprocedure wordt toegepast.

Bij besluit van 3 februari 2017 is aan eiser op grond van artikel 6, derde lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen de maatregel op 5 februari 2017 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2017. Zowel eiser als verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

  1. Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, zesde lid, Vw het beroep gegrond.

  2. Ingevolge artikel 6, derde lid, Vw kan de vreemdeling wiens aanvraag overeenkomstig artikel 3, derde lid, Vw wordt behandeld in de grensprocedure, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

  3. Eiser voert aan dat asielzoekers van wie de vrijheid is ontnomen tijdens de rust- en voorbereidingstijd en de grensprocedure, tot het moment van de afwijzende beslissing op het asielverzoek geen effectief rechtsmiddel tegen de vrijheidsontnemende maatregel hebben. Ieder asielverzoek aan de grens wordt in de grensprocedure behandeld en de asielzoeker aan de grens wordt dus gedetineerd, ongeacht geslacht, nationaliteit, asielmotieven of persoonlijke gedragingen.
    In de uitspraken van 3 juni 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452) overwogen dat de juistheid van de toepassing van de grensprocedure enkel kan worden betwist tijdens een beroeps-procedure tegen de afwijzende beslissing op het asielverzoek. Verweerder geeft pas in het voornemen voor het eerst aan waarom het asielverzoek kennelijk ongegrond is en met toepassing van artikel 30b Vw kan worden afgedaan. Nu in onderhavige zaak nog geen beslissing is genomen op het asielverzoek van eiser, kan dus niet worden beoordeeld of de grensprocedure terecht is toegepast.
    Eiser heeft ter zitting voorts betwist dat zijn asielaanvraag kan worden afgewezen wegens de kennelijke ongegrondheid hiervan. Hij heeft in dit verband gewezen op de door hem overgelegde verklaringen van unpacu (Unión Patriótica de Cuba).

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat wel degelijk een effectief rechtsmiddel openstaat tegen de vrijheidsontnemende maatregel. In de uitspraak van 3 juni 2016 heeft de Afdeling zich uitgelaten over de grensprocedure en geoordeeld dat deze niet in strijd is met artikel 8 Procedurerichtlijn. Voorts maakt verweerder tijdens de grensprocedure een continue afweging of de zaak zich nog leent voor afdoening in de grensprocedure. Bovendien wordt er een uitzondering gemaakt voor bepaalde groepen vreemdelingen. Het is derhalve niet zo dat iedere vreemdeling in grensdetentie wordt geplaatst, immers wordt er gekeken naar het individu en in uitzonderlijke gevallen kan van de toepassing van de grensprocedure worden afgeweken. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er zwaarwegende medische belangen spelen. Er vindt derhalve altijd een belangenafweging plaats. In het geval van eiser is niet naar voren gebracht dat sprake is van belangen die het grensbewakingsbelang overschrijden. Vreemdelingen hebben altijd de mogelijkheid deze individuele feiten en omstandigheden naar voren te brengen.

Eisers rekensom in verband met de termijn waarin een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel door de rechter wordt behandeld, gaat enkel uit van het aanhangig worden van een beroep door middel van een kennisgeving. Het is een simplistische voorstelling van zaken om ervan uit te gaan dat iedere maatregel 52 dagen duurt alvorens een oordeel over de rechtmatigheid wordt verkregen. Des te eerder een beroep door eiser wordt ingediend, des te eerder hij een oordeel over de rechtmatigheid van de aan hem opgelegde maatregel zal ontvangen.

3.2

De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiser aanvoert is, indien de grensprocedure wordt toegepast, het opleggen van een vrijheidsontnemende geen automatisme. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1451) als volgt overwogen:

“8.1. Gelet op het vorenstaande en met name in aanmerking genomen de beoordelingsmarge die de staatssecretaris heeft om te voorzien in een behandelingsprocedure aan de grens of in transitzones (vergelijk punt 62 van het arrest D. en A.), bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 43, eerste lid, of artikel 31, achtste lid, van de Procedurerichtlijn zich verzet tegen het in behandeling nemen van alle aan de buitengrens geuite asielverzoeken in een dergelijke procedure. Niettemin kunnen aan de grens ingediende asielverzoeken slechts in de grensprocedure worden afgedaan wanneer één van de in artikel 43, eerste lid, van de Procedurerichtlijn genoemde omstandigheden aan de orde is. De tekst van de Procedurerichtlijn noch de totstandkomingsstukken daarvan bieden aanknopingspunten voor een verplichting voor de lidstaten voorafgaand aan de toepassing van een dergelijke behandelingsprocedure te beoordelen of het betreffende asielverzoek in die procedure kan worden afgedaan.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen moet de staatssecretaris - mede gelet op het bepaalde in artikel 43, tweede lid, van de Procedurerichtlijn - een redelijke termijn worden gegund om onderzoek te verrichten naar onder meer de omstandigheden genoemd in artikel 31, achtste lid, van die richtlijn. Bij dat onderzoek zal een vreemdeling ten minste moeten worden gehoord over zijn asielverzoek. Anders dan de vreemdeling betoogt valt niet in te zien hoe een onderzoek, waar voorafgaand aan de toepassing van de grensprocedure wordt beoordeeld of het asielverzoek in die procedure kan worden afgedaan, zich verhoudt tot de volgens de Procedurerichtlijn vereiste zorgvuldige behandeling van het asielverzoek en bijdraagt aan de spoedige afronding daarvan. Daarnaast volgt uit paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) dat de staatssecretaris gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend afweegt of één van de situaties als genoemd in artikel 31, achtste lid, van de Procedurerichtlijn zich voordoet en daarmee of dat verzoek zich leent voor afdoening binnen die procedure. Verder volgt uit artikel 3.109b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) dat, wanneer een vreemdeling te kennen geeft daar prijs op te stellen, het onderzoek na een kortere rust- en voorbereidingstermijn dan zes dagen kan aanvangen. Het invoeren van een extra beoordelingsmoment voegt in zoverre dan ook niets toe.

8.2.

De vrijheidsontnemende maatregel gedurende de grensprocedure krachtens artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 vormt een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn, waarin is bepaald dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over zijn recht het grondgebied van de lidstaten te betreden. Hiertoe is van belang dat in de grensprocedure niet slechts onderzoek wordt gedaan naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek, maar tevens naar het recht van de verzoeker om het grondgebied van Nederland te betreden.

In het arrest van 15 februari 2016, punten 61 en 62, ECLI:EU:C:2016:84, heeft het Hof overwogen dat uit de overwegingen 15 en 20 van de Opvangrichtlijn blijkt dat in artikel 8 van die richtlijn belangrijke beperkingen worden gesteld aan de aan de lidstaten verleende bevoegdheid om tot inbewaringstelling over te gaan. Zo blijkt uit artikel 8, eerste lid, van die richtlijn dat de lidstaten een persoon niet in bewaring mogen houden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Artikel 8, tweede lid, van die richtlijn schrijft verder voor dat een bewaring alleen kan worden gelast in de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Daarnaast is in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn opgenomen dat een verzoeker slechts in bewaring wordt gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zolang de in artikel 8, derde lid, van die richtlijn genoemde redenen van toepassing zijn.

Volgens artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 wordt een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandig-heden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Daarnaast streeft de staatssecretaris ernaar om de duur van de vrijheidsontnemende maatregel zo kort mogelijk te houden. Wanneer de asielaanvraag zich leent voor afdoening binnen de grensprocedure zal de duur van de maatregel in beginsel niet langer dan twee weken bedragen, gelet op artikel 3.109, eerste lid, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.110, eerste lid, van het Vb 2000. Voorts maakt de staatssecretaris, zoals hiervoor al is overwogen, tijdens de grensprocedure een continue afweging of de betreffende aanvraag zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure.

Gelet op het vorenstaande wordt in gevallen als hier aan de orde voldaan aan de voorwaarden en beperkingen die de artikelen 8 en 9 van de Opvangrichtlijn aan vrijheidsontneming stellen. Anders dan de vreemdeling betoogt is het opleggen van een dergelijke maatregel voorts niet in strijd met hetgeen het Hof in de punten 57-63 van het arrest van 30 mei 2013, Arslan (ECLI:EU:C:2013:343; hierna: het arrest Arslan) heeft overwogen. Zo wordt volgens paragraaf A1/7.3 van de Vc 2000 een uitzondering gemaakt voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen en voor gezinnen met minderjarige kinderen, aan hen wordt na het uiten van een asielwens aan de buitengrens de toegang tot Nederland verleend, en bestaat in alle overige gevallen ruimte om in individuele gevallen af te zien van vrijheidsontne-ming.”

De rechtbank overweegt dat verweerder ook in het onderhavige geval, alvorens tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel over te gaan, heeft onderzocht of er sprake was van feiten en/of omstandigheden met betrekking tot de persoonlijke belangen van eiser die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval van het opleggen van de maatregel moest worden afgezien. Dat verweerder naar aanleiding van het gehoor van eiser vervolgens heeft geoordeeld dat er geen redenen waren om van het opleggen van de maatregel af te zien, maakt het voorgaande niet anders.

3.3

De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw geen effectief rechtsmiddel beschikbaar is. De vreemdeling kan ingevolge artikel 93 Vw immers beroep instellen tegen de oplegging van de maatregel. Indien de vreemdeling dit niet doet, moet verweerder ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw binnen de daarin vermelde termijn van 28 dagen de rechtbank in kennis stellen van de opgelegde maatregel. Deze kennisgeving van verweerder wordt gelijkgesteld met een door de vreemdeling ingediend beroep.
De omstandigheid dat na het instellen van een beroep door de vreemdeling, of na het indienen van een kennisgeving door verweerder, het ingevolge het bepaalde in artikel 94, vierde en vijfde lid, Vw maximaal 21 dagen kan duren voordat de rechtbank uitspraak doet, maakt op zichzelf niet dat van een effectief rechtsmiddel tegen de vrijheidsontnemende maatregel niet kan worden gesproken.

3.4

De bewaringsrechter moet ingevolge artikel 94, zesde lid, Vw onder andere beoordelen of de maatregel in strijd is met de wet. Hoewel juist is dat de bewaringsrechter blijkens voornoemde uitspraken van 3 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452) niet mag beoordelen of de asielaanvraag terecht in de grensprocedure wordt behandeld – dat oordeel is immers voorbehouden aan de rechter die de rechtmatigheid van het asielbesluit toetst – geldt dat in het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 6, derde lid, Vw wel kan worden beoordeeld of aan de norm van artikel 3.109b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voldaan.

In artikel 3.109b, derde lid, Vb staat:

“Indien naar het oordeel van Onze Minister geen sprake is van een aanvraag waarop vermoedelijk zal worden besloten tot toepassing van artikel 30, 30a of 30b van de Wet, wordt de behandeling van de aanvraag voortgezet onder opheffing van de maatregel, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet.”

Indien in het bewaringsberoep gesteld en deugdelijk onderbouwd wordt dat geen sprake is van een aanvraag waarop vermoedelijk zal worden besloten tot toepassing van artikel 30, 30a of 30b Vw, zal de bewaringsrechter dit bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw kunnen betrekken. Indien de bewarings-rechter tot de conclusie komt dat de vreemdeling in dat standpunt kan worden gevolgd, leidt dat er immers toe dat de maatregel moet of had moeten worden opgeheven met ingang van de datum waarop dat vermoeden niet meer geldt. De rechtbank overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of geen sprake is van een aanvraag waarop vermoedelijk zal worden besloten tot toepassing van artikel 30, 30a of 30b Vw verweerder beoordelings-vrijheid toekomt, zodat het standpunt van verweerder hierover marginaal getoetst moet worden. Het standpunt van eiser dat zijn asielaanvraag, die ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 13 februari 2017 nog in behandeling was, niet als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen, zal de rechtbank dan ook beoordelen in het kader van de vraag of de situatie van artikel 3.109b, derde lid, Vb zich voordoet en dit tot opheffing van de maatregel moet of reeds eerder had moeten leiden. Eiser heeft in dit verband gewezen op de door hem in de asielprocedure reeds overgelegde verklaringen van de voorzitter van de unpacu waarin – kort gezegd – staat vermeld dat eiser als actief lid van die unie heeft deelgenomen aan verschillende betogingen en dat hij als gevolg hiervan meer dan drie jaar is vervolgd en gedurende drie perioden in 2015 en 2016 in Cuba is gedetineerd.

3.5

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat reeds in de jurisprudentie is uitgemaakt dat niet zoiets vereist is als een ‘pré-toets’. Het is niet de bedoeling dat de rechtbank aan de hand van de verklaringen van unpacu in de beoordeling gaat treden van de kennelijk ongegrondheid van asielverzoeken. Dit voert te ver. Daarnaast zijn de verklaringen van unpacu op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser bescherming in Nederland behoeft. De verklaringen dienen namelijk te worden gewogen en onderzocht met hetgeen naar voren komt in het nader gehoor. Verweerder maakt vervolgens een overweging. Als hij van oordeel is dat de asielaanvraag in de verlengde asielprocedure dient te worden behandeld, wordt de maatregel opgeheven.

3.6

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals onder 3.2 is geciteerd, moet verweerder enige tijd worden gegund om onderzoek te verrichten naar de omstandigheden van artikel 31, achtste lid, Procedurerichtlijn, en dient de vreemdeling daartoe in elk geval ten minste te worden gehoord in het kader van zijn asielverzoek. De volgens de Procedurerichtlijn vereiste zorgvuldige behandeling van het asielverzoek verhoudt zich niet tot een beoordeling of het asielverzoek in die procedure kan worden afgedaan voorafgaand aan de toepassing van de grensprocedure. Het nader gehoor heeft in het geval van eiser plaatsgevonden op de dag vóór het onderzoek ter zitting, te weten 12 februari 2017. Verweerder moest zich dus op 13 februari 2017 beraden over de vraag of hij in de verklaringen die door eiser zijn afgelegd tijdens het nader gehoor, aanleiding zag om de zaak niet met toepassing van artikel 30b Vw af te doen. Bij die beoordeling door verweerder spelen de door eiser overgelegde verklaringen van unpacu ongetwijfeld een rol.
De overgelegde verklaringen van unpacu leiden de rechtbank op zichzelf echter niet tot het oordeel dat verweerder reeds vóór het sluiten van het onderzoek ter zitting van de in geding zijnde bewaringsprocedure (13 februari 2017) niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die hem moesten brengen tot de conclusie dat geen sprake is van een asielaanvraag waarop vermoedelijk met toepassing van artikel 30b Vw zal worden besloten. De rechtbank ziet dan ook thans geen reden om te oordelen dat verweerder, gelet op artikel 3.109b, derde lid, Vb, de maatregel niet heeft mogen opleggen en laten voortduren.
De grond treft geen doel.

4. Eiser voert aan dat verweerder de informatieplicht heeft geschonden die volgt uit de arresten van het Hof van Justitie (het Hof) Sopropé van 18 december 2008 (C-349/07, curia.europa.eu) en Mahdi van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, (ECLI:EU:C:2014:1320) geschonden door eiser niet uit te leggen dat hij naar een gevangenis moest met celdeuren die op slot gaan en waarbij ’s nachts het luikje om de zoveel tijd open en dicht wordt gedaan.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht en eiser heeft geen bijzondere feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend zouden maken. Verweerder verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat eiser is medegedeeld dat het voornemen bestond om aan hem een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Eiser is vervolgens gevraagd of sprake is van bijzondere individuele feiten en/of omstandigheden die deze voorgenomen maatregel onevenredig bezwarend maken. Hierop heeft eiser verklaard dat daarvan geen sprake is, dat hij gezond is en dat hij geen medicijnen gebruikt. Hiermee heeft verweerder dan ook duidelijk onderzoek gedaan naar eventuele feiten en omstandigheden. Voorts heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat hij met het oog op de zitting een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft gesproken die hem desgevraagd heeft verteld dat vreemdelingen altijd worden geïnformeerd over het feit dat ze bij oplegging van een maatregel in een “gesloten centrum” zullen worden geplaatst, hetgeen wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen. Niet in geschil is dan ook dat eiser in een gesloten centrum zou worden geplaatst. Als hier onduidelijkheid over bestond, had eiser tijdens het gehoor vragen kunnen stellen om het een en ander te laten ophelderen. Er is eiser voldoende duidelijk gemaakt dat hij in een gesloten centrum zou worden geplaatst.

Indien de rechtbank eiser volgt in zijn standpunt dat verweerder de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden, verwijst verweerder naar de uitspraken van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4063) en 1 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:348). Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, indien verweerder wel zou hebben voldaan aan zijn informatieplicht, ertoe zouden hebben geleid dat de procedure een andere afloop zou hebben gehad. Eiser heeft verklaard gezond te zijn en geen redenen te zien waarom hij niet in een gesloten aanmeldcentrum zou kunnen verblijven. Bovendien heeft eiser in een door hem geschreven brief van 7 februari 2017 verklaard dat ‘de gevangenis’ goede condities heeft en de werknemers attent zijn. In het kader van een belangenafweging dient dit te worden afgewogen tegen het grensbewakingsbelang.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de onder 3.2 geciteerde rechtsoverweging 8.2 van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016 volgt dat volgens artikel 5.1a, derde lid, van het Vb een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw niet wordt opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandig-heden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Daarnaast streeft verweerder ernaar om de duur van de vrijheidsontnemende maatregel in het algemeen zo kort mogelijk te houden. Verweerder heeft daarnaast de bevoegdheid om in individuele gevallen af te zien van vrijheidsontneming. De rechtbank wijst voorts op de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:826), waarin het volgende is overwogen:

“1.1. Uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer haar uitspraken van 13 juli 2015 in zaak nr. 201504951/1/V3 en van 10 februari 2016 in zaak nr. 201509149/1/V3) vloeit het volgende voort.

Voor het beantwoorden van de vraag of de staatssecretaris met de toepassing van een lichter middel moet volstaan, moet hij voldoende kennis vergaren over de af te wegen belangen. Daartoe moet de staatssecretaris een vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van een maatregel van bewaring duidelijk maken dat die vreemdeling eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen kan aanvoeren die tot het oordeel kunnen leiden dat in zijn geval met de toepassing van een lichter middel moet worden volstaan. In plaats daarvan of in aanvulling daarop kan de staatssecretaris een vreemdeling ook zelf concrete vragen stellen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden. In dat geval moet de staatssecretaris zich ervan verzekeren dat een vreemdeling de gelegenheid heeft gekregen om alles naar voren te kunnen brengen wat van belang kan zijn.

1.2.

Vaststaat dat de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring niet duidelijk heeft gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval met de toepassing van een lichter middel moest worden volstaan. De staatssecretaris moest de vreemdeling dus zelf concrete vragen stellen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden.

Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling vragen gesteld over zijn identiteit en nationaliteit, gezondheidstoestand, gezinssituatie en de aan een eventuele maatregel van bewaring ten grondslag te leggen gronden. Ook heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling gevraagd of hij nog iets wil toevoegen.

1.3.

Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling concrete vragen gesteld over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die tot het oordeel kunnen leiden dat in zijn geval met de toepassing van een lichter middel moet worden volstaan. Voorts heeft de staatssecretaris de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om overige feiten of omstandigheden aan te voeren. Aldus heeft de staatssecretaris zich ervan verzekerd dat de vreemdeling alles naar voren heeft kunnen brengen van wat van belang kan zijn. Daarom heeft de staatssecretaris voldoende kennis vergaard over de af te wegen belangen.”

4.3

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn aan de rechtbank gerichte brief van 7 februari 2017 het volgende heeft verklaard:

‘(…) Daar vroegen ze mij (…) of ik er geen problemen mee had om ingesloten te worden totdat alles was opgehelderd. Ik zei ja dat ik begreep dat dit een procedure was maar toen ze mij naar de plaats brachten waar ik moest zijn zag ik dat het een gevangenis was en ik denk dat gevangenissen zijn voor personen die misdrijven plegen en ik denk dat omdat ik asiel heb aangevraagd ik geen enkel misdrijf heb gepleegd omdat dit een recht is als een persoon wordt achtervolgd en bedreigd en als zijn recht niet wordt gerespecteerd hij bescherming zoekt in een ander land die dit recht respecteert.’

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser voorts verklaard dat aan eiser is medegedeeld dat hij naar een gesloten centrum zou worden gebracht.

In het door de KMar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2017 is ten slotte het volgende opgenomen:

‘Ik ben voornemens aan u een vrijheid ontnemende maatregel op te leggen. Zijn er feiten en/of omstandigheden die maken dat dit volgens u, in uw geval niet mogelijk is?

“Nee, die zijn er niet.”

Zijn er bijzondere medische omstandigheden waarmee rekening gehouden moet worden? Gebruikt u medicijnen?

“Ik ben gezond en gebruik geen medicijnen.”’

Hoewel het voorgaande niet in een apart proces-verbaal van gehoor is neergelegd, gaat de rechtbank er op basis van eisers eigen schriftelijke verklaring van 7 februari 2017 en hetgeen ter zitting door zijn gemachtigde is meegedeeld, van uit dat eiser, naast hetgeen blijkens het proces-verbaal bevindingen aan hem is meegedeeld voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, ook is meegedeeld dat hij ingesloten zou kunnen worden, dan wel dat hij in een gesloten centrum zou kunnen worden geplaatst. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser door middel van de door verweerder gedane mededelingen onvoldoende informatie is verstrekt over de mogelijkheid dat hem een vrijheidsontnemende maatregel kon worden opgelegd. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om te oordelen dat met de in het proces-verbaal bevindingen weergegeven twee vragen onvoldoende duidelijk is gemaakt dat eiser feiten en omstandigheden naar voren kon brengen - waaronder medische omstandigheden - op grond waarvan verweerder tot het oordeel zou kunnen komen dat in het geval van eiser van het opleggen van de maatregel moest worden afgezien.
De omstandigheid dat aan eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen informatie is verstrekt over de inrichting van het JCS, dan wel over het daar gehanteerde regime, leidt niet tot een ander oordeel. Voldoende is dat aan eiser duidelijk is gemaakt dat hem in verband met de behandeling van zijn asielaanvraag in de grensprocedure zijn vrijheid zou worden ontnomen, tenzij dit in zijn geval op grond van door hem aan te voeren omstandigheden, niet mogelijk (lees: onevenredig bezwarend) zou zijn. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden.

4.4

Voor zover eiser zich niet kan vinden in het binnen het JCS geldende regime, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:3398) waarin de Afdeling het volgende heeft overwogen:

“1.2. Bij uitspraak van 28 april 2005 in zaak nr. 200410273/1 heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring in de zin van deze bepaling dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime, en dat een klacht over de toepassing van het regime binnen die plaats of ruimte niet tot gegrondbevinding van het beroep kan leiden.
Dat in die zaak een rechtsgang op grond van de Penitentiaire Beginselenwet voor de vreemdeling openstond terwijl de vreemdeling in onderhavige zaak, anders dan in voornoemde zaak, valt onder het bereik van het Reglement, neemt niet weg dat het door de Afdeling in die zaak gegeven oordeel ook op deze zaak van toepassing is. Door te beoordelen of de duur van de insluitingstijden van de vreemdeling in het JCS in strijd is met het Reglement, heeft de rechtbank niet onderkend dat ingevolge titel IV van het Reglement voor dergelijke klachten een daartoe bestemde rechtsgang openstaat.

De klacht van de vreemdeling over de duur van de insluitingstijden heeft betrekking op de toepassing van het regime binnen het JCS en kan derhalve, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot het oordeel leiden dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is, zodat de grief reeds om die reden faalt.”

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat in dit kader een andere rechtsgang voor eiser openstaat.

5. Het beroep is ongegrond.

6. De rechtbank zal het verzoek om toekenning van schadevergoeding daarom afwijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. Otten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.