Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15602

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
C/09/520036 / FA RK 16-7841
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Door (Belgische) wettelijke samenwoning geen familierechtelijke betrekking tussen man en kind tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 16-7841

Zaaknummer: C/09/520036

Datum beschikking: 22 december 2017

Akte burgerlijke stand

Beschikking op het op 14 oktober 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. N.J.R.M. Elings te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man]

de man,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

[bio vader]

de biologische vader,

wonende te [woonplaats] , België.

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

zetelend te 's-Gravenhage,

de ambtenaar.

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. J.G. Schnoor advocaat te ’s-Gravenhage,

in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 19 juni 2017 van deze rechtbank is het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) verzocht een onderzoek te verrichten naar de volgende vragen en daarover te rapporteren:

  1. Kan de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning in Nederland worden erkend?

  2. Zo ja, onder welke voorwaarden?

  3. Kan de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning gelijkgesteld worden aan de Nederlandse rechtsfiguur geregistreerd partnerschap?

  4. Zo ja, wat zijn dan de gevolgen ten aanzien van de afstamming, meer in het bijzonder, is er een familierechtelijke betrekking ontstaan tussen [bio vader] en de minderjarige [minderjarige] .

Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- het rapport d.d. 25 augustus 2017 van het IJI;

- de brief d.d. 30 augustus 2017 van de vrouw;

- de brief d.d. 11 september 2017 van de ambtenaar;

- de brief d.d. 10 oktober 2017 van de bijzondere curator.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

In het rapport van het IJI wordt geconcludeerd dat de in België door de vrouw en de biologische vader aangegane wettelijke samenwoning op grond van artikel 10:61 Burgerlijk Wetboek (BW) in Nederland kan worden erkend. In de visie van het IJI kan deze in België tot stand gekomen rechtsverhouding weliswaar als rechtsgeldig worden aanvaard, maar het IJI stelt daarnaast dat aan die rechtsverhouding geen andere rechtsgevolgen kunnen worden verbonden dan die welke het op die rechtsverhouding toepasselijke recht daaraan verbindt. Naar Belgisch recht (artikelen 321-325 Belgisch BW) heeft een wettelijke samenwoning geen afstammingsrechtelijke gevolgen ten aanzien van kinderen die staande de wettelijke samenwoning worden geboren. Uitgaande van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland als aanknopingspunt in de zin van artikel 10:92 BW wordt de vraag naar het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige] en haar biologische vader, die met de moeder een wettelijke samenwoning heeft, beheerst door het Nederlands recht. Het IJI meent dat artikel 10:92 BW de conclusie dat [minderjarige] op grond van de wettelijke samenwoning geen familierechtelijke betrekking heeft met haar biologische vader niet kan doorkruizen.

De vrouw heeft schriftelijk gereageerd op het rapport. Zij persisteert bij haar primaire verzoek en refereert zich voor zover nodig aan het oordeel van de rechtbank. Zij geeft daarbij te kennen dat bij toewijzing van het verzoek de biologische vader tot erkenning van [minderjarige] zal overgaan zodat er alsnog een familierechtelijke betrekking tussen hen tot stand komt.

De ambtenaar stelt dat het rapport van het IJI geen absolute zekerheid geeft over de vraag of de Belgische wettelijke samenwoning, die in Nederland erkend kan worden, niet dezelfde rechtsgevolgen heeft als een Nederlands geregistreerd partnerschap. De ambtenaar is geneigd – in tegenstelling tot het IJI – te concluderen dat wel sprake is van gelijke rechtsgevolgen. Dat zou dan betekenen – zo begrijpt de rechtbank de stelling van de ambtenaar – dat er wel een familierechtelijke betrekking tussen de biologische vader en [minderjarige] tot stand is gekomen door de wettelijke samenwoning.

De bijzondere curator is van mening dat – gelet op de inhoud van het rapport van het IJI – het primaire verzoek van de vrouw kan worden toegewezen en dat dit ook in het belang van [minderjarige] is zodat de biologische vader tot erkenning van [minderjarige] kan overgaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht achtte over de vraag of de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning in Nederland kan worden erkend en wat hiervan de gevolgen zijn heeft de rechtbank een deskundige, het IJI, gevraagd hiernaar onderzoek te doen en daarover te rapporteren. De rechtbank sluit zich aan bij de bevindingen van het IJI. De rechtbank begrijpt hieruit dat de wettelijke samenwoning van de moeder en de biologische vader weliswaar kan worden erkend in Nederland ingevolge artikel 10:61 BW, maar dat dit niet betekent dat er een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de man is ontstaan bij de geboorte van de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank is voor wat betreft de afstamming de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning in zoverre niet gelijk te stellen aan het geregistreerd partnerschap in het Nederlandse recht. Dat blijkens de Memorie van toelichting bij de inwerkingtreding van de Wet conflictenrecht Geregistreerd Partnerschap, die tot basis heeft gediend voor 10:61 BW er nadrukkelijk gedacht is aan de Belgische wettelijke samenwoning behoeft niet tot een ander oordeel te leiden, omdat ten tijde van de inwerkingtreding van die wet het ook in Nederland zo was dat een kind, geboren uit ouders die door een geregistreerd partnerschap zijn verbonden, niet automatisch het juridische kind was van de partner van de moeder.

Hoewel de ambtenaar stelt dat er geen absolute zekerheid is dat de Belgische wettelijke samenwoning niet dezelfde rechtsgevolgen heeft als het Nederlandse geregistreerd partnerschap en concludeert dat dit mogelijk wel het geval is, onderbouwt de ambtenaar deze conclusie niet. De rechtbank zal de ambtenaar daarin dan ook niet volgen.

Gelet op de voor handen zijnde gegevens, het rapport van het IJI en de toepasselijke wetsbepalingen komt de rechtbank tot het oordeel er geen familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de biologische vader tot stand is gekomen en dat de geboorteakte van [minderjarige] dient te worden gewijzigd in die zin dat de vadergegevens op die akte worden doorgehaald. Het primaire verzoek kan daarom worden toegewezen. Na het onherroepelijk worden van deze beschikking is de weg vrij voor de biologische vader om [minderjarige] te erkennen.

De aard van de zaak verzet zich tegen uitvoerbaar verklaring bij voorraad zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator niet meer nodig is. De rechtbank zal de bijzondere curator daarom ontslaan uit zijn functie.

Beslissing

De rechtbank:

*

gelast de verbetering van de geboorteakte met nummer [nr.] , voorkomend in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage in dier voege dat:

in het tweede gedeelte:

- Geslachtsnaam vader wordt verbeterd in: --

- Voornamen vader worden verbeterd in: --

in het derde gedeelte:

- Plaats van geboorte vader wordt verbeterd in: --

- Dag van geboorte vader wordt verbeterd in: --

*

ontslaat de bijzondere curator van zijn functie als bijzondere curator over [minderjarige] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Dragtsma, tevens kinderrechter, bijgestaan door

P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2017.