Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15597

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
C/09/543226 / JE RK 17-2392
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/543226 / JE RK 17-2392

Datum uitspraak: 8 december 2017

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 17 november 2017 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift.

Op 8 december 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [X] , namens de Raad;

- mevrouw [Y] , namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

- de heer [Z] , namens Stichting Jeugdformaat;

- de moeder;

- mevrouw [A] , de buurvrouw van de moeder.

[minderjarige] is op 8 december 2017 in raadkamer gehoord.

Feiten

- Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.

- De moeder is belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige] verblijft feitelijk in een logeerhuis van Stichting Jeugdformaat.

Verzoek

Het schriftelijke verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de periode van één jaar. Ter terechtzitting heeft de Raad het verzoek gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht om een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend bij de tante. De Raad heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. [minderjarige] vertoont gedragsproblemen, ervaart depressieve klachten en vertoont symptomen van trauma. Na een psychologisch onderzoek in 2016 is gebleken dat [minderjarige] een moeilijk lerend intelligentieprofiel heeft. Hierdoor is het teveel gevraagd voor [minderjarige] om regulier onderwijs te volgen. Er is sprake van ongeoorloofd verzuim, wat voortkwam vanuit de medische situatie van [minderjarige] en het onvermogen om het schoolrooster te begrijpen. Er is daarnaast sprake van een verstoorde ouder-kind relatie tussen de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] verblijft sinds juli 2017 in een logeerhuis van Stichting Jeugdformaat. [minderjarige] luistert niet altijd naar de moeder en laat zich niet aansturen. Zij zoekt grenzen op en liegt. Er zijn in de afgelopen jaren meerdere escalaties tussen de moeder en [minderjarige] geweest, waarbij er vooral sprake was van verbale agressie. De moeder en [minderjarige] zijn in het verleden mishandeld door de ex-partner van de moeder, hetgeen mogelijk heeft bijgedragen aan de verstoorde relatie. De moeder hanteert een strak regime. Het lukt de moeder onvoldoende om dit los te laten en om leeftijds-adequate eisen te stellen aan [minderjarige] . De gesprekken die het logeerhuis hierover met de moeder heeft willen voeren, liepen uit op ruzies. De moeder staat daarnaast niet open voor traumabehandeling, wat de terugkeer van [minderjarige] naar huis bemoeilijkt. Daarnaast wil [minderjarige] graag contact met de biologische vader, maar de moeder verbiedt dit. [minderjarige] wordt door de moeder overvraagd en de moeder lijkt niet in staat te zijn om aan de behoeften van [minderjarige] te voldoen. Zij is gebaat bij duidelijkheid, een prikkelarme werkomgeving en structuur.

De moeder heeft ingestemd met de verzochte uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, hoe lastig zij dat ook vindt. De moeder heeft aangegeven dat zij er moeite mee heeft dat er in het logeerhuis weinig zicht op [minderjarige] blijkt te zijn. Zo is [minderjarige] onlangs aangetroffen in Amsterdam. [minderjarige] luistert niet; niet in het logeerhuis en niet thuis. De moeder is het daarnaast niet eens met de relatie van [minderjarige] met een tweeëntwintigjarige jongen. De moeder heeft zich verzet tegen een plaatsing bij de tante.

Beoordeling

De kinderrechter overweegt dat er bij [minderjarige] sprake is van gedragsproblemen, depressieve klachten en symptomen van trauma. [minderjarige] heeft een moeilijk lerend intelligentieprofiel, waardoor zij snel wordt overvraagd, zowel door de moeder als op school. [minderjarige] heeft hierdoor veel van school verzuimd, wat een bedreiging voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling vormt. [minderjarige] is daarnaast zelfbepalend, terwijl de moeder een strak regime hanteert. De band tussen de moeder en [minderjarige] lijkt hierdoor onder druk te staan. De moeder kampt bovendien met haar eigen problematiek, waar zij nog niet voor is behandeld. De kinderrechter ziet in dit alles een concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] en is van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer de hulpverlening voor [minderjarige] en de moeder zal coördineren en hen zal begeleiden bij het vinden van een passende school voor [minderjarige] . Gelet op de ernst van de zorgen, acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar noodzakelijk.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de opvoedstijl van de moeder niet lijkt aan te sluiten bij de leeftijd en de behoeften van [minderjarige] , waardoor de band tussen hen momenteel ernstig is verstoord. [minderjarige] verblijft thans al op een groep van Stichting Jeugdformaat en de kinderrechter acht het van belang dat dit zal worden voortgezet. Vanuit deze neutrale plek kunnen zowel [minderjarige] als de moeder in alle rust werken aan de behandeling van hun persoonlijke problematiek en het herstellen van hun band.

Ten aanzien van de categorie waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht, overweegt de kinderrechter dat de Raad de moeder ter terechtzitting heeft overvallen met de mogelijkheid van een plaatsing van [minderjarige] bij de tante. Bovendien is gebleken dat een dergelijke plaatsing niet de steun heeft van de moeder. De kinderrechter overweegt dat de moeder momenteel instemt met een plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en acht de steun van de moeder van grote waarde voor de bereidheid van [minderjarige] en de moeder om zich te laten behandelen. De kinderrechter zal daarom een machtiging verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] van 8 december 2017 tot 8 december 2018 onder toezicht van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

en

machtigt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 8 december 2017 tot 8 december 2018, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.F. Mewe, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.