Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15588

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
09/015524-17 en 09/817595-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vd 19 jaar ten tijde van feiten - Toepassing jeugdstrafrecht ivm kwetsbare persoon en zinvolle pedagogische aanpak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/015524-17 en 09/817595-17

Datum uitspraak: 7 december 2017

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 november 2017.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C. Arslaner, advocaat te Den Haag, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. K.J.R. van Halderen heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/015524-17 ten laste gelegde en het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/817595-17 ten laste gelegde wordt veroordeeld met toepassing van het strafrecht voor minderjarigen tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden conform het advies van Reclassering Nederland (hierna ook: de reclassering).

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van parketnummer 09/015524-17:

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2017 te 's-Gravenhage één of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) heeft bedreigd met

- openlijk in vereniging geweld tegen personen en/of goederen,

- met enig misdrijf tegen het leven gericht,

- zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (een Umarex Walther Pistol Toy P99) geladen en/of (vervolgens) op voornoemde onbekend gebleven perso(o)n(en) gericht en/of voornoemd voorwerp langs zijn lichaam gehouden;

2.

hij op of omstreeks 20 januari 2017 te 's-Gravenhage (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten Umarex Walther Pistol Toy P99, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ten aanzien van parketnummer 09/817595-17:

1.

hij op of omstreeks 20 maart 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- meerdere flesjes shampoo en/of showergel (Rituals) en/of een flesopener en/of meerdere flesjes bier (Gulpener) en/of meerdere flesjes frisdrank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan hotel Amrath Kurhaus, en/of

- een geldbedrag van 250 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1] , en/of

- een koptelefoon (Bose) en/of een iPod Nano en/of een maatpak (Brooks Brothers) en/of een overhemd (Jos A. Benk) en/of een pantalon (Lands End), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geldbedrag onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door de hotelkamers van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of lege kamers van het Kurhaus in te sluipen en/of te doorzoeken;

2.

hij op of omstreeks 17 april 2017 te 's-Gravenhage, tweemaal telkens opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro heeft uitgegeven;

3.

hij op of omstreeks 17 april 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro uit te geven, deze biljetten ter betaling heeft aangeboden bij de kassa van winkelbedrijf Jumbo ( [adres] ), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het bij dagvaarding met parketnummer 09/015524-17 onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en dat derhalve sprake is van een bedreiging in de zin van artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat ten gevolge van het handelen van verdachte bij de onbekend gebleven slachtoffers de vrees ontstond dat geweld tegen hen zou worden gebruikt. Immers, de verdachte heeft ter zitting bekend dat hij een (nep)pistool uit zijn rechterjaszak haalde en doorlaadde. De slachtoffers zijn daarop hard weggerend. Zij wisten immers niet dat het geen echt vuurwapen was en vreesden voor hun leven. Het feit dat de verdachte bij de politie en ter zitting heeft verklaard dat hij het wapen langs zijn lichaam heeft gehouden en niet op de slachtoffers heeft gericht maakt dit niet anders.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaardingen met parketnummer 09/015524-17 en parketnummer 09/817595-17 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht:

ten aanzien van parketnummer 09/015524-17:

1.

hij op 20 januari 2017 te 's-Gravenhage één of meerdere onbekend gebleven personen heeft bedreigd met met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (een Umarex Walther Pistol Toy P99) geladen en vervolgens voornoemd voorwerp langs zijn lichaam gehouden;

2.

hij op 20 januari 2017 te 's-Gravenhage een wapen van categorie I onder 7°, te weten Umarex Walther Pistol Toy P99, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ten aanzien van parketnummer 09/817595-17:

1.

hij op 20 maart 2017 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- meerdere flesjes shampoo en showergel (Rituals) en een flesopener en meerdere flesjes bier (Gulpener) en meerdere flesjes frisdrank, toebehorende aan hotel Amrath Kurhaus, en

- een geldbedrag van 250 euro, toebehorend aan [slachtoffer 1] , en

- een koptelefoon (Bose) en een iPod Nano en een maatpak (Brooks Brothers) en een overhemd (Jos A. Benk) en een pantalon (Lands End), toebehorend aan [slachtoffer 2] ,

zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en die weg te nemen goederen en geldbedrag onder zijn bereik te hebben gebracht door de hotelkamers van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en lege kamers van het Kurhaus in te sluipen en te doorzoeken;

2.

hij op 17 april 2017 te 's-Gravenhage, tweemaal telkens opzettelijk een vals bankbiljet van 50 euro heeft uitgegeven;

3.

hij op 17 april 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk meer valse bankbiljetten van 50 euro uit te geven, deze biljetten ter betaling heeft aangeboden bij de kassa van winkelbedrijf Jumbo ( [adres] ), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan de bedreiging van drie slachtoffers. Daarbij heeft de verdachte een nepvuurwapen doorgeladen en naast zijn lichaam gehouden. Deze vorm van bedreiging is ontoelaatbaar en zal bij de slachtoffers als levensbedreigend zijn ervaren.

Voorts heeft de verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een voorwerp, dat sterke gelijkenis vertoond met een vuurwapen. Vuurwapens zijn geschikt om als (afdreigings)middel te dienen bij het plegen van strafbare feiten en de verdachte heeft, door het voorhanden hebben van een verboden wapen, bijgedragen aan de (gevoelens van) onveiligheid in de samenleving.

Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van meerdere goederen en een geldbedrag uit kamers van het Kurhaus hotel. De slachtoffers betroffen onder andere toeristen, die hun bezittingen in vertrouwen hebben achtergelaten in hun de hotelkamer. De verdachte is de kamers binnengegaan en heeft daar eigendommen weggenomen. Dit is een zeer ernstig feit. Door het handelen van de verdachte zijn de slachtoffers gedupeerd en is hun vertrouwen geschaad. De verdachte heeft laten zien geen enkel respect te tonen voor andermans eigendommen.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk uitgeven van vals geld en een poging daartoe. Dat is eveneens een ernstig feit waarmee de verdachte een inbreuk heeft gemaakt op de rechtsorde, omdat dit een wezenlijke bedreiging vormt voor betrouwbaar betalingsverkeer.

Laatstgenoemde feiten zijn vermogensdelicten en de verdachte heeft door zijn handelen laten zien dat hij kennelijk slechts uit was op geldelijk gewin.

Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte in het verleden niet eerder veroordeeld.

Rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van [naam] , GZ-psycholoog d.d. 11 september 2017, van het psychologisch-pedagogisch onderzoek, onder meer inhoudend:

Bij de verdachte is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met gemengde persoonlijkheidstrekken (schizotypisch, antisociaal, histrionisch en narcistisch). Gezien de structurele aard van de problematiek, was deze ook aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. De gedragingen en gedragskeuzes van de verdachte werden ten tijde van het ten laste gelegde ook beïnvloed door de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling. Antisociale persoonlijkheidstrekken en een laag IQ hebben een negatieve invloed gehad op het denken en handelen van de verdachte. Hierdoor is hij als verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken.

Het antisociale gedrag, relaties, middelengebruik, traumatische ervaringen, gewelddadige opvattingen, respons op behandeling of toezicht, de persoonlijkheidsproblematiek en instabiliteit verhogen de kans op recidive. Vanwege het recidivegevaar is behandeling geïndiceerd, welke behandeling reeds is gestart bij de Waag. Daarnaast is van belang dat de verdachte dagbesteding heeft. In de behandeling moet verder aandacht bestaan voor emotieregulatie, zelfbepalend gedrag, problemen met autoriteit en het aanleren van sociale vaardigheden, waarbij rekening wordt gehouden met het intelligentieprofiel op zwakbegaafd niveau. Gelet op het lage probleembesef en mogelijk gebrek aan motivatie bij de verdachte, dient de behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel te worden opgelegd.

De rapporteur heeft verder geadviseerd het strafrecht voor meerderjarigen toe te passen, vanwege de contra-indicaties voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht, bestaande uit veelvuldige justitiële contacten, gebrek aan gezag voor autoriteit, antisociale persoonlijkheidsproblematiek en (eerdere) inbedding in crimineel milieu. De verdachte lijkt ongeschikt voor een groepsgericht leefklimaat en een pedagogische aanpak wordt ongeschikt geacht.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland d.d. 15 september 2017, onder meer inhoudend:

De afgelopen tijd is er, sinds de overplaatsing van de verdachte naar Humanitas, sprake van een positieve ontwikkeling in zijn leven. Hij heeft al enige tijd geen contact met de politie gehad. Daarnaast is hij gestart met een studie. Hij houdt zich steeds beter aan de gemaakte afspraken met de reclassering en is gemotiveerd voor de behandeling bij de Waag. Verder heeft hij goed contact met zijn moeder. De reclassering ziet dit als beschermende factoren. De reclassering heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Bij de verdachte is sprake van een laaggemiddelde intelligentie. Hij handelt regelmatig impulsief en

kan de gevolgen van zijn gedrag weinig tot niet overzien. Er is bij hem verder geen

sprake van een uitgebreide justitiële voorgeschiedenis.

Verder heeft de reclassering geadviseerd een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met toezicht en begeleiding door de volwassen reclassering, met outreachende Jong Volwassenen-methodiek en LVB-specialisten.

Ter terechtzitting is namens de reclassering opgemerkt dat de positieve ontwikkeling bij de verdachte zich heeft voortgezet. Hij is voornemens te starten met de kappersopleiding. Voorts is benadrukt dat toepassing van het jeugdstrafrecht passend is. De verdachte is gemotiveerd voor de behandeling bij de Waag. Tijdens zijn verblijf bij Humanitas is ook gebleken dat de verdachte nog veel te leren heeft, zodat een pedagogische aanpak zinvol en geïndiceerd is.

Toepasselijk recht

De verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten negentien jaar oud. Om die reden geldt voor hem in beginsel het volwassenenstrafrecht. Ingevolge artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het echter mogelijk recht te doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (artikel 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht). Dit is mogelijk op grond van de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

De rechtbank ziet in de kwetsbare persoon van de verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit wordt door voornoemde rapportage en de toelichting daarop ter terechtzitting van de reclassering bevestigd. Indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht zijn het intelligentieprofiel van de verdachte, zijn impulsiviteit en onmogelijkheid om de gevolgen van zijn handelen te overzien en de omstandigheid dat hij niet eerder is veroordeeld en dus moet worden aangemerkt als first offender. De rechtbank ziet nog een mogelijkheid voor de verdachte om met toezicht en begeleiding door de reclassering en na te noemen bijzondere voorwaarden zijn problematiek aan te pakken en het recidiverisico te verlagen. Een pedagogische aanpak wordt zinvol geacht.

De rechtbank zal derhalve recht doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdigen.

Op te leggen straf

Alles overwegende acht de rechtbank een werkstraf – conform de vordering van de officier van justitie – een passende reactie. Aan het voorwaardelijke deel van de werkstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, inhoudende dat de verdachte zich moet melden bij de reclassering, zich onder behandeling stelt van de Waag, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, geen contact legt met de medeverdachten in deze zaak, zich inspant voor dagbesteding, de afspraken nakomt met zijn bewindvoerder en meewerkt aan urinecontroles.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

  • -

    14d, 45, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 213 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

  • -

    13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/015524-17 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/817595-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. parketnummer 09/015524-17, feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

t.a.v. parketnummer 09/015524-17, feit 2:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

t.a.v. parketnummer 09/817595-17, feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van inklimming;

t.a.v. parketnummer 09/817595-17, feit 2:

opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven;

t.a.v. parketnummer 09/817595-17, feit 3:

poging tot opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 60 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 UREN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam] , geboren op [geboortedatum] 1999 te

  • -

    [geboorteplaats] en [naam] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag, of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Humanitas, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de regels van deze instelling, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd tot het uiterste zal inspanning om school en/of werk en/of vrijwilligerswerk te verkrijgen en te behouden;

- gedurende de proeftijd de afspraken met de bewindvoerder nakomt;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan urinecontroles, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Kramer, kinderrechter,

en mr. M. de Groot, kinderrechter plv.,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2017.

Mr. De Groot is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.