Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15561

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
AWB 17-10407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv nareis, Eritrea, pleegkind, gezag

Samenvatting/steekwoorden

Verweerder heeft de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopige verblijf aan eiseres met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet met enig objectief en verifieerbaar stuk aannemelijk gemaakt het ouderlijk gezag over eiseres niet meer bij haar biologische ouder(s) berust, maar bij referent, en dat eiseres dus feitelijk tot het gezin van referent behoort. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/10407

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 2010, van Eritrese nationaliteit, eiseres

verklaard vertegenwoordigd door [referent], referent

(gemachtigde mr. G.E. Jans),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.E. Jasper).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) aan eiseres met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 april 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 17 mei 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door referent en haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen B. Hapte, tolk in de taal Tigrinya. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1.

Referent is bij beschikking van 28 mei 2015 op grond van artikel 29, eerste lid en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

1.2.

Op 17 juni 2015 heeft referent namens eiseres een aanvraag om verlening van een mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis ingediend. Referent stelt de pleegvader van eiseres te zijn. De biologische moeder van eiseres zou na de bevalling op 18 oktober 2010 zijn overleden in het ziekenhuis. De biologische vader van eiseres zou in militaire dienst zitten en niet voor eiseres kunnen zorgen.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. standpunten partijen.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder onder andere ten grondslag gelegd dat eiseres niet met documenten heeft aangetoond dat haar biologische moeder is overleden en het gezag over haar door haar biologische vader aan referent is overgedragen.

2.2.

Hiertegen is namens eiseres beroep ingesteld. Daarbij is onder andere een verklaring overgelegd van 20 december 2016, waarin is opgenomen dat de vader van eiseres toestemming verleent om de voogdij van eiseres over te dragen aan referent en zijn echtgenote en dat de moeder van eiseres is overleden tijdens de bevalling van eiseres. Dit wordt blijkens de verklaring bevestigd door drie getuigen en de rechtbank in Eritrea, aldus eiseres.

3. beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank stelt vast dat onder andere in geschil is of eiseres feitelijk tot het gezin van referent behoort.

3.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in Paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, wordt als uitgangspunt genomen dat een vreemdeling die voor nareis in aanmerking wenst te komen ten tijde van vertrek van de referent feitelijk tot diens gezin heeft behoord. Dit uitgangspunt is tevens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 29 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA1997). Anders dan bij biologische kinderen kan bij (meerderjarige en minderjarige) adoptie- en pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de referent en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst dat er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen de referent en het pleegkind. De referent en de vreemdeling moeten de feitelijke gezinsband tussen hen aannemelijk maken. De ratio van dit beleid is hierin gelegen dat wordt voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent.

3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet met enig objectief en verifieerbaar stuk aannemelijk gemaakt dat eiseres feitelijk tot het gezin van referent heeft behoord. De overgelegde verklaring van 20 december 2016 is daartoe onvoldoende, omdat Bureau Documenten in het advies van 22 augustus 2017 heeft geconcludeerd dat het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet door een rechtbank is opgemaakt en afgegeven. Er kan dan ook niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Dat het ouderlijk gezag over eiseres niet meer bij haar biologische ouder(s) berust, maar bij referent, en dat eiseres dus feitelijk tot het gezin van referent behoort, is dan ook niet gebleken.

3.4.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv.

3.5.

Voor zover eiseres voorts met haar opmerking dat in bezwaar uitdrukkelijk is verzocht om te worden gehoord, maar verweerder daartoe niet is overgegaan, heeft bedoeld te stellen dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, volgt de rechtbank deze stelling niet. Van de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervatte algemene hoorplicht, kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie hier sprake is, zodat verweerder van het horen heeft kunnen afzien. De beroepsgrond faalt.

4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.G. Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.