Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15474

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1064
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Krediethypotheek, bestuursorgaan is in beginsel gehouden ex-nunc te beslissen bij bezwaar, beroep gegrond, zelf voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/1064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de bij besluit van 30 maart 2016 aan eiseres verstrekte bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW) een geldlening van € 59.100,- onder verband van een te vestigen krediethypotheek is.

Bij besluit van 9 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om kenbaar te maken op welke beleidsregel(s) het bestreden besluit berust.

Bij brief van 17 augustus 2017 heeft verweerder toegelicht waarop het bestreden besluit is gebaseerd.

Bij brief van 22 augustus 2017 heeft eiser een reactie ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

De rechtbank heeft op 16 oktober 2017 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Begin 2016 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de PW ingediend. Bij deze aanvraag heeft zij aangegeven dat er sprake is van een resterend hypotheeksaldo op haar eigen woning. Op verzoek van verweerder heeft zij ter onderbouwing van dit resterend hypotheeksaldo een kopie van een schriftelijke leenovereenkomst van 11 november 2015 tussen haar en haar ex-partner overgelegd. In deze leenovereenkomst staat, onder meer, dat eiseres € 60.000,- aan haar ex-partner verschuldigd is. Ter zekerheidstelling van voldoening van deze schuld is, volgens de tekst van de leenovereenkomst, ten behoeve van eiseres’ ex-partner een recht van hypotheek gevestigd op haar woning.

1.2

Bij besluit van 30 maart 2016 is de aanvraag van eiseres gehonoreerd, sinds

7 januari 2016 ontvangt zij een bijstandsuitkering. Bij het primaire besluit heeft verweerder aangegeven dat, omdat eiseres eigenaar is van een door haar zelf bewoonde woning, de bijstandsuitkering die bij besluit van 30 maart 2016 aan eiseres is toegekend als geldlening is verstrekt tot een maximum van € 59.100,-. Aan voortzetting van de bijstandsverlening is bij het primaire besluit als voorwaarde de vestiging van een krediethypotheek verbonden.

1.3

Op 26 oktober 2016 heeft eiseres een notariële akte van hypotheek en pand laten opmaken. Ingevolge de tekst van deze akte heeft eiseres sinds 20 november 2015 een schuld bij haar ex-partner van € 60.000,- tegen 2,5% rente. Ter zekerheidstelling van voldoening van deze schuld is ten behoeve van eiseres’ ex-partner een eerste recht van hypotheek gevestigd op haar woning. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat hij geen rekening hoefde te houden met deze, na de bijstandsaanvraag opgemaakte, notariële hypotheekakte en de daarbij gevestigde hypothecaire lening. Enkel de situatie zoals die op het moment van de bijstandsaanvraag gold, is volgens verweerder bepalend voor de berekening van het (maximum)bedrag van de door hem gewenste krediethypotheek. Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH5932). Bij het bestreden besluit heeft hij daarom het primaire besluit gehandhaafd.

2. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de (initiële) leenovereenkomst van 11 november 2015 van € 60.000,-. Deze € 60.000,- is volgens haar een bezwaring van haar vermogen dat, reeds voor haar aanvraag, gebonden was in haar woning en waarmee verweerder, dientengevolge, rekening diende te houden bij de berekening van de krediethypotheek. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1632). Voor zover verweerder blijft volhouden dat hij geen rekening hoefde te houden met de leenovereenkomst van 11 november 2015, voert eiseres aan dat verweerder bij het bestreden besluit rekening had moeten houden met de, voorafgaand aan haar bezwaar opgemaakte en bij haar bezwaar ingediende, notariële akte van hypotheek en daarbij gevestigde hypothecaire lening. Tijdens de bezwaarprocedure had namelijk een volledige heroverweging moeten plaatsvinden waarbij verweerder ex nunc, naar het heden, had moeten beslissen. Daarnaast voert eiseres aan dat zij ten onrechte niet is gehoord.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, bevestigd dat ten tijde van de bijstandsaanvraag van eiseres reeds sprake was van een schuld, en daarmee van een lening. Volgens verweerder is in deze echter bepalend dat ten tijde van de aanvraag nog geen sprake was van een hypothecaire lening, maar enkel van een ‘reguliere’ lening. Op grond van gemeentelijk beleid kan volgens verweerder enkel met een hypothecaire lening, die reeds voor aanvraag is gevestigd, rekening worden gehouden. Hoewel eiseres en haar ex-partner hebben bedoeld een recht van hypotheek te vestigen bij de ‘reguliere’ lening, is dit recht niet rechtsgeldig gevestigd. Voor een rechtsgeldige hypothecaire lening is immers een bekrachtiging door een notaris bij notariële akte en een inschrijving in het kadaster vereist, aldus verweerder.

4.2

Bij brief van 17 augustus 2017 heeft verweerder aangegeven dat hij zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft gebaseerd op de Handreiking Krediethypotheek Bijstand van Stimulansz de dato maart 2016, op de in dat besluit reeds aangehaalde uitspraak van de CRvB van 3 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH5932) en op het actualiteitsbeginsel.

4.3

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres, op basis van de leenovereenkomst tussen haar en haar ex-partner van 11 november 2015, € 60.000,- van haar ex-partner heeft geleend ten behoeve van de financiering van (de aankoop van) haar woning. Ook niet in geschil is dat bij deze leenovereenkomst geen (rechtsgeldig) recht van hypotheek is gevestigd op de woning van eiseres. Evenmin in geschil is dat, voordat eiseres bezwaar indiende tegen het primaire besluit, bij de notariële akte van 26 oktober 2016 wel een rechtsgeldig (eerste) recht van hypotheek is gevestigd op haar woning ter zekerheidstelling van voldoening van haar reeds in november 2015 ontstane schuld bij haar ex-partner van € 60.000,- .

4.4

De rechtbank stelt ook vast, en benadrukt dit wellicht ten overvloede, dat het primaire besluit, zoals reeds blijkt uit rechtsoverweging 1.2, geen beslissing is op de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering. Bij het besluit van 30 maart 2016 is immers reeds beslist op deze aanvraag van eiseres. Het primaire besluit ziet enkel op de wijze van toekenning en verbindt een vereiste aan voorzetting van de bijstandsuitkering, namelijk de vestiging van een krediethypotheek.

4.5

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB het bestuursorgaan in beginsel ex nunc, naar het heden, behoort te beslissen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1358). Dat betekent dat het bestuursorgaan bij zijn heroverweging alle feiten en omstandigheden in acht moet nemen zoals die zijn op het moment van die heroverweging. Dus ook de feiten en omstandigheden die tijdens de bezwaarschriftprocedure naar voren zijn gekomen en die een ander licht werpen op de toestand zoals die was bij de eerste overweging. Het weigeren van in de bezwaarprocedure ingediende stukken of het weigeren rekening te houden met dergelijke stukken in de bezwaarprocedure is in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.6

Gelet hierop moest verweerder bij het bestreden besluit in beginsel ex nunc alle feiten en omstandigheden in acht nemen zoals die op dat moment waren, niet enkel de feiten en omstandigheden die een ander licht werpen op de toestand zoals die was op de datum met ingang waarvan een uitkering is aangevraagd. Verweerder moest dus in beginsel rekening houden met de hypothecaire lening van 26 oktober 2016, waarbij een eerste recht van hypotheek op haar woning ten behoeve van haar ex-partner is gevestigd.

4.7

Van enig gemeentelijk beleid dat maakt dat verweerder in onderhavig geschil gehouden was om af te wijken van de hoofdregel ex nunc te beslissen, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft in dat kader gesteld dat hij enkel rekening kan houden met een reeds voor de aanvraag gevestigde hypothecaire lening, maar heeft dit standpunt niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Zo heeft verweerder in de brief van 17 augustus 2017 gewezen op de Handreiking Krediethypotheek Bijstand van Stimulansz, maar daarvan geen uitdraai bijgevoegd. Deze interne gedragsregels kan de rechtbank dan ook niet zonder meer volgen. Uit de door hem bij het bestreden besluit en bij zijn brief van 17 augustus 2017 aangehaalde uitspraak van de CRvB blijkt evenmin dat verweerder enkel met een reeds voor de aanvraag gevestigde hypothecaire lening rekening kon houden. Die uitspraak betrof een besluit van 7 maart 2005 bijstand te verstrekken in de vorm van een geldlening onder verband van een te vestigen krediethypotheek. Blijkens voornoemde uitspraak werd op 10 april 2007, geruime tijd na afloop van de bezwaarprocedure (de beslissing op bezwaar dateert van 16 februari 2006) en zelfs na een beroepsprocedure bij de rechtbank (de uitspraak dateert van 1 maart 2007), (nog) een recht van hypotheek gevestigd op de woning van deze bijstandsaanvrager. Anders dan in het onderhavige geschil, is dit recht van hypotheek geruime tijd na de heroverweging in bezwaar gevestigd. Het betreffende bestuursorgaan kon, en hoefde, daarom in die zaak in zijn heroverweging geen rekening met die later gevestigde hypotheek te houden. Ook het door verweerder aangehaalde actualiteitsbeginsel maakt niet dat hij enkel rekening kon en hoefde te houden met een reeds bij de aanvraag gevestigde hypothecaire lening. Dit beginsel ziet erop dat bij toepassing van de PW geen rekening kan worden gehouden met (reservering van gelden voor) toekomstige gebeurtenissen. In het onderhavige geschil is echter niet door eiseres verzocht om rekening te houden met een (mogelijke) toekomstige gebeurtenis, maar om bij heroverweging rekening te houden met een (aannemelijk gemaakte) gebeurtenis die zich reeds voor die heroverweging had voorgedaan.

4.8

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat van eiseres niet redelijkerwijs kon worden verlangd haar reeds bezwaarde vermogen gebonden in de woning met een bedrag van € 60.000,- verder te bezwaren door vestiging van de krediethypotheek door verweerder. Indien verweerder zou worden gevolgd zou dat betekenen dat op de woning van eiseres een bijna tweemaal zo hoge hypotheek zou worden gevestigd dan het nog resterende bedrag van € 60.000,- dat zij aan hypotheek open had staan ten tijde in geding. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank nimmer de bedoeling zijn van de gedachte achter het vestigen van een krediethypotheek, te weten dat niet onnodig bijstand wordt verstrekt aan een belanghebbende die beschikt over vermogen gebonden in de woning dat boven de vermogensgrens uitstijgt.

4.9

De beroepsgrond van eiseres, dat verweerder in de bezwaarprocedure rekening had moeten houden met de hypothecaire lening, slaagt gelet op het in 4.6 en 4.7 overwogene. Hetgeen verder door eiseres is aangevoerd, te weten dat verweerder reeds bij het primaire besluit rekening had moeten houden met de leenovereenkomst en dat hij haar ten onrechte niet heeft gehoord, behoeft daarom geen nadere bespreking.

5.1

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en ziet aanleiding om, nu er slechts één rechtens juiste beslissing mogelijk is, zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

5.2

De rechtbank stelt vast dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, de hypothecaire lening van eiseres van € 60.000,- in acht moet worden genomen bij de berekening van het in de woning gebonden vermogen als bedoeld in artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b van de PW. Zij stelt voorts vast dat, dientengevolge, het op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW in aanmerking te nemen vermogen van eiseres (haar woning met een door verweerder aangenomen WOZ-waarde van € 109.000,- minus de hypothecaire lening van € 60.000,-) binnen de, ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW van toepassing zijnde vrij te laten vermogensgrens van € 49.900,- valt. Dat betekent dat aan eiseres vanaf 7 januari 2016 een bijstandsuitkering om niet is verleend, in plaats van een bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening onder verband van een te vestigen krediethypotheek.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Nu eiseres in bezwaar zich niet heeft laten bijstaan door een professioneel rechtsbijstandverlener zijn er in bezwaar geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij leenbijstand is verstrekt en bepaalt dat de aan eiseres vanaf 7 januari 2016 verstrekte bijstand om niet is verleend;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2017 door mr. A.M.M. Vingerling, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.