Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15343

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
09/827278-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen indicaties voor toepassing jeugdstrafrecht.

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte een overval gepleegd op een supermarkt. De verdachte en zijn medeverdachte zijn, ieder met een (deels) bedekt gezicht en beiden gewapend met een mes, een vestiging van de Lidl binnen gestormd, waar zij twee caissières hebben bedreigd en een van hen hebben gedwongen de kassalade te openen door hun messen tevoorschijn te halen. Verdachte heeft om hun eis dat ze geld wilden, kracht bij te zetten, zijn mes tegen de wang respectievelijk de nek van de caissières gezet. De verdachte en zijn medeverdachte hebben vervolgens geld uit die kassa weggenomen. Toen werd de verdachte overmeesterd door een klant, waarop de medeverdachte – in het bezit van geld uit de kassa – is gevlucht. Tijdens de worsteling tussen de verdachte en voornoemde klant, heeft de verdachte met zijn mes naar die klant stekende bewegingen gemaakt om hem af te weren en alsnog te kunnen ontsnappen. Deze klant, tevens aangever, voelde zich hierdoor ernstig bedreigd.

Voornoemde feiten zijn zeer ernstige feiten. De verdachte heeft de slachtoffers enorme angst aangejaagd. Het is een algemeen bekend feit dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen nog geruime tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Ook brengen dergelijke feiten grote gevoelens van onveiligheid teweeg bij anderen, in dit geval bij het winkelend publiek dat rond het tijdstip van de overval volop in de winkel aanwezig was. De verdachte heeft zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en kennelijk alleen aan zichzelf gedacht. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827278-17

Datum uitspraak: 2 november 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans preventief verblijvende in penitentiaire inrichting [naam PI] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Bahadin en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. K. Karakaya, advocaat te Apeldoorn, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 mei 2017 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 270 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Lidl Supermarkt (filiaal [adres] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden (kassa)medewerkers in genoemde Supermarkt, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het dreigend tonen van een mes, althans een scherp voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of het houden van dit mes tegen het gezicht (wang) van die [slachtoffer 1] en het daarbij mondeling toevoegen van de woorden: "we willen geld" of woorden van soortgelijke strekking en/of

- het dreigend tonen van een mes, althans een scherp voorwerp, aan die [slachtoffer 2] en/of het zetten van dit mes tegen haar keel/nek en het daarbij mondeling toevoegen van de woorden "doe je la open" of woorden van soortgelijke strekking;

waarbij verdachte en/of zijn medeverdachte zijn gezicht (gedeeltelijk) heeft bedekt

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2017 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] opzettelijk dreigend een mes, althans een scherp of puntig voorwerp, voor te houden en/of met dat mes, althans een scherp of puntig voorwerp, (een) stekende beweging(en) te maken;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

19 oktober 2017;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het dossier met het registratienummer PL1500-2017125845, d.d. 8 mei 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] , namens de benadeelde Lidl te Alphen aan den Rijn (blz. 62-64);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het dossier met het registratienummer PL1500-2017125845, d.d. 8 mei 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , namens de benadeelde Lidl te Alphen aan den Rijn
    (blz. 65-69).

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 8 mei 2017 te Alphen aan den Rijn schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 oktober 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het dossier met het registratienummer PL1500-2017125845, d.d. 12 mei 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] (blz. 124-125).

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 8 mei 2017 te Alphen aan den Rijn schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van aangever [slachtoffer 3] .

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 08 mei 2017 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 270 euro), toebehorende aan Lidl Supermarkt (filiaal [adres] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden (kassa)medewerkers in genoemde Supermarkt, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het dreigend tonen van een mes aan die [slachtoffer 1] en het houden van dit mes tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] en het daarbij mondeling toevoegen van de woorden: "we willen geld" of woorden van soortgelijke strekking en

- het dreigend tonen van een mes aan die [slachtoffer 2] en het zetten van dit mes tegen haar keel/nek en het daarbij mondeling toevoegen van de woorden "doe je la open" of woorden van soortgelijke strekking;

waarbij verdachte en zijn medeverdachte zijn gezicht (gedeeltelijk) hebben bedekt

2.

hij op 08 mei 2017 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] opzettelijk dreigend een mes, althans een scherp of puntig voorwerp, voor te houden en met dat mes stekende bewegingen te maken;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld (met toepassing van het strafrecht voor meerderjarigen) tot gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna ook: reclassering).

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging het strafrecht voor minderjarigen toe dient te passen. De reclassering heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen duidelijke indicatie voor toepassing van het jeugdstrafrecht bestaat. De inhoud van het rapport geeft juist aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Zo is duidelijk dat de ten laste gelegde feiten door de verdachte op zeer amateuristische wijze zijn uitgevoerd. Bovendien is de verdachte tijdens de verhoren bij de politie op verschillende momenten emotioneel, betuigt hij spijt tijdens de verhoren en lijkt hij pas later de gevolgen van zijn daden in te zien. Er is bovendien geen sprake van een delictpatroon. De reclassering vermoedt dat de verdachte beïnvloedbaar is en wordt de verdachte gezien als onvoldoende zelfredzaam en kwetsbaar. Verder blijkt uit het rapport dat de opvoeding die verdachte heeft gekregen, niet positief heeft bijgedragen aan zijn gedrag. Onlangs is sprake van beginnend hernieuwd contact tussen de verdachte en zijn moeder. De oma van de verdachte en de wijkagent, die beiden zeer betrokken zijn, benadrukken dat de verdachte qua leeftijd wel volwassen is, maar in zijn gedrag nog niet. De reclassering heeft hier volgens de verdediging onvoldoende gewicht aan toegekend. In de PI is de verdachte de jongste en is hij uit voorzorg op de extra zorg-afdeling geplaatst. Ook dat is, aldus de verdediging, een duidelijke indicatie dat verdachte door betrokken professionele partijen als nog onvolwassen wordt beschouwd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank het advies van de reclassering terzijde dient te schuiven, zodat aan de verdachte, conform de uitgangspunten in jeugdstrafzaken, een aanzienlijk lagere straf wordt opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. Het is voorts van belang dat de verdachte toezicht en begeleiding geboden krijgt vanuit de jeugdreclassering.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte een overval gepleegd op een supermarkt. De verdachte en zijn medeverdachte zijn, ieder met een (deels) bedekt gezicht en beiden gewapend met een mes, een vestiging van de Lidl binnen gestormd, waar zij twee caissières hebben bedreigd en een van hen hebben gedwongen de kassalade te openen door hun messen tevoorschijn te halen. Verdachte heeft om hun eis dat ze geld wilden, kracht bij te zetten, zijn mes tegen de wang respectievelijk de nek van de caissières gezet. De verdachte en zijn medeverdachte hebben vervolgens geld uit die kassa weggenomen. Toen werd de verdachte overmeesterd door een klant, waarop de medeverdachte – in het bezit van geld uit de kassa – is gevlucht. Tijdens de worsteling tussen de verdachte en voornoemde klant, heeft de verdachte met zijn mes naar die klant stekende bewegingen gemaakt om hem af te weren en alsnog te kunnen ontsnappen. Deze klant, tevens aangever, voelde zich hierdoor ernstig bedreigd.

Voornoemde feiten zijn zeer ernstige feiten. De verdachte heeft de slachtoffers enorme angst aangejaagd. Het is een algemeen bekend feit dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen nog geruime tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Ook brengen dergelijke feiten grote gevoelens van onveiligheid teweeg bij anderen, in dit geval bij het winkelend publiek dat rond het tijdstip van de overval volop in de winkel aanwezig was. De verdachte heeft zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en kennelijk alleen aan zichzelf gedacht. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.

Documentatie

De rechtbank heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 mei 2017. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde eerder in aanraking is gekomen met politie/justitie vanwege een mishandeling. Deze omstandigheid weegt de rechtbank ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Rapportage

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 25 september 2017, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

De leefgebieden financiën, relatie met familie en vrienden, middelengebruik, denkpatronen en coping vaardigheden zijn delictgerelateerd en hebben een rol gespeeld bij het delictgedrag. Het ontbreekt de verdachte verder aan een vaste woon- of verblijfplaats en dagbesteding. Hij heeft geen concreet plan van aanpak en weet niet waar hij moet beginnen met het geven van richting aan zijn leven. De reclassering vermoedt dat de verdachte onvoldoende zelfredzaam is om zelfstandig duurzame verandering aan te brengen in zijn situatie. Hulp vanuit de reclassering is zeker geïndiceerd.

Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. De kans op recidive zal naar verwachting afnemen als de verdachte adequate ondersteuning en hulpverlening krijgt. De verdachte staat open voor hulpverlening.

De reclassering heeft een Wegingslijst ASR ingevuld, ten behoeve van de vraag welk type strafrecht van toepassing zou moeten zijn. Daarnaast is gebruik gemaakt van de informatie van geraadpleegde referenten. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen concrete indicatie bestaat voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte had zich grotendeels onttrokken aan het gezinssysteem en er is sprake van een verstoorde relatie met meerdere familieleden. Hij is gestopt met school en het ontbreekt hem aan (zinvolle) dagbesteding. Hij heeft aangegeven toe te willen werken naar zelfstandigheid. De reclassering ziet geen haalbaarheid in of noodzaak tot een pedagogische aanpak en acht berechting onder het commune strafrecht geïndiceerd. Het is echter wel belangrijk dat de verdachte begeleiding wordt geboden vanuit de reclassering volgens de JoVo-methodiek (Jong Volwassenen).

De reclassering heeft geadviseerd aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder de meldplicht, een behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang, een contactverbod en andere voorwaarden het gedrag betreffende.

Toepasselijk recht

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of toepassing van het commune strafrecht passend is.

De verdachte was ten tijde van de feiten ruim 19 jaar oud, zodat in beginsel het volwassenstrafrecht aan de orde is. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid om jongvolwassenen (tussen 18 en 23 jaar) te berechten volgens het sanctiestelsel voor jeugdigen, mits de rechtbank daartoe grond vindt in de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat berechting van de verdachte dient plaats te vinden conform de bepalingen van het volwassenstrafrecht. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de inhoud en de conclusie van het rapport van de reclassering dat er geen duidelijke indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Temeer nu blijkens de verklaring van de officier van justitie ter zitting dat zij meermalen contact heeft gehad met de reclassering over het advies omtrent het toepasselijk recht en de reclassering altijd consistent is geweest in het advies tot toepassing van het commune strafrecht.

In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de conclusie van het reclasseringsrapport nu de omstandigheden die de raadsman in zijn pleidooi naar voren heeft gebracht ook zijn meegewogen in het reclasseringsadvies.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat in de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan onvoldoende gronden liggen om de verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht.

Op te leggen straf

Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. De rechtbank heeft daarbij aangesloten bij de oriëntatiepunten die gelden voor volwassenen in soortgelijke gevallen. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de strafverzwarende omstandigheden, bestaande uit het in vereniging met wapens plegen van het onder 1 bewezen verklaarde feit en de gewelddadige rol van de verdachte hierin. De rechtbank houdt daarbij voorts, meer dan de officier van justitie, rekening met de persoon van de verdachte. Het betreft een jongvolwassen verdachte met aanzienlijke problemen.

De rechtbank zal na te melden gevangenisstraf gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden de algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Gebleken is dat de verdachte de ondersteuning van de reclassering nodig heeft om zijn leven de juiste richting te geven en in het vervolg uit de problemen te blijven.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat plaatsing van de verdachte in een instelling voor begeleid wonen of een maatschappelijke opvang passend lijkt. De rechtbank acht het van belang dat de reclassering zich inzet om een bij de leeftijd en problematiek van de verdachte passende plek voor hem te zoeken.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 25 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 7 MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, afdeling Jong Volwassenen (JoVo) te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en een intake bij de forensische polikliniek Palier of een soortgelijke instelling en, indien een behandeling is geïndiceerd, meewerkt aan afspraken bij de forensische polikliniek Palier of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten een instelling die aansluit bij de problematiek en de leeftijd van de veroordeelde, nader te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met zijn medeverdachte Jarno Koopman, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd ten minste 24 uur per week vaste dagbesteding heeft in de vorm van (onbetaald) werk en/of een opleiding en dit behoudt;

- gedurende de proeftijd verplicht is inkomen te genereren uit betaald werk of een uitkering;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland, afdeling JoVo, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.C. Laagland, voorzitter,

mr. E.M.M. Engbers, rechter,

mr. J.A.H.M. Janssen, rechter plv.,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2017.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.