Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 9963
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, asiel, geloofwaardigheid geheime relatie, passieve bekering, afvalligheid & illegale uitreis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/9963

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was R. Ghanbari als tolk ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 13 november 2015 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Tijdens zijn werkzaamheden als assistent van zijn neef, die buschauffeur is op de route [route], heeft eiser een vrouw leren kennen met wie hij een relatie krijgt. Deze vrouw is Sigheh gehuwd (een huwelijk voor bepaalde tijd) met een majoor in de ordetroepen, en heeft een dochter van vijf jaar uit een eerder huwelijk. De majoor heeft naast zijn Sigheh huwelijk een vrouw en kinderen. Op de ochtend van 29 maart 2014 gaat eiser na zijn dienst bij de vrouw thuis langs. Terwijl eiser naast de deur van het balkon een sigaret opsteekt en de vrouw op de badkamer is, hoort hij de deur van de ingang heel zachtjes opengaan, waarna de vrouw zijn naam schreeuwt. Op dat moment komt een man van een jaar of 35 de keuken binnen die op eiser afkomt. Eiser tilt de tafel op en gooit deze naar de man toe. Vervolgens springt eiser van het balkon op de eerste verdieping naar beneden. Eiser begint te rennen en belt zijn broer. Zijn broer brengt hem naar het huis van zijn oom. Twee dagen later besluit eiser om zijn land van herkomst te verlaten. Na vijf of zes dagen hoort eiser van zijn neef dat er iemand in de busterminal op zoek naar hem is, omdat hij, naar hij zegt, een mobiele telefoon in de bus is vergeten. Via een familielid die werkzaam is bij de rechtbank verneemt eiser dat er geen aangifte tegen hem is gedaan, maar dat de vrouw is gevonden achter de berg [berg] en dat zij onder verdachte omstandigheden is gedood. Eiser vreest dat hij verantwoordelijk zal worden gehouden voor de dood van de vrouw en vervolgd zal worden. Hij vreest ook voor wraak door haar echtgenoot. Bovendien geeft eiser aan dat hij in Nederland is bekeerd tot het christendom.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) Eiser is [eiser] en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiser is Koerd;

2) Eiser heeft een (geheime) relatie gehad met een gehuwde vrouw, waarbij hij op 29 maart 2014 in de woning van de vrouw is betrapt;

3) Eiser heeft zich afgekeerd van de islam;

4) Er zijn foto’s genomen van eiser tijdens de doopdienst door een Iraniër die teruggekeerd is naar Iran;

5) Eiser is bekeerd tot het christendom.

Verweerder heeft de onder 1, 3 en 4 vermelde relevante elementen geloofwaardig geacht en de onder 2 en 5 vermelde relevante elementen ongeloofwaardig bevonden. Verweerder overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn afkeer van de islam en de foto’s die tijdens de doopdienst zijn gemaakt, te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (Vluchtelingenverdrag) dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gestelde relatie en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig zijn. Ten aanzien van de afvalligheid, voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen standpunt heeft ingenomen over de schending van artikel 3 van het EVRM als gevolg van de omstandigheid dat eiser zich bij terugkeer naar Iran anders zal opstellen dan hij in het verleden heeft gedaan. Van hem mag immers, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2420), niet verwacht worden dat hij zich terughoudend opstelt. Uit het Thematisch ambtsbericht situatie van Christenen en van LHBT’s van mei 2015, het Algemeen ambtsbericht Iran van mei 2017 en een document van de Austrian Centre for Country of Origin and Asylum Research and Documentation ‘Query response on Iran: Treatment of atheists by State and non-State actors’ van 12 juni 2017 blijkt dat strafrechtelijke vervolging voor blasfemie of apostasie voorkomt en dat hiervoor de doodstraf kan worden opgelegd. Eiser verwijst ook naar het Besluit van de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 augustus 2017, nummer WBV 2017/7, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) (hierna: WBV 2017/7), waarin afvalligen van het islamitisch geloof aangemerkt worden als risicogroep. Voorts blijkt uit het rapport van 28 februari 2017 van prof. dr. J.W. van Saane (het rapport van Van Saane) dat de bekering van eiser overwegend passief is. Verweerder heeft daarom een onjuist toetsingskader toegepast door voornamelijk de nadruk te leggen op het bewustwordingsproces en de gedragsverandering en niet op het motief van de bekering of de emoties en ervaringen. Dat de bekering niet geloofwaardig is, is onvoldoende gemotiveerd. In beroep overlegt eiser nog een verklaring van de pastors van de NIEUW LEVEN Evangelie Gemeenschap van 19 mei 2017, met daarin een getuigenis van een kerklid over de foto’s die tijdens de Bijbelstudie en de doopgelegenheid zijn gemaakt. Onder verwijzing naar een groot aantal bronnen, betoogt eiser dat de Iraanse overheid spionnen heeft in het buitenland en dat bekeerlingen daardoor een extra groot risico lopen bij terugkeer naar Irak. Tot slot betoogt eiser dat verweerder de verklaringen over de reis niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij Iran illegaal heeft verlaten en dat het voor hem niet mogelijk is om zijn paspoort naar Nederland te laten sturen. In dit verband overlegt eiser een kopie van zijn paspoort.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geheime relatie van eiser met de gehuwde vrouw en het incident waarbij hij in de woning van de vrouw is betrapt niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft verweerder niet aannemelijk gevonden dat eiser al na acht á tien dagen in het openbaar met de vrouw zou hebben afgesproken. Eiser wist immers dat de vrouw gehuwd was, dat haar echtgenoot een machtige militair was en dat mannen in Iran de doodstraf kunnen krijgen voor overspel. Het is dan ook ongerijmd dat eiser het risico zou nemen om samen gezien te worden, vooral nu hij in eerste instantie geen intentie had om een relatie te beginnen met de vrouw. Dat eiser en de vrouw in een buitenwijk van de stad zouden hebben afgesproken, maakt dit niet anders. Ook in een buitenwijk bestaat immers het risico dat eiser of de vrouw bekenden tegen het lijf lopen. Wat er verder ook zij van de grootte van [plaats], is het, gelet op dit grote risico, onaannemelijk dat eiser in het openbaar met een getrouwde vrouw zou hebben afgesproken. Dat de vrouw een Tjador droeg, meestal naar beneden keek en voorover gebogen liep, zodat zij onherkenbaar was, wordt niet gevolgd. Een Tjador laat het gezicht immers onbedekt. Zelfs als de vrouw een Tjador droeg, kon zij door anderen op straat herkend worden. Voorts heeft verweerder het niet aannemelijk kunnen achten dat de vrouw er in het bijzijn van haar vijfjarige dochter een geheime relatie met eiser op na zou houden, temeer nu de relatie ook geconsumeerd zou zijn. Het is ongerijmd dat eiser een dergelijk risico zou nemen. Van een vijfjarig kind kan niet worden verwacht dat zij haar mond houdt over de aanwezigheid van eiser. Dat de echtgenoot van de vrouw niet de vader van het meisje was en dat hij geen contact met het meisje had op het moment dat hij zijn vrouw zag, maakt dit niet anders. Voorts is het, gelet op de omstandigheid dat de vrouw getrouwd was met een majoor en eiser heeft verklaard dat militairen in Irak overal iemand kunnen vinden, niet geloofwaardig dat eiser het risico neemt om gezien te worden op het moment dat hij de woning van de vrouw betreedt, hetzij door de buren van de vrouw, hetzij door bekenden.

Nu verweerder de relatie tussen eiser en de vrouw niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft kunnen achten, is hiermee het incident op 29 maart 2014 ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

6. De rechtbank overweegt omtrent de geloofwaardigheid van de bekering van eiser tot het christendom als volgt.

6.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:762), blijkt dat verweerder een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3502) dat verweerder rekening houdt met het verschijnsel van de passieve bekering, dat wil zeggen, een bekering die een vreemdeling overkomt en die hij niet zelf heeft gezocht. Indien een vreemdeling een passieve bekering aan zijn asielaanvraag ten grondslag legt, zal, vanwege de aard van een zodanige bekering, de nadruk in het gehoor liggen op de vraag hoe de ontwikkeling van het geloofsleven na de gestelde bekering vorm heeft gekregen. Aan de antwoorden op de vragen over het proces dat tot de bekering heeft geleid, wordt in dat geval minder betekenis gehecht, omdat aan een passieve bekering eigen is dat zo'n proces meestal niet heeft plaatsgevonden. Bij een actieve bekering met enkele passieve elementen komt zowel belang toe aan de verklaringen van de vreemdeling over het proces dat daartoe heeft geleid als het proces van de geloofsontwikkeling ná de bekering.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser vaag en tegenstrijdig heeft verklaard, waardoor een passieve bekering niet aannemelijk is. Eiser heeft verklaard dat hij in zijn wanhoop toen hij voor een kerk in Turkije zat tot Jezus heeft gebeden. Hierna heeft Jezus hem geholpen aan een slaapplaats en aan werk. Niet valt in te zien welke reden of welk inzicht eiser in eerste instantie heeft bewogen om tot Jezus te bidden. Vanaf zijn twintigste heeft eiser zich immers al definitief afgekeerd van de Islam. Hij geloofde nog wel in god, maar niet in een religie. Onaannemelijk is dat eiser specifiek tot Jezus zou hebben gebeden, omdat Jezus voor hem toen enkel een profeet was. Specifieke kennis over het christendom en over Jezus heeft eiser pas later in Nederland opgedaan. Het blijkt niet dat eiser door een hem overkomen gebeurtenis is bewogen tot het bidden tot Jezus. Eiser had het moeilijk in Turkije, liep langs een kerk en bad zomaar tot Jezus. Niet is gebleken dat het allesbepalende moment, waardoor eiser zou zijn bekeerd, een hoge impact op hem heeft gehad, zoals het geval is bij passieve bekeringen. Eiser heeft aangegeven na dat moment nooit in de kerk geweest te zijn. Hij had veel problemen en kon hierdoor de kerk niet binnengaan. Op de vraag wanneer hij zich daadwerkelijk besloot te bekeren, antwoordt eiser dat hij in januari 2016 is gedoopt en een maand daarvoor vaker naar de kerk ging. Dit is ruim één jaar en twee maanden na het moment voor de kerk in Turkije. Dat eiser tijd nodig had om volledig te beseffen wat de vonk betekende die in Turkije was overgeslagen, verklaart nog niet waarom eiser na het gestelde allesbepalende moment niets heeft ondernomen en zich pas in Nederland in het christendom is gaan verdiepen. In de correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor wordt aangegeven dat eiser geen noodzaak had om de kerk te bezoeken in Turkije, omdat hij nog geen christen was. In het aanmeldgehoor heeft eiser ook verklaard dat hij zichzelf niet tot het christendom rekent. Dit is tegenstrijdig met de verklaringen over zijn passieve bekering.

6.3.

De rechtbank overweegt dat aan het rapport van Van Saane, waarin de bekering van eiser wordt gekenschetst als een overwegend passieve bekering, door verweerder geen doorslaggevend gewicht behoefde te worden toegekend. Verweerder verricht, anders dan Van Saane, een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van alle verklaringen van een vreemdeling. In het kader van die beoordeling richt verweerder zich bij zijn onderzoek en beoordeling van de asielaanvraag niet alleen op de verklaringen van een vreemdeling over zijn gestelde bekering, zoals in het rapport van Van Saane, maar verricht verweerder een op de persoon van de vreemdeling toegespitste geloofwaardigheidsbeoordeling. Bij de beoordeling van de verklaringen kent verweerder bijzonder gewicht toe aan de onderlinge samenhang van een asielrelaas en verricht hij een weging van door hem al dan niet geloofwaardig geachte elementen, die bepalend zijn voor zijn standpunt over de geloofwaardigheid van een asielrelaas als geheel. Verweerder doet dit aan de hand van de door die vreemdeling afgelegde verklaringen en eventueel overgelegde documenten, die hij beziet tegen de achtergrond van de verklaringen van een vreemdeling over zijn omgeving en herkomst, zoals de houding van de autoriteiten in het land van herkomst of de maatschappelijke opvattingen over het zich afwenden van de islam en het zich bekeren tot het christendom en wat verweerder overigens bekend is over andere vreemdelingen die bekeerd zijn in vergelijkbare situaties. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3502).

6.4.

Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser onvoldoende inzicht in zijn bekeringsproces heeft verschaft en dat voldoende kennis over de inhoud van het geloof ontbreekt. Zo verklaart eiser dat het christendom geen religie is, omdat religies met regels en wetten komen, maar heeft hij zich wel laten dopen. Er is ook geen verandering zichtbaar in het gedrag van eiser na de gebeurtenis in Turkije. Eiser leefde al jaren niet meer volgens de Islam en toonde al liefde aan en respect voor anderen. De verklaring dat hij na zijn bekering in zijn gemak en rust kan leven, is te algemeen van aard en kan dus niet overtuigen. Voorts geeft eiser geen eenduidig antwoord op de vraag of hij heeft nagedacht over de gevolgen van zijn bekering. Dat er geen nadelen aan zijn bekering zijn en dat hij geen gevaar loopt omdat Jezus naast hem is, is niet afdoende, nu eiser op de hoogte was van de Iraanse wetgeving. Van eiser had, gelet op zijn intensieve Bijbelstudie, verwacht mogen worden dat hij had geweten dat de gedachte ‘oog om oog, tand om tand’ ook in het christendom voorkomt, aangezien hij juist deze gedachte zo afkeurt in de Islam. Hoewel eiser de namen van een aantal apostelen en christelijke feestdagen kan noemen, kan hij niet aangeven welke personen uit de Bijbel hem concreet aanspreken. De verklaring dat zij allemaal heel goed zijn, is te algemeen en daarom onvoldoende. Eiser is bovendien niet in staat om de verschillen in de stromingen van het christendom te noemen. Hij geeft aan dat er geen verschil is tussen de pinkstergemeente en de evangelistengemeente. Dat hij in de beginfase van zijn kennisvergaring zit en nog leert over de verschillende stromingen en hun inhoudelijke verschillen, maakt dit niet anders.

6.5.

Met de door eiser overgelegde stukken, waaronder een pamflet van de Profetische Conferentie, een verklaring van de pinkstergemeente [pinkstergemeente], de verklaringen van de pastors van de NIEUW LEVEN Evangelie Gemeenschap van 12 april 2016, van 19 september 2016 en van 19 mei 2017, een doopakte en foto’s van de doop, heeft eiser de hiervoor genoemde onduidelijkheden omtrent zijn bekering niet weggenomen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak van 6 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:890), volgt dat dergelijke stukken kunnen dienen ter staving van de gestelde bekering van een vreemdeling, maar onverlet laten dat die vreemdeling (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid. Hierin is eiser niet geslaagd.

7. Omtrent de afkeer van de islam, stelt de rechtbank voorop dat geloofwaardig is geacht dat eiser afvallig is. Daarentegen heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zich al vijftien jaar geleden van de islam afgekeerd en heeft als gevolg van zijn afvalligheid geen problemen ondervonden. Ter zitting verklaart eiser echter voor het eerst dat hij in dienst een keer is vergeten naar het vrijdaggebed te gaan en hiervoor als straf 48 uur, met tussenpozen van twee uur pauze, op zijn post moest blijven staan. De rechtbank ziet niet in waarom eiser dit incident niet eerder naar voren heeft gebracht, nu hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Bovendien zou dit incident reeds in 2002 plaatsgevonden hebben en geeft eiser aan dat hij na het incident nog tien maanden zonder verdere problemen in dienst heeft gezeten. Dit enkele incident, wat hier verder ook van zij, maakt daarom nog niet dat eiser bij terugkeer naar Iran problemen zal ondervinden. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer iedereen zal vertellen dat de islam slecht is en dat van hem niet verlangd kan worden dat hij zich terughoudend opstelt. Nu de gestelde bekering tot het christendom ongeloofwaardig is en eiser zich al vijftien jaar geleden van de islam heeft afgekeerd, wordt niet aannemelijk geacht eiser zich bij terugkeer ineens anders zal gaan opstellen. Nu eiser in zijn gehoren heeft verklaard in het verleden geen problemen te hebben ondervonden vanwege zijn afvalligheid, maakt de aanwijzing van afvalligen van het islamitisch geloof als een risicogroep in het WBV 2017/7 ook niet dat eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Met de overgelegde algemene landeninformatie heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.

8. Ten aanzien van de foto’s die tijdens de doopdienst van eiser zijn gemaakt, heeft verweerder terecht het standpunt kunnen innemen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn kerkgang hierdoor bekend is geworden bij de Iraanse autoriteiten. Eiser heeft niet aangegeven wie deze foto’s heeft gemaakt noch dat deze man is teruggekeerd naar Iran noch dat hij de foto’s heeft geopenbaard aan de Iraanse autoriteiten. Dat uit algemene landeninformatie zou blijken dat de Iraanse overheid spionnen in het buitenland heeft en dat bekeerlingen daardoor bij terugkeer een extra groot risico lopen, waartoe eiser diverse stukken heeft overgelegd, maakt nog niet dat er in onderhavige zaak daarvan sprake is. Eiser baseert zich enkel op niet nader geconcretiseerde vermoedens en heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij om deze reden te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.

9. Ten aanzien van de beroepsgrond dat eiser bij terugkeer naar Iran een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt als gevolg van de omstandigheid dat hij het land illegaal heeft verlaten, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser zijn illegale uitreis niet aannemelijk gemaakt. Met het overleggen van een slecht leesbare kopie van zijn paspoort is dit niet aangetoond. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn illegale uitreis in de bijzondere negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten is komen te staan.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.