Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15299

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
6119441 RP VERZ 17-50388
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

het voeren van een handelsnaam in strijd met artikel 5b Handelsnaamwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

MN

Zaaknr.: 6119441 RP VERZ 17-50388

Uitspraakdatum: 30 november 2017

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de stichting STICHTING SIGILLIS REGIIS PREASIDIO,

gevestigd te Den Haag,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. T. Cohen Jehoram,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROYAL DUTCH HOLDING B.V.,

gevestigd te Den Haag,

verwerende partij,

gemachtigde: drs. P.H.M. Keesom.

Partijen worden hierna de Stichting en de Holding genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

De Stichting heeft de kantonrechter bij verzoekschrift met producties, bij de griffie ingekomen op 29 juni 2017, verzocht, kort gezegd, de Holding te veroordelen om haar handelsnaam te wijzigen. De Stichting heeft aanvullende producties ingediend. De Holding heeft ter gelegenheid van na te noemen zitting verweer gevoerd.

1.2.

Op 26 oktober 2017 heeft de mondelinge behandeling plaats gevonden. Namens de Stichting zijn verschenen de gemachtigde hiervoor genoemd alsmede mr. S.L.H. Bergsma, kantoorgenoot van de gemachtigde. Namens de Holding zijn verschenen de heer [B] , [functie] , bijgestaan door de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden. Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd. De Holding heeft ter zitting nog stukken overgelegd. De beschikking is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De Stichting, opgericht op 28 januari 2002 op initiatief van de toenmalige kroondraagster, heeft blijkens artikel 2 van haar statuten ten doel:

het verwerven, beheren en (in rechte) handhaven van intellectuele en andere (eigendoms)rechten die toebehoren aan, betrekking hebben op, of verband houden met het Huis van Oranje-Nassau en/of degenen die tot dat huis behoren, zowel ten aanzien van diegene in persoon als in het kader van te eniger tijd door (één van) hen uitgeoefende functie, waaronder begrepen het voorkomen van ongeautoriseerd gebruik of misbruik van predicaten (….), alles in de meest ruime zin des woords.

2.2.

De kroondrager heeft de mogelijkheid om, bij wijze van respect en waardering, het predicaat: “Koninklijke” te verlenen aan onder meer ondernemingen. Sinds 1988 geschiedt die toekenning aan de hand van twee Koninklijke beschikkingen, te weten Koninklijke beschikking nr. 34 als gewijzigd bij Koninklijke beschikking nr. 9 van 8 december 2004 en Koninklijke beschikking nr. 33 van 15 augustus 1988. Om voor zodanige onderscheiding in aanmerking te komen dient een onderneming:
(i) zeer belangrijk te zijn in zijn vakgebied;

(ii) minstens 100 jaar te bestaan;

(iii) minstens 100 werknemers in dienst te hebben;

(iv) aantoonbaar stabiel te zijn en een goede financiële reputatie te hebben; en

(v) een onberispelijke bedrijfsvoering hebben met bestuurders en commissarissen van onbesproken gedrag;

(vi) zich als Nederlands bedrijf te manifesteren.

In beschikking nr. 34 is in artikel 2 bepaald dat het predicaat in het buitenland mag worden gevoerd in een vreemde taal. In het Engels mag worden toegevoegd: “By Royal Warranty”.

2.3.

De Holding is opgericht op 23 december 2011, heeft blijkens de inschrijving in het handelsregister geen werknemers in dienst en houdt zich bezig met “Beheer van vennootschappen, ondernemingen en effecten”. Uit haar jaarverslag 2013 blijkt dat zij zich toelegt op het bemiddelen tussen partijen (ondernemingen) op het gebied van handel en economie, waarbij haar activiteiten zich vooral richten op de Noord-Afrikaanse regio en de oliestaten. Aan haar is niet het predicaat “Koninlijk(e)” verleend.

2.4.

De Holding heeft geen gevolg gegeven aan verzoeken van de Stichting om het element “Royal” uit haar handelsnaam te laten vervallen.

3 De verzoeken

3.1.

De Stichting doet de volgende verzoeken (voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad):

a. de Holding te veroordelen zodanige wijziging in haar handelsnaam aan te brengen dat deze geen strijd meer oplevert met artikel 5b van de Handelsnaamwet (Hnw), daarin bestaande dat zij de aanduiding “Royal” uit haar handelsnaam verwijdert, althans haar handelsnaam in ieder geval zodanig wijzigt dat niet de indruk wordt gewekt dat het recht bestaat een koninklijk predicaat te voeren;

b. de Holding te veroordelen de wijziging van de handelsnaam binnen vijf werkdagen na de beschikking van de kantonrechter door te voeren in het handelsregister, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft;

c. de Holding te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van de beschikking.

3.2.

Aan deze verzoeken legt de Stichting, onder verwijzing naar de feiten, het navolgende ten grondslag.

De stichting is gelet op haar doelstelling belanghebbende in de zin van artikel 6 Hnw.

Zij is gerechtigd op te treden tegen onterecht gebruik van het predicaat “koninklijk” waarbij het woord “royal” ook gebruik oplevert van het Koninklijk predicaat, in het bijzonder indien het gebruikt wordt in samenhang met het woord “Dutch”. Zij stelt dat in de huidige internationale maatschappij de predicaathouders het Engelse woord vaak in combinatie met “Dutch” in hun handelsnaam gebruiken. Zij willen zo benadrukken dat het predicaat door de Nederlandse koning is toegekend.

Aangezien aan de Holding niet het predicaat Koninklijk(e) is toegekend is zij niet gerechtigd dat predicaat te voeren. Het voeren van haar handelsnaam is in strijd met artikel 5b Hnw nu het publiek ten onrechte zal menen dat aan de Holding het predicaat is toegekend. De Holding tracht zich met haar handelsnaam in het bijzonder in het buitenland te onderscheiden als een koninklijk onderscheiden onderneming en meet zich om die reden een niet met de werkelijkheid strokend (te groots) imago aan waardoor misleiding van het publiek te duchten is. Niet voor niets is het predicaat zeer gewild omdat het predicaat positieve associaties oproept bij het publiek. Door het gebruik van het predicaat door de Holding, wordt misbruik gemaakt van en afbreuk gedaan aan de beschermde titel van het predicaat. Er is misleiding van het publiek te duchten dat mogelijk commerciële beslissingen neemt die het anders niet zou nemen. Daar komt nog eens bij dat in de automatische e-mailhandtekening van de statutair directeur is toegevoegd: “Royal House”, hetgeen de associatie nog versterkt.

3.3.

De Holding heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Zij voert in de eerste plaats aan dat de Stichting niet ontvangen dient te worden in haar verzoek. Nu de Koning (op basis van gewoonterecht) zelf de predicaten verleent dient hij overeenkomstig artikel 77 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als verzoeker op te treden. De Holding wijst er daarbij op dat de Stichting niet beschikt over een mandaat.

De bescherming van de predicaten waar het in deze procedure om gaat dient zich te beperken tot “Koninklijke”. Het gebruik van vertalingen daarvan roept veel vragen op aangezien Nederlandse ondernemingen die het predicaat hebben verworven vertalingen van hun handelsnaam gebruiken, niet alleen de Engelse. Daarbij treden in Nederland buitenlandse instellingen en ondernemingen naar voren die een koninklijk onderscheidingsteken vanuit het buitenland, en mogelijk zelfs van inmiddels niet meer functionerende monarchieën hebben ontvangen.

Dat alleen “Koninklijke” wordt beschermd is ook in overeenstemming met de feiten. Er zijn heel veel ondernemingen en instanties die “royal” in hun naam gebruiken en dat varieert van restaurants in Den Haag tot gebouwen in Den Haag, waaronder het pand waarin de Holding ruimte huurt, het “Royal House”, waaraan zij ook haar naam ontleent. Ook is “royal” in Engeland, België en Noord-Frankrijk een familienaam. Er is bovendien sprake van rechtsverwerking omdat de Stichting de bron van inspiratie voor de handelsnaam van de Holding, te weten de verhuurder van haar pand, niet aanspreekt.

De Kamer van Koophandel heeft, ten slotte, op 19 januari 2017 nog aan de Holding bericht dat het gebruik van het woord “Royal” zo wijd verbreid is dat de Stichting nog wel twintig jaar werk zal hebben om al die ondernemingen te doen stoppen met het gebruik van dat woord.

4 De beoordeling

4.1.

De Holding stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de Stichting niet kan worden ontvangen in haar verzoeken, waartegenover laatstgenoemde stelt dat zij is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 6 Hnw.

Belanghebbenden in de zin van artikel 6 Hnw zijn degenen wier belangen door de artikelen 3 tot en met 5 Hnw worden beschermd. Dat kunnen ook rechtspersonen zijn die een collectief of algemeen belang behartigen. De Stichting is naar het oordeel van de kantonrechter als zodanig aan te merken. Op grond van haar statuten beschermt zij onder meer het ongeautoriseerd gebruik van predicaten zodat de bescherming van de belangen die in deze procedure aan de orde zijn expliciet tot haar statutaire doelstelling behoort. Het beschermen van deze belangen ontstijgt het individuele belang nu degenen die het predicaat “Koninklijke” hebben verworven er belang bij hebben gebruik te kunnen maken van het onderscheidend vermogen dat dit predicaat biedt. Het enkele feit dat er een wettelijke regeling bestaat waarin is opgenomen op welke wijze een optreden van de Koning als eiser of verzoeker moet plaatsvinden doet daaraan niet af. Die regeling ziet immers op de situaties waarin de Koning als eiser of verzoeker optreedt, maar houdt geen beperking in van de mogelijkheden van de Stichting.

4.2.

Uitgangspunt voor de verdere beoordeling is dat een op de Hnw gebaseerd verzoek alleen betrekking kan hebben op het gebruik van een handelsnaam in Nederland door een Nederlandse of buitenlandse onderneming. De kantonrechter zal geen grensoverschrijdend gebod kunnen opleggen omdat de bescherming die de Hnw biedt beperkt is tot het Nederlandse territoir. Dat de koninklijke beschikking vermeldt dat het predicaat in het buitenland mag worden gebruikt in de Engelse taal (of een andere in de beschikking vermelde taal) doet daaraan niet af. In deze zaak wordt een op de Hnw gebaseerd verzoek gedaan en dat houdt in dat de beperkingen van zo’n verzoek in acht moeten worden genomen. Het gaat in deze zaak dus niet om de indruk die de Holding in het buitenland wil wekken, wel om de indruk die de Holding in Nederland wil wekken. In dat verband heeft de Stichting onweersproken naar voren gebracht dat de Holding zowel Nederlandse als buitenlandse klanten bedient.

4.3.

Artikel 5b Hnw voorziet in een verbod van misleiding ten aanzien van aard, karakter, betekenis of voortbrengselen van de onderneming. Voorop staat dat partijen het er over eens zijn dat van zodanige misleiding sprake zou kunnen zijn als de Holding het Nederlandse predicaat “koninklijke” in haar handelsnaam zou voeren. De kantonrechter onderschrijft dit standpunt aangezien in dat geval gebruik zou worden gemaakt van een aanduiding die, naar algemeen bekend is, voorbehouden is aan ondernemingen die, na toetsing aan strikte voorwaarden, toestemming van de kroondrager hebben ontvangen om dat predicaat te gebruiken. Gebruik van het predicaat wekt dan de misleidende indruk dat voormelde toets is uitgevoerd en het predicaat van de kroondrager is ontvangen.

4.4.

Gelet op het voorgaande komt het standpunt van de Holding er, kort gezegd, op neer dat zij aangesproken zou kunnen worden op het gebruik van de handelsnaam “Koninklijke Nederlandse houdstermaatschappij” maar dat zij niet aangesproken kan worden op het gebruik van de handelsnaam “Royal Dutch Holding”. De vraag is of dat standpunt in de huidige geïnternationaliseerde Nederlandse samenleving te billijken is.

De kantonrechter is van oordeel dat niet goed valt in te zien waarom, als het gebruik van “Koninklijke Nederlandse Houdstermaatschappij” een onjuiste indruk zou geven van de door de Holding gedreven onderneming en daarvan misleiding van het publiek te duchten is (te weten: het ten onrechte aannemen dat de Holding een prestigieus predicaat van de kroondrager heeft verworven), dit voor de Engelse vertaling van die handelsnaam niet zou gelden. Anno 2017 is het gebruik van de Engelse taal in de Nederlandse samenleving immers zo gebruikelijk geworden dat het publiek veel minder onderscheid zal maken tussen “koninklijke Nederlandse” en “Royal Dutch”. Dat blijkt ook wel uit de onbestreden door de Stichting aangedragen feiten inhoudende dat grote Nederlandse ondernemingen als Shell en KLM zich ook binnen Nederland presenteren met een handelsnaam waarvan “Royal Dutch” deel uitmaakt. Bovendien is in de beschikking die betrekking heeft op het predicaat “koninklijke” ook al rekening gehouden met het gebruik van koninklijke in een vreemde taal, waaronder Engels, als onderdeel van de rechten die aan toekenning van het predicaat kunnen worden ontleend, ook al het gaat het in 1988 nog niet over het gebruik van “royal” in Nederland.

4.5.

Aan het voorgaande doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af dat er wellicht buitenlandse ondernemingen zijn die hier te lande het woord “royal” in hun handelsnaam gebruiken terwijl zij dat ontlenen aan een ander koningshuis dan het Nederlandse. Evenmin is van belang dat er ondernemingen fungeren die anderszins het woord “royal” gebruiken of wat het standpunt van de Kamer van Koophandel is. Het gaat om het gebruik van de handelsnaam door deze onderneming (de Holding) en het is de vraag of het gebruik van “Royal Dutch holding” door deze onderneming misleidend zou kunnen zijn. Die vraag is hiervoor al beantwoord.
Van rechtsverwerking is evenmin sprake, reeds niet omdat de Stichting ter zitting heeft aangegeven niet bekend te zijn met de naam van het pand waar de Holding kantoorruimte huurt en zij –nu zij daarmee bekend is geraakt- zich ook zal richten tot de verhuurder.

4.6

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verzoeken van de Stichting zullen worden toegewezen zoals hierna wordt vermeld, waarbij de termijn voor het voldoen aan de veroordeling strekkende tot wijziging van de handelsnaam in het Handelsregister zal worden gekoppeld aan de betekening van de beschikking en op twee weken zal worden bepaald. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Holding conform het verzoek van de Stichting worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, waarbij ook de veroordeling tot betaling van wettelijke rente zal worden gekoppeld aan de betekening van de beschikking.

5 De beslissing

De kantonrechter:

  • -

    veroordeelt de Holding om zodanige wijziging in haar handelsnaam aan te brengen dat de aanduiding “Royal” in de handelsnaam “Royal Dutch Holding komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt de Holding om de wijziging van haar handelsnaam binnen veertien dagen na de betekening van deze beschikking door te voeren in het Handelsregister op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de Holding daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,--;

- veroordeelt de Holding tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de Stichting tot heden begroot op € 499,78, waarvan € 300,- aan salaris gemachtigde;

- bepaalt dat voormelde proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na de betekening van deze beschikking dient te worden voldaan bij gebreke waarvan vanaf de vijftiende dag na de betekening de wettelijke rente verschuldigd is;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Th. Nijhuis, kantonrechter en bij vervroeging op 30 november 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.