Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15295

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
SGR 17/3680
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek, passage van zeven woorden terecht niet openbaar gemaakt omdat zij persoonlijke beleidsopvattingen bevat, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3680

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , woonachtig te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Dekker).

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van eisers verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Bij besluit van 27 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij brief van 27 oktober 2016 heeft eiser verweerder op grond van de Wob verzocht om – samengevat – openbaarmaking van alle stukken die vanaf 16 december 2015 over hem persoonlijk of over zijn horecaonderneming “ [horecaonderneming] ” te [plaats] richting gemeenteraad, college, burgemeester, bezwarencommissie of een individuele wethouder zijn gegaan. Verder heeft eiser aangegeven inzicht te willen in de wijze van registreren van zijn klachten, de relevante interne gesprekken, onderzoeken naar aanleiding van zijn (eerder gedane) klachten en de meldingen die er zijn gedaan over onethisch gedrag overeenkomstig het gedragsprotocol.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser op grond van artikel 3 van de Wob in het bezit gesteld van alle relevante beschikbare stukken die binnen de reikwijdte van eisers verzoek vallen en die zich bij verweerder bevinden. Daarbij heeft verweerder op alle stukken enkele namen van medewerkers van de gemeente en derden weggelakt op basis van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Verder heeft verweerder op de eiser ter beschikking gestelde documenten ‘vier actielijsten van het portefeuilleoverleg met de burgemeester over onderwerpen die het Wob-verzoek raken’, ‘Agenda PO wethouder [wethouder]’ en ‘Actiepunten Overzicht PO wethouder [wethouder]’ enkel de informatie leesbaar gelaten die op eiser of zijn bedrijf toeziet. Ook heeft verweerder op het document ‘Actiepunten Overzicht PO wethouder [wethouder]’ op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob twee zinnen weggelakt die volgens verweerder persoonlijke beleidsopvattingen van de wethouder bevatten.

1.3

Op 27 januari 2017 heeft eiser tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend en op 16 maart 2017 is eiser in bezwaar gehoord. De Onafhankelijke Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Krimpenerwaard (de bezwaarschriftencommissie) heeft vervolgens op 19 april 2017 een advies uitgebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie – eisers bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Eisers bezwaar is volgens verweerder in zoverre gegrond, dat bij het primaire besluit ten onrechte niet alle feitelijke informatie in het document ‘Actiepunten Overzicht PO wethouder [wethouder]’ openbaar is gemaakt. Verweerder heeft eiser opnieuw een afschrift van dit document doen toekomen, waarbij de extra feitelijke informatie niet is weggelakt. Eisers bezwaar is volgens verweerder ten dele ongegrond, nu het document ‘Actiepunten Overzicht PO wethouder [wethouder]’ een passage van zeven woorden bevat die moet worden aangemerkt als een persoonlijke beleidsopvatting en die dus op goede gronden is weggelakt.

3. In beroep voert eiser aan – samengevat – dat het Wob-verzoek is gedaan omdat er bij de herbestemming van zijn bedrijf heel veel zou zijn gelogen door ambtenaren en wethouder [wethouder]. Volgens eiser wordt nu een deel van het gespreksverslag van een formeel overleg over het bestemmingsplan niet vrijgegeven omdat de wethouder dit uit persoonlijke titel zou hebben gezegd. Eiser kan zich hiermee niet verenigen omdat het volgens hem een formeel overleg betrof waarbij de wethouder een formele rol als wethouder had, omdat de ambtenaren ook in het verleden hebben geacteerd naar de persoonlijke mening van de wethouder, omdat het bedrijf van eiser op grond van de persoonlijke mening van de wethouder is vernietigd, omdat eiser aangifte tegen de wethouder zal doen vanwege het verstrekken van valse informatie en omdat het belang van transparante besluitvorming en een eerlijke en oprechte overheid volgens eiser belangrijker is dan het beschermen van de wethouder.

4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan eenieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob, wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ter zitting is gebleken dat het geschil zich beperkt tot de vraag of verweerder heeft mogen weigeren om een passage van zeven woorden in het document ‘Actiepunten Overzicht PO wethouder [wethouder]’ openbaar te maken.

5.2

De rechtbank is, na kennisneming van de volledige tekst van het document met toestemming van eiser, van oordeel dat verweerder de betreffende passage terecht heeft aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen, aan openbaarmaking waarvan artikel 11, eerste lid, van de Wob in de weg staat.

Voor zover eiser met zijn betoog en meer in het bijzonder met zijn standpunt dat het belang van transparante besluitvorming en een eerlijke en oprechte overheid belangrijker is dan het beschermen van de wethouder, een beroep doet op artikel 11, tweede lid, van de Wob, overweegt de rechtbank dat dit beroep niet kan slagen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 11 van de Wob is aan verweerder, met het oog op een goede en democratische bestuursvoering, een discretionaire bevoegdheid toegekend om informatie te verstrekken over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot de persoon herleidbare vorm of, in het geval degene die deze opvattingen heeft geuit zich erachter heeft gesteld, in tot de persoon herleidbare vorm. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 14 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK0116), is de beslissing om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken aan het bestuursorgaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de aard en de inhoud van de passage, in redelijkheid heeft mogen afzien van gebruikmaking van de in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid.

7. Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.