Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
09/777071-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

JMK-Promis

Van medeplegen is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake indien de verdachte aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit ook zelf moet hebben verricht.

De verdachte heeft samen met haar medeverdachte een plan gemaakt om iemand te beroven. Vervolgens heeft de verdachte een afspraak gemaakt met de aangever. De verdachte heeft van tevoren op verzoek van haar medeverdachte gecontroleerd of de aangever een iPhone 6 had. In overleg met haar medeverdachte heeft ze de aangever vervolgens op een bepaald tijdstip naar een bepaalde plaats gelokt. Op het moment van de beroving was de verdachte niet feitelijk aanwezig, echter in de nacht na de beroving heeft zij wel weer contact met haar medeverdachte gehad en heeft zij aanspraak gemaakt op een deel van de buit. Gelet op voornoemde handelingen heeft de verdachte een voldoende significante bijdrage aan de beroving geleverd en is er sprake van medeplegen. Dat de verdachte op het moment van de beroving niet aanwezig was en ook niet wist dat de beroving met behulp van een vuurwapen zou plaatsvinden, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777071-16

Datum uitspraak: 20 februari 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 februari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. van Schoonderwoerd den Bezemer - Wolters en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. M.M. Vié, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 06 juli 2016 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een Iphone 6 en/of Iphone-oortjes en/of een pet (merk Deus), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zich onherkenbaar maken door een sjaal/kledingstuk voor zijn, (mede)verdachtes, gezicht te trekken

en/of

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp/een alarmrevolver aan die [aangever] en/of

- het richten/zetten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp/die revolver op/tegen het hoofd/de

slaap en/of op het lichaam van die [aangever] en/of

- ( daarbij/daarna) dreigend de woorden zeggen: "Geef me je telefoon en je spullen " en/of "Schakel je

wachtwoord en je Icloud uit " en/of "Geef me jeportemonnee en je pinpas" en/of "Je moet

5 minuten wachten totdat je weg mag lopen. Ik weet waar je woont"

terwijl het feit werd begaan op de openbare weg;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] op of omstreeks 06 juli 2016 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een Iphone 6 en/of Iphone-oortjes en/of een pet, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zich onherkenbaar maken door een sjaal/kledingstuk voor zijn, verdachtes, gezicht te trekken en/of

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp/een alarmrevolver aan die [aangever] en/of

- het richten/zetten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp/die revolver op/tegen het hoofd/de

slaap en/of op het lichaam van die [aangever] en/of

- ( daarbij/daarna) dreigend de woorden zeggen: "Geef me je telefoon en je spullen " en/of "Schakel je

wachtwoord en je Icloud uit " en/of "Geef me je portemonnee en je pinpas" en/of "Je moet

5 minuten wachten totdat je weg mag lopen. Ik weet waar je woont",

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 06 juli 2016 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een afspraak te maken met die [aangever] (via Snapchat) en/of

- uit te zoeken of en/of door te geven welk type telefoon die [aangever] heeft en/of

- aan die [medeverdachte] door te geven dat [aangever] met de fiets komt en dat die [aangever] om tien uur bij

KFC zal zijn en/of

- een foto van die [aangever] aan die [medeverdachte] te zenden;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 6 juli 2016 is [aangever] onder bedreiging van een wapen beroofd van zijn iPhone 6, een pet en iPhone-oortjes. [medeverdachte] is bij vonnis van deze rechtbank van 28 oktober 2016 veroordeeld voor het in vereniging plegen van deze beroving (afpersing). De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich op 6 juli 2016 te ’s-Gravenhage samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van de aangever, zoals primair ten laste gelegd, of dat de verdachte medeplichtig is geweest aan deze afpersing, zoals subsidiair ten laste gelegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het haar primair ten laste gelegde heeft begaan.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat er, gelet op de bepalende rol die de verdachte heeft gehad bij het plegen van de afpersing, sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte in die zin dat er sprake is van medeplegen. De verdachte heeft samen met haar medeverdachte een plan gemaakt om iemand te beroven, vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer, dat zij van vroeger kende, in de val gelokt, waarna haar medeverdachte het slachtoffer onder bedreiging van een vuurwapen heeft beroofd. Ook zou de verdachte in de buit delen.

Dat de verdachte op het moment van de afpersing fysiek niet aanwezig was, brengt niet mee dat niet van medeplegen kan worden gesproken.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Zij heeft hiertoe gesteld dat er bij de verdachte geen sprake is geweest van een significante, wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht aan het feit . De verdachte werd, aldus de raadsvrouw, onder druk gezet om haar medeverdachte aan geld te helpen. Hun relatie was vanwege het grote leeftijdsverschil ongelijkwaardig.

De bijdrage van de verdachte aan de afpersing bestaat, aldus de raadvrouw, feitelijk uit niet meer dan het ‘aanbrengen’ van het slachtoffer. Zij heeft geen (gezamenlijke) uitvoeringshandelingen gepleegd, aangezien ze zelf niet aanwezig was tijdens het delict, en ze heeft ook achteraf geen bijdrage geleverd of in de buit gedeeld. De medeverdachte is degene geweest die het initiatief heeft genomen. Gelet hierop is, aldus de raadsvrouw, de gedraging van de verdachte aan te merken als medeplichtigheid en kan aldus het subsidiair ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Op 6 juli 2016 heeft de aangever om 21.10 uur met de verdachte, een oud klasgenootje, afgesproken bij de [adres] , naar aanleiding van een snapchatbericht van aangever. De aangever is met de fiets vanuit Wateringen naar de [adres] gefietst. Toen hij daar om 21.10 uur op de verdachte stond te wachten stuurde de verdachte hem een bericht dat haar ouders nog thuis waren. De aangever is vervolgens naar een klein grasveldje gelopen dat was gelegen tussen flats op de [adres] .

Ondertussen had hij constant via WhatsApp contact met de verdachte. Na enkele minuten kwam er een man zijn kant oplopen. Deze man liep direct op de aangever af. De man had iets voor zijn gezicht getrokken en pakte met zijn rechterhand een revolver. Vervolgens richtte de man de revolver op het hoofd en lichaam van aangever en zette hij deze tegen de slaap van de aangever. Hierbij zei de man: “Geef mij je telefoon en geef mij je spullen.”

Nadat de aangever zijn iPhone had afgegeven en in opdracht van de man zijn wachtwoord en iCloud had uitgeschakeld, zei de man dat de aangever ook zijn pet, zijn oortjes, zijn portemonnee en zijn pinpas moest geven. De aangever heeft hierop gezegd dat hij geen portemonnee en pinpas bij zich had. De pet en de oortjes heeft de aangever aan de man gegeven. Vervolgens zei de man dat de aangever 5 minuten moest wachten voordat hij weg mocht lopen en dat de man wist waar de aangever woonde. De aangever heeft de man omschreven als een Antilliaanse of Surinaamse man van ongeveer 1.81 meter lang. Omdat hij al lange tijd geen contact met de verdachte had gehad en zij nu ineens gereageerd had op zijn snapchatbericht en gelijk wilde afspreken, had de aangever het vermoeden dat de verdachte iets met de beroving te maken had.2

Op 6 juli 2016 is er met de telefoon die in gebruik was bij de verdachte een gesprek gevoerd met de telefoon met [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer was ten tijde van het tenlastegelegde in gebruik bij de [medeverdachte] .3

De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] degene is die onder de naam “Geld” in haar telefoon staat vermeld.4

In het gesprek d.d. 6 juli 2016 zijn onder meer de volgende berichten gestuurd 5:

6 juli 2016 om 16.59 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

(…) We wachten daar en dan als hij is je app dan we komen. Daar pakken we hem weg direct.

6 juli 2016 om 16.59 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

(…) Maby ik doen alleen..

6 juli 2016 om 17.01 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

Hij moet met iets goeds komen ofso zwz telly. Zeg tegen hem kom met lappie..oo

6 juli 2016 om 17.01 uur, ingesproken bericht van [medeverdachte] naar de verdachte waarin [medeverdachte] aangeeft wat de verdachte moet doen en dat ze het zo moet zeggen dat het niet verdacht is.

6 juli 2016 om 18.52 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

Maar zeg tegen hem (…) Ik wil kfc daarna het is naast me huis didat.

6 juli 2016 om 18.58 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] :
Er is zo hollander ik praat nooit met hem maar als ik hem zeg kom hij komt gelijk.

6 juli 2016 om 18.59 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] :
Hij heeft zeker 6.

6 juli 2016 om 19.00 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

Licheraan hoe hij eruit ziet maar moet hij wel iphone 6 hebbe tg.

  • -

    6 juli 2016 om 19.00 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] bestaande uit een foto van een manspersoon met een telefoon in zijn hand.

  • -

    6 juli 2016 om 19.02 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

Maby 6 met hoesje.

6 juli 2016 om 19.02 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

Zeg die [aangever] kom.

6 juli 2016 om 19.16 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] :
[aangever] komt.

6 juli 2016 om 19.55 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] :
Hij komt van wateringen met fiets.

6 juli 2016 om 19.02 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:

Ik kom naar jou ff ik kom me eten daar eten en prten hoe we gaan doen.

6 juli 2016 om 19.56 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] :
Rond half 9 hij is er.

6 juli 2016 om 21.21 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] :
Is die gai van kfc hier.

7 juli 2016 om 01.17 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte:
Moss nu, je krijg egt geen meoney meer man.

7 juli 2016 om 01.18 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] :
Ben Bonnie geen slaaf. Zonder mij je had die geld niet eens nu.

7 juli 2016 van 01.30 uur meerdere WhatsApp-berichten van [medeverdachte] naar de verdachte: Welke oortjes -- van die gai --- moet je hebbe

7 juli 2016 om 01.33 uur, WhatsApp-bericht van de verdachte naar [medeverdachte] ;

stuur foto.

7 juli 2016 om 01.36 uur, WhatsApp-bericht van [medeverdachte] naar de verdachte bestaande uit een foto van een hand die oortjes/een headset vastheeft.

De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde berichten vast dat er tot kort voor de beroving van de aangever contact is geweest tussen de verdachte en [medeverdachte] .

Dit contact had gelet op de inhoud van de gewisselde berichten betrekking op de aangever, op het tijdstip dat de aangever ergens zou zijn en op de iPhone 6 van de aangever.

Bovendien is er na de beroving wederom contact geweest tussen de verdachte en [medeverdachte] . Aangezien in dit contact wordt gesproken over geld en oortjes heeft het er naar het oordeel van de rechtbank alle schijn van dat hier wordt gedoeld op oortjes die bij de beroving van de aangever zijn weggenomen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de aangever naar haar buurt heeft gelokt, zodat hij door [medeverdachte] zou worden beroofd.

De verdachte had met [medeverdachte] samen het plan bedacht en zij wist dat [medeverdachte] de aangever zou beroven, terwijl de aangever dacht dat hij op haar stond te wachten. De verdachte was op het moment van de beroving thuis. De verdachte heeft tevens verklaard dat zij niet wist dat [medeverdachte] bij de beroving een vuurwapen zou gebruiken. Zij wist niet dat hij een vuurwapen had. Ze heeft dit nooit bij [medeverdachte] gezien. Ze dacht dat de aangever wel bang zou zijn voor [medeverdachte] , omdat deze groot en intimiderend is. De verdachte heeft ook verklaard dat [medeverdachte] het er al eerder over had om iemand te beroven, dat er die avond via WhatsApp ook over de mogelijke beroving van ene [naam 1] is gesproken, maar dat dit niet is gebeurd. In de nacht na de beroving heeft de verdachte weer contact gehad met [medeverdachte] , zoals ook uit de WhatsApp-berichten blijkt. De verdachte heeft aangegeven dat zij niet weet wat er met de mobiele telefoon van de aangever en met zijn pet is gebeurd. Bovendien vond zij eigenlijk dat zij wel een deel van de buit verdiende. De verdachte heeft voorts aangegeven dat zij door [medeverdachte] onder druk is gezet en dat hij haar heeft bedreigd en geslagen.6

De raadsvrouw heeft betoogd dat geen sprake is van medeplegen, maar van medeplichtigheid.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Van medeplegen is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake indien de verdachte aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit ook zelf moet hebben verricht.

De verdachte heeft samen met haar medeverdachte een plan gemaakt om iemand te beroven. Vervolgens heeft de verdachte een afspraak gemaakt met de aangever. De verdachte heeft van tevoren op verzoek van haar medeverdachte gecontroleerd of de aangever een iPhone 6 had. In overleg met haar medeverdachte heeft ze de aangever vervolgens op een bepaald tijdstip naar een bepaalde plaats gelokt. Op het moment van de beroving was de verdachte niet feitelijk aanwezig, echter in de nacht na de beroving heeft zij wel weer contact met haar medeverdachte gehad en heeft zij aanspraak gemaakt op een deel van de buit. Gelet op voornoemde handelingen heeft de verdachte een voldoende significante bijdrage aan de beroving geleverd en is er sprake van medeplegen. Dat de verdachte op het moment van de beroving niet aanwezig was en ook niet wist dat de beroving met behulp van een vuurwapen zou plaatsvinden, maakt dit niet anders.

De verdachte heeft er zelf voor gekozen om mee te doen aan de beroving en in de berichten heeft zij ook duidelijk aangegeven dat zij zichzelf ziet als Bonnie, naar zij ter zitting heeft verklaard, het vrouwelijke deel van het notoire bankroversduo Bonnie en Clyde, en dat zij geen slaaf is.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op 6 juli 2016 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van de in de tenlastelegging genoemde goederen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

zij op 06 juli 2016 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een Iphone 6 en Iphone-oortjes en een pet (merk Deus), toebehorende aan [aangever] , welke bedreiging met geweld bestond uit het

- zich onherkenbaar maken door een sjaal/kledingstuk voor zijn, medeverdachtes, gezicht te trekken

en

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangever] en

- het richten/zetten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd/de slaap en

op het lichaam van die [aangever] en

- daarbij dreigend de woorden zeggen: "Geef me je telefoon en je spullen " en "Schakel je

wachtwoord en je Icloud uit " en "Geef me jeportemonnee en je pinpas" en "Je moet 5 minuten

wachten totdat je weg mag lopen. Ik weet waar je woont"

terwijl het feit werd begaan op de openbare weg.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering inclusief de meldplicht, het meewerken aan MDFT, het volgen van een behandeling (individueel en in de zogenaamde meidengroep) bij het Palmhuis en een verbod om op enige wijze contact te hebben met [medeverdachte] , alsook tot een werkstraf van 60 uren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, het meewerken aan MDFT en het volgen van een behandeling (individueel en in de meidengroep) bij het Palmhuis. Ook tegen het contactverbod met [medeverdachte] verzet de raadsvrouw zich niet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met iemand anders schuldig gemaakt aan afpersing van een vijftienjarige jongen, die op straat is bedreigd met een nauwelijks van echt te onderscheiden vuurwapen. De rechtbank neemt het de verdachte uitermate kwalijk dat zij een minderjarige jongen die zij van vroeger kende onder valse voorwendselen naar de plek van de beroving heeft gelokt, om hem door haar mededader te laten beroven. Door het gebruik van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, het afdekken van het gezicht en het uiten van dreigende woorden is de beroving een zeer angstaanjagende situatie voor het slachtoffer geweest.

De verdachte en haar mededader zijn volledig voorbij gegaan aan de gevolgen die een dergelijk geweldsdelict voor het slachtoffer kan hebben. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring ondervindt het slachtoffer, ook nu nog, psychische schade van de beroving. Zijn vertrouwen in de mensheid is ook flink verminderd.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict.

De rechtbank heeft acht geslagen op enkele voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) betreffende de persoon van de verdachte, waaronder het meest recente rapport d.d. 16 augustus 2016.

Blijkens dit rapport komt het Algemeen Recidive Risico uit op hoog en maakt de Raad zich ook ernstig zorgen over de toename in frequentie en ernst van de delicten en het gedrag van de verdachte. Om recidive te voorkomen vindt de Raad het van belang dat er aandacht is voor het aanleren bij de verdachte van sociale en cognitieve vaardigheden. Er is sprake van een gebrekkige boosheidcontrole en de verdachte heeft vaardigheidstekorten. De Raad is van mening dat een leerstraf de meest passende strafrechtelijke reactie is. De verdachte heeft eerder een werkstraf opgelegd gekregen en die lijkt tot nu toe weinig effect te hebben gehad op haar gedrag.

De Raad acht voorts begeleiding van de jeugdreclassering nodig om toe te zien op de bijzondere voorwaarden en vrijetijdsbesteding en het inzetten van een delictanalyse.

De Raad adviseert een taakstraf op te leggen in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie TACT, alsook een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.

Als bijzondere voorwaarden wordt - naast de meldplicht - geadviseerd het zich onder passende behandeling van een instantie zoals ‘De Jutters' stellen, onderwijs volgen gedurende de tijd dat de verdachte leerplichtig is en een verbod contact te leggen of te laten leggen met de medeverdachte.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting is van de zijde van de jeugdreclassering meegedeeld dat de verdachte inmiddels, voor nog onbepaalde tijd, in een meidengroep zit bij het Palmhuis en dat het de bedoeling is dat zij daar ook nog een individuele behandeling gaat volgen. Ook MDFT zit in de opstartfase. In plaats van het opleggen van de leerstraf TACT wordt dan ook verzocht de behandeling bij het Palmhuis en het meewerken aan MDFT als bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook een contactverbod met de medeverdachte wordt een passende bijzondere voorwaarde geacht.

Namens de Raad is ter terechtzitting vervolgens het strafadvies gewijzigd, in die zin dat wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke, deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering inclusief de meldplicht, het meewerken aan MDFT, het volgen van een behandeling (individueel en de meidengroep) bij het Palmhuis en een verbod om op enige wijze contact te hebben met medeverdachte. Voor de volledigheid adviseert de Raad ook om het luisteren naar de ouders en het naar school blijven gaan als bijzondere voorwaarden op te nemen.

De op te leggen straf

De rechtbank is, met name gelet op de ernst van het feit, de significante rol van de verdachte en de doelbewustheid waarmee de verdachte het slachtoffer in de val heeft gelokt, waarbij zij misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwen, allereerst van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en haar begeleiding en behandeling te waarborgen, ziet de rechtbank wel aanleiding het grootste deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen, met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, het meewerken aan MDFT, het volgen van een behandeling (individueel en de meidengroep) bij het Palmhuis en een verbod om op enige wijze contact te hebben met [medeverdachte] .

Een aantal van de bijzondere voorwaarden is erop gericht om ervoor te zorgen dat de verdachte zich in de toekomst niet meer met mannen zoals de medeverdachte inlaat.

De stelling van de verdachte dat zij onder druk van de medeverdachte stond, rechtvaardigt niet een lagere straf. De rechtbank ziet immers in de bewijsmiddelen een dermate actieve rol van de verdachte dat haar handelen niet slechts kan worden afgedaan als onder druk verricht.

De rechtbank ziet geen reden het naar school gaan als bijzondere voorwaarde op te leggen, nu de verdachte gemotiveerd is om haar examen te halen en een extra stimulans hiertoe niet noodzakelijk lijkt. De rechtbank gaat er ook vanuit dat de verdachte naar haar ouders luistert en dat dus het opnemen daarvan als bijzondere voorwaarde niet nodig is.

De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van de straf reeds in voorarrest doorgebracht.

Naast voornoemde jeugddetentiestraf ziet de rechtbank tevens reden de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. De verdachte dient zich goed te realiseren hoe strafwaardig haar gedrag is geweest.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[naam 2] heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger van [aangever] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.817,71, bestaande uit € 1.467,71 aan materiële schade en € 1.350,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft matiging van de materiële schade bepleit, nu de schade wat betreft de iPhone onvoldoende onderbouwd is en omdat onvoldoende duidelijk is waarom voor de EMDR-therapie deze specifieke therapeut is gekozen, terwijl de kosten van deze therapeut niet door de verzekering wordt vergoed. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw eveneens matiging bepleit en de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij een vonnis van deze rechtbank waarbij aan een slachtoffer dat ook met een vuurwapen werd bedreigd een bedrag van € 500,- aan immateriële schade is toegekend.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten iPhone, telefoonhoesje, telefoonaccesoires, Deus pet en medische kosten is, hoewel namens de verdachte betwist, naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en derhalve toewijsbaar. Niet relevant is of het slachtoffer ook aanspraak zou kunnen maken op een verzekeringsuitkering. Daartoe kan hij in ieder geval niet worden verplicht. Ook in de keuze van een EMDR-therapeut stond hij vrij. Dat de betreffende behandeling niet voor vergoeding door een ziektekostenverzekering komt is iets dat voor risico van verdachte komt.

Voorts acht de rechtbank de vordering, hoewel betwist, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 1.350,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- naar billijkheid toewijsbaar. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.467,71.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 6 juli 2016 is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € € 2.467,71, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het haar bij dagvaarding primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 120 DAGEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie groot 116 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- haar medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht,

bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,

de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de (jeugd)reclassering te bepalen tijdstippen zal

melden bij de (jeugd) reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk

acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van het Palmhuis voor deelname

aan de meidengroep danwel voor het volgen van een individuele behandeling, op de tijden

en plaatsen als door of namens het Palmhuis aan te geven;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan MDFT, zolang dit noodzakelijk wordt geacht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen,

zoeken of hebben met [medeverdachte] , [geboortedatum] , zo lang

de (jeugd)reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde

arbeid, voor de tijd van 60 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 30 DAGEN;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangever], een bedrag van € 2.467,71, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.467,71, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[aangever]

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.F. Baaij, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2017.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016189014, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 213.

2 Proces-verbaal aangifte [aangever] , p. 41 t/m 45.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68/69.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , p.131.

5 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 48 t/m 57.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 6 februari 2017.