Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15058

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
NL17.3062
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel.

Eiser heeft wisselende, tegenstrijdige en vage verklaringen afgelegd. Ook is eisers verklaring wisselend en tegenstrijdig aan die van zijn twee broers. Verweerder heeft de gestelde homoseksualiteit van eisers broer en de daaruit voortvloeiende problemen daarom niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL 17.3062

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1991, van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Portegies),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Rennen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 4 november 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 13 juni 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig F. Saïd, tolk in de Koerdische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft eerder, in 2008, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De afwijzing daarvan staat in rechte vast1. Eiser heeft vervolgens onderhavige aanvraag ingediend en het volgende relaas daaraan ten grondslag gelegd. Eiser is geboren in [geboorteplaats] , [stad 1] . Zijn [broer 1] had een homoseksuele relatie met een jongen [met naam] . In 2005 is [de persoon met naam] vermoord door zijn eigen familie. Eisers broer is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf. In 2011 is hij vrijgelaten. In 2012 heeft de familie van [de persoon met naam] geprobeerd deze broer te vermoorden. Begin 2015 is er een bom geplaats in een tent waar een rouwdienst werd gehouden voor een overleden oom van eiser. Deze bom was voor eiser reden om het land te verlaten.

Standpunt verweerder

2.1

Verweerder heeft eisers asielrelaas onderverdeeld in de volgende relevante elementen:

a- identiteit, nationaliteit en herkomst;

b- bloedwraak door familie van [de persoon met naam] en de daaruit voortvloeiende problemen. Betrokkene stelt dat de problemen die hij in zijn eerdere aanvraag heeft aangevoerd ten grondslag liggen aan zijn huidige problemen. Tussen 2011 en 2015 zouden eiser en zijn familie

problemen hebben ondervonden van de familie van [de persoon met naam] .

2.2

Op 25 januari 2017 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen, omdat element b niet geloofwaardig wordt geacht.

2.3

Aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas doet volgens verweerder afbreuk dat eiser, die eerder in 2008 in Nederland asiel heeft aangevraagd op basis van een gelijkluidend asielrelaas, namelijk de problemen die zouden zijn veroorzaakt door zijn [broer 1] en [de persoon met naam] , in de onderhavige procedure op een aantal punten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Verweerder acht daarom niet geloofwaardig dat de familie van [de persoon met naam] uit zou zijn op bloedwraak op eiser en zijn familie. Daarom worden ook de daaruit voortvloeiende problemen die eiser stelt te hebben ondervonden na zijn terugkeer naar Irak, niet geloofwaardig geacht. Bovendien worden deze problemen op zich evenmin geloofd, omdat eiser hierover vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

2.4

Volgens verweerder kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Vooropgesteld wordt dat de algehele situatie in Irak niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Dat eiser stelt te behoren tot de bevolkingsgroep van de Koerden in Irak, vormt op zichzelf onvoldoende grond om ten aanzien van eiser tot vluchtelingschap te concluderen. Er is immers geen sprake van vervolging van Koerden in Irak enkel en alleen vanwege het behoren tot die bevolkingsgroep, aldus verweerder.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft op 22 februari 2017 zijn zienswijze ingediend. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen en daarbij ook verwezen naar het voornemen.

Standpunt eiser

4. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn asielrelaas niet geloofwaardig heeft geacht, omdat alle broers hetzelfde hebben verklaard over de drie gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven voor hun vlucht. Het relaas van eiser wordt onderbouwd met foto's. Ten tijde van de aanvraag in 2008 was eiser erg jong en verward, hetgeen de door verweerder gestelde tegenstrijdigheden verklaart. Volgens eiser klopt zijn asielrelaas in de kern en dat heeft verweerder onvoldoende betrokken in zijn besluitvorming.

Beoordeling rechtbank

5. In geschil is de vraag of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat element b van het asielrelaas ongeloofwaardig is. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 8 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1539, heeft overwogen, heeft verweerder beslissingsruimte waar het gaat om de beoordeling van niet-gestaafde verklaringen en vermoedens van een vreemdeling. Dat laat onverlet dat verweerder de manier waarop hij deze ruimte gebruikt van een deugdelijke en voor de bestuursrechter controleerbare motivering moet voorzien. Bij de bestuursrechtelijke toetsing van die motivering komt bijzonder gewicht toe aan de onderlinge samenhang van een asielrelaas en de weging door verweerder is van door hem al dan niet geloofwaardig geachte elementen, en hoe deze doorwerken in zijn standpunt over de geloofwaardigheid van een asielrelaas als geheel.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan zijn besluitvorming een deugdelijke en controleerbare motivering ten grondslag heeft gelegd en heeft mogen concluderen dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

7.2

Eiser heeft in zijn nader gehoor in 2008 verklaard dat zijn [broer 1] is gearresteerd, omdat hij met een groep vrienden [de persoon met naam] seksueel had misbruikt. In onderhavige procedure heeft eiser verklaard dat zijn broer een relatie zou hebben gehad met [de persoon met naam] en dat de groep vrienden die bij voornoemd incident aanwezig waren allemaal vrienden van elkaar waren. Seksueel misbruik heeft eiser hierbij niet genoemd. Ter zitting heeft eiser weer anders verklaard, namelijk dat zijn broer en [de persoon met naam] een relatie hadden en vrienden hadden uitgenodigd om met elkaar seks te hebben. De rechtbank constateert dat eiser op dit punt drie verschillende verklaringen heeft afgelegd. Eisers verklaring dat hij tijdens zijn nader gehoor in 2008 in de war was en zijn verklaring ter zitting dat het vanwege zijn cultuur voor hem lastig is om te praten over homoseksuele omgang, zijn, wat daar ook van zij, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om geen gevolgen te hoeven verbinden aan de geconstateerde wisselende verklaringen.

7.3

Eiser heeft in zijn nader gehoor in 2008 verder verklaard dat voornoemd incident met [de persoon met naam] plaatsvond in het [dorp] bij [stad 2] . Eiser stelde in 2008 in dit dorp te wonen evenals als de familie van [de persoon met naam] . Zijn [broer 2] en zijn [halfbroer] hebben in 2016 ieder voor zich in hun nader gehoor evenwel verklaard dat de problemen zijn ontstaan in [geboorteplaats] , waar zowel zij als de familie van [de persoon met naam] woonden. In onderhavige procedure stelt eiser zelf ook dat de familie van [de persoon met naam] in [geboorteplaats] woont en dat de problemen zich daar voordeden. Ook deze verklaringen heeft verweerder wisselend en tegenstrijdig mogen achten. Dat eiser in 2008 in de war was en dat hij en zijn familie vaak zijn verhuisd, heeft verweerder op goede gronden niet als een afdoende verklaring hiervoor gezien.

7.4

Eiser heeft in zijn nader gehoor in 2008 voorts verklaard dat vijftien of zestien dagen na de arrestatie van zijn [broer 1] , er ook een arrestatiebevel voor hemzelf was uitgevaardigd. Eiser hoorde in april 2008 van dit arrestatiebevel, hetgeen zou betekenen dat zijn broer in 2008 zou zijn gearresteerd. In onderhavige procedure heeft betrokkene verklaard dat zijn [broer 1] is gearresteerd in 2004. Reeds vanwege deze tegenstrijdigheden was verweerder niet gehouden de door eiser overgelegde kopie van een vonnis van eisers broer – wat daar verder ook van zij – in zijn beoordeling te betrekken. Dit kan immers niet afdoen aan de genoemde tegenstrijdigheden.

7.5

In 2008 heeft eiser daarnaast verklaard dat [de persoon met naam] om het leven is gekomen doordat een oom een handgranaat aan hem had vastgebonden. In 2016 heeft eiser wederom anders verklaard, namelijk dat [de persoon met naam] om het leven is gekomen door een landmijn. Verweerder heeft deze wisselende verklaring aan eiser mogen tegenwerpen. Verweerder heeft eiser verder mogen tegenwerpen dat eisers verklaring over wanneer de bom werd gevonden tegenstrijdig is met die van zijn broer. Volgens eisers nader gehoor in onderhavige procedure werd de bom gevonden in de avond nadat de gasten waren vertrokken, toen men bezig was de tent op te ruimen en stoelen terug naar binnen te brengen. Zijn [halfbroer] heeft echter verklaard dat de bom werd gevonden op de eerste dag van de rouwdienst, terwijl men bezig was met het opzetten en vastbinden van de tent. Dat eisers [broer 2] bij zijn gehoren niets heeft verklaard over de bom, heeft verweerder voorts ongerijmd mogen achten. Eisers betoog dat [broer 2] niet over de bom heeft verklaard, omdat hij niet over de foto beschikte, acht de rechtbank met verweerder geen afdoende verklaring. Temeer niet nu volgens eiser deze bom de druppel was die ervoor heeft gezorgd dat hij en zijn broers Irak hebben verlaten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan de foto die eiser heeft overgelegd, niet de waarde kan worden gehecht die hij daaraan gehecht wenst te zien. Verweerder heeft terecht gesteld dat niet kan worden opgemaakt waar en wanneer deze foto is genomen, noch wie de persoon op de foto is of wat die persoon aan het doen is.

7.6

Verweerder heeft voorts vaag mogen achten dat eiser heeft verklaard dat hij de stamnaam van de familie met wie de vete is, niet kent en dat hij alleen de naam [de persoon met naam] en die van zijn vader [naam] weet. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer over deze familie kan verklaren, gelet op de jarenlange vete die de reden zou vormen voor eisers vlucht uit Irak.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de kern van zijn asielrelaas klopt. Verweerder heeft de verklaringen van eiser wisselend, tegenstrijdig en vaag mogen achten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder element b niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddelen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 AWB 09/45760