Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15021

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
C/09/525100 / FA RK 17-233
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

echtscheiding. partneralimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-233 (echtscheiding)/ FA RK 17-5865 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/525100 (echtscheiding) / C/09/537094 (verdeling)

Datum beschikking: 20 december 2017

Scheiding

Beschikking op het op 10 januari 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.F. Braun te ’s-Gravenhage (voorheen mr. E.M.H. Alkemade).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall te ’s-Gravenhage (voorheen mr. J.M.H.J. Colen).

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- de brief van 21 juni 2017 van de zijde van de vrouw, met als bijlage het formulier verdelen en verrekenen met bijlagen;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief van 3 november 2017 van de zijde van de man, met bijlagen;

- de brief van 6 november 2017 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

- de brief van 10 november 2017 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

- de brief van 13 november 2017 van de zijde van de man, met bijlagen;

- de brief van 14 november 2017 van de zijde van de man, met bijlagen.

Op 15 november 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank gelijktijdig behandeld met het verzoek van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen (C/09/539872, FA RK 17-7204). Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat thans luidt strekt tot (I.) echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

II. vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 2.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

III. veroordeling van de man tot het verschaffen van volledige informatie over de omvang, samenstelling en de waarde van de vermogensbestanddelen die behoren tot het te verrekenen vermogen;

IV. de verdeling van de aan partijen in eenvoudige eigendom toebehorende zaken, dan wel de verrekening van het te verrekenen vermogen vast te stellen conform het voorstel van de vrouw, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens verzoekt de man zelfstandig de vrouw te veroordelen tot het verschaffen van volledige informatie over de omvang, samenstelling en de waarde van de vermogensbestanddelen die behoren tot het te verrekenen vermogen, waaronder in ieder geval ook haar complete inkomensgegevens en te komen tot een verdeling en afrekening conform het bepaalde in de huwelijksvoorwaarden van partijen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert daartegen verweer.

Bij brief van 6 november 2017 heeft de vrouw haar verzoeken ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen verder geconcretiseerd en aangevuld met onder meer een verrekenvordering. Tevens verzoekt zij ten laste van de man een gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning vast te stellen, voor het geval de man de lasten van de echtelijke woning niet voldoet.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] te [huwelijksplaats] .

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

- Bij beschikking van heden is bij wijze van voorlopige voorziening een voorlopige partneralimentatie vastgesteld van € 744,- per maand, met ingang van 1 oktober 2017.

Beoordeling

Echtscheiding

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Partneralimentatie

Bij beschikking van heden is bij wijze van voorlopige voorziening een voorlopige partneralimentatie vastgesteld voor de periode tot inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de echtelijke woning nog niet verkocht is. In het kader van onderhavige echtscheidings-procedure zal de rechtbank het verzoek om vaststelling partneralimentatie beoordelen met als uitgangspunt dat de echtelijke woning na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking verkocht zal zijn, nu gebleken is dat partijen het er over eens zijn dat de woning zo snel mogelijk moet worden verkocht.

Behoefte

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 2.000,- bruto per maand dient te betalen.

Nu partijen het niet eens zijn over toepassing van de Hofnorm voor de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, zal de rechtbank – zoals ter zitting besproken – de door de vrouw overgelegde behoeftelijst als uitgangspunt nemen. De vrouw heeft haar behoefte aan de hand van de behoeftelijst (productie 4 bij brief van 6 november 2017 van de vrouw) gesteld op € 4.412,64 netto per maand.

In het hiernavolgende zal de rechtbank zich beperken tot het bespreken van de door de man betwiste posten van de behoeftelijst.

Woonlasten: huur en premie levensverzekering

Na het uiteengaan van partijen heeft de vrouw de echtelijke woning verlaten en een huurwoning betrokken. Uit de stukken volgt dat de huurprijs van deze woning € 1.050,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.

De echtelijke woning van partijen betreft een koopwoning met daaraan gekoppeld een hypothecaire geldlening en levensverzekering. Gedurende het huwelijk heeft de man de premie levensverzekering voor de vrouw voldaan. Partijen zijn het erover eens dat de levensverzekering zal worden voortgezet na verkoop van de echtelijke woning en dat, indien splitsing van de verzekering mogelijk is, ieder de eigen premie zal voldoen. De rechtbank acht het dan ook redelijk om aan de zijde van de vrouw rekening te houden met een premie levensverzekering van € 224,82 per maand. De omstandigheid dat de vrouw thans een huurwoning bewoont maakt dit niet anders, nu de rechtbank deze post als huwelijks-gerelateerde behoefte aanmerkt.

Eigen risico ziektekosten

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een premie ziektekostenverzekering en eigen risico opgenomen, niet alleen voor haarzelf maar ook voor de twee volwassen kinderen van partijen. Nu ter zitting is gebleken dat tussen partijen de afspraak bestaat dat de vrouw deze kosten van de kinderen, een bedrag van circa € 300,- per maand, voor haar rekening neemt en de man daartegenover een bedrag van € 700,- per maand aan kosten van de kinderen, ziet de rechtbank aanleiding deze kosten in aanmerking te nemen bij de bepaling van de behoefte van de vrouw.

Huishoudgeld

Partijen verschillen van mening over de hoogte van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, doch niet ter discussie staat dat dit meer dan € 6.800,- per maand dient te zijn. Gelet op het welstandsniveau van partijen tijdens het huwelijk acht de rechtbank het niet onredelijk dat de vrouw maandelijks een bedrag van € 400,- aan boodschappen besteedt, te meer nu de vrouw onder deze kosten ook verstaat die zij maakt voor etentjes die zij voor vrienden geeft zoals partijen ook tijdens het huwelijk gewend waren te doen.

Benzine

De man stelt dat de vrouw een te hoog bedrag aan benzinekosten (€ 120,- per maand) heeft opgevoerd. Ter toelichting heeft de vrouw verklaard dat zij meer dan gemiddelde benzinekosten heeft vanwege bezoek aan familie en vrienden die in Limburg en verspreid over heel Nederland wonen. Daarnaast moet zij voor haar werk naar afgelegen plaatsen in Nederland afreizen, waarvoor zij geen onkostenvergoeding krijgt. De rechtbank is met de man van oordeel dat de extra benzinekosten die samenhangen met het werk van de vrouw geen onderdeel zijn van haar huwelijksgerelateerde behoefte, zodat het redelijk is de benzinekosten te matigen tot een bedrag van € 100,- per maand. Dit is een correctie van
€ 20,- op de door de vrouw gestelde behoefte.

Brillen en lenzen

Partijen twisten over de door de vrouw opgevoerde kosten voor brillen/lenzen, welke door haar zijn gesteld op € 1.100,- per jaar en door de man zijn betwist tot een bedrag van € 550,- per jaar. De door de vrouw gestelde kosten zien op de aanschaf van een bril eens in de drie jaar en voor aanschaf van nieuwe lenzen van driemaal per jaar. De rechtbank acht het door de vrouw opgevoerde bedrag, mede gezien het door de man gevoerde verweer, onredelijk hoog en ziet aanleiding dit te matigen tot een bedrag van € 50,- per maand, € 600,- per jaar. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat een deel van de door de vrouw opgevoerde kosten zal worden vergoed door de ziektekostenverzekering en, voor zover dit niet het geval is, bij de berekening van de behoefte reeds rekening zal worden gehouden met het eigen risico. Dit is een correctie van € 41,67 op de door de vrouw gestelde behoefte.

Hondenuitlaatservice

De man acht de kosten voor een hondenuitlaatservice niet nodig, nu hij heeft aangeboden de hond zelf uit te laten. In aanmerking nemende dat partijen niet op constructieve wijze met elkaar kunnen communiceren en het voorstel van de man bovendien inhoudt dat zijn nieuwe partner de hond uitlaat, acht de rechtbank het voorstel van de man niet reëel. Nu de hond bij de vrouw verblijft en zij het merendeel van de dagen buitenshuis werkt, acht de rechtbank het redelijk dat zij het uitlaten van de hond voor die dagen aan derden uitbesteed en daarvoor kosten dient te maken. Deze kosten zijn immers inherent aan het feit dat partijen geen gezamenlijke huishouding meer voeren. De hoogte van de door de vrouw gestelde kosten van € 210,- per maand is niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

Vakanties en uitjes

De rechtbank kan niet vaststellen dat het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 3.500,- per jaar voor vakanties gerelateerd is aan hetgeen zij tijdens het huwelijk aan vakanties uitgaven. Ter zitting is gebleken dat partijen gedurende het huwelijk gedurende twee of drie weken in de zomer op vakantie gingen. Door de man zijn de kosten voor dergelijke vakanties begroot op € 3.000,- voor het hele gezin, bestaande uit vier personen. De vrouw heeft gesteld dat zij daarnaast nog jaarlijks met gezamenlijke vrienden met vakantie gingen. Gelet op de stellingen over en weer acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een bedrag van € 2.500,- per jaar voor vakanties. Dit is een correctie van € 83,33 per maand op de door de vrouw gestelde behoefte.

Wat betreft kosten voor uitjes acht de rechtbank een bedrag van € 150,- per maand, zoals door de vrouw begroot, niet onredelijk gelet op het netto gezinsinkomen tijdens de samenleving van partijen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande corrigeert de rechtbank de door de vrouw gestelde behoefte met een bedrag van € 145,-, zodat haar behoefte zal worden vastgesteld op (afgerond)
€ 4.268,- netto per maand.

Behoeftigheid - inkomen en verdiencapaciteit van de vrouw

De vrouw is 57 jaar en heeft een vaste aanstelling voor 32 uur per week bij Verus Vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs (VKO) in de functie van jurist. Daarnaast verricht zij voor haar werkgever nog werkzaamheden als consultant. Ter zitting is gebleken dat de vrouw haar werkzaamheden heeft verdeeld over vijf dagen per week, waarvan zij één dag thuis werkt. Zij kan haar werktijden zelf indelen waarbij de mogelijkheid bestaat om in de avonduren te werken. Ter discussie staat de vraag of de vrouw onbenutte verdiencapaciteit heeft en geacht kan worden deze aan te wenden om haar inkomsten te verhogen.

Bij de beantwoording van die vraag neemt de rechtbank enerzijds in aanmerking dat de vrouw haar werkzaamheden voor 32 uur per week momenteel verspreid over vijf werkdagen uitvoert, waarvan zij één dag thuis werkt, en anderzijds de onweersproken stelling van de man dat zij cursussen geeft op een werkterrein waar veel vraag naar is (functiewaarderings-vraagstukken). Van de vrouw mag worden verwacht dat zij alles in het werk stelt om zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft met stukken onderbouwd dat bedrijfseconomische omstandigheden van haar werkgever in de weg staan aan uitbreiding van haar arbeidsuren. De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij zich inspant om een inkomen te genieten dat gelijk is aan dat van een 36-urig dienstverband. Door de vrouw zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat dit in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden. Bij de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw zal de rechtbank dan ook uitgaan van een verdiencapaciteit op basis van een 36-urige werkweek. Het is aan de vrouw de keuze of en zo ja, op welke wijze zij een 36-urige werkweek realiseert.

De vrouw heeft op basis van haar 32-urige werkweek een inkomen van € 4.670,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 4.652,- bruto per jaar (€ 387,63 per maand) en rekening houdende met een pensioenpremie van
€ 503,- per maand. Dit levert een inkomen op van € 59.139,- bruto per jaar (netto besteedbaar inkomen € 3.222,- per maand). Uitgaande van een vermeerdering van het jaarinkomen met 12,5% bij een 36-urige werkweek gaat de rechtbank uit van een verdiencapaciteit van € 66.532,- bruto per jaar en een netto besteedbaar inkomen van
€ 3.522,- per maand.

Dit alles in onderlinge samenhang bezien, heeft de vrouw een aanvullende behoefte aan partneralimentatie van € 746,- netto per maand, gebruteerd € 1.550,- per maand.

Draagkracht van de man

De man is werkzaam als arbeidsjurist in de vorm van een eenmanszaak “ [bedrijfsnaam] . Partijen verschillen van mening over de hoogte van het inkomen van de man voor de berekening van zijn draagkracht.

De vrouw gaat bij haar berekening van de draagkracht uit van het gemiddelde resultaat uit onderneming van 2014 en 2015, dat door haar becijferd is op € 114.169,-. De vrouw heeft betoogd dat geen rekening moet worden gehouden met de veel lagere winst over het jaar 2016, zoals die uit het fiscaal rapport naar voren komt. Immers, een nadere toelichting hierop ontbreekt. Dit geldt te meer, aldus de vrouw, nu de markt van de zakelijke dienstverlening het afgelopen jaar is gegroeid en aan te nemen is dat deze groei zal aanhouden.

De man stelt dat zijn onderneming in 2014 en 2015 topjaren heeft beleefd als gevolg van de (voorgenomen) invoering van de Wet Werk en Zekerheid. In 2016 is er een terugval in inkomsten geweest. Deze daling van inkomsten heeft zich in 2017 voortgezet. Op basis van de door de man overgelegde kolommenbalans 2017 (tot en met 30 september 2017) verwacht hij dit jaar een bruto winst te behalen van € 79.000,-. Onder deze omstandigheden acht de man het redelijk om uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming vanaf 2015, waarbij ook uitgegaan wordt van zijn prognose over 2017.

De rechtbank hanteert bij de berekening van de draagkracht van een ondernemer als uitgangspunt de gemiddelde winst van de voorafgaande drie kalenderjaren, nu op deze wijze de (incidenteel) hoge en lage winsten worden gecompenseerd en een reëel beeld van de behaalde winst wordt gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en uit te gaan van de door de man gestelde prognose over 2017, te meer daar de onderliggende stukken daartoe ontbreken, en zal uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2014 tot en met 2016. Daarbij overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de door de man overgelegde cijfers over deze jaren geen reëel beeld geven, nu hij een plausibele verklaring heeft gegeven voor de dalende inkomsten.

De rechtbank volgt de vrouw in haar stelling dat bij de berekening van de winst uit onderneming geen rekening dient te worden gehouden met de fiscale oudedagsreserve en zal derhalve uitgaan van het netto commercieel resultaat van € 119.704,- in 2014, van € 117.264 in 2015 en van € 69.114,- in 2016. De gemiddelde winst uit onderneming over de afgelopen drie jaren bedraagt dan € 102.027,- per jaar.

Kantoorruimte

De echtelijke woning van partijen is een ruime woning van waaruit de man zijn werkzaamheden als zelfstandige verricht. De woning biedt ruimte voor een bibliotheek met vakliteratuur en opslag van dossiers. De man communiceert veelal digitaal en ontvangt (zeer) incidenteel cliënten aan huis.

Niet ter discussie staat dat na de verkoop van de echtelijke woning rekening dient te worden gehouden met extra kosten in verband met het huren van (kantoor)ruimte, ervan uitgaande dat de nieuwe woonruimte van de man zich daarvoor niet zal lenen. Partijen zijn het niet eens geworden over de daarvoor in aanmerking te nemen kosten. De rechtbank acht het redelijk om de in aanmerking te nemen kosten te beperken tot het huren van opslagruimte voor de dossiers en voor het incidenteel huren van een vergaderruimte ter ontvangst van cliënten. De noodzaak voor het huren van een grotere kantoorruimte uitsluitend voor het aanleggen van een bibliotheek is er naar het oordeel van de rechtbank niet gezien de digitale middelen die de man ter beschikking staan. Gelet op dit alles acht de rechtbank een kostenpost van € 1.500,- per jaar alleszins redelijk.

Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering

Partijen zijn het erover eens dat uitgegaan dient te worden van de feitelijk door de man te betalen premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. De man is in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na de mondelinge behandeling de daartoe gesloten overeenkomst te overleggen, maar heeft dit nagelaten. De rechtbank acht het, gelet op hetgeen ter zitting is besproken, redelijk om uit te gaan van een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 450,- per maand. Nu de man heeft nagelaten het door hem gestelde bedrag met stukken te onderbouwen dient het voor risico zijn risico te blijven wanneer dit een hoger bedrag blijkt te zijn. De rechtbank zal deze premie in mindering brengen op de winst uit onderneming.

Rekening houdende met deze kostenposten, houdt de rechtbank rekening met een gecorrigeerde winst uit onderneming van € 95.127,- per jaar.

Voorts rekening houdende met de zelfstandigenaftrek van € 7.280,- per jaar en de MKB-winstvrijstelling van € 12.299,- per jaar, gaat de rechtbank uit van een belastbare winst uit onderneming van € 75.548,- per jaar. Hierop in mindering gebracht de toepasselijke heffingskortingen, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man in 2017 € 5.189,- per maand.

Woonlasten

Partijen zijn het erover eens dat aan de zijde van de man rekening dient te worden gehouden met een fictieve woonlast van € 1.050,- per maand, ongeacht of dit een koopwoning of huurwoning zal betreffen.

Premie levensverzekering

Aan de zijde van de man houdt de rechtbank eveneens rekening met de premie levensverzekering. De premie voor de man bedraagt € 160,- per maand.

Als niet weersproken neemt de rechtbank voorts in aanmerking de premie ziektekostenverzekering van € 116,- per maand. Tevens acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met de door de man te betalen kosten van de kinderen van € 700,- per maand.

Op voormelde kosten komen in mindering de in de bijstandsnorm verdisconteerde nominale premie ziektekosten en de basishuur.

De rechtbank houdt rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en hanteert een draagkrachtpercentage van 60.

Conclusie

Het bovenstaande in aanmerking genomen en rekening houdend met de fiscale voordelen is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende draagkracht heeft om aan de vrouw haar totale aanvullende behoefte van € 1.550,- per maand te voldoen.

Aanhechten berekening

De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de het netto besteedbaar inkomen van de vrouw en de draagkracht van de man. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschap

De rechtbank beschikt over voldoende informatie om een beslissing te nemen ten aanzien van de verzoeken tot afwikkeling van het huwelijksvermogen, zodat de over en weer gedane verzoeken tot het overleggen van nadere informatie worden afgewezen.

Artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden (HV) luidt:

“De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd”.

Artikel 15 HV luidt:

“1. Indien het huwelijk wordt ontbonden (…) zal tussen de echtgenoten casu quo hun rechtverkrijgenden verrekening plaatsvinden alsof tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan, met dien verstande:

(…) b. dat, mede in verband met het in artikel 7 bepaalde noch bij ontbinding van het huwelijk door het overlijden van een der echtgenoten, noch indien het huwelijk anderszins wordt ontbonden, noch bij een scheiding van tafel en bed, in de verrekening worden betrokken premies en koopsommen, voor zover deze zijn betaald ter zake van levensverzekeringen (ongevallenverzekeringen daaronder begrepen) welke niet voor de ontbinding van het huwelijk dan wel de scheiding van tafel en bed tot uitkering zijn gekomen: derhalve dienen voor het vaststellen van de te verrekenen som bij het vermogen van ieder der echtgenoten op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed te worden geteld de door hem/haar betaalde premies als vorenbedoeld, vermeerderd met een bedrag wegens rentederving als gevolg van deze betalingen.

(…)

4. De verrekening als bedoeld in lid 1 heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in lid 1, met dien verstande, dat aanspraken op al of niet ingegaan pensioen niet in deze verrekening worden betrokken.”

De rechtbank stelt voorop dat – gelet op het verrekenbeding neergelegd in voornoemd

artikel 15 onder 1 HV – tussen partijen moet worden verrekend alsof partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen (met uitzondering van de bestanddelen die hiervan in dit artikel zijn uitgesloten), hetgeen betekent dat al de op de peildatum aanwezige bestanddelen bij helfte tussen partijen moeten worden verrekend. De rechtbank overweegt dat partijen hiervan slechts in onderling overleg kunnen afwijken.

De rechtbank stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat zij een aantal goederen in gemeenschappelijke eigendom hebben en dat deze derhalve als zodanig verdeeld dienen te worden. Evenwel ten aanzien van het met de levensverzekeringen opgebouwde kapitaal en de daartoe betaalde premies verschillen partijen over de vraag of sprake is van gemeenschappelijke dan wel volgens de huwelijkse voorwaarden af te wikkelen bestanddelen.

Peildatum

Als peildatum voor de omvang van het te verdelen dan wel af te wikkelen vermogen geldt de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 10 januari 2017. Voor de bij de verdeling c.q. de verrekening in aanmerking te nemen waarden geldt als peildatum de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen in onderling overleg daarvan afwijken.

Partijen voeren de volgende gemeenschappelijke bestanddelen op:

  • -

    echtelijke woning met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;

  • -

    inboedel en kunstvoorwerpen.

Echtelijke woning en hypothecaire geldlening

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de echtelijke woning zal worden verkocht. Daarbij is overeengekomen dat makelaar Burger van Leeuwen te Den Haag in principe zal worden benaderd als verkopend makelaar, tenzij partijen in onderling overleg een andere makelaar kiezen, en dat het advies van de makelaar over de vraag-en laatprijs bepalend is.

De hypotheek zal worden afgelost met de verkoopopbrengst en de resterende overwaarde na verkoop zal bij helfte tussen partijen worden gedeeld. De rechtbank zal aldus bepalen.

Inboedel en kunst

Partijen zullen in onderling overleg tot verdeling van de inboedel overgaan, zodat de rechtbank te dien aanzien niets hoeft te beslissen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat aan de vrouw worden toegedeeld drie schilderijen, het Chinese theekopje en dat de kunst voor het overige aan de man wordt toegedeeld, dit alles zonder nadere verrekening.

Het te verrekenen vermogen in de zin van artikel 15 van de huwelijkse voorwaarden

Volgens partijen behoren de volgende vermogensbestanddelen tot het te verrekenen vermogen:

  • -

    Bankrekeningen;

  • -

    Landrover van de vrouw;

  • -

    Lexus van de man;

  • -

    Eenmanszaak “ [bedrijfsnaam] van de man.

Bankrekeningen

De rechtbank zal bepalen dat partijen de saldi van de hen toekomende bank- en spaarrekeningen per peildatum (zijnde de datum van de indiening van het verzoekschrift) dienen te verrekenen.

Auto’s

Partijen zijn het erover eens dat de Landrover van de vrouw een waarde vertegenwoordigt van € 5.100,- en dat de Lexus van de man een waarde vertegenwoordigt van € 4.000,-.

Eenmanszaak

Niet ter discussie staat dat de onderneming van de man een waarde vertegenwoordigt van
€ 3.288,-, zij het dat de vrouw ter zitting vraagtekens heeft gesteld bij hoge onttrekkingen die zijn gedaan in 2013. De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu de vrouw dit standpunt eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, dit niet nader (met stukken) heeft onderbouwd en hieraan geen duidelijke consequentie heeft verbonden.

Levensverzekeringen AEGON

De vrouw is van mening dat de levensverzekeringen bij AEGON zijn aan te merken als eenvoudige gemeenschappen.

De man stelt zich op het standpunt dat de levensverzekeringen en de daarvoor betaalde premie aan de hand van de huwelijkse voorwaarden dienen te worden afgewikkeld. In het bijzonder heeft de man betoogd dat, nu hij de premie levensverzekering van beide partijen altijd heeft voldaan en dat, bij wijze van uitzondering op de verdeling bij helfte, de door hem betaalde premies op grond van artikel 15 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden niet voor verrekening in aanmerking komen.

De rechtbank is, in aanmerking nemende dat beide partijen voor beide polissen zowel verzekeringnemer als verzekerde zijn, van oordeel dat de polissen levensverzekering zijn aan te merken als tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen. Hieruit volgt dat deze tussen beiden verdeeld dienen te worden waarbij ieder voor de helft aanspraak heeft op de waarde van de polissen. Hetgeen bepaald is

in artikel 15 lid 1 sub b van de huwelijkse voorwaarden heeft betrekking op verrekening en niet op de (wijze van verdeling van) eenvoudige gemeenschappen zodat er geen grond is voor de door de man voorgestane wijze van afwikkeling.

Ten overvloede overweegt de rechtbank in dit verband dat door de man in dit verband ook geen concreet verzoek of voorstel voor een wijze van afwikkeling is gedaan; het verzoek de premies buiten de verrekening te houden is in dit verband onvoldoende concreet.

De man heeft zich niet verzet tegen de door de vrouw voorgestelde wijze van verdeling van de verzekeringspolissen. De rechtbank zal bepalen dat de polissen zullen worden gesplitst, dan wel afgekocht met verdeling van de netto afkoopwaarde indien splitsing niet mogelijk blijkt.

Voor zover partijen aanvankelijk de aangiften IB 2015 en 2016, de stamrecht BV en de polis levensverzekering van de vrouw bij Careon (pensioen) tot de te verrekenen c.q. verdelen vermogensbestanddelen naar voren hebben gebracht, hebben zij hun verzoeken dienaangaande ter zitting ingetrokken.

Gebruiksvergoeding

Nu de man de lasten van de echtelijke woning voldoet en blijft voldoen tot aan de verkoop, beschouwt de rechtbank het verzoek van de vrouw om vaststelling van een gebruiksvergoeding als ingetrokken.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] te [huwelijksplaats]

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.550,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt de verdeling van de goederen die partijen in gemeenschappelijke eigendom hebben als volgt vast:

  1. de echtelijke woning te ( [postcode] [woonplaats] , [adres] wordt verkocht, waarna de netto-opbrengst (de koopsom na aflossing van de hypothecaire geldlening en eventuele kosten gemaakt in het kader van de verkoop) tussen partijen bij helfte wordt gedeeld, waarbij als verkopend makelaar zal optreden Burger van Leeuwen te Den Haag en de vraag- en laatprijs door de makelaar in samenspraak met partijen zal worden bepaald;

  2. bepaalt dat de inboedel in onderling overleg wordt verdeeld;

  3. bepaalt dat aan de vrouw worden toegedeeld drie schilderijen en het Chinese theekopje; de gemeenschappelijke kunstvoorwerpen worden voor het overige aan de man toegedeeld, dit alles zonder nadere verrekening;

  4. bepaalt dat de AEGON SpaarHypotheek met polisnummer [nummer] en de AEGON SpaarHypotheek met polisnummer [nummer] worden gesplitst of, indien dit niet mogelijk is, worden afgekocht en de afkoopwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw ter zake van verrekening van de waarde van de auto’s dient te voldoen € 550,-, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw ter zake van verrekening van de waarde van de eenmanszaak dient te voldoen € 1.644,-, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat partijen de saldi van de aan hen toebehorende bank- en spaarrekeningen verrekenen, in die zin dat de een aan de ander de helft van het betreffende saldo op de peildatum zal doen toekomen, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, C.G. Meeder en J.C. Sluymer, bijgestaan door mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2017.