Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14903

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
NL17.10371
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verouderd ambtsbericht i.c.m. ontwikkelingen Ethiopië, Oromo gebaar facebook, gegrond.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een begin van bewijs geleverd dat het door hem geuite gebaar op facebook mogelijk een gevaar voor hem kan opleveren. In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat het algemeen ambtsbericht zoals door verweerder aangehaald, de periode december 2010 tot en met mei 2013 beslaat, en dat de door eiser overgelegde berichten van ruim na deze periode dateren. Gezien de inhoud van deze berichten, waarbij melding wordt gemaakt van schending van fundamentele rechten, kan thans niet getoetst worden hoe de Ethiopische overheid op dit moment acteert ten aanzien van bepaalde (bevolkings)groepen en of deze als onwelgevallig worden aangemerkt. In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat beperkingen zijn ingevoerd met betrekking tot het delen van informatie op sociale media en dat er een verbod is ingevoerd op het maken van het Oromo-gebaar. Dit impliceert dat derhalve ook sprake zou kunnen zijn van toezicht op sociale media aangezien anders de uitvoering van een dergelijke beperking feitelijk zinledig zou zijn. Verweerder heeft ten aanzien van het Oromo-gebaar op facebook gesteld dat niet blijkt dat de Ethiopische autoriteiten alle opposanten in het buitenland in de gaten houden. Daartoe overweegt de rechtbank dat ook deze uitspraak ziet op een periode van voor de door eiser geschetste destabilisatie in Ethiopië. De noodtoestand is in oktober 2016 uitgeroepen en heeft voortgeduurd tot 4 augustus 2017. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het uitroepen van de noodtoestand dusdanige implicaties heeft voor de (handhaving van) openbare orde en naleving van (mensen)rechten dat daarmee niet zonder meer volstaan kan worden met het verwijzen naar informatie daterend van vóór de gebeurtenissen. Dat de noodtoestand inmiddels is opgeheven, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Immers, zonder een algemeen ambtsbericht kan niet worden vastgesteld in welke mate de (nawerking van de) noodtoestand eventueel van invloed is geweest of thans nog is op het handelen van de overheid en gebeurtenissen die wellicht gedurende de noodtoestand hebben plaatsgevonden ten aanzien van groepen zoals bijvoorbeeld de Oromo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL17.10371

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser (gemachtigde: mr. O.C. Bondam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer NL17.10372, plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Ethiopische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

  2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Ethiopië, Addis Abeba, en behoort tot de Oromo. Eiser verklaart dat hij niet kan terugkeren naar Ethiopië omdat bij de overheid bekend zou zijn dat hij de oppositie financieel heeft gesteund middels een bijdrage aan het Oromia Media Network (OMN). Tevens zou bij de autoriteiten bekend zijn dat hij zich kritisch heeft uitgelaten over de regering, zowel op zijn werk als via sociale media na zijn vertrek uit Ethiopië.

  3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Nationaliteit, identiteit, etniciteit en herkomst;

  • -

    Bekendheid van de Ethiopische autoriteiten met de financiële bijdrage van eiser aan een medianetwerk van de oppositie;

  • -

    Negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten vanwege de kritische uitlatingen van

eiser;

- Discriminatie.

Eiser wordt gevolgd door verweerder in de door hem gestelde nationaliteit, identiteit, etniciteit en herkomst. Het wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht dat hij een financiële bijdrage heeft geleverd aan het medianetwerk OMN en dat de Ethiopische autoriteiten bekend zouden zijn met een dergelijke financiële bijdrage. Tevens wordt niet geloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten zou staan vanwege zijn kritische uitlatingen. Ten aanzien van de gestelde discriminatie heeft verweerder gesteld dat niet is gebleken dat eiser problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn weigering om lid te worden van de OPDO. Ook overigens is volgens verweerder niet gebleken van dusdanig ernstige beperkingen van de bestaansmogelijkheden dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Dat zijn illegaal gebouwde woning door de overheid is vernietigd, noopt hiertoe niet, omdat dit ook andere bevolkingsgroepen is overkomen, aldus verweerder.

4. Eiser voert aan dat uit het door hem overgelegde artikel van de BBC van 17 oktober 2016 blijkt dat het televisiestation OMN wordt gezien als een buitenlandse terroristische organisatie en dat zelfs het kijken of luisteren naar OMN verboden is. Omdat OMN wordt gezien als een terroristische organisatie spreekt het voor zich dat de overheid ook het ondersteunen van OMN zal zien als het ondersteunen van een terroristische organisatie.

4.1

De rechtbank overweegt als volgt. In het voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het niet geloofwaardig is dat bij de autoriteiten in Ethiopië bekend zou zijn dat eiser een financiële bijdrage heeft geleverd aan een organisatie die opkomt voor de positie van de Oromo’s en dat eiser om die reden in de negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiser geen enkel document heeft overgelegd waaruit het leveren van de gestelde bijdrage blijkt. Eiser heeft deze standpunten van verweerder niet bestreden. Reeds gelet hierop kunnen voornoemde stellingen van eiser hem niet baten. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat het algemeen ambtsbericht inzake Ethiopië uit 2013 en uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2799) waarop verweerder zich (mede) baseert, zijn verouderd en geen basis kunnen bieden voor zorgvuldige besluitvorming. De situatie is sinds dit ambtsbericht enorm gewijzigd. Er zijn sinds november 2015 grootschalige en wijdverbreide demonstraties tegen de regering en begin oktober 2016 is de noodtoestand uitgeroepen. Uit het overgelegde artikel van de BBC van 17 oktober 2016 blijkt dat het maken van het Oromo-gebaar verboden is. Uit de bij de zienswijze overgelegde meer actuele informatie met betrekking tot Ethiopië blijkt dat de Ethiopische autoriteiten na het laatste ambtsbericht veel aandacht hebben gekregen voor sociale media. In een artikel van Human Rights Watch van 31 oktober 2016 wordt nog eens bevestigd dat bij het afkondigen van de noodtoestand de overheid maatregelen heeft genomen tegen sociale media en televisiestations.

Eisers activiteiten op facebook maken dat hij vreest dat hij bij terugkeer in Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij heeft een openbaar profiel op facebook en is gemakkelijk te vinden door op facebook te zoeken op [eiser] . Iedereen kan het profiel zien en hij is daar te zien terwijl hij het verboden Oromo-gebaar maakt. Nu eiser niet is teruggekeerd, is waarschijnlijk dat zijn profiel zal worden bekeken door zijn voormalig

directeur, die nauwe banden heeft met de veiligheidsdienst, om te zien waar hij is. De foto met het Oromo-gebaar zal dan direct de aandacht trekken. De eerdere kritische uitlatingen van eiser, het feit dat hij geen lid wilde worden van de OPDO en het feit dat eiser niet op tijd is teruggekeerd, maken dat hij bij terugkeer de negatieve aandacht van de autoriteiten kan verwachten.

5.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de door eiser aangehaalde informatie bekend mag worden verondersteld bij verweerder. In onderhavige zaak wordt in deze context echter benadrukt dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden. Hierbij wordt nogmaals benadrukt dat eiser bovendien jarenlang, zonder problemen, voor de Ethiopische overheid heeft kunnen werken en op legale wijze het land heeft kunnen verlaten. Aldus kan geenszins worden geconcludeerd dat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat, voor zover eiser wil aanvoeren dat zijn activiteiten hier te lande op facebook er aanleiding toe geven dat hij in de bijzondere belangstelling van de autoriteiten staat, wordt verwezen naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2014. Hierin wordt namelijk bevestigd dat niet blijkt dat de Ethiopische autoriteiten alle opposanten in het buitenland in de gaten houden.

5.2

De rechtbank stelt vast dat het algemeen ambtsbericht Ethiopië dateert van mei 2013. Voorts stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is tussen partijen dat sinds het verschijnen van het ambtsbericht - onder meer - de noodtoestand is uitgeroepen in Ethiopië. Uit de door de Tweede Kamer aangenomen motie van de leden Voortman en Maij, voorgesteld op 14 februari 2017, blijkt dat onder meer is geconstateerd dat de regering in Ethiopië sinds het uitbreken van protesten in november 2015 op grote schaal mensen heeft gearresteerd, de toegang tot sociale media heeft beperkt en protesten met geweld heeft neergeslagen. Voorts heeft de Tweede Kamer in de motie verzocht zo spoedig mogelijk een actueel ambtsbericht voor Ethiopië op te stellen met aandacht voor de wijziging in de mensenrechtensituatie van het land. Ter zitting heeft verweerder erkend dat sprake is van een verslechtering van de algehele situatie in Ethiopië en dat derhalve in januari 2018 een nieuw algemeen ambtsbericht voor Ethiopië wordt verwacht. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is tussen partijen dat op de openbaar toegankelijke facebook-pagina van eiser een foto te zien is waarop hij het Oromo-gebaar maakt door zijn armen te kruisen.

5.2.1

Uit het door eiser overgelegde artikel van Human Rights Watch van 31 oktober 2016 blijkt dat de regering verregaande beperkingen heeft doorgevoerd ten aanzien van de vrijheid op meningsuiting en met betrekking tot het delen van informatie op sociale media. Voorts blijkt uit het bericht van de BBC van 17 oktober 2016 dat het verboden is om politieke gebaren te maken zoals het kruisen van de armen boven het hoofd.

5.2.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een begin van bewijs geleverd dat het door hem geuite gebaar op facebook mogelijk een gevaar voor hem kan opleveren. In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat het algemeen ambtsbericht zoals door verweerder aangehaald, de periode december 2010 tot en met mei 2013 beslaat, en dat de door eiser overgelegde berichten van ruim na deze periode dateren. Gezien de inhoud van deze berichten, waarbij melding wordt gemaakt van schending van fundamentele rechten, kan thans niet getoetst worden hoe de Ethiopische overheid op dit moment acteert ten aanzien van bepaalde (bevolkings)groepen en of deze als onwelgevallig worden aangemerkt.

In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat beperkingen zijn ingevoerd met betrekking tot het delen van informatie op sociale

media en dat er een verbod is ingevoerd op het maken van het Oromo-gebaar. Dit impliceert dat derhalve ook sprake zou kunnen zijn van toezicht op sociale media aangezien anders de uitvoering van een dergelijke beperking feitelijk zinledig zou zijn. Verweerder heeft ten aanzien van het Oromo-gebaar op facebook gesteld dat niet blijkt dat de Ethiopische autoriteiten alle opposanten in het buitenland in de gaten houden, verwijzend naar een uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2014. Daartoe overweegt de rechtbank dat ook deze uitspraak ziet op een periode van voor de door eiser geschetste destabilisatie in Ethiopië. De noodtoestand is in oktober 2016 uitgeroepen en heeft voortgeduurd tot 4 augustus 2017.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat het uitroepen van de noodtoestand dusdanige implicaties heeft voor de (handhaving van) openbare orde en naleving van (mensen)rechten dat daarmee niet zonder meer volstaan kan worden met het verwijzen naar informatie daterend van vóór de gebeurtenissen. Dat de noodtoestand inmiddels is opgeheven, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Immers, zonder een algemeen ambtsbericht kan niet worden vastgesteld in welke mate de (nawerking van de) noodtoestand eventueel van invloed is geweest of thans nog is op het handelen van de overheid en gebeurtenissen die wellicht gedurende de noodtoestand hebben plaatsgevonden ten aanzien van groepen zoals bijvoorbeeld de Oromo. Daarbij komt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk is, zoals eiser heeft gesteld, dat de werkgever van eiser zijn facebookprofiel zal bekijken nu hij na zijn vakantie niet meer op zijn werk is verschenen. In dat licht acht de rechtbank voorts relevant dat eiser vóór zijn vertrek werkzaam was voor de [naam 1] ’, een overheidsinstelling, onderdeel van het ‘ [naam 2] ’. Hierdoor is het evenmin onaannemelijk dat de informatie van zijn facebookprofiel met andere overheidsinstellingen gedeeld zal worden.

Gezien het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het licht daarvan, de context van recente gebeurtenissen en de overgelegde informatie, in dit geval niet zonder meer kunnen volstaan met een verwijzing naar bronnen daterend van voor oktober 2016. Derhalve is sprake van een motiveringsgebrek.

De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is, gelet op het voorgaande, gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat nader onderzoek door verweerder nodig is. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een bestuurlijke lus (tussenuitspraak), omdat het geconstateerde gebrek tot gevolg heeft dat verweerder de grondslag van het besluit alsnog aan een volledige heroverweging zal moeten onderwerpen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R. Mattemaker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.