Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14848

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
AWB 17/7259
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de toetsing aan artikel 3.86 van het Vb 2000 in het bestreden besluit niet voldoende blijk geeft van een onderzoek naar alle feitelijke en juridische gegevens die gaan over de situatie van eiser in relatie met de door hem gepleegde strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Met name blijkt uit het besluit onvoldoende dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de lengte van eisers rechtmatige verblijf, de aard van de gepleegde delicten, de ernst van de delicten in de loop van der jaren, de geestelijke toestand van eiser en de vraag in hoeverre die in causaal verband staan tot het delinquente gedrag en, tot slot, het actuele situatie waarin eiser verkeert en waarvan eisers gemachtigde heeft uiteengezet dat die gestabiliseerd (niet-crimineel) is. Aldus is het bestreden besluit ten aanzien van het inreisverbod onvoldoende gemotiveerd en dient het te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Bij de beoordeling van de intrekking van de asielvergunning stelt de rechtbank voorop dat in de Nederlandse rechtspraktijk de toekenning van de vluchtelingenstatus en het verstrekken van een verblijfstitel samenvalt. Anders is dit in de systematiek van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 (de Kwalificatierichtlijn) en het Vlv, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de toekenning van de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus en de daarop volgende verlening van een verblijfstitel.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de Kwalificatierichtlijn bij het nemen van het bestreden besluit ten aanzien van eiser van belang was. Dat eiser naar de maatstaf van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn niet langer als vluchteling zou worden beschouwd is niet van belang. Het niet langer zijn van vluchteling is in het Nederlands recht niet omgezet als grondslag voor intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De in 1993 aan eiser verleende vluchtelingenstatus is niet ingetrokken voordat het bestreden besluit. Bij het nemen van het bestreden besluit was eiser dus in het bezit van de vluchtelingenstatus en het niet langer zijn van vluchteling kan geen grond vormen om hem deze status te ontnemen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2015, H.T. tegen Land Baden-Württemberg (ECLI:EU:C:2015:413, punt 95). De implementatie van artikel 14, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn is niet volledig. Om de effectieve werking van het Unierecht te verzekeren, kan verweerder bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet voorbijgaan aan de voorwaarden en motiveringsvereisten die de Kwalificatierichtlijn aan de intrekking stelt. Gezien het hierboven reeds aangehaalde arrest H.T. tegen Land Baden-Württemberg (zie met name overwegingen 70-80), dient verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning asiel het openbare ordecriterium zo in te vullen dat wordt onderzocht of sprake is van een daadwerkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/7259

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 16 september 2015. Tevens heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van vijf jaar, gerekend vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Eiser heeft tegen dit besluit op 3 april 2017 beroep ingesteld.

Op 2 juni 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Daarop heeft eiser op 22 juni 2017 een reactie ingediend.

Het beroep is ter zitting behandeld op 4 juli 2017. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Procesbelang

  1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2692) volgt dat een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 is uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen rechtmatig verblijf heeft en dus geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Tevens volgt uit deze jurisprudentie dat hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van het beroep tegen het inreisverbod.

  2. Daarom zal de rechtbank in het navolgende eerst beoordelen of terecht een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd en met inachtneming van dat oordeel vervolgens of eiser belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en zo ja, of dat beroep gegrond is.

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verweerder heeft zowel aan de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als het uitvaardigen van een zwaar inreisverbod hetzelfde feitencomplex ten grondslag gelegd en dezelfde toetsingsmaatstaf gehanteerd, namelijk de in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) neergelegde glijdende schaal.

3.1

Eiser heeft op 11 oktober 1993 aanvragen ingediend tot toelating als vluchteling en tot

het verlenen van een vergunning tot verblijf. Met ingang van 11 oktober 1993 is aan eiser verblijf verleend op grond van de Tijdelijke Regeling Opvang Ontheemden, later is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van vluchtelingschap (een vergunning tot verblijf zonder beperkingen) en daarna – van rechtswege - van de ingetrokken verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Op 1 maart 2016 heeft verweerder aan eiser een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kenbaar gemaakt, alsook het voornemen tot het opleggen van een inreisverbod voor de duur van vijf jaar. Hierop heeft eiser op 11 april 2016 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Verder is hij op 17 mei 2016 door verweerder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze toe te lichten tijdens een gehoor.

3.2

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2017 blijkt dat eiser voor

diverse misdrijven strafrechtelijk is veroordeeld. Zo is gebleken dat eiser:

  • -

    Bij onherroepelijke vonnis van de politierechter te Maastricht van 15 mei 1996 is veroordeeld tot een geldboete wegens het beschadigen van auto's;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 14 oktober 1998 is veroordeeld tot een geldboete vanwege het beschadigen van goederen;

  • -

    Bij onherroepelijk arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 28 mei 1999 is veroordeeld voor ontucht met een minderjarige en huisvredebreuk tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 21 maart 2001 is veroordeeld tot een geldboete wegens vernielingen van goederen;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Dordrecht van 11 juni 2001 is veroordeeld tot een geldboete wegens winkeldiefstal;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Middelburg van 15 augustus 2001 is veroordeeld tot 200 uur werkstraf vanwege poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 14 juni 2005 veroordeeld tot 16 uur werkstraf wegens het beschadigen van auto's en wederspannigheid (meermalen gepleegd);

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 11 april 2007 voor het meermalen plegen van wederspannigheid tot een werkstraf van 40 uur

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 22 maart 2010 tot 1 week voorwaardelijke gevangenisstraf wegens mishandeling en tot 80 uur werkstraf vanwege vernielingen;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer te Maastricht van 26 juli 2010 voor diefstal uit een woning, mishandeling en aantasting van de persoonlijke integriteit tot 5 maanden gevangenisstraf (waarvan 2 maanden voorwaardelijk);

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 4 april 2012 tot 18 en 14 uur werkstraf voor vernielingen van goederen;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 13 juli 2012 wegens mishandeling tot 24 uur werkstraf;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 13 mei 2015 tot 1 week voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege diefstal;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 1 september 2015 wegens winkeldiefstal tot 2 weken voorwaardelijke gevangenisstraf met onder meer als bijzondere voorwaarde verplichte (ambulante) behandeling voor verslavingsproblematiek;

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 23 november 2015 voor winkeldiefstal tot 1 week voorwaardelijke gevangenisstraf; en

  • -

    Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 10 oktober 2016 tot 1 week voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege diefstal.

Het bestreden besluit

4. Aan de intrekking van de verblijfsvergunning legt verweerder ten grondslag dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.86 van het Vb 2000. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet meer kan worden beschouwd als vluchteling in de zin van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn gezien de verbeterde situatie in het land van herkomst van eiser. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) in de zaak Z.Zh en I.O. van 11 juni 2015 (ECLI:EU:C:2015:337, hierna het arrest Z.Zh en I.O.) over de betekenis van het begrip “gevaar voor de openbare orde” is voor deze situatie niet van belang, omdat met het eindigen van het vluchtelingschap de Kwalificatierichtlijn niet meer van belang is en de intrekking van de verblijfsvergunning een strikt nationaalrechtelijke aangelegenheid is geworden.

5. Bij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 7 maart 2017 heeft verweerder aangegeven dat eiser Nederland uit eigen beweging dient te verlaten voor het einde van de beroepstermijn van vier weken. Daarmee is tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Verweerder heeft verder een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van vijf jaren, omdat eiser gelet op de aard van de gepleegde delicten moet worden beschouwd als een ernstige bedreiging voor de openbare orde als bedoeld in artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van het Vb 2000, nu hij is veroordeeld voor geweldsdelicten die met meer dan zes jaren gevangenisstraf worden bedreigd. Nu, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550), sprake moet zijn van een werkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, wordt daarom door verweerder een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit de in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden omdat eiser herhaaldelijk is veroordeeld wegens misdrijven die met meer dan drie jaar gevangenisstraf worden bedreigd, zoals ontucht met een wilsonbekwame, poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en diefstal onder strafverzwarende omstandigheden, zodat sprake is van een zwaar inreisverbod. Volgens verweerder is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, Vw 2000 die ertoe leiden af te zien van het opleggen van een inreisverbod of de duur daarvan te verkorten.

6. De rechtbank gaat in het navolgende, voor zover relevant, in op hetgeen eiser heeft aangevoerd.

Het inreisverbod

7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd omdat hij geen gevaar voor de openbare orde vormt. In plaats van een crimineel is eiser vooral te beschouwen als een psychiatrisch patiënt.

7.1

In rechtsoverweging 50 van het arrest Z.Zh en I.O. is uitleg gegeven van het voor

terugkeerbesluiten geldende begrip 'gevaar voor de openbare orde', bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (hierna: Terugkeerrichtlijn). De Afdeling heeft uit het arrest Z.Zh. en I.O. in de uitspraak van 20 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3479) afgeleid dat verweerder bij het onderzoek naar de vraag of wegens het bestaan van een gevaar voor de openbare orde een vertrektermijn wordt onthouden of de duur ervan wordt verkort alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die gaan over de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals de aard en ernst van dit strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Bij de beoordeling moet verweerder in acht nemen dat de bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Voorts moet verweerder het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering. Indien een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet verweerder aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden. In de daaropvolgende vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) en van 8 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3012) heeft de Afdeling deze onderzoeks- en motiveringsplicht voor verweerder ook van toepassing geacht op de uitvaardiging van een inreisverbod voor meer dan vijf jaren wegens het bestaan van een ernstige bedreiging voor de openbare orde, bedoeld in artikel 11, tweede lid, tweede volzin, Terugkeerrichtlijn.

7.2

De rechtbank ziet, onder verwijzing naar de genoemde uitspraken van de Afdeling, geen

grond voor het oordeel dat de hiervoor omschreven onderzoeks- en motiveringsplicht in voorliggende zaak niet zou gelden. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1725), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat, wanneer verweerder een inreisverbod oplegt en daaraan de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 opgenomen rechtsgevolgen verbindt, het Unierechtelijk openbare ordebegrip wordt toegepast.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat de toetsing aan artikel 3.86 van het Vb 2000 in het

bestreden besluit niet voldoende blijk geeft van een onderzoek naar alle feitelijke en juridische gegevens die gaan over de situatie van eiser in relatie met de door hem gepleegde strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Met name blijkt uit het besluit onvoldoende dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de lengte van eisers rechtmatige verblijf, de aard van de gepleegde delicten, de ernst van de delicten in de loop van der jaren, de geestelijke toestand van eiser en de vraag in hoeverre die in causaal verband staan tot het delinquente gedrag en, tot slot, het actuele situatie waarin eiser verkeert en waarvan eisers gemachtigde heeft uiteengezet dat die gestabiliseerd (niet-crimineel) is. Aldus is het bestreden besluit ten aanzien van het inreisverbod onvoldoende gemotiveerd en dient het te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.
Intrekking van de verblijfsvergunning asiel

8. Eiser stelt verder dat verweerder ten onrechte de verblijfsvergunning asiel heeft ingetrokken met het oog op zijn strafrechtelijke veroordelingen. Eiser voert daarbij aan dat voor een intrekking van de verblijfsvergunning vereist is dat eiser is veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf en dat hij een gevaar vormt voor de gemeenschap. Daarvan is in het geval van eiser echter geen sprake. Eiser betoogt voorts dat het bij een intrekking op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 gaat om een misdrijf waarop een strafmaximum staat van drie jaar of meer. Nu eiser thans geen pleger meer is van dergelijke misdrijven, is eiser van mening dat het bestreden besluit indruist tegen de ratio van dat artikel.

8.1

Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat voor het bestreden besluit

geen sprake hoeft te zijn van een veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf en gevaar voor de openbare gemeenschap. Dit is een begrip dat is neergelegd in de Kwalificatierichtlijn, maar die is voor deze intrekking niet van belang; de intrekking is een nationaalrechtelijke kwestie en de verblijfsvergunning is overeenkomstig het nationale recht ingetrokken, namelijk door toepassing van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en artikel 3.86 van het Vb 2000. Redengevend daarvoor acht verweerder dat eiser geen vluchteling meer is in de zin van de Kwalificatierichtlijn waardoor deze, gezien artikel 11 van deze richtlijn, niet meer van toepassing is. In beroep heeft verweerder daar nog aan toegevoegd dat eiser ook niet meer is te beschouwen als vluchteling in de zin van artikel 1 (C) onder 5 van het Vlv en dat ook daarom sprake meer is van een vluchtelingenstatus.

8.2

Bij de navolgende beoordeling stelt de rechtbank voorop dat in de Nederlandse

rechtspraktijk de toekenning van de vluchtelingenstatus en het verstrekken van een verblijfstitel samenvalt. Anders is dit in de systematiek van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 (de Kwalificatierichtlijn) en het Vlv, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de toekenning van de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus en de daarop volgende verlening van een verblijfstitel. De verlening van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 is in het Nederlands recht te beschouwen als zowel de toekenning van een vluchtelingenstatus als de verlening van een verblijfstitel in de zin van de Kwalificatierichtlijn.

8.3

De rechtbank overweegt verder dat de maatstaf die eiser heeft aangehaald in het

nationale recht is terug te vinden in artikel 3.105d van het Vb 2000, waarin is geregeld in welk geval de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken. Dit artikel is niet van toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

8.4

Artikel 1(C), aanhef en onder (5), van het Vlv geeft aan dat dit Verdrag ophoudt van

toepassing te zijn (…), omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan.

8.5

Artikel 11, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn, voor zover hier van belang, bepaalt

dat een onderdaan van een derde land of staatloze ophoudt vluchteling te zijn als de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling is erkend hebben opgehouden te bestaan en hij niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit.
Artikel 14, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, dat de vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land wordt beëindigd of niet wordt verlengd indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.
Artikel 14, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, voor zover hier van belang, bepaalt dat de lidstaten de aan een vluchteling verleende status kunnen intrekken wanneer hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.

8.6

De intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is in het

Nederlands recht geregeld in artikel 35 van de Vw 2000. In dit geval is van belang de grond voor intrekking in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, namelijk veroordeling bij onherroepelijk geworden vonnis wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Volgens verweerders beleid, paragraaf C5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt bij de toepassing van deze bepaling mede betrokken de vraag of de vreemdeling als gevaar voor de openbare orde wordt beschouwd. Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van de glijdende schaal in artikel 3.86 van het Vb 2000. Daarnaast verklaart paragraaf C5/4 van de Vc 2000 de paragraaf C2/10 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf C2/10, voor zover van belang, verwijst naar paragraaf C2/7.10.1 waarin verweerder beleid heeft neergelegd onder welke omstandigheden de openbare orde zich verzet tegen vergunningverlening. Ingevolge laatstgenoemd beleid worden, samengevat, de onder rechtsoverweging 7 genoemde aspecten bij de besluitvorming betrokken.

8.7

Anders dan verweerder is de rechtbank niet van oordeel dat de intrekking van de

verblijfsvergunning een aangelegenheid van louter nationaal recht is geworden omdat eiser naar de maatstaf van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn niet langer als vluchteling zou worden beschouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn de voorwaarden omschrijft waaronder een vluchteling ophoudt vluchteling te zijn. Artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn geeft aan in welke gevallen door de lidstaten een verleende vluchtelingenstatus kan worden of wordt ingetrokken; het niet langer vluchteling zijn is er daar één van. De rechtbank stelt evenwel vast dat het niet langer zijn van vluchteling in het Nederlands recht niet is omgezet als grondslag voor intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die, zoals hiervoor overwogen, ook het beëindigen van de vluchtelingenstatus omvat. De in 1993 aan eiser verleende vluchtelingenstatus is niet ingetrokken voordat het bestreden besluit werd genomen. Bij het nemen van het bestreden besluit was eiser dus in het bezit van de vluchtelingenstatus en het niet langer zijn van vluchteling kan geen grond vormen om hem deze status te ontnemen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2015, H.T. tegen Land Baden-Württemberg (ECLI:EU:C:2015:413, punt 95). Overigens heeft eiser terecht aangevoerd dat verweerder, voor zover het bestreden besluit ziet op intrekking van de vluchtelingenstatus, ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of eiser individuele asielmotieven heeft. Hierop stuit ook verweerders beroep op het artikel 1(C) onder 5 van het Vlv af. Kortom, de Kwalificatierichtlijn was bij het nemen van het bestreden besluit ten aanzien van eiser wel degelijk van belang.

9. Het voorgaande betekent dat bij het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verweerder toepassing moet geven aan Unierecht. Nu artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn bepaalt dat de lidstaten de aan een vluchteling verleende status kunnen intrekken wanneer hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, rijst de vraag hoe zich dit verhoudt tot de intrekkingsgrond in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Uit de wettekst blijkt dat, evenals in artikel 14, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, het plegen van strafbare feiten aanleiding kan geven om de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken, maar het artikellid benoemt daarbij niet dat het moet gaan om een (bijzonder) ernstig misdrijf. Evenmin is de voorwaarde benoemd dat de vreemdeling een gevaar voor de samenleving moet vormen. Artikel 3.86 van het Vb 2000, dat verder invulling geeft, beoogt weliswaar te omschrijven wanneer iemand als gevaar voor de openbare orde kan worden beschouwd, maar dit artikel voorziet niet in de vereiste individualisering van het gevaar. De implementatie van artikel 14, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn is aldus niet volledig. Om de effectieve werking van het Unierecht te verzekeren, kan verweerder bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet voorbijgaan aan de voorwaarden en motiveringsvereisten die de Kwalificatierichtlijn aan de intrekking stelt. Met andere woorden, artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 moet richtlijnconform worden toegepast.

10. Gezien het hierboven reeds aangehaalde arrest H.T. tegen Land Baden-Württemberg (zie met name overwegingen 70-80), dient verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning asiel het openbareordecriterium zo in te vullen dat wordt onderzocht of sprake is van een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving. Aan deze invulling ontbreekt het in het bestreden besluit, zodat ook ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is ook hierom gegrond.

11. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 990,00 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, en mr. drs. S. van Lokven en mr. G.J.W.M. Kipping LL.M., leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017.

De griffier is buiten staat voorzitter

deze uitspraak mede

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.