Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14822

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
6142372 RL EXPL 17-16827
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident in executiegeschil artikel 438 Rv. Bevoegdheid kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CK

Rolnr.: 6142372 RL EXPL 16827

26 september 2017

Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] , domicilie kiezende te Dordrecht,

eisende partij,
procederende in persoon,

tegen

de Ontvanger van de Belastingdienst Den Haag/kantoor Haaglanden,

gevestigd te Den Haag,
gedaagde partij,

gemachtigde: mr. E.E. Schipper.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en de Ontvanger.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 27 maart 2017 in een verzet ex artikel 17 Iw 1990, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot verwijzing;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Aansluitend is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan in het incident

2.1.

In de hoofdzaak (zijnde een verzet ex artikel 17 Iw 1990) heeft [eiser] gevorderd voor recht te verklaren dat hij goed opposant is en dat de dwangbevelen buiten effect zijn gesteld, alsmede voor recht te verklaren dat de Ontvanger door het uitvaardigen van de dwangbevelen onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en daardoor aansprakelijk is voor de ontstane schade, op te maken bij staat, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.

2.2.

De Ontvanger heeft voor alle weren geconcludeerd tot onbevoegdheid van de kantonrechter met verwijzing van de zaak naar team handel van deze rechtbank. De Ontvanger heeft daartoe gesteld dat op grond van artikel 438 lid 1 Rv en de daarbij behorende parlementaire geschiedenis de rechtbank, team handel, bevoegd is kennis te nemen van de hoofdzaak. Dat het kantongerecht sinds 1 januari 2002 is ondergebracht bij de rechtbank maakt dit niet anders, aldus de Ontvanger. [eiser] heeft hiertegen verweer gevoerd en dat verweer komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

2.3.

De Awb (Titel 4.4) gaat ervan uit dat de schuldenaar die het niet eens is met de (dwang)invordering van een bestuursrechtelijke geldschuld bij zijn verzet gebruik maakt van de algemene regeling voor executiegeschillen beschreven in artikel 438 Rv. In lid 1 van dat artikel is bepaald dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van dergelijke geschillen. Dat daaronder sinds 2002 tevens de kantonrechter moet worden begrepen is een onjuiste veronderstelling aangezien uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de herziening van het burgerlijk procesrecht kan worden afgeleid dat de herziening van artikel 438 Rv (slechts) een terminologische en geen inhoudelijke aanpassing betrof. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de zaak op grond van artikel 438 lid 1 Rv dient te worden verwezen naar team handel van deze rechtbank. Dat het een vordering betreft die beneden de competentiegrens valt waardoor de kantonrechter bevoegd zou zijn in dit executiegeschil, zoals [eiser] meent, is niet relevant aangezien het toetsingskader een andere is.

2.4.

De verwijzing van [eiser] naar jurisprudentie met betrekking tot lid 2 van artikel 438 Rv kan overigens buiten beschouwing blijven. Ten aanzien van dat artikellid spitst de discussie zich toe op de vraag of sinds de wetswijziging die de kantonrechter als voorzieningenrechter ook optreedt in executiegeschillen van zaken die overigens tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren (artikel 254 lid 5 Rv). Deze procedure is niet op grond van het tweede lid van artikel 438 Rv aangevangen.

2.5.

De zaak zal dan ook in de stand waarin zij zich bevindt worden verwezen naar na te melden rolzitting. Op die zitting dient gedaagde partij te concluderen voor antwoord. Op grond van het bepaalde in artikel 79 Rv zijn partijen verplicht om zich bij Team Handel te laten vertegenwoordigen door een advocaat.

3 Beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;

3.2.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van team handel van de rechtbank Den Haag op woensdag 25 oktober 2017 om 10.00 uur voor conclusie van antwoord aan de zijde van de Ontvanger;

3.3.

wijst partijen erop dat zij uiterlijk op de hiervoor vermelde roldatum vertegenwoordigd door een advocaat dienen te verschijnen;

3.4.

wijst partijen erop dat team handel zal beslissen over de proceskosten in deze procedure, onder mogelijke verrekening van het door de kantonrechter berekende griffierecht van € 78,00 voor [eiser] ;

3.5.

wijst [eiser] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort;

3.6.

wijst de Ontvanger erop dat na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort;

3.7.

wijst erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

1. een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging dan wel
2. een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging).

Dit vonnis is gewezen door mr. C.W.D. Bom, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 september 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.