Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14800

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
C/09/529743 / FA RK 17-2351
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder een verzoek met betrekking tot een uitgestelde bruidsgave.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-2351

Zaaknummer: C/09/529743

Datum beschikking: 14 november 2017

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 24 maart 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

blijkens de huwelijksakte: [verzoekster]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.A.V. Hoogerduyn te Voorburg.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

blijkens de huwelijksakte: [belanghebbende] ,

de man,

nu feitelijk verblijvende te [verblijfplaats] ,

advocaat: mr. G. Hagens te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    het F9-formulier van 3 oktober 2017, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 17 oktober 2017 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de vrouw is ter zitting een behoefte- en draagkrachtberekening overgelegd.

De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld om na de zitting zijn nieuwe arbeidsovereenkomst en de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden over te leggen.

Na de zitting zijn aldus nog de volgende stukken ontvangen:

- het F9-formulier van 27 oktober 2017, met bijlagen, van de zijde van de man.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] te [huwelijksplaats] , Irak.

- Zij hebben geen nu nog minderjarige kinderen.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de man en de vrouw beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

- Deze rechtbank heeft op 8 maart 2017 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover nu van belang inhoudende:

- dat de vrouw met ingang van 15 maart 2017 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [straatnaam en huisnr.] te ( [postcode] ) [plaatsnaam] – met inbegrip van de inboedel – en dat de man die woning uiterlijk 14 maart 2017 dient te verlaten en verder niet mag betreden;

- dat de man voorlopig € 1.000,-- bruto per maand zal moeten verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van

€ 1.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaling dat de man aan de vrouw dient te betalen $ 9.500,-- uit hoofde van afwikkeling van de huwelijksakte (uitgestelde bruidsgave);

- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [straatnaam en huisnr.] te [postcode] [plaatsnaam] ,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man refereert zicht ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding. De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hiernaast heeft de man zelfstandig verzocht om toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [straatnaam en huisnr.] te [postcode] [plaatsnaam] .

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu beide echtgenoten in ieder geval de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek toepassen.

Ontvankelijkheid

Nu aan de wettelijke formaliteiten is voldaan, kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw is van mening dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man heeft zich – hoewel hij een andere visie heeft op de situatie – neergelegd bij de door de vrouw verzochte echtscheiding en refereert zich ten aanzien van dit verzoek.

De rechtbank overweegt dat indien één van beide echtgenoten het huwelijk niet wenst voort te zetten, dit voldoende is om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat de vrouw volhardt in haar wens om van de man te scheiden. Gelet op het voorgaande en nu de man zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Nu de rechtbank conform het primaire verzoek van de vrouw de echtscheiding zal uitspreken, komt zij niet toe aan behandeling van het subsidiaire verzoek tot scheiding van tafel en bed.

Huurrecht echtelijke woning

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de echtelijke (huur)woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek ten aanzien van het huurrecht en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

Inhoudelijke beoordeling

Nu zowel de man als de vrouw heeft verzocht om toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning, dient de rechtbank een belangenafweging te maken.

Het is de rechtbank uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de man – die inmiddels weer werkzaam is in Nederland – momenteel in een huurwoning in [verblijfplaats] verblijft en dat de vrouw sinds de voorlopige voorzieningen die in maart 2017 zijn getroffen samen met de jongmeerderjarige dochter van de echtgenoten, [naam] , in de echtelijke huurwoning in [plaatsnaam] woont. Het is de rechtbank niet gebleken dat de vrouw eenvoudig een andere (sociale) huurwoning kan bemachtigen. Nu de man wel een andere woning tot zijn beschikking heeft – hij verblijft immers al enige tijd in een huurwoning in [verblijfplaats] – en de vrouw, samen met [naam] , geen alternatieve woonruimte heeft, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw meer belang heeft bij het huurrecht van de echtelijke woning dan de man. Niet of onvoldoende is gebleken dat de man – vanwege zijn gestelde allergieën en/of een opzegging van de huur – niet langer in de huurwoning in [verblijfplaats] kan blijven. Bovendien heeft de man gelet op zijn inkomen meer mogelijkheden dan de vrouw om andere woonruimte (in de particuliere sector) te vinden als hij niet langer in de huurwoning in [verblijfplaats] kan of wil blijven wonen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het huurrecht van de echtelijke woning toedelen aan de vrouw. Het verzoek van de man zal worden afgewezen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Behoefte vrouw

Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 2.499,-- netto per maand in 2017 bedraagt.

Verdiencapaciteit vrouw

Tussen de man en de vrouw is in geschil of de vrouw haar verdiencapaciteit verder dient te benutten dan zij momenteel doet, zodat zij (grotendeels) in haar eigen behoefte kan voorzien.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw – die momenteel 53 jaar is – werkt al geruime tijd als pedagogisch medewerker bij een kinderopvang. De vrouw heeft hier een parttime dienstverband voor 16 uur per week. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat er voor haar bij haar huidige werkgever geen mogelijkheden zijn om haar uren structureel uit te breiden, nu het één baan van 32 uur per week betreft waarvan de uren zijn verdeeld over twee medewerksters. De vrouw kan alleen incidenteel extra uren werken op de momenten dat haar collega (wegens ziekte of vakantie) uitvalt. De vrouw heeft hiernaast onweersproken gesteld dat zij wel rondkijkt en informeert naar andere functies waar ze meerdere uren kan werken, maar dat dit tot dusver nog geen resultaat heeft gehad. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de vrouw eveneens onweersproken heeft gesteld dat zij vanwege rugklachten, waarvoor zij geregeld naar de fysiotherapeut gaat, bovendien niet in staat is om fulltime te werken. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de zijde van de vrouw niet uitgaan van een hogere verdiencapaciteit. De rechtbank gaat uit van het huidige netto besteedbaar inkomen, wat de vrouw onweersproken heeft gesteld op € 847,-- per maand in 2017.

De rechtbank berekent de resterende behoefte van de vrouw op (€ 2.499,-- – € 847,-- =)

€ 1.632,-- netto per maand. De bruto behoefte bedraagt dan € 2.756,-- per maand in 2017.

Draagkracht man

Gebleken is dat de man niet langer in België werkzaam is, maar sinds 25 september 2017 een nieuwe baan heeft in Nederland voor de duur van een project van zes maanden. De man heeft desgevraagd na de zitting zijn nieuwe arbeidsovereenkomst en de arbeidsvoorwaarden overgelegd. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met hetgeen uit deze stukken blijkt. De rechtbank merkt hierbij op dat zij ervanuit gaat dat de man na afloop van het project in staat zal zijn om opnieuw betaald werk te vinden met een vergelijkbaar inkomen zoals hij momenteel ontvangt.

De rechtbank gaat uit van een salaris van € 3.840,-- bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Nu uit de arbeidsovereenkomst en de arbeidsvoorwaarden niet blijkt dat de man bij zijn nieuwe werkgever hiernaast - zoals door de vrouw in haar ter zitting overgelegde draagkrachtberekening gesteld - ook een belaste onkostenvergoeding en/of toeslagen ontvangt, zal de rechtbank hier geen rekening mee houden.

De rechtbank houdt rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting;

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.987,-- per maand in 2017.

De rechtbank neemt de volgende niet – dan wel onvoldoende – betwiste maandelijkse lasten van de man in aanmerking:

  • -

    (redelijke) huur € 750,--

  • -

    premie ziektekostenverzekering € 145,67

  • -

    eigen risico € 32,--

De rechtbank zal voorts het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie ZVW van € 40,-- per maand en een “gemiddelde basishuur” van € 221,-- per maand in mindering op respectievelijk de ziekte- en woonkosten brengen.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 987,-- per maand en een draagkrachtpercentage van 60%.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 1.000,-- bruto per maand – zoals de vrouw verzoekt – redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal voldoen van € 1.000,-- bruto per maand.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

Uitgestelde bruidsgave

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter heeft – zoals in het voorgaande overwogen – rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om echtscheiding. De Nederlandse rechter komt eveneens rechtsmacht toe ten aanzien van met de echtscheiding verband houdende nevenvoorzieningen. De rechtbank is van oordeel dat de verzochte voorziening met betrekking tot de bruidsgave als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 onder f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft te gelden, nu deze voorziening voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank zal de bepaling ten aanzien van de bruidsgave zoals deze in de huwelijksakte is opgenomen beoordelen naar Iraaks recht, nu de bruidsgave voortvloeit uit het door de man en de vrouw naar Iraaks recht gesloten huwelijk.

Inhoudelijke beoordeling

De man en de vrouw zijn op [datum] gehuwd in Irak. In de (vertaalde) huwelijksakte die op voornoemde datum is opgesteld is onder meer het volgende opgenomen: ‘(…) vond de huwelijksvoltrekking tussen hen beiden plaats op grond van een vooruitbetaalde bruidsgave ten bedrage van tweeduizend dinar, welke wel in ontvangst is genomen, en een uitgestelde bruidsgave ten bedrage van drieduizend dinar, waarvan betaling nog als verplichting op de echtgenoot blijft rusten en die opeisbaar is gesteld op verzoek en wanneer de financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven.’

Vaststaat dat er sprake is van een uitgestelde bruidsgave van 3000 dinar. Tussen de man en de vrouw is echter in geschil of de man gehouden is om bij de echtscheiding de uitgestelde bruidsgave aan de vrouw te voldoen en, zo ja, wat dan de waarde is van deze bruidsgave.

De vrouw stelt dat de man haar nog de uitgestelde bruidsgave van 3000 dinar verschuldigd is, wat volgens de vrouw thans het equivalent heeft van $ 9.500,--. De vrouw verzoekt om toewijzing van dit laatste bedrag uit hoofde van afwikkeling van de huwelijksakte.

De man stelt dat de vrouw – op basis van het Iraakse recht – geen aanspraak kan maken op de uitgestelde bruidsgave nu zij degene is die de echtscheiding heeft aangevraagd. Hiernaast stelt de man dat de waarde van 3000 dinar nu slechts ongeveer € 2,-- bedraagt.

De rechtbank overweegt dat de bruidsgave naar Iraaks recht een geheel eigen karakter heeft. De bruidsgave heeft te gelden als een overeenkomst naar Iraaks recht die is opgenomen in de huwelijksakte. De verplichting van de betaling van de uitgestelde bruidsgave blijft volgens de tekst van de huwelijksakte op de echtgenoot (de man) rusten en is opeisbaar op verzoek (van de vrouw) en wanneer de financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven. De echtgenoten hebben destijds in de huwelijksakte niet bepaald of en in hoeverre bij echtscheiding de man de uitgestelde bruidsgave aan de vrouw moet betalen.

De wetsartikelen 19 tot en met 22 en 41 Iraaks Personal Status Law no. 188 uit 1959 die door de rechtbank zijn geraadpleegd geven op dit punt wel enige verduidelijking. De rechtbank begrijpt uit artikel 41 lid 4 sub b het volgende over het Iraakse recht voor uitgestelde bruidsgaven. Als de vrouw vanwege haar gedrag ‘verantwoordelijk’ is voor de scheiding, dan is de uitgestelde bruidsgave – los van de vraag of zij verzoeker of verweerder is – niet opeisbaar. Als echter vaststaat dat beide echtgenoten ‘verantwoordelijk’ zijn voor de scheiding, wordt de uitgestelde bruidsgave verdeeld tussen hen in verhouding tot het ‘wangedrag’ dat aan elk van hen wordt toegeschreven.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat zij gelet op de summiere stellingen in dat verband niet goed kan beoordelen wie van beide echtgenoten in welke mate ‘verantwoordelijk moet worden geacht voor de echtscheiding’ naar Iraakse rechtsopvattingen. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank het ervoor houden dat beide echtgenoten ieder voor de helft “verantwoordelijk” zijn voor de echtscheiding na ruim 33 jaar huwelijk met vier inmiddels meerderjarige kinderen en een verhuizing van Irak naar Nederland. De rechtbank zal dan ook onder verwijzing naar hetgeen in artikel 41 lid 4 sub b laatste volzin is bepaald, alles afwegende nu beslissen dat de man gehouden is om de helft van de uitgestelde bruidsgave aan de vrouw te betalen, dat is dus 1500 dinar.

Uit niets blijkt dat de uitgestelde bruidsgave – zoals de vrouw stelt en verzoekt – moet worden gewaardeerd in Amerikaanse Dollars en uit niets blijkt dat 3000 dinar nu een tegenwaarde heeft van $ 9.500,--. Bij gebrek aan een bepaling in de huwelijksakte en nu de vrouw betaling in Nederland vordert, zal de rechtbank aansluiting zoeken bij hetgeen is bepaald in de wetsartikelen 6:121 tot en met 6:126 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek. Uit deze wetsartikelen blijkt onder meer dat de koers op de dag van betaling bepalend is. De rechtbank zal dan ook beslissen dat de man gehouden is om 1500 Iraakse dinar aan de vrouw te betalen óf de tegenwaarde hiervan in euro’s – de Nederlandse valuta – op de dag van de betaling.

Beslissingen

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] te [huwelijksplaats] , Irak;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal moeten betalen een bedrag van € 1.000,-- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan [straatnaam en huisnr.] te [postcode] [plaatsnaam] ;

*

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van 1.500 Iraakse dinar of de tegenwaarde hiervan in euro’s op de dag van betaling aan de vrouw;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van de uitspraak van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H. Wien, bijgestaan door de griffier mr. M. Verkerk, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 november 2017.