Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14784

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
NL17.12228
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag asiel. Eiser is afkomstig uit Iran en stelt in Nederland te zijn bekeerd tot het Christendom. In de eerste asielprocedure is geloofwaardig geacht dat eiser geen religie had, wel in god geloofde en interesse had in het christendom. Verweerder heeft in het bestreden besluit miskend dat deze geloofwaardig geachte omstandigheden zijn startpunt zijn voor de beoordeling van eisers opvolgende aanvraag. Verweerders motivering dat de bekering van eiser ongeloofwaardig is, kan reeds hierom geen stand houden. Verweerder heeft eiser verder als afvallige aangemerkt en erkent dat hij dus behoort tot een risicogroep. Nu verweerder geloofwaardig acht dat eiser foto- en videomateriaal van zijn doop op zijn openbare sociale media accounts heeft geplaatst en in de eerste procedure geloofwaardig is geacht dat eisers familie onder de aandacht van de Iraanse autoriteiten staat vanwege de politieke activiteiten van eisers vader, kan verweerder niet volstaan met de enkele stelling dat eiser in Iran geen problemen heeft gehad vanwege zijn afvalligheid. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.12228

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser]

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [v-nummer] ,

van Iraanse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Kiers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).


Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.12229, plaatsgevonden op 27 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 22 oktober 2016 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 13 december 2016 is deze aanvraag afgewezen. Het door eiser tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 17 januari 2017 (AWB 16/29835) ongegrond verklaard. Het door eiser ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2017 (nummer 201700713/1/V2) ongegrond verklaard. Hiermee staat het besluit van 13 december 2016 in rechte vast.

2. Eiser heeft aan zijn op 27 oktober 2017 ingediende opvolgende aanvraag

ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom. Ter onderbouwing heeft hij onder meer een doopcertificaat overgelegd.

3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een oprechte bekering. Eiser heeft volgens verweerder wisselend en tegenstrijdig verklaard over zijn kennismaking met het christelijke geloof. Verder heeft eiser oppervlakkig en vaag verklaard over het proces van bekering, aldus verweerder. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

4. Hiermee is eiser het niet eens. Eiser heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser ontkent wisselend en tegenstrijdig te hebben verklaard over zijn kennismaking met het christelijk geloof. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte de conclusie getrokken dat hij door zijn vrienden in Noorwegen en Londen op de hoogte is geraakt van het christendom. In dit kader hecht verweerder ook te veel waarde aan de gesprekken die hij in Griekenland met andere Iraniërs heeft gehad. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd waarom het feit dat hij twee keer hetzelfde verhaal verteld afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas, aldus nog steeds eiser. Eiser heeft ook nader toegelicht waarom het proces van bekering op 2 februari 2017 is versneld en waarom hij van [kerk 1] naar [kerk 2] is veranderd. Tot slot heeft eiser betoogd dat zijn doop is terug te vinden op zijn social media accounts en dat hij als gevolg van zijn afvalligheid in Iran de doodstraf kan krijgen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1. In het voornemen van 9 december 2016 en het daaropvolgende besluit van

13 december 2016 heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser ten tijde van zijn eerste aanvraag geen religie had, wel in god geloofde en interesse had in het christendom. Op pagina’s 3 en 4 van genoemd voornemen staat immers het volgende:

Het hebben van geen religie en wel in God geloven

Betrokkene heeft verklaard dat hij is geboren als moslim en een islamitische opvoeding heeft gehad, maar dat hij de islam nooit heeft gepraktiseerd. Voorts heeft betrokkene verklaard dat hij gelooft in het bestaan van een God, maar dat hij niet in de bestaande religies gelooft zoals het christendom en de islam. Tevens heeft betrokkene verklaard dat hij zich ongeveer drie jaar geleden in de islam heeft verdiept door de Koran en de vertaling van de Koran door te nemen. Ook heeft betrokkene verklaard dat hij sinds twee jaar geen religie meer heeft en dat hij de islam heeft verlaten, omdat hij de regels van de islam niet kan naleven en omdat er tegenstrijdigheden in de islam voorkomen.

Conclusie

Overwogen wordt dat betrokkene wordt gevolgd in zijn verklaringen nu hij hier consistent over heeft verklaard.

Interesse in het christendom

Betrokkene heeft verklaard dat hij zich in zijn vrije uren aan het verdiepen is in het christendom. Voorts heeft betrokkene verklaard dat hij zich heeft verdiept in de islam en dat hij daarom hetzelfde doet met het christendom. Tevens heeft betrokkene verklaard dat hij twee keer een kerk in Ermelo heeft bezocht. Verder heeft betrokkene verklaard dat hij nog niet is bekeerd en dat hij zich ook niet zomaar gaat bekeren. Tot slot heeft betrokkene verklaard dat hij zich eerst goed gaat verdiepen in het geloof voordat hij besluit zich te gaan bekeren.

Conclusie

Overwogen wordt dat betrokkene wordt gevolgd in zijn verklaringen nu hij hier consistent over heeft verklaard.”

Een en ander staat in rechte vast.

6.2.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat in het bestreden besluit niet is bedoeld om op dit eerdere standpunt terug te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit wel gebeurd. Immers, op pagina 4 van het in het bestreden besluit ingelaste voornemen heeft verweerder gesteld dat eiser “vaag en in algemeenheden verklaart omtrent zijn redenen voor afvalligheid van de islam en de redenen voor zijn onderzoek”. Op pagina 5 van het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat niet valt op te maken “op welke wijze voor [eiser], die geen persoonlijke problemen heeft gehad met de islam, doch met personen die een letterlijke uitvoering geven aan bepaalde verzen uit de Koran en met de situatie in Iran dat zoals gezegd cultuur bepalend is, die religie niet meer zou voldoen in het kader van persoonlijke invulling en zijn relatie met God”. En op pagina 11 van het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat het enkele feit dat eiser weinig met zijn islamitische geloof zou hebben gedaan, geen reden vormt “om te oordelen dat [eiser] als afvallige zou moeten worden aangemerkt”. Verweerder heeft aldus in het bestreden besluit miskend dat zijn startpunt voor de beoordeling van eisers opvolgende aanvraag is dat eiser ten tijde van zijn eerste aanvraag geen religie had, wel in god geloofde en interesse had in het christendom. Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

7. De rechtbank zal beoordelen of er mogelijkheden zijn tot finale geschilbeslechting, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich - tegen de achtergrond van het deel van eisers verklaring dat verweerder van meet af aan geloofwaardig heeft geacht -onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser de oprechtheid van zijn bekering niet aannemelijk heeft gemaakt.

8.1.

Verweerder heeft er onvoldoende blijk van gegeven dat hij hetgeen hij bij eisers eerdere asielaanvraag geloofwaardig heeft geacht bij de beoordeling als uitgangspunt heeft genomen. Immers, geloofwaardig is geacht dat eiser de islam is afgevallen en interesse heeft in het christendom. Dat eiser tijdens zijn opvolgende aanvraag vaag en in algemeenheden verklaart over de redenen voor zijn afvalligheid en niet heeft verklaard over persoonlijke ervaringen die daaraan hebben bijgedragen, kan dan ook niet worden gebruikt als motivering voor verweerders standpunt dat eiser de oprechtheid van zijn bekering niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft ook geloofwaardig geacht dat eiser, ondanks het afvallen van de islam, wel in god gelooft, dat hij interesse heeft getoond in het christendom en dat hij twee keer een kerk in Ermelo heeft bezocht. Dat eiser niet kan vertellen wanneer hij de kerk in Ermelo zou hebben bezocht en wat de naam van deze kerk is, heeft verweerder dan ook ten onrechte tegengeworpen als een omstandigheid die afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over het proces van bekering.

8.3

Verweerder heeft zich tevens ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn eerste kennismaking met het christendom. Hoewel eisers verklaringen in het nader gehoor van 7 december 2016 in de eerste procedure over zijn vrienden in Noorwegen en Londen onduidelijk zijn (“Mijn vrienden in Noorwegen en Londen zijn bekeerd tot het christendom. Ik heb het boek gelezen om te weten waarom mijn vrienden bekeren tot het christendom”), is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om deze conclusie te rechtvaardigen. Immers, de betreffende verklaringen zijn door eiser niet afgelegd als antwoord op een vraag naar zijn eerste kennismaking met het christendom en uit deze verklaringen kan ook niet worden opgemaakt dat eiser zijn verklaringen als zodanig heeft bedoeld. Voor zover verweerder heeft bedoeld dat hieruit volgt dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij via deze vrienden al in Iran kennis zou hebben gemaakt met het christendom, terwijl hij in deze procedure heeft verklaard dat deze kennismaking met het christendom eerst tijdens gesprekken met andere Iraniërs in Griekenland heeft plaatsgevonden, kan uit eisers verklaring van 7 december 2016 evenmin worden opgemaakt in welke periode eiser deze gebeurtenis heeft geplaatst. Verweerder heeft nagelaten door middel van nadere vragen meer duidelijkheid te verkrijgen over deze vermeende tegenstrijdigheid. Dat eiser in het gehoor opvolgende aanvraag in deze procedure terugkomt op zijn eerdere verklaring dat zijn vrienden in Noorwegen en Londen zouden zijn bekeerd, maakt dat niet anders, aangezien ook dit niet betekent dat eiser tegenstrijdigheid heeft verklaard over zijn eerste kennismaking met het christendom.

8.4

Eiser heeft verder ter zitting een nadere uitleg gegeven voor de omstandigheid dat de periode van verdieping in het christendom voorafgaand aan zijn bekering vrij kort is geweest, in vergelijking met de periode van verdieping in de islam voorafgaand aan het afvallen daarvan. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat de Koran, die in Iran enkel in het Arabisch ter beschikking was, voor hem moeilijk was om te lezen, terwijl hij de Bijbel in het Farsi kon lezen, een taal die hij veel beter beheerst. Eiser heeft er tevens op gewezen dat hij - mede als gevolg van het feit dat hij de oversteek van Turkije naar Griekenland per boot heeft overleefd - meer gemotiveerd was om zich in het christendom te verdiepen en dat hij hier tijdens zijn verblijf in het AZC veel tijd voor had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee vooralsnog een plausibele verklaring gegeven voor de door verweerder (te) kort geachte periode van verdieping in het christendom.

9.1. Zoals hiervoor onder 6 is overwogen en ter zitting door verweerder is erkend, dient eiser als afvallige te worden aangemerkt. Daarmee valt eiser onder een bij WBV 2017/7 in het asielbeleid aangemerkte risicogroep. Uit paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat eiser daarom met geringe indicaties aannemelijk kan maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.

9.2.

Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser weliswaar behoort tot de in het landenbeleid opgenomen risicogroep van personen die de islam zijn afgevallen, maar dat dit niet leidt tot verlening van de gevraagde verblijfsvergunning, omdat niet is gebleken van geringe individuele indicaties die een gegronde vrees rechtvaardigen. Eiser heeft immers in Iran geen problemen ondervonden vanwege zijn afvalligheid.

9.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de geloofwaardig geachte omstandigheid dat eiser video-opnames en foto’s van zijn doop bij [kerk 2] op openbaar toegankelijke sociale media accounts heeft geplaatst. Verweerder heeft daarbij evenmin betrokken dat in de eerste asielprocedure niet alleen geloofwaardig is bevonden dat eiser de islam is afgevallen en interesse had in het christendom, maar ook dat eisers familie onder de aandacht van de Iraanse autoriteiten staat vanwege de politieke activiteiten van eisers vader. Verweerder heeft nagelaten een en ander in zijn beoordeling te betrekken.

10. Gelet op hetgeen onder 8 en 9 is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te houden of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.

11. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.