Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14782

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
09/748013.12
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oorlogsstrafrecht; deelname aan oorlogsmisdrijven; Elements of crimes; arbitraire vrijheidsberoving; doden; martelen; Ethiopië; waardering betrouwbaarheid getuigenverklaringen; levenslange gevangenisstraf.

De rechtbank Den Haag veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf ter zake van het zich schuldig maken aan ernstige overtredingen van het humanitair oorlogsrecht, bestaande in arbitraire vrijheidsberoving en wrede en onmenselijke behandeling van honderden personen, het martelen van personen en het laten doden van 75 personen, in de periode van de zogeheten Rode Terreur in Ethiopië in 1978 en (deels) in de daarop volgende jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer belast met de behandeling van zaken betreffende internationale misdrijven

Parketnummer: 09/748013-12

Datum uitspraak: 15 december 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis) 1

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[Eshetu A.],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Krimpen aan den IJssel" te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoeksnaam: Merens

Opbouw van het vonnis

Het vonnis is als volgt opgebouwd:

1. Inleiding

1.1 Vooraf

1.2 De Ethiopische jaartelling

1.3 De schrijfwijze van namen

1.4 Verwijzingen

1.5 Gebruik van de Engelse taal

2. De beschuldiging

3. Het onderzoek

3.1 Het opsporingsonderzoek

3.2 Het onderzoek door de rechter-commissaris

3.3 Het onderzoek ter terechtzitting

4. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

4.1 Inleiding

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

4.3 Het oordeel van de rechtbank

5. Het toepasselijk recht

6. De geschiedenis van Ethiopië

7. Het bestaan en de aard van het conflict

7.1 Inleiding

7.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

7.3 Het standpunt van de verdediging

7.4 Het toetsingskader

7.5 De aard van het conflict in Ethiopië

7.5.1 De EPRP en de Staat

7.5.2 Verschillende strijdende partijen en de Staat

7.5.3 De kennis van het gewapend conflict

8. De getuigenverklaringen

8.1 Inleiding

8.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

8.3 Het standpunt van de verdediging

8.4 De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen

8.4.1 Het toetsingskader

8.4.2 De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen

in deze zaak

8.5 De getuigenverklaringen

8.6 De getuigenverzoeken

9. De schriftelijke bescheiden en deskundigenrapporten

9.1 Inleiding

9.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

9.3 Het standpunt van de verdediging

9.4 De dossierstukken

9.4.1 De schriftelijke bescheiden

9.4.2 De deskundigenrapporten en de verhoren van

de deskundigen

10. De vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen

10.1 Inleiding89

10.2 De vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen

11. Beschermde personen

11.1 Inleiding

11.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

11.3 Het standpunt van de verdediging

11.4 Het oordeel van de rechtbank

12. Schendingen van het internationaal humanitair recht

12.1 Inleiding

12.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

12.3 Het standpunt van de verdediging

12.4 Het toetsingskader

12.4.1 Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde

12.4.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

12.4.3 Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

12.5 Schendingen van het internationaal humanitair recht in

deze zaak

12.5.1 Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde

12.5.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

12.5.3 Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

13. De vaststelling van de rol van de verdachte

13.1 Inleiding

13.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

13.3 Het standpunt van de verdediging

13.4 Het feitelijke vaststelling van de rol van de verdachte

13.5 De kwalificatie van de rol van de verdachte

13.5.1 Het toetsingskader voor medeplegen,

medeplichtigheid en uitlokken

13.5.2 Het toetsingskader voor aansprakelijkheid als

meerdere

13.5.3 Deelneming en aansprakelijkheid in deze zaak

14. De nexus

14.1 Inleiding

14.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

14.3 Het standpunt van de verdediging

14.4 Het toetsingskader

14.5 De nexus in deze zaak

15. Schending van de WOS

16. De (partiële) vrijspraken

17. De bewezenverklaring

18. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

19. De strafbaarheid van de verdachte

20. De strafoplegging

20.1 De vordering van het openbaar ministerie

20.2 Het standpunt van de verdediging

20.3 Het oordeel van de rechtbank

21. De vorderingen van de benadeelde partijen

21.1 Inleiding

21.2 De bevoegdheid van de rechtbank om over de

vorderingen te oordelen

21.3 De beoordeling van de vorderingen

22. De toepasselijke wetsartikelen

23. De beslissing

Bijlage 1: De tenlastelegging

Bijlage 2: De getuigenverzoeken

Bijlage 3: De bewezenverklaring

Bijlage 4: De eindnoten (literatuur & jurisprudentie)

1 Inleiding

1.1

Vooraf

De verdachte staat terecht op verdenking van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven, gepleegd in Ethiopië in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 december 1981. Oorlogsmisdrijven zijn ernstige overtredingen van het humanitair oorlogsrecht, een samenstel van regels dat minimum normen bevat van menswaardige bejegening van beschermde personen, waaraan in geval van een gewapend conflict, ieder van de bij dat conflict betrokken partijen zich moet houden. Daarbij is niet van belang wie als agressor in het conflict zou moeten worden aangemerkt en is ook niet relevant of de tegenpartij zich zelf aan de regels van het humanitaire oorlogsrecht heeft gehouden. Ieder die zich schuldig maakt aan ernstige overtreding van het humanitaire oorlogsrecht kan hiervoor strafrechtelijk worden vervolgd, ongeacht de kant waaraan hij streed.

Tijdens de zitting heeft niet ter discussie gestaan dat de verdachte in de tenlastegelegde periode behoorde tot de Derg, later omgedoopt tot Provisional Military Administrative Council (hierna: PMAC), het toenmalige militaire regime in Ethiopië. Evenmin heeft ter discussie gestaan dat er in die periode vanuit een veelheid van groeperingen (gewapend) verzet was tegen de Derg. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting is door de verdachte veel naar voren gebracht over de verschrikkingen, de achtergronden en de complexiteit van het conflict in die periode in Ethiopië en het geweld waarmee de Derg naar zijn zeggen werd geconfronteerd. De rechtbank zal in deze strafzaak evenwel slechts een oordeel geven over de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de in de tenlastelegging genoemde ernstige overtredingen van het humanitair oorlogsrecht en zo ja, of en welke straf hij daarvoor verdient. De rechtbank zal zich echter uitdrukkelijk niet uitlaten over de vraag wie van de strijdende partijen de geschiedenis zou moeten ingaan als had zij het recht aan haar zijde.

1.2

De Ethiopische jaartelling

Ethiopië gebruikt een jaartelling die gestoeld is op de Koptische kalender, terwijl de westerse wereld de Gregoriaanse kalender gebruikt. De Koptische kalender heeft twaalf maanden van dertig dagen en een dertiende maand van vijf of zes dagen, afhankelijk van het feit of het betreffende jaar een schrikkeljaar is. Door gebruik van deze verschillende kalenders is er een verschil van zeven of acht jaar waarbij de Gregoriaanse kalender verder is dan de Koptische. Het nieuwe jaar begint in de Koptische kalender op 1 september, dit is in de Gregoriaanse kalender 11 september.

De dertien Ethiopische maanden zijn als volgt genoemd:

Meskerem (11 september t/m 10 oktober)

Tikimt (11 oktober t/m 9 november)

Hidar (10 november t/m 9 december)

Tahsas (10 december t/m 8 januari)

Tir (9 januari t/m 7 februari)

Yekatit (8 februari t/m 9 maart)

Megabit (10 maart t/m 8 april)

Miyazia (9 april t/m 8 mei)

Ghinbot (9 mei t/m 7 juni)

Sene (8 juni t/m 7 juli)

Hamle (8 juli t/m 6 augustus)

Nehassie (7 augustus t/m 5 september)

Pagume (6 september t/m 10 september, eventueel schrikkeljaar)

Van Meskerem 1 tot Tahsas 22 (11 september tot en met 31 december) is het verschil zeven jaar.Van Tahsas 23 tot Pagume 5 of 6 (1 januari tot en met 10 september) is het verschil acht jaar. In een schrikkeljaar verschijnt in de Gregoriaanse kalender 29 februari. Dit komt in de Koptische kalender overeen met Yekatit 22. De datum 1 maart wordt dan Yekatit 23. Alle dagen in de Koptische kalender schuiven een dag op tot Pagume 6 is bereikt.

Wanneer in dit vonnis data volgens de Ethiopische kalender zijn aangegeven is achter de datum (E) vermeld.

1.3

De schrijfwijze van namen

In het dossier wordt een groot aantal namen genoemd. Het gaat hier om Ethiopische namen die oorspronkelijk in het Amhaars zijn geschreven. De rechtbank stelt voorop dat indien het gaat om een vertaling van namen vanuit het ene schrift naar het andere (zoals in het onderhavige geval van het Amhaars naar het Nederlands) de weergave van de namen in de vertaling noodzakelijkerwijs fonetisch zal zijn. De rechtbank heeft geconstateerd dat de schrijfwijze van een aantal namen in de Nederlandse vertaling van namenlijsten op de verschillende vindplaatsen in het dossier soms onderling verschilt (bijvoorbeeld [persoon 322] en [persoon 322, anders geschreven]) alsook dat deze soms afwijken van de wijze waarop deze namen in de getuigenverklaringen zijn opgeschreven, waarna wel een herkenning van de namen wordt uitgesproken door de betreffende getuige. De rechtbank heeft zich bij iedere discrepantie een oordeel gevormd over de vraag of deze discrepantie moet worden verklaard door de vertaling of dat deze twijfel doet rijzen over de vraag of daadwerkelijk dezelfde persoon wordt bedoeld. Indien de rechtbank in het vonnis aangeeft dat een bepaald persoon is genoemd of herkend, heeft zij deze exercitie doorlopen en geoordeeld dat de klank van de naam zodanige overeenkomsten vertoont dat naar haar oordeel de discrepantie in schrijfwijze moet worden verklaard door de vertaling.

1.4

Verwijzingen

In dit vonnis zal verwezen worden naar verklaringen ter terechtzitting, processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden. Deze verwijzing zal op de volgende wijze geschieden in voetnoten, waar het bewijsmiddelen betreft.

Indien dit betreft een proces-verbaal opgemaakt door de politie is dit steeds een door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal. De verwijzing zal aldus zijn dat wordt vermeld ‘proces-verbaal van …’; op de plaats van de puntjes wordt vermeld het soort proces-verbaal (bijvoorbeeld bevindingen, verhoor getuige of gewapend conflict) en de betreffende bladzijde van het strafdossier. Bij een proces-verbaal van verhoor getuige zal daarnaast de naam van de betreffende getuige worden vermeld.

Indien dit betreft een verklaring van de verdachte ter terechtzitting zal de verwijzing zijn ‘verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op …’ op de plaats van de puntjes zal de betreffende dag van de terechtzitting waarop de verklaring is afgelegd worden vermeld.

Indien dit betreft een schriftelijk stuk is dit steeds een bijlage van een proces-verbaal ter terechtzitting of een proces-verbaal of ander geschrift opgemaakt door de politie of openbaar ministerie. De verwijzing zal aldus zijn dat wordt vermeld ‘geschrift, te weten bijlage/stuk … ’; op de plaats van de puntjes zal vermeld worden het nummer van de bijlage/het stuk, het proces-verbaal of geschrift waar het bij is gevoegd en (indien opgenomen in het strafdossier) de betreffende bladzijde van het strafdossier waar deze bijlage of dit stuk te vinden is. Indien dat schriftelijk stuk literatuur betreft, zal daarbij steeds volledig worden verwezen naar de publicatie, zo veel mogelijk overeenkomstig de Leidraad voor juridische auteurs.

Bij geschriften in de Amhaarse taal, zal de rechtbank telkens verwijzen naar de in de Nederlandse taal vertaalde lijsten. Zij zal deze vertaling echter telkens bezigen voor het bewijs in onderlinge samenhang bezien met het proces-verbaal van ontvangst van 41 pagina’s met Amhaarse tekst met bijlagen (p. 907-949) en het proces-verbaal van bevindingen vertaling van 41 pagina’s Amhaarse tekst (p. 950-955).

Indien dit betreft een proces-verbaal opgemaakt door een rechter-commissaris, samen met een of meer griffiers is dit steeds een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door een rechter-commissaris van de rechtbank Den Haag belast met de behandeling van strafzaken en een of meer griffiers. Indien het betreft een proces-verbaal van een verhoor door een rechter-commissaris is de verwijzing aldus dat wordt vermeld ‘proces-verbaal van verhoor getuige … van de rechter-commissaris’; op de plaats van de puntjes zal de naam van de gehoorde getuige of deskundige en het betreffende alineanummer vermeld worden van het proces-verbaal van verhoor waar de verklaring te vinden is.

Indien dit betreft een rapport van een deskundige is de verwijzing aldus dat wordt vermeld ‘rapport …’; op de plaats van de puntjes zal de naam van de deskundige en de betreffende bladzijde uit het rapport worden vermeld.

Verder zal de rechtbank in dit vonnis op verschillende plaatsen tussen haakjes paginanummers vermelden. Dit betreft geen bewijsmiddelen, maar dient als handreiking voor de lezer die beschikt over het strafdossier.

Voorts zal de rechtbank in dit vonnis (voornamelijk in toetsingskaders) naar literatuur en jurisprudentie verwijzen. Dit zal geschieden in eindnoten. Verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie zal zo veel mogelijk geschieden volgens de Leidraad voor juridische auteurs.

1.5

Gebruik van de Engelse taal

In dit vonnis zal de rechtbank veelvuldig gebruik maken van citaten en termen in de Engelse taal. Dat houdt verband met de internationale aard van de misdrijven die de verdachte worden verweten.

2 De beschuldiging

De verdachte staat terecht op verdenking van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven die zouden zijn gepleegd in Ethiopië in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 december 1981. Deze feiten zijn omschreven in de gewijzigde tenlastelegging die als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis.

De beschuldigingen houden kort gezegd het volgende in:

Feit 1: Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978.

De verdachte zou in Debre Marcos en/of Metekel 321 personen wreed en onmenselijk hebben behandeld, vonnissen tegen hen hebben uitgesproken zonder voorafgaande berechting door een onafhankelijke rechtbank en hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd. Dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen, opzettelijk als meerdere toelaten en medeplichtigheid.

Feit 2: Marteling in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978.

De verdachte zou in Debre Marcos en/of Metekel negen mensen in gevangenschap hebben gemarteld. Ook dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen, opzettelijk als meerdere toelaten en medeplichtigheid.

Feit 3: Het doden van 75 personen in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978.

De verdachte zou opdracht hebben gegeven tot het doden van 75 personen die in Debre Marcos en/of Metekel in de gevangenis zaten. Dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen en uitlokking.

Feit 4: Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981.

De verdachte zou in Debre Marcos en/of Metekel 240 personen wreed en onmenselijk hebben behandeld op een wijze als onder feit 1. omschreven. Dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen, uitlokken, als meerdere toelaten en medeplichtigheid.

De aan de verdachte verweten oorlogsmisdrijven zijn strafbaar gesteld in de artikelen 8 (oud) en 9 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht (hierna: WOS).

3 Het onderzoek

3.1

Het opsporingsonderzoek

Op 13 juni 1998 verscheen in het tijdschrift ‘Vrij Nederland’ een artikel getiteld: “Oorlogsmisdaden, Ethiopische beul is ondergedoken in Nederland”. In het artikel is te lezen dat een persoon met de naam [Eshetu A.] onder het Mengistu bewind (Derg-regime) in Ethiopië in 1978 lijsten waarop namen stonden van personen die zijn geëxecuteerd of celstraf met dwangarbeid hebben gekregen, heeft ondertekend (zie p. 416-420).

De toenmalige Dienst Nationale Recherche van het Korps landelijke politiediensten (hierna: NR), thans het Team Internationale Misdrijven van de Dienst Landelijke Recherche (hierna: DLR), heeft via mediaberichten onderzoek gedaan naar de vraag of in de periode waarover in het artikel werd gesproken aanwijzingen konden worden gevonden waaruit de vermeende betrokkenheid van de verdachte via andere bronnen naar voren kwam. In een rapport van Human Rights Watch uit 1994 genaamd Ethiopia Reckoning under the Law wordt gerefereerd aan misdrijven gepleegd door het Derg-regime:

“During the Dergue period, warfare continued and expanded throughout Ethiopia. The Dergue regime continued and intensified the war in Eritrea and also fought a conventional war against Somalia, in 1977-78, when Somalia invaded and claimed the Ogaden region. The Dergue also fought, in virtually every part of the country, against ethnic-based insurgencies – especially by Tigrayans in the north, and Oromos and Somalis in the south and east. All of these wars were marked by widespread human rights and humanitarian law abuses against civilians.” (…)”These abuses included not only isolated massacres perpetrated by individual military units, but a systematic and general policy of terror and destruction aimed at the civilian population. The government’s counter-insurgency measures included mass killings of villagers by the army, the bombing of villages and market towns, killing of livestock, poisoning of wells, and forcible relocation of much of the rural population.” (zie p. 465)

Een verbalisant heeft een zoekslag op internet gedaan. Daarbij is een tweetal documenten gevonden waarin wordt gerefereerd aan een ter dood veroordeling bij verstek van de verdachte omdat hij verantwoordelijk zou zijn voor de dood van een groot aantal personen tijdens het voormalig regime van Mengistu Haile Mariam. De verdachte zou een senior official zijn geweest tijdens dit regime. De bedoelde documenten zijn:

“IRIN Africa ETHIOPIA: Absent official sentenced to firing squad. A senior official from Mengistu Haile Mariam’s former regime was on May 8 (geen jaartal) sentenced to death ‘in absentia’ for the execution of 197 people. Lieutenant [Eshetu A.] was serving as a member of the Provisional Military Administrative Council for Gojjam. According to the court, the convict should be executed by firing squad.” (zie p. 484); en

“Apanews, Ethiopia-Mengistu-Sentence, 11-1-2007: Former Ethiopian dictator Mengistu Hailemariam and top officials of his regime were on Thursday sentenced to life imprisonment by an Ethiopian court (…) The court, however, ordered that the death penalty sentences it had previously passed, to remain against four accused, including (…) [Eshetu A.].” (zie p. 486)

Op 8 oktober 2009 heeft een officier van justitie van het landelijk parket een schriftelijk rechtshulpverzoek aan de Ethiopische autoriteiten verzonden. Het opsporingsonderzoek heeft vervolgens stilgelegen omdat het bij een uitvoeringsmissie toegezegde beschikbare materiaal niet is verstrekt.

Op 3 juli 2012 is het onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van de verdachte herstart onder de werknaam ‘Merens’ en heeft de officier van justitie een rappel op het in 2009 verzonden rechtshulpverzoek gedaan.

Op 12 april 2013 heeft een verbalisant in Addis Abeba uit handen van de heren Fassikaw, hoofd internationale samenwerking van het Ministerie van Justitie te Addis Abeba en Yoseph Kiros Gezahegn, voormalig speciale officier van justitie bij het Federaal Gerechtshof te Addis Abeba 41 in het Amhaars gestelde pagina’s ontvangen. Fassikaw en Yoseph Kiros Gezahegn vertelden dat dit kopieën waren van documenten die gebruikt waren in de in Ethiopië gevoerde strafzaak tegen de verdachte. De verbalisant heeft de pagina’s voorzien van nummers 1 tot en met 41 overeenkomstig de volgorde van de pagina’s bij overhandiging (zie p. 907-908 en 910-949).

De in het Amhaars gestelde teksten zijn in het Nederlands vertaald. Bij de schriftelijke weergave van de vertaling zijn de nummers van de gekregen pagina’s rechtsboven op de vertaalde tekst vermeld (zie p. 950-955 en 957-1003).

Nederlandse opsporingsambtenaren hebben op 24 oktober 2013 met toestemming van de heer Tariku, waarnemend directeur internationale samenwerking justitiële zaken van het ministerie van Justitie te Ethiopië, andere delen van het Ethiopische strafdossier in de zaak tegen de verdachte mogen fotograferen (zie p. 1195-1196 en 1198-1371).

Deze dossierpagina’s zijn in het Nederlands vertaald en met behulp van een tolk gerubriceerd. Bij de vertaling zijn door de tolken de data in de tekst omgezet naar de Gregoriaanse kalender (zie p. 1372-1376 en 1377-1789).

Op 16 juli 2012 is het dossier van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) betreffende de verdachte ontvangen (zie p. 652-658, 660-664 en 666-885).

Op 8 mei 2015 hebben de Ethiopische autoriteiten laten weten geen verdere medewerking te zullen verlenen aan het Nederlandse opsporingsonderzoek (zie p. 94 en 97).

De NR en DLR hebben in de Verenigde Staten van Amerika, Canada en Nederland zestien getuigen gehoord die tijdens het Mengistu regime in de gevangenis van Debre Marcos zaten of nabestaanden zijn van mensen die zijn gedood. Ook zijn de ex-vrouw en zoon en dochter en enkele oude kennissen van de verdachte gehoord. Voorts is door de NR als getuige gehoord [persoon 328], die in het artikel in Vrij Nederland werd genoemd.

Bij het onderzoek tegen de verdachte is gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Zo is de telefoon van de verdachte in verschillende perioden afgeluisterd en heeft in het kader van stelselmatige informatie inwinning in de eerste helft van 2015 een serie gesprekken plaatsgevonden tussen de verdachte en een niet als zodanig herkenbare politieambtenaar, werkzaam bij het Team Werken Onder Dekmantel van de Afdeling Afgeschermde Operaties.

De verdachte is op 29 september 2015 op last van de officier van justitie van het landelijk parket buiten heterdaad in zijn woning aangehouden. Aansluitend is in de woning een doorzoeking verricht. Daarbij zijn onder meer fotoalbums, foto’s, boeken, een militaire identiteitskaart, getuigschriften, tijdschriften en onderscheidingstekens in beslag genomen (zie p. 210-211 en 224-226). Hij is dezelfde dag in verzekering gesteld. Op 2 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris de verdachte in bewaring gesteld.

De DLR heeft daarna, parallel aan het hierna beschreven onderzoek door de rechter-commissaris, het opsporingsonderzoek voortgezet. Dit onderzoek bestond uit onder meer het horen van de verdachte en het analyseren van de inbeslaggenomen gegevens en van documenten die op andere wijze in het kader van het onderzoek ter beschikking waren gekomen.

3.2

Het onderzoek door de rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft op 9 december 2015 en 30 mei 2016 regiebijeenkomsten gevoerd met de officieren van justitie en de raadslieden, waarbij de onderzoekswensen van partijen zijn besproken en waarop door de rechter-commissaris is beslist. De van die regiebijeenkomsten opgemaakte processen-verbaal en de beschikkingen van de rechter-commissaris bevinden zich in het dossier. Tevens bevinden zich processen-verbaal van bevindingen en verrichtingen van de rechter-commissaris in het dossier.

De rechter-commissaris heeft de heer W.C. de Jong, gerechtelijk deskundige voor handschriftonderzoek, benoemd als deskundige om forensisch schriftonderzoek te doen en heeft hem nadat hij zijn rapport had uitgebracht op 28 juni 2016 als deskundige gehoord.

De rechter-commissaris heeft op gezamenlijke voordracht van openbaar ministerie en de verdediging professor G.J. Abbink benoemd als deskundige om te rapporteren over verschillende aspecten van het conflict. Ook professor Abbink is na het uitbrengen van zijn rapport als getuige-deskundige door de rechter-commissaris gehoord. Dit verhoor vond plaats op 8 november 2016.

Na het verhoor van de getuige-deskundige Abbink heeft de verdediging op 9 november 2016 om benoeming van een nieuwe deskundige verzocht aangezien Abbink naar de mening van de verdediging de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen, omdat hij zich zou hebben uitgelaten over de schuldvraag. Het openbaar ministerie heeft schriftelijk op dit verzoek gereageerd.

De rechter-commissaris heeft het verzoek bij beslissing d.d. 14 november 2016 afgewezen aangezien er naar haar oordeel geen onderzoeksbelang was om een nieuwe deskundige te benoemen.

De eerste pro formazitting tegen de verdachte vond plaats op 7 januari 2016. De rechtbank heeft bij die gelegenheid de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris 'ter verrichting van datgene wat de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek noodzakelijk of anderszins nuttig en wenselijk acht'. Tijdens alle daarna volgende pro forma-zittingen is (de voortgang van) het onderzoek door de rechter-commissaris besproken. De rechtbank heeft op die zittingen steeds de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris met dezelfde 'open terugwijzing'.

De rechter-commissaris heeft tot medio november 2016 naast de deskundigen De Jong en Abbink in totaal achttien getuigen gehoord. Bij vijftien getuigen ging het om Ethiopische getuigen die slachtoffer of nabestaande van slachtoffers waren van de aan de verdachte verweten gedragingen. Al deze getuigen waren ook al door de NR of DLR als getuige gehoord. Tijdens een rogatoire commissie naar de Verenigde Staten van Amerika zijn tien getuigen gehoord. In Canada zijn vier getuigen gehoord. In Nederland zijn als getuigen gehoord voormalig speciale officier van justitie te Ethiopië Yoseph Kiros Gezahegn, getuige [persoon 329] en getuige [persoon 321, andere schrijfwijze]. Voorts heeft de rechter-commissaris in Nederland als getuige gehoord verbalisant A-3751 die onder dat nummer als stelselmatige informatie inwinner in het onderzoek naar de verdachte heeft gewerkt. Sommige Ethiopische getuigen zijn in hun moedertaal, het Amhaars, met bijstand van een tolk gehoord. Andere Ethiopische getuigen zijn in het Engels gehoord, eveneens met bijstand van een tolk.

De van de verhoren opgemaakte processen-verbaal bevatten steeds een zakelijke weergave van het verhoor. De in het Vrij Nederland artikel geciteerde [persoon 328] heeft aangegeven dat hij niet wilde meewerken aan een getuigenverhoor door de rechter-commissaris omdat het hem zwaar viel om opnieuw door voor hem pijnlijke gebeurtenissen te gaan, nadat hij reeds langdurig door de NR was gehoord. De rechter-commissaris heeft, na hoor- en wederhoor, gezien de toestand van de getuige en gelet op het feit dat hij geen directe ooggetuige was, besloten het verhoor geen doorgang te laten vinden. Van deze gang van zaken is een proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen opgemaakt.

Op 15 november 2016 heeft de rechter-commissaris bevonden dat de onderzoekshandelingen waren afgerond en het onderzoek beëindigd. De rechter-commissaris heeft een map aangeleverd waarin zich alle stukken met betrekking tot het door de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevinden.

Op 16 februari 2017 heeft de rechtbank een groot aantal getuigenverzoeken van de kant van de verdediging afgewezen. Een aantal getuigenverzoeken is toegewezen en de rechtbank heeft daartoe de zaak opnieuw naar de rechter-commissaris verwezen.

Op 18 april 2017 heeft de rechter-commissaris getuige [persoon 330] gehoord. Op 25 augustus 2017 heeft de rechter-commissaris in de Verenigde Staten van Amerika, met bijstand van een psycholoog, de getuige [persoon 319, andere schrijfwijze] gehoord. De andere op 16 februari 2017 toegewezen getuigen - te weten Mengistu Haile Mariam, enkele niet goed te identificeren getuigen en de getuige [persoon 331] - konden niet worden gehoord. De rechtbank heeft het verhoor van deze getuigen op 30 oktober 2017 alsnog afgewezen omdat de rechtbank het onaannemelijk achtte dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zouden verschijnen.

3.3

Het onderzoek ter terechtzitting

Zittingen - met steeds een pro forma karakter - zijn gehouden op 7 januari 2016, 31 maart 2016, 28 juni 2016, 22 september 2016, 21 november 2016, 9 januari 2017, 12 mei 2017 en 9 augustus 2017.

De inhoudelijke behandeling was oorspronkelijk voorzien vanaf 21 november 2016. Op 15 november 2016 ontving de rechtbank bericht dat er een vertrouwensbreuk was ontstaan tussen de verdachte en zijn toenmalige raadslieden en dat hij zich had voorzien van bijstand van mrs. S. Arts en F.J.V.H. Stoffels, advocaten te Breda respectievelijk Zevenbergen. Dit heeft tot uitstel geleid.

De inhoudelijke behandeling van de zaak nam een aanvang op 6 februari 2017, met het horen van de getuige-deskundige Abbink. Deze zitting had daarnaast het karakter van een regiezitting, om de onderzoekswensen van de - nieuwe - verdediging te bespreken. De beslissing op die onderzoekswensen is uitgesproken op de zitting van 16 februari 2017.

De inhoudelijke behandeling is vervolgens voortgezet op de doorlopende zittingen van 30 en 31 oktober, 2, 7, 8, 13, 14, 15, 16 en 17 november 2017. Het onderzoek is gesloten op de zitting van 1 december 2017.

De verdachte, tot 15 november 2016 bijgestaan door zijn raadslieden mr. J.J. Eizinga, advocaat te Amerongen, en mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht, en met ingang van die datum bijgestaan door zijn raadslieden mrs. Arts en Stoffels voornoemd, is met uitzondering van 15 november 2017, op de dagen waarop de zaak inhoudelijk is behandeld verschenen en gehoord.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. N.H. Vogelenzang en A.J. van Dooren en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte en door de verdachte naar voren is gebracht.

De volgende aspecten van de inhoudelijke behandeling behoeven vermelding dan wel korte bespreking.

Wraking van de rechtbank

Na de pro forma zitting van 12 mei 2017 is de rechtbank door de verdachte gewraakt. De wrakingskamer van de rechtbank heeft de verdachte bij beslissing van 23 juni 2017 niet- ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De verdachte heeft tegen deze beslissing beroep in cassatie ingesteld. De rechtbank heeft het onderzoek niettegenstaande het lopende cassatieberoep voortgezet op de grondslag dat artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) bepaalt dat tegen wrakingsbeslissingen geen rechtsmiddel open staat en de rechtbank derhalve niet onder wraking was. De Hoge Raad heeft de verdachte bij arrest van 7 november 2017 om genoemde reden niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft er, vanuit haar optiek dat de behandeling van de strafzaak nietig is omdat de rechtbank vóór de beslissing van de Hoge Raad nog onder wraking zou liggen en/of omdat er geen sprake zou zijn van een behoorlijk strafproces, voor gekozen selectief verweer te voeren.

Benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich gevoegd [persoon 332] (zus van [persoon 4], vermeld onder nummer 4 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 1 bij het onder 3 tenlastegelegde), [persoon 321, andere schrijfwijze] (vermeld onder nummer 321 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 240 bij het onder 4 tenlastegelegde), [persoon 111, anders geschreven] (vermeld onder nummer 111 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 30 bij het onder 4 tenlastegelegde), [persoon 174, anders geschreven] (vermeld onder nummer 174 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 93 bij het onder 4 tenlastegelegde), [persoon 315] (vermeld onder nummer 315 bij het onder 1 tenlastegelegde, onder nummer 7 bij het onder 2 tenlastegelegde en onder nummer 234 bij het onder 4 tenlastegelegde) en [persoon 316] (vermeld onder nummer 316 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 235 bij het onder 4 tenlastegelegde). Zij hebben ieder voor zich een vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 226,89 ingediend. Zij werden allen bijgestaan door mr. G. Sluiter en mr. B. van Straaten, beiden advocaat te Amsterdam.

Spreekrecht

[persoon 332], [persoon 315], [persoon 174, anders geschreven], [persoon 333] (neef van [persoon 4] voornoemd en broer van [persoon 334] die niet op de tenlastelegging is genoemd) en [persoon 317] (vermeld onder nummer 317 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 236 bij het onder 4 tenlastegelegde) hebben ter terechtzitting van 2 november 2017 van hun spreekrecht gebruik gemaakt. Mr. G. Sluiter heeft als daartoe gemachtigd raadsman op diezelfde terechtzitting het spreekrecht uitgeoefend namens [persoon 111, anders geschreven] en [persoon 316] voornoemd.

Het spreekrecht is in 2005 in het Nederlandse strafproces ingevoerd om slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid te geven aan de rechtbank te vertellen welke gevolgen jegens hen gepleegde strafbare feiten voor hen hebben gehad. Sedertdien is de kring van spreekgerechtigden en de omvang van het spreekrecht verruimd, laatstelijk per 1 april 2017.

De rechtbank vermeldt volledigheidshalve dat artikel 21a van de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim), dat in werking is getreden op 1 april 2012, bepaalt - voor zover hier van belang - dat in geval van strafvervolging voor een van de in de WOS omschreven misdrijven, begaan voor 1 april 1995, de bepalingen van het WvSv betreffende het slachtoffer van toepassing zijn. Ingevolge het bepaalde bij (het huidige) artikel 51a, eerste lid aanhef en onder a en b juncto de artikelen 51c en 51e van het WvSv kwam derhalve aan genoemde personen het spreekrecht toe.

4 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

4.1

Inleiding

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie om diverse redenen niet-ontvankelijk in de strafvervolging moet worden verklaard.

Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank dat het in artikel 359a van het WvSv bedoelde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Voor die sanctie is slechts plaats, indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het Zwolsman-criterium). Dit betekent dat een onrechtmatigheid dient te worden vastgesteld, dat de belangen van de verdachte in de zaak dienen te zijn getroffen en dat zulks is vastgesteld, en dat doelbewust of met grove verwaarlozing van die belangen aan een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Daarnaast kan bij hoge uitzondering, ook indien het openbaar ministerie geen verwijt kan worden gemaakt en de verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt (het Karman-criterium).

De rechtbank overweegt dat voor zover de verdediging een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het WvSv, van de verdediging mag worden verlangd dat aan de hand van de wettelijke beoordelingsfactoren, zoals genoemd in artikel 359a van het WvSv, duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeend vormverzuim tot een (in dit geval, het zwaarste) rechtsgevolg dient te leiden, aangezien alleen op een zodanig verweer door de rechter een met redenen omklede beslissing zal moeten worden gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging dit nagelaten. In het pleidooi is structuur moeizaam te ontwaren: klachten die mogelijk op de (niet-)ontvankelijkheid betrekking zouden kunnen hebben zijn opgenomen onder het kopje ‘herhaalde getuigenverzoeken’ en uit de veelheid van kritiekpunten valt nauwelijks een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te destilleren. Bij de kritiekpunten is zelden met voldoende duidelijkheid aangegeven welk concreet voorschrift zou zijn geschonden, wat de ernst van het beweerde verzuim zou zijn, of daardoor concreet nadeel is ontstaan en zo ja, wat dat nadeel is. In zoverre is het verweer niet onderbouwd volgens de eisen die daaraan mogen worden gesteld en reeds om die reden ligt het verweer voor afwijzing gereed. Het verweer dat het Karman-criterium zou zijn geschonden is evenmin (deugdelijk) onderbouwd en zou daarom hetzelfde lot kunnen treffen.

Gelet op de belangen van de verdachte en het belang van de zaak zal de rechtbank echter responderen. De rechtbank begrijpt het verweer ten aanzien van vormverzuim aldus.

Het openbaar ministerie heeft na het verschijnen van het artikel over de verdachte in Vrij Nederland te lang stilgezeten. Daardoor zijn volgens de verdediging de rechten van de verdachte onherstelbaar geschaad. De verdachte heeft geen of niet tijdig getuigen kunnen doen horen en evenmin tijdig onderzoeksvragen bij de Ethiopische autoriteiten kunnen doen indienen. Nu is de verdachte ermee geconfronteerd dat Ethiopië niet meer wenste mee te werken. Als de verdachte zijn verdedigingsrechten tijdig had kunnen uitoefenen zou het geheugen van getuigen mogelijk minder negatief zijn beïnvloed of zouden getuigen elkaar minder hebben beïnvloed. Voorts heeft het openbaar ministerie in ernstige mate bijgedragen aan het niet kunnen horen in Canada van de door de rechtbank toegewezen getuige [persoon 331] door aan de Canadese autoriteiten selectieve informatie te verstrekken. Daardoor hebben de Canadese autoriteiten niet willen meewerken aan haar verhoor door de rechter-commissaris.

De verdediging heeft zich samenvattend op het standpunt gesteld dat er door dit alles sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan. Daardoor is de verdachte in aanzienlijke mate en onherstelbaar in zijn belangen geschaad.

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat sprake is van ernstige schending van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt (het Karman-criterium). Deze schending moet volgens de verdediging eveneens leiden tot niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank begrijpt dat de verdediging in dit verband doelt op een naar haar oordeel onevenwichtig en eenzijdig samengesteld strafdossier waarin ontlastende onderzoeken niet zijn opgenomen.

4.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat niets wijst op een doelbewuste vertraging van het onderzoek van de kant van het openbaar ministerie. De verdediging heeft volgens het openbaar ministerie terecht opgemerkt dat er veel tijd is verstreken tussen het artikel in Vrij Nederland en de aanhouding van de verdachte. Of Ethiopië, als het onderzoek tegen de verdachte eerder zou zijn gestart, wel zou hebben meegewerkt aan het daar doen horen van getuigen kan niet worden vastgesteld. Het is een beslissing van de Canadese autoriteiten geweest om niet mee te werken aan het verhoor van [persoon 331]. Dat sprake zou zijn van schending van het Karman-criterium is in het geheel niet onderbouwd. Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert met de verdediging en het openbaar ministerie dat er veel tijd is verstreken tussen het artikel in Vrij Nederland en het begin van het opsporingsonderzoek. Dat de politie of het openbaar ministerie echter doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte getalmd zouden hebben om aan zijn recht op een eerlijk proces tekort te doen, is niet onderbouwd en evenmin aannemelijk geworden. De veronderstelling dat de autoriteiten in Ethiopië wel volledig zouden hebben meegewerkt als het onderzoek eerder zou zijn gestart berust op speculatie. Daar komt bij dat in Ethiopië op dat moment de strafzaak tegen de verdachte al liep (de aanklacht tegen de verdachte in de Ethiopische strafzaak dateert van 23 december 1996). De redenen waarom uiteindelijke medewerking is geweigerd bestonden destijds dus ook al. Dat het openbaar ministerie de Canadese autoriteiten zou hebben geïnformeerd over de psychische gesteldheid van de getuige [persoon 331] en daarmee de mogelijkheden om deze getuige te kunnen horen heeft gesaboteerd, berust niet alleen op een onjuiste weergave van hetgeen daarover door de officier van justitie mr. Vogelenzang ter terechtzitting van 30 oktober 2017 is gezegd maar wordt tevens weerlegd door de inhoud van de door de rechter-commissaris overgelegde mail die zij heeft ontvangen van de Canadese autoriteiten, waaruit blijkt dat de Canadese autoriteiten op basis van eigen onderzoek en bevindingen hebben geconstateerd dat de getuige lijdt aan PTSS en om die reden verdere uitvoering van het rechtshulpverzoek weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het WvSv.

De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie zich voldoende heeft ingespannen om het onderzoek zo volledig mogelijk te doen zijn door ook mogelijk ontlastende getuigen, zoals de ex-echtgenote en (voormalige) vrienden van de verdachte te doen horen. Dat het openbaar ministerie op enig moment werd geconfronteerd met een weigering van de Ethiopische autoriteiten om daar verder onderzoek te doen verrichten kan het openbaar ministerie niet worden verweten.

De rechtbank heeft ook overigens geen schending kunnen vaststellen van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt, laat staan dat een ernstige schending kan worden vastgesteld.

De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

5 Het toepasselijk recht

Artikel 8 (oud) en 9 (oud) van de WOS

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten werden oorlogsmisdrijven onder andere in artikel 8 (oud) van de WOS strafbaar gesteld en de aansprakelijkheid van de meerdere in artikel 9 (oud) van de WOS. Artikel 8 (oud) en 9 (oud) van de WOS luidden toen:

Artikel 8

  1. Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren.

  2. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd:

1°. indien van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is;

2°. indien het feit een onmenselijke behandeling inhoudt;

3°. indien het feit inhoudt het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden;

4°. indien het feit plundering inhoudt.

3. De doodstraf, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt opgelegd:

1°. indien het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt;

2°. indien het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten ten aanzien van een of meer personen dan wel geweldpleging tegen een dode, zieke of gewonde;

3°. indien het feit inhoudt het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort;

4°. indien het feit, in het voorgaande lid bedoeld onder 3° of 4°, wordt gepleegd met verenigde krachten;

5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan;

6°. indien het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, of een schending van een met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomst;

7°. indien het feit inhoudt misbruik van een door de wetten en gebruiken van de oorlog beschermde vlag of teken dan wel van de militaire onderscheidingstekenen of de uniform van de tegenpartij.

Artikel 9

Met gelijke straf als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat, dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat.

Bij wet van 10 maart 1984 (Stb. 91,Wet indeling geld- boetecategoriëen) is in artikel 8 (oud) van de WOS aan het eerste, tweede en derde lid een bedreiging met een geldboete toegevoegd. Bij wet van 14 juni 1990 (Stb. 369) is de bedreiging met de doodstraf geschrapt.

Met ingang van 1 oktober 2003 is artikel 8 (oud) van de WOS vervangen door de artikelen 5, 6 en 7 van de Wim en artikel 9 (oud) van de WOS door artikel 9 van de Wim. Er heeft zich derhalve een verandering van wetgeving voorgedaan. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) worden bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast. De hercodificatie van de WOS naar de Wim komt echter niet voort uit een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de strafbaar gestelde gedragingen. Dit gewijzigd inzicht kan ook niet worden afgeleid uit de strafbedreiging, waarin de Wim voor wat betreft oorlogsmisdrijven niet wezenlijk verschilt van de WOS en aansluiting is gezocht bij in de WOS aanwezige strafverzwaringsgronden.2 Ook in uitspraken van deze rechtbank en van het gerechtshof ’s-Gravenhage is veelvuldig vastgesteld dat artikel 1, tweede lid, van het WvSr geen toepassing vindt in dit verband.3 Dit is uiteraard anders voor de hiervoor genoemde wijzigingen binnen de WOS, waarbij bedreiging met een geldboete is toegevoegd en bedreiging met de doodstraf is geschrapt.

Het begrip ‘de wetten en gebruiken van de oorlog’

De directe aanleiding voor de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven in de WOS begin jaren vijftig vormden de vier Geneefse Conventies van 1949 die de regels van humanitair recht bepalen ten tijde van een gewapend conflict (hierna: GC I, GC II, GC III, GC IV). In deze verdragen staan centraal de verschillende categorieën van beschermde personen tijdens een gewapend conflict. Deze categorieën zijn respectievelijk gewonden en zieken zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (GC I), gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (GC II), krijgsgevangenen (GC III) en burgers in oorlogstijd (GC IV).4

De Geneefse Conventies zijn in hun volle omvang van toepassing op internationale gewapende conflicten en voor een beperkt onderdeel op niet-internationale conflicten. Deze vier verdragen bevatten een artikel 3 dat in alle verdragen gelijkluidend is. Dit wordt het gemeenschappelijk artikel 3 (hierna telkens: gemeenschappelijk artikel 3) genoemd. Het gemeenschappelijk artikel 3 bevat minimum gedragsnormen waaraan de strijdende partijen zich bij een niet-internationaal gewapend conflict dienen te houden.

Het gemeenschappelijk artikel 3 luidt als volgt:

In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:

1. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, huidkleur, godsdienst of geloof, geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium.

Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien van bovengenoemde personen verboden:

a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling;

b. het nemen van gijzelaars;

c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;

d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend.

2. De gewonden en zieken moeten worden verzameld en verzorgd. Een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan haar diensten aan de Partijen bij het conflict aanbieden.

De partijen bij het conflict zullen er verder naar streven door middel van bijzondere overeenkomsten de andere of een deel der andere bepalingen van dit verdrag van kracht te doen worden.

De toepassing van bovenstaande bepalingen zal niet van invloed zijn op de juridische status van de Partijen bij het conflict.

De vier Geneefse Conventies zijn door Ethiopië in 1969 geratificeerd.

De Geneefse Conventies bevatten de verplichting voor de lidstaten ernstige schendingen van de conventies strafbaar te stellen en te vervolgen. De wetgever zag hierin 'een dringende reden om thans tot een definitieve wettelijke regeling te komen'.5 Gekozen is in artikel 8 (oud) van de WOS voor een verwijzing naar 'wetten en gebruiken van de oorlog'. In de memorie van toelichting wordt vermeld dat hieronder wordt verstaan:

"Het delict in het eerste lid van artikel 8 omschreven, is het zich schuldig maken aan schending van de wetten en de gebruiken van de oorlog. Deze bepaling verwijst derhalve rechtstreeks naar het oorlogsrecht, niet alleen naar het geschreven oorlogsrecht, dat in internationale overeenkomsten is neergelegd, doch ook naar het internationaal gewoonterecht, voor zover op oorlog betrekking hebbende." 6

De formulering van artikel 8, eerste lid, (oud) van de WOS verwijst de rechter naar een veelvoud van mogelijk toepasselijke bronnen, zonder nadere specificatie. Van de rechter wordt verlangd dat hij zich voor de invulling van de bestanddelen van artikel 8 (oud) van de WOS oriënteert op het internationale recht en de internationale rechtspraak.7

Het begrip 'de wetten en gebruiken van de oorlog' verwijst, zoals gezegd, naar onder andere de hiervoor genoemde vier Geneefse Conventies maar ook naar de daarbij behorende, later tot stand gekomen Aanvullende Protocollen I en II (hierna: AP I en AP II) daterend van 8 juni 1977.

AP I en AP II vullen een aantal hiaten op in de Geneefse Conventies. AP I doet dit voor internationale gewapende conflicten, AP II voor niet-internationaal gewapende conflicten. Doelstelling van AP II is de (verdere) verbetering van de bescherming van de burgers en anderen die niet (meer) deelnemen aan de gewapende strijd.

Ethiopië trad pas in 1994 - na de tenlastegelegde periode - toe tot AP I en AP II.

Tot slot kan voor de uitleg van het begrip ‘de wetten en gebruiken van de oorlog’ worden gekeken naar het internationaal gewoonterecht. Internationaal gewoonterecht ontstaat indien aan twee voorwaarden is voldaan: 1) een algemene praktijk van staten en 2) een rechtsovertuiging (opinio juris). Gewoonte kan tot recht worden indien voldoende staten zich gedurende een zekere periode op een bepaalde wijze gedragen (algemene praktijk van staten) en zij de overtuiging hebben dat deze gedragingen door internationaal recht worden toegestaan, geduld dan wel gevorderd (rechtsovertuiging). De praktijk van staten kan bestaan uit handelingen van alle staatsorganen, het sluiten van bepaalde verdragen, etc. Daarnaast dienen staten de praktijk niet uitsluitend te volgen omdat deze politiek wenselijk is, maar omdat zij van oordeel zijn dat deze praktijk door internationaal recht wordt vereist dan wel toegestaan. Deze rechtsovertuiging kan blijken uit uitdrukkelijke statements, protest of voorbehoud. Aangenomen kan worden dat staten door middel van het sluiten van een verdrag kunnen erkennen dat een bepaald gedrag door het internationaal recht wordt gevraagd of toegestaan. Ook besluiten van internationale organisaties kunnen een aanwijzing bevatten voor de rechtsovertuiging van staten. Dit zal onder meer afhangen van de inhoud van de resoluties en de voorwaarden waaronder zij zijn aangenomen. Bij een groot aantal tegenstemmen zal opinio juris niet snel worden aangenomen. Rechtsovertuiging wordt ook wel afgeleid uit algemene praktijk. Indien er geen uitdrukkelijk bewijs is van een tegengestelde rechtsovertuiging, bijvoorbeeld in de vorm van protest door staten, kan worden aangenomen dat praktijk rechtsovertuiging impliceert.8

Voor zover van belang zal de rechtbank in de hieropvolgende hoofdstukken ingaan op de vraag welke invulling krachtens het internationaal humanitair gewoonterecht kan worden gegeven aan de wetten en gebruiken van de oorlog.

De vereisten voor oorlogsmisdrijven

Op grond van het gemeenschappelijk artikel 3 alsmede de invulling die daaraan door de (internationale) rechtspraak is gegeven, kan alleen sprake zijn van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict zoals aan de verdachte ten laste is gelegd, indien voldaan is aan de volgende vereisten:9

(1) er is een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen;

(2) de dader moet kennis hebben van het bestaan van dit gewapend conflict.

(3) De slachtoffers moeten behoren tot een van de categorieën beschermde personen bedoeld in het gemeenschappelijk artikel 3; dat wil zeggen het moeten personen zijn die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen.

(4) Tussen het strafbare feit en het gewapend conflict dient een nauwe samenhang - in de (internationale) literatuur en rechtspraak nexus genoemd - te bestaan. De strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven beoogt immers bescherming te bieden tegen misdrijven die in (nauwe) relatie staan tot de oorlog.

De te nemen stappen voor de beoordeling van de tenlastelegging

Voor de beoordeling van de tenlastelegging zal de rechtbank zich in hoofdstuk 7. eerst uitlaten over het bestaan en de aard van het conflict in Ethiopië en de wetenschap van de verdachte daaromtrent. Vervolgens zal zij in hoofdstuk 10. vaststellen of de feitelijke gebeurtenissen die in de tenlastelegging zijn opgenomen hebben plaatsgevonden. Om tot zo een vaststelling te kunnen komen dient echter eerst in de hoofdstukken 8. en 9. te worden bezien welke getuigenverklaringen, schriftelijke bescheiden en deskundigenrapporten zich in het dossier bevinden en of deze voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Nadat de feitelijke gebeurtenissen zijn vastgesteld zal door de rechtbank in hoofdstuk 11. worden beoordeeld of de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers, personen zijn als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3. Vervolgens zal in hoofdstuk 12. worden vastgesteld of de vastgestelde feitelijke gebeurtenissen ook daadwerkelijk schending opleveren van het gemeenschappelijk artikel 3 en het internationaal humanitair gewoonterecht.

Daarna zal de rechtbank in hoofdstuk 13. vaststellen of de verdachte bij deze feiten een rol heeft gespeeld en, zo ja, welke rol dat was en vervolgens hoe deze eventuele rol dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank zal zich in hoofdstuk 14. uitlaten over het bestaan van een nexus. Tot slot zal de rechtbank in hoofdstuk 15. beoordelen of hetgeen is vastgesteld schending van de WOS oplevert.

6 De geschiedenis van Ethiopië

De beschuldigingen tegen de verdachte en de beslissingen van de rechtbank daarover kunnen niet goed begrepen worden zonder enige kennis van de politieke situatie in Ethiopië en de geschiedenis van het land in de periode van 1930 tot 1974, de regeerperiode van keizer Haile Selassie, en in de periode vanaf 1974, de periode van de revolutie.

Vanaf de eerste helft van de jaren dertig had keizer Haile Selassie absolute macht in Ethiopië. Zijn regeerperiode duurde tot 1974, maar werd onderbroken door de Italiaanse bezetting in de jaren 1936 tot 1941.10 Na het vertrek van de Italiaanse bezetter in 1941 volgde Britse overheersing in Ethiopië, welke in sterke mate de soevereiniteit van Ethiopië aantastte. Britse onderdanen bezetten sleutelposities in het Ethiopische bestuur.

Eritrea, dat in het verleden een provincie van Ethiopië was en door de Italianen als uitvalsbasis gebruikt werd tegen Ethiopië, werd na de Tweede Wereldoorlog inzet van een territoriale strijd tussen Ethiopië en het Verenigd Koninkrijk.11 Eritrea werd uiteindelijk in 1953 onafhankelijk van het Verenigd Koninkrijk en vormde onder een VN-mandaat sindsdien een federatie met Ethiopië. Eritrea had daarin een eigen regering en wetgevende, uitvoerende en rechterlijke bevoegdheden waren vastgelegd. Dit democratische experiment was, mede gelet op het keizerlijk absolutisme in Ethiopië, gedoemd te mislukken. Nadat de nog niet heel sterke democratische instituten waren ontmanteld, werd Eritrea in november 1962 - opnieuw - een Ethiopische provincie.

In dit proces zijn de wortels te vinden van de in 1958 vanuit Soedan ontstane Eritrean Liberation Movement (hierna: ELM) en het in 1960 opgerichte Eritrean Liberation Front (hierna: ELF).12

Vanuit het ELF en enkele splintergroepen ontstond later het Eritrean People’s Liberation Front (hierna: EPLF).

Rond 1961 laaide de gewapende strijd tussen het ELF en het Ethiopische leger op, mede veroorzaakt doordat Eritreeërs hun burgerlijke en politieke rechten gestaag zagen verzwakken. In 1967 leidden grootscheepse aanvallen door Ethiopië tot het platbranden van tientallen Eritrese dorpen, het doden van tienduizenden stuks vee, het verbranden van oogsten en de vlucht van tienduizenden Eritreeërs naar Soedan. Op de verdenking van samenwerking met ELF en EPLF volgde in het algemeen executie. Het ELF en het EPLF lieten zich daartegenover niet onbetuigd, plunderden dorpen, gijzelden missionarissen en voerden ook executies uit op ‘collaborateurs’.13

De oorlog met Eritrea was een belangrijke factor in de aanloop naar de uiteindelijke revolutie in 1974. Een veel eerder politiek signaal vormde de staatsgreep in december 1960 door een groep militairen uit de Imperial Bodyguard, een poging om de keizer af te zetten terwijl hij in het buitenland was. De staatsgreep mislukte door slechte voorbereiding en een gebrek aan steun en werd in drie dagen de kop ingedrukt.

Keizer Haile Selassie leek de mislukte staatsgreep niet te hebben opgevat als een voorbode van meer opstandigheid, maar in de jaren 1963 tot 1970 ontstond meer en meer verzet in verschillende delen van het land. De positie van de keizer leek niet langer onaantastbaar. Niet alleen speelde het conflict met Eritrea een belangrijke rol, daarnaast waren er in Addis Abeba onlusten onder studenten, en in verschillende provincies, waaronder Gojjam, kwam de verpauperde boerenbevolking in opstand tegen nieuwe belastingwetten. De door klassen, etniciteit en fysieke grenzen versplinterde maatschappij leed onder armoede, onzekerheid en angst voor onderdrukking, waardoor het nog geruime tijd duurde voordat de revolutie daadwerkelijk haar intrede kon doen.

De jaren tussen de militaire coup en de revolutie in 1974 vertoonden een groeiende kloof tussen de absolutistische staat enerzijds en de maatschappij anderzijds. Dat het keizerlijk regime nog tot 1974 voort kon duren is mogelijk te wijten aan het gebrek aan organisatie onder de verschillende opstandige groeperingen. Na de staatsgreep werd wel de studentenbeweging sterker, wellicht onder invloed van de wereldwijd opkomende studentenopstanden en van de dekolonisatie in Afrikaanse landen.14

In 1974 begon de onrust binnen het leger zich steeds duidelijker af te tekenen. In juni van dat jaar werd de Derg geformeerd, bedoeld als vertegenwoordiging van alle militaire eenheden, een soort militair parlement, waarbij de hoge militaire rangen werden uitgesloten vanwege hun band met het keizerlijke regime. Met de mislukte staatsgreep van 1960 als waarschuwing trad de Derg aanvankelijk zeer voorzichtig op en slaagde erin amnestie te verkrijgen voor alle politieke gevangenen en bannelingen, een aantal hooggeplaatste regeringsambtenaren achter slot en grendel te krijgen en meer steun onder de bevolking te krijgen. Op 12 september 1974 kwam de Derg met een proclamatie waarbij keizer Haile Selassie werd afgezet en gedetineerd. Bij diezelfde proclamatie werd de Derg omgevormd tot de PMAC, de grondwet werd opgeschort, het parlement ontbonden en er werd een verbod afgekondigd op stakingen en demonstraties. De eerder populaire slogan People’s Government werd nu de Provisional People’s Government. Daarnaast waren er twee belangrijke linkse bewegingen Ethiopian People’s Revolutionary Party (hierna: EPRP) en All Ethiopian Socialist Movement (hierna: Meison). Een meer aristocratische onafhankelijkheidsbeweging werd gevormd door de Ethiopian Democratic Union (hierna: EDU), opgericht onder leiderschap van twee familieleden van de verdreven keizer Haile Selassie.15 Opstandige militaire eenheden en arbeidersprotesten werden door de Derg met grof geweld de kop ingedrukt. In november 1974 deelde de PMAC mee dat zij haar voorzitter, Aman Andom, had doodgeschoten en ongeveer zestig gedetineerden, niet alleen hoge functionarissen van het keizerlijk regime maar ook sommige van haar eigen leden, had geëxecuteerd.16

Het zaad van de zogeheten ‘Rode Terreur’, die ten doel had politieke vijanden te elimineren en potentiële tegenstanders af te schrikken17, lijkt hier voor het eerst gezaaid. In het begin van 1975 verschoof de Meison meer in de politieke richting van de PMAC, vermoedelijk vanwege haar eigen betrekkelijk zwakke positie op het politieke toneel.

In 1975 en 1976 waren gewapende EDU-eenheden actief, zij hadden veel van de Gondar regio onder controle, met name langs de grens met Soedan.18 Daarnaast had de Derg te kampen met ELF en EPLF die vanaf januari 1975 gezamenlijk strijd voerden tegen het Ethiopische leger.19 De EPRP en het EPLF hadden ook contacten met het Tigray People’s Liberation Front (hierna: TPLF), een in 1975 opgerichte linkse studentenbeweging, die in de volgende jaren meer en meer controle over de provincie Tigray verwierf.20

Februari 1976 wordt in het algemeen als het concrete begin van de Rode Terreur beschouwd. Voor de EPRP zou de Rode Terreur eerst eind augustus 1976 een aanvang nemen toen de Derg de officiële vernietigingscampagne tegen de EPRP lanceerde, resulterend in massale detentie van EPRP-leden en -sympathisanten en de executie van sommigen van hen. De EPRP bestreed de Derg met aanslagen, ook met behulp van haar gewapende vleugel. Na 3 februari 1977, de dag van de moord op Derg-voorzitter Teferri Banti, greep vicevoorzitter Mengistu de volledige macht, werd voorzitter en vanaf dat moment verhevigde het geweld.21

Van de Rode Terreur worden drie golven beschreven, van september 1976 tot juni 1977, van oktober 1977 tot begin december 1977 en tenslotte van december 1977 tot maart 1978. De massale moordpartijen werden onder meer gebaseerd op de belofte “for every revolutionary killed, a thousand counter-revolutionaries executed”. Eind april 1977, anticiperend op 1 mei demonstraties, werden van EPRP-sympathie verdachte personen in groten getale vermoord. Geschat werd dat ongeveer duizend kinderen waren gedood in Addis Abeba, waarbij hun lichamen op straat bleven liggen. Aan families van de doden werd het rouwen verboden. Er vonden ook massale arrestaties plaats van vermeende EPRP-aanhangers. Familieleden die naar vast gebruik voedsel en eten naar de gevangenis brachten moesten begrijpen dat de betrokken persoon dood was, als ze werden weggestuurd en te horen kregen dat ze niets meer behoefden te brengen. Hoewel rond maart 1978 de meest massale moordpartijen voorbij waren, ging het gevangenzetten en executeren door, met name ook in de provincie.22

Vermeende tegenstanders van de PMAC werden gedwongen tot het publiekelijk afleggen van bekentenissen, het openbaar maken van hun EPRP-lidmaatschap. Dat gebeurde onder dreiging met de dood tijdens zogeheten exposure meetings, massale bijeenkomsten. Wanneer men niet zichzelf bekend maakte maar door iemand anders zou worden aangegeven, zou executie volgen. Op scholen werden studenten en leraren opgepakt tijdens dit soort bijeenkomsten. Ouders en kinderen werden gedwongen elkaar aan te geven.23 Schrijver René Lefort heeft deze periode van de Rode Terreur als volgt omschreven:

“History offers few examples of revolutions that have devoured their own children with such viciousness and so much cruelty (…)The revolution swallowed the whole of the young generation of Ethiopian intellectuals, that is literates.“ 24

De aan de verdachte verweten handelingen zouden in deze periode hebben plaatsgevonden.

7 Het bestaan en de aard van het conflict

7.1

Inleiding

De rechtbank heeft reeds uiteengezet dat alleen sprake kan zijn van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict, zoals aan de verdachte is ten laste gelegd, indien in de tenlastegelegde periode op het grondgebied van Ethiopië sprake was van een dergelijk conflict.

De rechtbank dient daarom te bezien of er gedurende de ten laste gelegde periode in Ethiopië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. Anders dan in zaken over - bijvoorbeeld - Rwanda, voormalig Joegoslavië of Afghanistan is er geen (ad hoc) tribunaal of rechterlijk college dat zich eerder over deze vraag heeft gebogen.

Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict, dan dient zij zich vervolgens te buigen over de vraag of de verdachte daarvan kennis heeft gehad. Ter beantwoording van deze vragen zal de rechtbank onder 7.4 het toetsingskader schetsen waarop zij zich baseert.

7.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat er in Ethiopië in de periode februari tot en met augustus 1978 sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict tussen enerzijds de door de Derg gecontroleerde Ethiopische overheid en anderzijds de EPLF/ ELF, EDU en EPRP. Weliswaar was sprake van afzonderlijke groeperingen die ieder voor zich de drempel voor toepasselijkheid van het internationaal humanitaire recht haalden, maar deze groeperingen streden tegen dezelfde overheid (de Derg) en (in die relevante periode) niet tegen elkaar.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot (de aard van) het conflict in Ethiopië.

7.4

Het toetsingskader

Voor het vaststellen van het bestaan van een gewapend conflict gedurende een bepaalde periode is een analyse van de feitelijke situatie vereist, gebaseerd op de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen worden verricht.25

Indien gewapend geweld tussen staten of langdurig gewapend geweld tussen een staat en (een) georganiseerde gewapende groep(en) dan wel tussen zulke groepen onderling een bepaalde mate van intensiteit bereikt, kunnen de vijandelijkheden worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict respectievelijk een niet-internationaal gewapend conflict.26

De rechtbank overweegt dat de misdrijven genoemd in de tenlastelegging in verband kunnen worden gebracht met de gevechten die plaatsvonden tussen de Derg en de EPRP en andere (gewapende) oppositie groeperingen en niet tussen de Derg en een andere staat. Er is dus geen sprake van een internationaal gewapend conflict.

De rechtbank zal daarom de feitelijke situatie, in het bijzonder de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen werden verricht toetsen aan de criteria die in het internationale recht zijn ontwikkeld voor een niet-internationaal gewapend conflict.

Intensiteit en organisatie

De definitie van een niet-internationaal gewapend conflict is niet neergelegd in een verdrag. De basiscriteria vloeien allereerst voort uit gemeenschappelijk artikel 3 en artikel 1 van het AP II dat vermeldt dat “het Protocol de gemeenschappelijke artikelen 3 van de Geneefse Conventies uitbreidt en aanvult, zonder wijziging aan te brengen in de omstandigheden waaronder deze artikelen thans worden toegepast.” Om situaties van (sporadisch) geweld bij interne ongeregeldheden en spanningen te kunnen onderscheiden van gewapende conflicten, is de definitie ontwikkeld - en algemeen aanvaard - in internationale jurisprudentie. De Tadić zaak is algemeen erkend als gezaghebbend voor de definitie van onder andere een niet-internationaal gewapend conflict. In die zaak werden (1) de intensiteit van het conflict en (2) de organisatie van de partijen van het conflict benadrukt als de basiscriteria van een gewapend conflict.27 De criteria uit de Tadić zaak zijn vervolgens toegepast in zeer veel internationale en nationale jurisprudentie28en ook verder ontwikkeld door het ICTY, die in de Boskoski & Tarculovski zaak de relevante factoren opsomde waarmee op objectieve wijze de vereisten van ‘intensiteit’ en ‘organisatie’ kunnen worden getoetst.29

Als gevolg van deze ontwikkeling in de Tadić jurisprudentie en doctrine paste het International Committee of the Red Cross (hierna: ICRC) haar begrip van een gewapend conflict aan en concludeerde in 2008 dat niet-internationaal gewapende conflicten “are protracted armed confrontations occurring between governmental armed forces and the forces of one or more armed groups, or between such groups arising on the territory of a State [party to the Geneva Conventions]”, waarbij de gewapende confrontatie “must reach a minimum level of intensity and the parties involved in the conflict must show a minimum of organization.”30

Het ICRC definieerde georganiseerde gewapende groepen als groepen die “develop a sufficient degree of military organisation to conduct hostilities on behalf of a party to the conflict, albeit not always the same means, intensity and level of sophistication as State armed forces”.31

Het International Criminal Court (hierna: ICC) gaf in de Lubanga zaak ten aanzien van de beoordeling van de organisatiegraad van een gewapende groep de volgende handreikingen:

“When deciding if a body was an organised armed group (for the purpose of determining whether an armed conflict was not of an international character), the following non-exhaustive list of factors is potentially relevant: the force or group’s internal hierarchy; the command structure and rules; the extent to which military equipment, including firearms, are available; the force or group’s ability to plan military operations and put them into effect; and the extent, seriousness, and intensity of any military involvement.”32

Om te beoordelen of een partij bij het conflict voldoet aan het vereiste van organisatie zijn vijf groepen van factoren van belang, namelijk factoren die:

“1. indicate the presence of a command structure;

2. indicate whether the group can carry out operations in an organised manner;

3. indicate the level of logistics;

4. determine whether an armed group possesses the level of discipline and the ability to implement the basic obligations of Common Article 3;

5. indicate whether the armed group was able to speak with one voice.”33

Ook hier geldt dat de factoren op zichzelf niet essentieel zijn.34 Waar het om gaat is dat “’organized armed groups’must have a sufficient degree of organization, in order to enable them to carry out protracted armed violence”.35

Om de intensiteit van het geweld te beoordelen, kan acht worden geslagen op de volgende factoren:

“the number of civilians forced to flee from the combat zones; the type of weapons

used, in particular the use of heavy weapons, and other military equipment, such as

tanks and other heavy vehicles; the blocking or besieging of towns and the heavy

shelling of these towns; the extent of destruction and the number of casualties caused

by the shelling or fighting; the quantity of troops and units deployed; existence and

change of frontlines between the parties; the occupation of territory, and towns and

villages; the deployment of government forces to the crisis area; closure of roads”’ 36

Afzonderlijke geweldshandelingen voldoen niet aan het minimum vereiste voor intensiteit en geen van deze factoren is op zichzelf beslissend. Indien een van de factoren laag is, kan deze worden gecompenseerd door een andere factor die hoog is.37

Langdurig geweld

Ten aanzien van de vraag of het geweld voldoende langdurig (protracted) is heeft het ICC in de Bemba Gombo zaak als volgt geoordeeld:

“The Chamber notes that the concept of “protracted conflict” has not been explicitly defined in the jurisprudence of this Court, but has generally been addressed within the framework of assessing the intensity of the conflict. When

assessing whether an armed conflict not of an international character was protracted, however, different chambers of this Court emphasised the duration of the violence as a relevant factor.This corresponds to the approach taken by chambers of the ICTY. The Chamber follows this jurisprudence. The Chamber notes the Defence’s submission that “if the conflict devolves to the level of riots, internal disturbances or tensions, or isolated or sporadic acts of violence, or if the conflict ceases to be between organized armed groups”, the threshold for the existence of a “protracted armed conflict” would cease to be met. The Chamber considers that the intensity and “protracted armed conflict” criteria do not require the violence to be continuous and uninterrupted. Rather, as set out in the first sentence common to Article 8(2)(d) and 8(2)(f), the essential criterion is that it go beyond “isolated or sporadic acts of violence”.38

Tot waar en wanneer is het internationaal humanitair recht van toepassing?

Als de drempel van het niet-internationaal gewapend conflict is gehaald, is en blijft het internationaal humanitair recht van toepassing op het gehele grondgebied dat onder controle van de partijen staat, tot een “peaceful settlement” is bereikt. Het gewapend conflict eindigt pas als een van de partijen ophoudt te bestaan, bijvoorbeeld omdat zij zodanig verslagen is dat hergroeperen en het voortzetten van de vijandelijkheden ook op termijn niet meer mogelijk is of als er sprake is van een blijvend staken van gewapende confrontaties zonder reëel gevaar op hervatting.39 De Appeals Chamber van het ICTY heeft in de Kunarac zaak overwogen:

“There is no necessary correlation between the area where the actual fighting is taking place and the geographical reach of the laws of war. The laws of war apply (….) in the case of internal armed conflicts, the whole territory under the control of a party to the conflict, whether or not actual combat takes place there, and continue to apply (…) in the case of internal armed conflicts, until a peaceful settlement is achieved. A violation of the laws or customs of war may therefore occur at a time when and in a place where no fighting is actually taking place.” 40

7.5

De aard van het conflict in Ethiopië

7.5.1

De EPRP en de Staat

De EPRP

Veel van de slachtoffers in deze zaak behoorden tot of waren sympathisant van de EPRP.

De EPRP komt voort uit de studentenbeweging en is opgericht in 1972. Vanaf juni 1974 had de EPRP een centraal leiderschap, een politiek programma en gaf het een publicatie met de naam Democracia uit. Naast een centraal leiderschap was de EPRP georganiseerd per geografische zone. Deze zogenoemde inter zonal committees kregen de bevoegdheid zelfstandig besluiten te nemen en aan ieder inter zonal committee werd een lid van het centraal comité toegevoegd.41 De EPRP beschikte over een gewapende tak, het Ethiopian People’s Revolutionary Army (hierna: EPRA) waarover het centraal comité het bevel voerde en waaraan operationele sturing werd gegeven middels het Military Committee.42 Naast een leger beschikte de EPRP over Urban Armed Wings, ook Urban Defense Wings genoemd, die in de organisatiestructuur onder het Military Committee stonden.43 Deze Urban Armed Wings pleegden in augustus en september 1976 aanslagen en overvallen om aan wapens te komen, pleegden een aanslag op leden van Meison onder wie de rechterhand van Mengistu en pleegden een mislukte aanslag op Mengistu.44 In verband met toenemend (gewapend) verzet tegen de Derg werd de EPRP in september 1976 door de Derg tot vijand van de revolutie verklaard.45 EPRP-leden pleegden in 1977 aanslagen en moorden. Meerdere permanent secretaries van verschillende ministeries en ongeveer dertig kebele leiders werden door de EPRP gedood.46

David en Marina Ottaway beschrijven de situatie als volgt:

The situation had reached the point by February that no Political Bureau Partisan was safe in the streets or even in his office”.47

De universiteit van Uppsala beschrijft de EPRP als volgt:

“Communist EPRP was mainly active in the mid 1970s, when it engaged in both urban and rural armed opposition, but with a focus on the former. It initiated a campaign of urban guerrilla warfar in September 1976, involving bombings of public buildings and other symbols of state authority as well as assasinations of numerous public officials. The campaign was labelled the White Terror by the government, which in turn countered with what would be known as the Red Terror. During this campaign, government security forces systematically hunted down and killed suspected EPRP members and their supporters.Having been defeated in the towns by late 1977 EPRP’s urban component was forced to take refuge with the group’s rural component in Tigray and Gonder.” 48

De EPRA nam in aantal toe en bestond volgens Kiflu Tadesse in 1977 uit ongeveer 1500 manschappen in Tigray en Begedimir.49 Ook Ghelawdewos Araia spreekt van groei van de EPRA aan het eind van 1977 en begin van 1978.50

Gedurende de laatste maanden van 1977 voerde de EPRA in Begedimir het 217e Nebelbal (“Vlam”, een verzetsbestrijdingsgroep van de Derg51) regiment in de plaats Mayleham in een hinderlaag, waarbij officieren gevangen werden genomen en wapens en munitie werden buitgemaakt.52 In februari 1978 voerde de EPRA een actie uit in Wukro in Tigray waarbij officieren van Nebelbal werden gedood.53 In juli 1978 vond in het Begedemirgebied een operatie van de EPRA plaats tegen een militair kamp van de Derg, dat weliswaar werd vernietigd, maar waarbij veel EPRA strijders het leven lieten.54 Het aantal EPRA leden groeide echter weer door instroom uit de stedelijke gebieden waar mensen de Rode Terreur ontvluchtten. De EPRA was daardoor in staat om in drie regio’s contingenten in te zetten, die ieder hun eigen bevelstructuur hadden. In december 1978 was het R-3 Command nog in staat een aanval op Addis Zemen uit te voeren.55 De EPRP/EPRA werd gesteund, getraind en bewapend door het EPLF (en TPLF)56 en ontving ook wapens van het ELF.57 De EPRA voerde ook een aantal militaire acties uit samen met het EPLF.58

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat, in de tijd dat hij in Gojjam was als vertegenwoordiger van de Derg, Gojjam en Gondar conflictgebieden waren.59 De EPRP had grote invloed en de verdachte noemde de EPRP “een in die tijd onbeschrijflijk gewelddadige organisatie”. Zijn fotoalbum staat vol met vrienden en kameraden die zijn geliquideerd door de EPRP.60 De verdachte heeft eveneens verklaard dat in de tijd waarin hij voor de Derg in Gojjam zat, in Gojjam aanslagen werden gepleegd door de EPRP. In zijn tijd heeft de EPRP een militair guerillakamp opgericht in Metekel, in het westen van Gojjam. Dit was een plek van bijzonder strategisch belang. Niet alleen was het gebied rijk aan grondstoffen, ook lag het vanwege het gebrek aan infrastructuur geïsoleerd van de rest van het land en was het kwetsbaar voor machtsovername. Daarnaast had het gebied een lange onbewaakte grens met Soedan, zodat de EPRP en ook het EPLF en het TPLF zich makkelijk van voorraden en wapens uit Soedan konden voorzien.61 De EPRA/EPRP basis was door zijn ligging bedreigend voor de hele natie.62

In die tijd werd er ook heftig gevochten in het noorden, in Eritrea. De enige grote weg van Addis Abeba naar het noorden liep via Debre Marcos. De EPRP had deze weg geblokkeerd, zodat de Derg troepen zich niet naar het noorden konden verplaatsen. De militaire eenheid die de weg had vrijgemaakt is op verzoek van de verdachte naar Metekel gegaan om daar de EPRP basis te ontmantelen.63 Deze ontmanteling is van groot belang geweest om de macht van de EPRP in Gojjam te doen afnemen, aldus de verdachte.64 De verdachte heeft in het geschrift dat hij ter terechtzitting van 14 november 2017 aan de rechtbank heeft overgelegd opgemerkt dat de periode 1975-1979 de moeilijkste tijd was voor Ethiopië en haar volk. De verdachte heeft in dat geschrift verder opgemerkt:

Men was echt niet zeker of Ethiopië als verenigd land zou blijven bestaan. Ethiopië was toen gewikkeld in een alles omvattend moeras van oorlogen, (...), interne oorlog door de separatisten als ELF, EPLF, TPLF en EPRP in noord Ethiopië, TPLF, EPRP en EDU in het midden en noorden (Tigray, Gonder, Wollo, Gojam en noord Shoa); EPRP en saboteurs van TPLF en EPLF in de centrale gebieden en steden”.65

De tussenconclusie van de rechtbank

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de EPRP

(daaronder begrepen de militaire tak EPRA en de Urban Armed Wings) in de relevante periode een voldoende georganiseerde gewapende groep was.

De Staat

De EPRP streed tegen de Derg, de toenmalige overheid in Ethiopië. De Derg beschikte over het regeringsleger dat in de jaarrapportage 1974-1977 van de Nederlandse ambassade te Addis Abeba wordt geschat op 80.000 man en blijkens de jaarrapportage 1977-1978 is gegroeid tot 400.000 man.66 De Derg reageerde met geweld op (onder meer) de EPRP, de zogenaamde Rode Terreur. Zoals hiervoor reeds aangegeven verklaarde de Derg in september 1976 de EPRP tot vijand van de revolutie. In maart 1977 wierp Mengistu tijdens een toespraak een fles rode vloeistof kapot en zei daarbij dat de contrarevolutionairen net zo zouden worden vermorzeld.67 Tijdens een redevoering van 25 juni 1977 liet hij zich in soortgelijke bewoordingen uit:

the EPRP, EDU and the Eritrean secessionist reactionary organisations will be crushed”.68

Brieven en posttelegrammen van de Nederlandse ambassadeur voornoemd van oktober, november en december 1977 verhalen van gewapende acties om EPRP-leden in Addis Abeba uit hun schuilplaatsen te verdrijven, zuiveringsacties middels moorden en terechtstelling van contrarevolutionairen behorend tot de EPRP.69

De conclusie van de rechtbank

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er tijdens de ten laste gelegde periode in Ethiopië sprake was van een gewapend conflict dat niet meer het karakter had van interne ongeregeldheden of spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande sporadisch voorkomende daden van geweld of soortgelijke acties. Integendeel, er was sprake van langdurig en intensief geweld. Het gewapend conflict speelde zich af tussen enerzijds de Derg (de overheid) en anderzijds de EPRP. De rechtbank is derhalve van oordeel dat in de periode genoemd in de tenlastelegging op het grondgebied van Ethiopië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in de zin waarin die uitdrukking voorkomt in het humanitair oorlogsrecht en dat daarop gemeenschappelijk artikel 3 van toepassing is.

7.5.2

Verschillende strijdende partijen en de Staat

Hoewel de rechtbank met deze conclusie kan volstaan, acht zij het gelet op het belang van deze zaak gewenst uiteen te zetten dat zij ook langs de door het openbaar ministerie aangegeven weg tot vaststelling van een niet-internationaal gewapend conflict komt.

De rechtbank overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald conflict de gevechtshandelingen tussen de bij het conflict betrokken groepering(en) voldoende intensief zijn geweest om te kunnen concluderen dat is voldaan aan het voor een niet-internationaal gewapend conflict geldende intensiteitsvereiste, onder voorwaarden ook kan worden bezien of sprake is van verschillende met elkaar tegen een gemeenschappelijke vijand strijdende groeperingen. Hiervan zal alleen sprake kunnen zijn indien elk van de betrokken partijen voor zich voldoet aan het vereiste van voldoende organisatie.

Een dergelijke situatie kan zich voordoen indien de verschillende groeperingen op meer dan incidentele basis samenwerken op militair gebied, zoals coördinatie van militaire acties, maar ook bewapening, financiering, training en het bieden van gelegenheid van veilige doorvoer. Ook kan meewegen het nastreven van een (tijdelijk) gezamenlijk doel.

De rechtbank zal hierna nagaan of het EPLF/ELF, de EDU en het TPLF in samenhang met de EPRP in 1978 in Ethiopië hieraan voldeden.

De EPRP/EPRA en het EPLF/ELF

Het ELF en het EPLF voerden vanaf 1975 een gezamenlijke gewapende strijd tegen het Ethiopische regeringsleger. Beide organisaties hadden voorzitters, overlegorganen, politieke programma’s en commando-eenheden. Tussen 1975 en 1977 hadden het ELF en het EPLF controle over het grootste deel van het grondgebied van Eritrea. In die periode was het aantal ELF en EPLF strijders groter dan het aantal strijders van het Ethiopische leger.70 In 1978 wist de Derg de meeste steden op de rebellen te heroveren.71 Tussen 1978 en 1986 was er sprake van jaarlijkse overheidsoffensieven tegen de Eritrese rebellen,72 hetgeen ook blijkt uit de verklaring van de verdachte ter zitting dat er in zijn tijd in Gojjam met spoed een legereenheid naar het noorden naar Eritrea moest gelet op de gevechten aldaar.73 Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen en ook uit de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt overduidelijk dat er sprake was van een beduidend meer dan incidentele samenwerking tussen het EPLF/EFL enerzijds en de EPRP anderzijds. Deze samenwerking betrof alle hiervoor genoemde samenwerkingsgebieden en de gevechtshandelingen van het EPLF/ELF waren mede gericht op de doelstelling van de EPRP (het omverwerpen van de Derg).

De EPRP/EPRA en de EDU

De EDU was - als eerder omschreven - geen regionale onafhankelijkheidsbeweging maar een beweging die voortkwam uit het door de revolutie verdreven ancien régime.74 In 1975 werden gewapende eenheden van de EDU actief in Gojjam, Gondar en het westen van Tigray. Begin 1977 werden regeringstroepen verslagen.75 Vanaf medio 1977 leidde de EDU verliezen tegen de Derg in de regio Gondar en tegen het TPLF in Tigray, dat eind 1978 de meeste EDU-strijders tot over de grens in Soedan had teruggedrongen.76 Tussen de EDU en de EPRA is op enig moment wel sprake geweest van enige samenwerking77, echter naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat deze samenwerking meer dan een incidentele is geweest.

De EPRP/EPRA en het TPLF

Het TPLF is opgericht in 1975 en voerde vanuit de provincie Tigray een strijd tegen de staat voor sociale rechtvaardigheid en zelfbeschikkingsrecht voor alle Ethiopiërs.78 De verdachte heeft een nauwe samenwerking beschreven tussen het TPLF en de EPRP, bestaande uit onder andere training en bewapening.79 De rechtbank overweegt evenwel dat - wat er ook zij van een eventuele tijdelijke samenwerking in de zin van het simultaan bestrijden van de Derg in de provincie Tigray80 - in de voor de tenlastelegging relevante periode er niet langer sprake was van enige samenwerking tussen beide oppositiegroeperingen81, integendeel. In maart 1978 zijn de al sinds 1975 bestaande spanningen tussen beide groeperingen en hun onderlinge concurrentie in Tigray militair beslecht in het voordeel van het TPLF.82

De Staat

De rechtbank herhaalt hetgeen zij hiervoor reeds ten aanzien van de staat heeft overwogen en voegt daar het volgende aan toe.

De Ethiopia Herald vermeldt in een artikel van 2 maart 1978 dat Mengistu in een rede ter ere van Adowa Victory Day gezegd heeft:

"Imperialism and bureaucratic capitalism shall perish! The (…) EPRP and separatist forces shall perish! [. . .] 83

Agence France Press meldt dat Lt.Kol. Megistu op 16 mei 1978 aankondigde dat het

langverwachte tegenoffensief in Eritrea van start ging. Verschillende bevrijdingsbewegingen zouden controle hebben over 90% van het territoir in Eritrea. Rond de belegerde stad Asmara, waar 25.000 Ethiopische soldaten vast zouden zitten, werd hevig gevochten. Vanaf mei gebruikte de Ethiopische luchtmacht de luchthaven in Makalle in de provincie Tigray om bombardementen uit te voeren op posities van het ELF en EPLF in Eritrea. Hoewel een groot deel van de geraakte doelen een militair karakter had, werden ook veel dorpen, steden en kuddes aangevallen.84

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank komt ook op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat er in de periode van de tenlastelegging in Ethiopië (ook) een niet internationaal gewapend conflict was tussen enerzijds de Derg en anderzijds de EPRP / het EPLF en het ELF. De laatstgenoemden streden tegen dezelfde overheid en werkten in dat kader met voldoende mate van intensiviteit samen.

Ieder der genoemde groeperingen beschikte over een voldoende mate van organisatie. De gezamenlijke gewapende strijd tegen de Derg was langdurig en gelet op de onderlinge samenwerking van een voldoende intensiteit. Dat de genoemde groeperingen naast hun gezamenlijke doel - de strijd tegen de Derg - mogelijk ook nog eigen belangen hadden, zoals de afscheiding van Eritrea, en bij tijd en wijle ook elkaar bestreden, doet daaraan niet af.

7.5.3

De kennis van het gewapend conflict

De rechtbank stelt op grond van de hierboven al weergegeven verklaringen van de verdachte en zijn geschrift vast dat hij kennis had van het gewapend conflict.

8 De getuigenverklaringen

8.1

Inleiding

Een groot deel van de stukken in het dossier zijn getuigenverklaringen. Evenals in voorgaande strafzaken met betrekking tot internationale misdrijven gaat het daarbij om de auditu-verklaringen en verklaringen van ooggetuigen die al dan niet zelf slachtoffer zijn van (delen van) de tenlastegelegde feiten. Door de NR en de DLR zijn 28 getuigen gehoord in Nederland, de Verenigde Staten van Amerika en Canada. Door de rechter-commissaris zijn in diezelfde landen achttien (gedeeltelijk dezelfde) getuigen gehoord. Aangezien Ethiopië niet heeft willen meewerken aan rechtshulp is het niet mogelijk geweest om getuigen te horen in Ethiopië. Wel beschikt de rechtbank over kopieën van een gedeelte van het dossier in de strafzaak die in Ethiopië tegen de verdachte is geweest. Ook in dit dossier zijn diverse getuigenverklaringen opgenomen. Geen van deze getuigen is door de Nederlandse recherche of de rechter-commissaris gehoord.

In een zaak als de onderhavige speelt de vraag naar de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaringen een belangrijke rol. Dit is niet alleen omdat een eventuele bewezenverklaring voor een groot deel zal moeten worden gestoeld op deze verklaringen, maar ook omdat - meer dan in commune strafzaken - er mogelijke bezwaren kleven aan de verklaringen. Het gaat immers om verklaringen die zijn afgelegd over gebeurtenissen die tientallen jaren geleden - in deze zaak bijna veertig jaar geleden - hebben plaatsgevonden. Daarnaast kunnen de getuigen getraumatiseerd zijn door hetgeen zij hebben gezien en meegemaakt en zijn zij afkomstig uit een andere omgeving en cultuur dan de onze.85 Dit brengt met zich dat het mogelijk niet verantwoord en/of wenselijk is om alle getuigenverklaringen voor het bewijs te bezigen. Ter beoordeling daarvan zal de rechtbank in de volgende paragraaf allereerst het toetsingskader uiteen zetten dat dient te worden gebruikt voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen. Daarna zal de rechtbank per getuige aangeven of de verklaring (in beginsel) - al dan niet gedeeltelijk - voor het bewijs kan worden gebezigd. Tot slot zal de rechtbank zich buigen over door de verdediging gedane getuigenverzoeken.

8.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft - met verwijzing naar jurisprudentie in WOS zaken of Wim zaken van deze rechtbank, het gerechtshof Den Haag en het gerechtshof Den Bosch - zich op het standpunt gesteld dat noch het tijdsverloop, noch het cultuurverschil, de ernst van hetgeen de getuigen hebben meegemaakt en hun mogelijke traumatisering, aan de betrouwbaarheid van de verklaringen afdoet. Het openbaar ministerie heeft in zijn bewijsconstructie gebruik gemaakt van meerdere getuigen die door de Nederlandse recherche (en de rechter-commissaris) zijn gehoord, allen in onderlinge samenhang bezien. Van enkele getuigen is geen gebruik gemaakt van de verklaring, hetzij omdat deze niet kon bijdragen aan het bewijs, hetzij omdat de verklaring inconsistenties bevatte.

Voor wat betreft de getuigen uit het Ethiopische strafdossier zijn deze door het openbaar ministerie enkel aangehaald in samenhang met meerdere andere verklaringen en/of bewijsmiddelen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn, vanwege onder meer het tijdsverloop, mogelijke collusie en inconsistenties.

Voorts heeft de verdediging verzocht om een groot aantal personen (opnieuw) te horen als getuige. De lijst met deze verzoeken is als bijlage 2 bij dit vonnis gevoegd.

8.4

De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen

8.4.1

Het toetsingskader

Door de rechtbank ’s-Gravenhage is in de zaak tegen Joseph M. een kader opgesteld voor de toetsing van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. In dit kader worden zeven aandachtspunten onderscheiden, te weten:

I: de persoon van de getuige;

II: de totstandkoming van de verklaring;

III: de toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens:

IV: de consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen;

V: de kwaliteit van identificaties en herkenningen;

IV: de overeenstemming van de verklaringen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard;

VII: de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).86

Dit kader is door de rechtbank ’s-Gravenhage in de zaak tegen Yvonne B. opnieuw gehanteerd, met dien verstande dat het criterium van de kwaliteit van identificaties en herkenningen is opgenomen onder één van de andere aandachtspunten.87

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in voornoemde Joseph M. zaak - met verwijzing naar hetgeen het omtrent de toetsing van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen in de strafzaak tegen Guus K. heeft overwogen - objectieve criteria geformuleerd, te weten:

a: de toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens:

b: de consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen;

c: de overeenstemming van de verklaringen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard;

d: de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).88

In de Tamil zaak heeft het hof dit kader wederom toegepast.89

Bij de toepassing van deze criteria op de zaak heeft het hof betrokken de persoon van de getuige, de totstandkoming van de verklaring en de kwaliteit van de identificaties en herkenning.

De toetsingskaders van het hof en de rechtbank in de zaak tegen Joseph M. en latere jurisprudentie komen dus voor wat betreft structuur niet geheel met elkaar overeen, maar hebben wel dezelfde aandachtspunten.

De rechtbank zal hieronder - met inachtneming van voormelde jurisprudentie, maar ook gelet op de literatuur - een uiteenzetting geven van de door haar te hanteren criteria bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Het verdient opmerking dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen deze in onderlinge samenhang dienen te worden bezien. Voorts is van belang dat de genoemde criteria slechts aandachtspunten zijn. Het betreft dus geen lijstje dat bij een bepaald aantal vinkjes tot de conclusie moet leiden dat de verklaring van de getuige onbetrouwbaar is.

De persoon van de getuige

Er zijn omstandigheden denkbaar die mogelijk van invloed zijn op de betrouwbaarheid en/of de geloofwaardigheid van een getuige. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid moet daarom rekening worden gehouden met de volgende aandachtspunten:

a. a) Betrokkenheid van de getuige bij de tenlastegelegde feiten

Een getuige die zelf direct of indirect betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten kan redenen hebben om een verklaring af te leggen die in strijd is met de waarheid, bijvoorbeeld omdat hij zijn eigen rol wil minimaliseren. In de tegen Joseph M. zaak zag de rechtbank aanleiding om een verklaring van een getuige met behoedzaamheid te bezien, aangezien de getuige een mogelijk motief had om een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen en niet viel uit te sluiten dat de getuige had getracht zijn eigen rol/betrokkenheid te minimaliseren en bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid te verschuiven naar de verdachte.90

b) Verdere belangen of motieven van getuigen om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen

De mogelijkheid bestaat dat een getuige belangen of motieven heeft om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen (zie hiervoor onder ‘de persoon van de getuige’ onder a). Hiervoor moeten echter concrete aanwijzingen zijn die het niveau van speculatie of suggestie ontstijgen, te meer indien de belastende verklaring door andere belastende verklaringen wordt ondersteund.91 Zo is bijvoorbeeld de enkele omstandigheid dat de getuige behoorde tot een groep die slachtoffer is geworden van de groep waartoe de verdachte behoorde onvoldoende.92 Anderzijds achtte de rechtbank de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring wél in het geding bij een getuige die verklaarde dat een verdachte altijd samen was met zijn broer, die misdrijven pleegde, zodat ook die verdachte schuldig moest zijn.93

c) Vaardigheid van getuigen om onderscheid te maken tussen wat zij zelf hebben gezien en wat zij van anderen hebben gehoord (de auditu)

In de wetenschap is erkend dat getuigen die kennis hebben uit eigen waarneming van een gebeurtenis, moeilijk latere aanvullingen daarop (post-hoc-informatie) uit andere bron (bijvoorbeeld uit hetgeen zij van andere mensen hebben gehoord) kunnen onderscheiden van hetgeen zij zelf daadwerkelijk hebben waargenomen (bronamnesie). Het is daarom van belang dat uit de verklaring blijkt in welke mate een getuige dit onderscheid kan maken. Indien getuigen met elkaar spreken kan dit collaborative storytelling tot gevolg hebben waarbij tussen verschillende getuigen een sterke mate van sociale beïnvloeding ontstaat, waardoor hun ervaringen en uiteenlopende interpretaties versmelten tot een gezamenlijk verhaal over wat er is gebeurd.94

d) Verstorende effecten ten gevolge van culturele verschillen

Door culturele verschillen bestaat het risico dat een getuige moeite heeft met tijd-, ruimte- en afstandsbepaling en/of zich wellicht niet kan oriënteren aan de hand van kaarten, foto- en beeldmateriaal, en kan invloed bestaan op de wijze waarop een getuige reageert op vragen (met name delicate) en deze beantwoordt. In de zaak Joseph M. overwoog het hof bijvoorbeeld dat rekening moest worden gehouden met het gegeven dat een deel van de Rwandese getuigen niet vertrouwd was met plattegronden en landkaarten en dat sommige getuigen het moeilijk vonden om data, tijdsverloop, afstanden en ruimte zo specifiek neer te zetten. Het hof oordeelde dat er niet zonder meer nadelige conclusies ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen aan moesten worden verbonden.95In de zaak tegen Yvonne B. werd door de verdediging naar voren gebracht dat liegen binnen de Rwandese samenleving minder problematisch is en dat getuigen uit de wens om bij te dragen aan een veroordeling vals zouden kunnen verklaren. De rechtbank erkende dit echter niet als een algemeen bewijsverweer maar oordeelde wel dat behoedzaamheid geboden is.96

e) De traumatisering van de getuige

Een getraumatiseerde getuige is niet zonder meer minder betrouwbaar dan een niet getraumatiseerde getuige. Uit de literatuur volgt dat herinneringen aan centrale details van een traumatische gebeurtenis vaak accurater en vollediger zijn dan herinneringen aan perifere details van eenzelfde gebeurtenis. Dit komt omdat de aandacht zich bij een dergelijke gebeurtenis richt op bedreigende, centrale details (weapon focus effect) en omdat de grenzen van het traumatische beeld vernauwen (boundary restriction).97 Hierdoor kan het zijn dat er minder aandacht is voor andere, perifere details, zoals het uiterlijk van de dader.98

In de zaak tegen Joseph M. merkte het hof echter wel op dat gedragswetenschappers het niet eens zijn over de effecten van verdringing en dat de weergave van de traumatische gebeurtenis door de getuige en/of slachtoffer met de nodige voorzichtigheid en alleen in onderlinge samenhang met andere bewijsmiddelen diende te worden beoordeeld.99

Door traumatisering is het echter ook mogelijk dat het geheugen van de getuige wordt aangezet tot verdringing en dissociatie welke verschijnselen effect sorteren op het geheugen en in algemene zin op het waarnemingsvermogen van de getuigen. Door middel van zorgvuldige vraagstelling - te weten bevraging zonder druk van buitenaf, eventueel met herhaalde vragen - kunnen dergelijke verklaringen toegankelijk worden gemaakt. In zo’n geval is het mogelijk dat een getuige in opeenvolgende verhoren zich telkens nieuwe informatie herinnert.100

f) Overige factoren in de persoon van de getuige

In de literatuur wordt gewaarschuwd voor de negatieve effecten die acquiescence (de neiging om vragen bevestigend te beantwoorden), compliance (instemming met aangedragen informatie omdat de getuige zich daartoe door de sociale context verplicht voelt) en suggestibility (het accepteren van informatie als zijnde correct in de veronderstelling dat de persoon die de informatie aandraagt het wel bij het juiste eind zal hebben) kunnen hebben op de kwaliteit van de verklaringen. Een juiste manier van verhoren kan deze risico’s verminderen.101

Dat een getuige nog een kind was ten tijde van de gebeurtenissen hoeft geen gevolgen te hebben voor de betrouwbaarheid van de verklaring die op latere leeftijd wordt afgelegd. Uit onderzoek blijkt namelijk dat het geheugen van kinderen accuraat is en dat zij accuraat kunnen vertellen over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden.102 Desondanks is bij kinderen en getuigen met een verstandelijke beperking de kans op het verkrijgen van onbetrouwbare verklaringen groter in vergelijking met normaal begaafde volwassenen. Dit kan gelegen zijn in beperkingen in het geheugen, versterkte beïnvloedbaarheid, het taalbegrip en het vermogen tot abstract denken.103

Het toetsen van de betrouwbaarheid kan overigens worden bemoeilijkt door de wijze waarop de verhoren zijn uitgewerkt, bijvoorbeeld als er geen verbatim uitwerking is. Bij de verslaglegging van een verklaring is in beginsel altijd sprake van een veranderproces (normatieve transformatie).104

De totstandkoming van de verklaring

De wijze waarop de verklaring tot stand komt kan van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring. Daarbij kunnen de hiernavolgende aspecten een rol spelen.

a. a) De wijze van vragen stellen, inhoud van de vragen, houding en gedrag van de verhoorder

De wijze waarop vragen worden gesteld en de inhoud van die vragen kunnen van invloed zijn op de verklaring die de getuigen afleggen. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van gesloten vragen, suggestieve vragen en verwarrende vragen.105 Het aandringen op een antwoord door de verhoorder kan ervoor zorgen dat de getuige sociale druk voelt om te antwoorden. Dit kan ook cultureel bepaald zijn (zie ook ‘De persoon van de getuige’ onder d).

b) De duur van het verhoor

Gelet op de omvang van de gebeurtenissen is het niet ongebruikelijk dat het verhoor van een getuige lange tijd in beslag neemt. Ook hier kleven echter risico’s aan. Het gerechtshof overwoog in de zaak van Joseph M. dat bij urenlange verhoren de kans op betrouwbare informatie door de getuige kleiner wordt.106 Dit verschijnsel wordt in de literatuur wel het output order-effect genoemd.107

c) Communicatieproblemen tussen verhoorders en getuigen of tussen tolk en getuigen

Het gebeurt vaak dat bij het verhoor van een getuige gebruik moet worden gemaakt van een tolk. Dit kan leiden tot communicatieproblemen, maar het kan ook voorkomen dat de tolk een foutieve vertaling geeft. Eventuele misverstanden tussen de verhoorder en de getuigen, hoeven echter niet zonder meer ertoe te leiden dat de verklaring niet meer betrouwbaar is. Indien de misverstanden verhelderd zijn of niet van substantiële aard zijn hoeft het geen bezwaar te zijn.108

d) Contact tussen getuige en andere getuigen alvorens een verklaring af te leggen

Contact tussen verschillenden getuigen voorafgaande aan verhoren kan tot gevolg hebben dat er bronamnesie optreedt (zie ‘De persoon van de verdachte’ onder c).

e) Waarborgen bij verhoor

In het Nederlandse rechtssysteem zijn er waarborgen bij het afleggen van getuigenverklaringen bij de politie en de rechter-commissaris, ook indien dit in het buitenland geschiedt. Indien door een getuige meerdere verklaringen zijn afgelegd heeft het daarom - zoals hiervoor reeds vermeld - de voorkeur om de verklaring te gebruiken die bij de rechter-commissaris of bij de Nederlandse recherche is afgelegd. Bij verklaringen die aan derden zijn afgelegd is het echter lastig om te controleren of zij met voldoende waarborgen zijn omgeven en met behulp van welke methodiek zij tot stand zijn gekomen. Dit kan er toe leiden dat het verstandiger is om de verklaringen niet voor het bewijs te bezigen, dan wel de verklaringen met de nodige behoedzaamheid te bezien.109

Toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens met betrekking tot de situatie ter plaatse

Bij objectieve gegevens kan worden gedacht aan gegevens door forensisch onderzoek of schriftelijke bronnen zoals geschriften en rapporten over het conflict. In de zaak tegen Joseph M. werd gebruikt gemaakt van onder meer geschriften en rapporten over de genocide in Rwanda in 1994 en de feitelijke vaststelling door het ICTR over het gewapend conflict in Rwanda in 1994 en de daaropvolgende feitelijke gebeurtenissen.110

Feitelijke vaststellingen in geschriften en rapporten die zijn gebaseerd op onder meer verklaringen van getuigen en deskundigen en documenten kunnen in beginsel worden overgenomen door de rechter, ook al heeft de verdediging geen invloed kunnen uitoefenen op de totstandkoming daarvan.111

Consistentie van opeenvolgende, door de betreffende getuige afgelegde verklaringen

Wanneer door een getuige meerdere verklaringen zijn afgelegd kan de consistentie van die opeenvolgende verklaringen worden getoetst. In de zaak tegen Joseph M. overwoog het hof:

“Teneinde een uitspraak te kunnen doen over de accuratesse van de herinnering van de getuige en/of slachtoffer dienen de verklaringen die zij op verschillende tijdstippen tegenover de onderscheidenlijke (opsporings)autoriteiten hebben afgelegd, met elkaar te worden vergeleken. De mate van consistentie - die betrekking heeft op de mate van overeenkomst tussen de verschillende verklaringen - is dan aan de orde en die is weer van invloed op de bewijskracht van de desbetreffende verklaring, met name wanneer dit aspecten van een verklaring betreft die dragend zijn voor het bewijs. Ofschoon een sterke mate van consistentie nog geen garantie biedt voor de accuratesse van de desbetreffende verklaring is het omgekeerde evenmin het geval.” 112

Onder meer de persoon van de getuige (zie ‘De persoon van de getuige’ onder a tot en met f) en de wijze van totstandkoming van de verklaring (zie ’De totstandkoming van de verklaring’ onder a tot en met e) kunnen van invloed zijn op die consistentie, maar dat geldt ook voor het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en het afleggen van de verklaring.113

Van belang zijn de omstandigheden waaronder de geconstateerde inconsistenties zich voordoen. Wanneer dit gebeurt aan het einde van een lang verhoor en/of als er sprake is van PTSS-symptomen, dan moet men bedacht zijn op commissiefouten, dat wil zeggen: onjuiste elementen in de herinnering.114

Voorts kan er bij verklaringen die als inconsistent zouden kunnen worden beschouwd worden bezien in welke mate (bepaalde onderdelen van) de verklaringen steun vinden in ander bewijs.

Verklaringen die inconsistenties, discrepanties of tegenstrijdigheden bevatten kunnen worden uitgesloten van het bewijs of het inconsistente deel van de verklaring kan niet worden gebruikt voor het bewijs. Dit geldt echter niet voor alle inconsistente verklaringen, maar kan enkel indien i) de inconsistenties of verschillen zien op een aspect van de verklaring dat dragend zou moeten zijn voor het bewijs of die anderzijds evident de betrouwbaarheid van de verklaring als geheel raken, en ii) er geen bevredigende verklaring voor die discrepanties, inconsistenties of tegenstrijdigheden kan worden gevonden.

Kwaliteit van identificaties en herkenningen

Door getuigen kan een verdachte worden geïdentificeerd of worden herkend. Die identificaties en herkenningen hoeven echter niet zonder meer betrouwbaar te zijn. Ter beoordeling daarvan kunnen de volgende vragen worden gesteld:

a. a) Kende de getuige de verdachte?

Een herkenning door een getuige van een bekende is in beginsel aanzienlijk betrouwbaarder dan identificatie van een onbekende omdat het herkennen van iemand die een getuige slechts een enkele keer heeft gezien veel moeilijker is.115 Dit wordt geacht een feit van algemene bekendheid te zijn.116

b) Wat was de afstand tussen de getuige en de verdachte?

De afstand tussen de getuige en de verdachte is een belangrijke factor bij de waarneming, dit in combinatie met de lichtsterkte (zie daarvoor hierna onder d). In de literatuur is er verdeeldheid over de vraag op welke afstand de kwaliteit van de waarneming afneemt.117 Zo liet onderzoek uit 1996 zien dat bij een afstand van twintig meter, ongeacht de lichtsterkte, de herkenning niet voldeed aan de berekende ondergrens in het strafrecht voor diagnostische waarde.118 In later onderzoek werd echter ondervonden dat er op een afstand van meer dan vijftien meter, in samenhang met de hoeveelheid verlichting, een minder scherpe daling was waar te nemen, maar meer een monotone verandering. Er werd ondervonden dat per meter toename in afstand het aantal correcte herkenningen afnam met 0,60% en het aantal foute herkenningen toenam met 0,48%.119

c) Hoe lang en/of hoe vaak heeft de getuige de verdachte gezien?

Tijdsduur van de waarneming (exposure time) is van belang voor de opslag daarvan in het geheugen. Wanneer de waarneming langer duurt dan zal deze beter zijn en zal het geheugenspoor dat wordt gecreëerd omvangrijker zijn.120

d) Was het licht of donker?

De lichtsterkte is van invloed op de waarneming. Bij lagere lichtsterkte, in combinatie met de afstand, neemt de diagnostische waarde van de herkenning af (zie ook hierboven onder b).121

e) Zijn er andere factoren die de waarneming betrouwbaar of minder betrouwbaar maken?

Hierbij kan worden gedacht aan het vermogen van de getuige om het handelen van de verdachte, diens wapen of kleding te zien of medeverdachten te beschrijven.

f) Heeft de getuige de verdachte en face gezien?

Tevens is van invloed of de getuige tijdens de waarneming de verdachte en face heeft gezien, omdat dit de kwaliteit van de herkenning ten goede komt.122

g) Heeft de getuige hetzelfde ras als de verdachte?

Uit diverse onderzoeken is gebleken dat mensen beter in staat zijn om iemand van het eigen ras en de eigen etnische groep te herkennen dan iemand van een ander ras of andere etnische groep. Een herkenning is dan ook in beginsel accurater wanneer de getuige van hetzelfde ras en etniciteit is als de verdachte.123

Plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaringen

Tot slot kan worden bezien of de afgelegde verklaring plausibel is. Hierbij is terughoudendheid echter gepast, aangezien vaak sprake is van een extreme context, die aan de grenzen van het voorstellingsvermogen kan raken.124

8.4.2

De bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen in de onderhavige zaak

De rechtbank heeft het bovenstaande toetsingskader toegepast - op onderdelen slechts voor zover van belang - op alle getuigenverklaringen die zich in het Nederlandse strafdossier bevinden. De rechtbank zal kort weergeven tot welke bevindingen zij per getuige is gekomen. Daarbij verdient het opmerking dat de rechtbank in beginsel in geen enkel geval in twijfel trekt hetgeen de getuigen verklaren over wat zij persoonlijk hebben meegemaakt, te weten de door hen ondergane arrestaties, martelingen en slechte detentieomstandigheden. Er zijn geen aanwijzingen dat ook maar één van de getuigen hierover in strijd met de waarheid heeft verklaard. De rechtbank is het met het openbaar ministerie eens dat dergelijke traumatiserende gebeurtenissen doorgaans niet gemakkelijk worden vergeten. Dit neemt evenwel niet weg dat er factoren kunnen zijn die met zich brengen dat hetgeen de getuigen verklaren te hebben gezien en gehoord met onvoldoende mate van betrouwbaarheid kan worden vastgesteld. Die omstandigheden kunnen er dan ook toe leiden dat de rechtbank hun verklaring voor dat deel als onvoldoende betrouwbaar voor het bewijs waardeert. Los daarvan zijn er enkele verklaringen die weliswaar betrouwbaar kunnen worden geacht, maar desondanks onvoldoende bruikbaar voor het bewijs zijn omdat het bijvoorbeeld de auditu-verklaringen betreft of omdat zij zien op gebeurtenissen die op een andere tijd of in een andere plaats hebben plaatsgevonden dan de gebeurtenissen waarop de tenlastelegging ziet.

In zijn algemeenheid merkt de rechtbank op dat het enkele tijdsverloop niet maakt dat de verklaringen van de getuigen per definitie onbetrouwbaar zijn. De omstandigheden dat sommige getuigen contact met elkaar hebben gehad, mogelijk boeken hebben gelezen over de tenlastegelegde feiten en kennis hebben gekregen van het Ethiopische strafproces tegen de verdachte, kunnen op zichzelf evenmin leiden tot de conclusie dat de verklaringen zonder meer onbetrouwbaar zijn. Tot slot merkt de rechtbank op dat hoewel enkele getuigen een vordering benadeelde partij hebben ingediend, zij geen enkele aanwijzing heeft dat deze getuigen uit eigen gewin in strijd met de waarheid hebben verklaard. De zeer geringe hoogte van de vorderingen vormt hiervoor zelf een contra-indicatie.

[persoon 328]

[persoon 328] is als mogelijke getuige naar voren gekomen, omdat hij een van de personen is die in het reeds genoemde artikel in Vrij Nederland aan het woord kwam. Hij is in oktober 2012 door de NR gehoord in de Engelse taal. Hij heeft voornamelijk verklaard over de lijsten en brieven die hem gedurende het interview voor het artikel zijn getoond, de structuur en het doel van de EPRP en de functie en de rol van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de getuige niet uit eigen waarneming kan verklaren over de tenlastegelegde feiten. Hij heeft verklaard dat hij bij een bezoek aan een vriend in Debre Marcos zag dat er op het gevangenissterrein grote gaten werden gegraven en dat er die nacht zestig of zeventig mensen uit de gevangenis werden gehaald en zes of zeven kilometer van de gevangenis verwijderd werden gedood. Uit die verklaring volgt echter ten eerste niet wanneer dit zou zijn geweest, maar daarnaast lijkt het er sterk op dat hij enkel heeft gezien dat er gaten werden gegraven en dat hij de dood van de personen van horen zeggen heeft. De rechtbank acht zijn verklaring dan ook niet bruikbaar voor het bewijs.

[persoon 333, anders geschreven]

[persoon 333, anders geschreven] is door de getuige [persoon 328] genoemd als potentiële getuige. Er is met hem in 2013 een voorgesprek gehouden, waarna hij in 2015 is gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris in de Verenigde Staten van Amerika. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Hij is de broer van [persoon 334], die een hoge functie binnen de EPRP had en over wie diverse getuigen verklaarden dat hij begin augustus 1978 is doodgeschoten vlak buiten Debre Marcos. De getuige heeft met name verklaard over het lot van zijn broer en de rol van de verdachte.

Aangezien [persoon 333, anders geschreven] niet uit eigen waarneming kan verklaren over de tenlastegelegde feiten, maar enkel over wat hij van anderen heeft gehoord - waarbij vaak de bron niet wordt vermeld - is de rechtbank van oordeel dat zijn verklaring niet kan bijdragen aan het bewijs.

[persoon 319, andere schrijfwijze]

[persoon 319, andere schrijfwijze] is door de getuige [persoon 333, anders geschreven] genoemd als potentiële getuige. Met hem is een voorgesprek gevoerd in 2013 en in 2015 is hij gehoord door de DLR. In 2017 is hij - met bijstand van een psycholoog omdat hij getraumatiseerd zou zijn - gehoord door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Ten tijde van de tenlastegelegde periode was hij rond de veertien jaar oud en lid van de EPRP. Hij heeft met name verklaard over de exposure meetings en de rol van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat [persoon 319, anders geschreven] als enige getuige heeft verklaard dat er gedurende exposure meetings geen arrestaties hebben plaatsgevonden en evenmin dat er van daaruit mensen naar een kamp of politiebureau zijn gebracht. Bij de rechter-commissaris heeft hij ruim drie jaar later echter verklaard dat er wel degelijk twee personen zijn meegenomen na de exposure meeting, hoewel hij dit van één van de personen niet heeft gezien maar heeft geconcludeerd. Het valt de rechtbank op dat hij in die laatste verklaring het echter nog altijd slechts over twee personen heeft, terwijl alle andere getuigen verklaren dat veel mensen na de exposure meeting werden meegenomen. Zijn verklaring wijkt dus op een belangrijk punt af van de verklaringen van de andere getuigen.

Daarnaast heeft [persoon 319, andere schrijfwijze] bij al zijn verhoren verklaard over een incident dat tijdens de exposure meeting plaatsvond, waarbij iemand naar [Eshetu A.] spuugde en riep hoe goed de EPRP was. Over wie deze persoon was heeft de getuige echter wisselend verklaard. Bij zijn voorgesprek met de politie vertelde hij dat deze persoon zijn aangetrouwde neef [persoon 335] was, maar bij de politie en vervolgens de rechter-commissaris noemde hij niet zijn neef maar een hoge EPRP leider van wie hij de naam niet wist c.q. een jongen die was ontmaskerd. De rechtbank vindt dit verschil tussen de verklaringen des te opvallender nu men zou verwachten dat een dergelijke vergissing niet wordt gemaakt als het gebeuren betrekking heeft op een familielid.

Door deze tegenstrijdigheden, in combinatie met de omstandigheid dat er aanwijzingen zijn van traumatisering, kan de rechtbank in onvoldoende mate vaststellen of [persoon 319, andere schrijfwijze] hetgeen hij beschrijft daadwerkelijk heeft gezien of dat hij mogelijk verhalen van anderen in zijn herinnering heeft geïncorporeerd. De rechtbank acht het daarom onverantwoord om zijn verklaring voor het bewijs te bezigen.

[persoon 314]

[persoon 314] is als potentiële getuige genoemd door [persoon 333]. Er zijn in 2013 twee verkennende gesprekken met hem gevoerd en een derde verkennend gesprek in 2014. In 2015 is hij gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was hij rond de twintig jaar en hij steunde de EPRP. Hij heeft verklaard over de exposure meetings, zijn verblijf in een militair kamp, gevolgd door een verblijf in een politiekamp en de gevangenis, detentieomstandigen, martelingen en executies. Voorts heeft hij belastend verklaard over de aanwezigheid van de verdachte bij de exposure meetings en in een van de kampen.

De rechtbank stelt vast dat de getuige niet altijd consequent heeft verklaard over hetgeen hij zelf heeft gezien en gehoord en wat hij enkel van anderen heeft vernomen. Hij heeft daarnaast verklaard dat er elke avond vijf of zes jongeren werden weggevoerd. Geen enkele andere getuige heeft dit verklaard. Ook lijkt hij in de war te zijn over de aanwezigheid van de verdachte in Gojjam tegelijkertijd met Kassay Aragaw. Verder heeft hij niet eenduidig verklaard of hij de verdachte nu juist in het politiekamp of het militair kamp heeft gezien. Gelet hierop krijgt de rechtbank de indruk dat de getuige herinneringen onbewust door elkaar haalt of verkeerd heeft opgeslagen. De rechtbank acht het daarom niet verantwoord om zijn verklaring als bewijs te gebruiken.

[persoon 316]

[persoon 316] is door de getuige [persoon 314] aangedragen als potentiele getuige. Hij is in 2015 gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Ten tijde van de tenlastegelegde periode was hij rond de twintig jaar en hij was lid van de EPRP, hoewel hij niet erg actief was. Hij heeft met name verklaard over exposure meetings en de rol van de verdachte daarbij, zijn verblijf in een militair kamp gevolgd door een verblijf in een politiekamp en de gevangenis, martelingen en executies. Ook heeft hij verklaard over enkele incidenten waarbij de verdachte betrokken was.

De rechtbank stelt vast dat de getuige consequent heeft verklaard over hetgeen hij heeft gezien en meegemaakt, met dien verstande dat hij bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris enkele nuances aanbrengt. Zo verklaarde hij daar dat hij de verdachte niet elke dag in het kamp heeft gezien, maar in elk geval twee keer. De rechtbank acht zijn verklaring in beginsel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Wel merkt zij op dat voor wat betreft de rol van de verdachte niet altijd duidelijk wordt aangegeven door de getuige of hij het zelf heeft gezien of dat hij het heeft gehoord van iemand anders of heeft geconcludeerd. Zijn verklaring moet voor die onderdelen dan ook met de nodige voorzichtigheid worden bezien.

[persoon 331]

[persoon 331] is door de getuige [persoon 314] aangedragen als potentiële getuige. In mei 2015 is zij in Canada gehoord door de DLR met bijstand van een tolk in de Engelse taal. In februari 2017 heeft de rechtbank - na een verzoek van de verdediging - bevolen dat zij als getuige door de rechter-commissaris moest worden gehoord. De Canadese autoriteiten hebben echter geen toestemming gegeven voor een verhoor door de rechter-commissaris, omdat [persoon 331] getraumatiseerd zou zijn.

De rechtbank zal de verklaring van [persoon 331] uitsluiten van het bewijs, nu zij gelet op de weigering door de Canades autoriteiten niet kon worden gehoord door de rechter-commissaris en de verdediging daardoor zijn ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen.

[persoon 315]

[persoon 315] is door de getuige [persoon 314] genoemd als potentiële getuige. In 2013 hebben er twee verkennende gesprekken met hem plaatsgevonden, gevolgd door een verkennend gesprek in 2014. In 2015 is hij gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was hij rond de achttien jaar en was hij lid van de jeugdbeweging van de EPRP. Hij heeft met name verklaard over de exposure meetings, zijn verblijf in een militair kamp gevolgd door een verblijf in het politiekamp, de speciale ondervragers, martelingen, executies en de rol van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat [persoon 315] zeer uitvoerig en gedetailleerd heeft verklaard. Die verklaringen zijn ook consistent en bevatten geen tegenstrijdigheden, met uitzondering van de datum van zijn invrijheidstelling die hij de ene keer vaststelt op mei 1978 en de andere keer op juni of juli 1978. Naar het oordeel van de rechtbank wordt die onduidelijkheid echter genoegzaam opgehelderd door het bewijs van vrijlating dat achter een van de verhoren is gevoegd en dat als datum van vrijlating 21 mei 1978 noemt. Eventuele onduidelijkheden in zijn verhaal over de bron van de kennis zijn na vragen door hem verduidelijkt. De rechtbank ziet geen aanwijzingen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 315]. Het argument van de verdediging dat deze getuige diverse andere getuigen heeft aangedragen is - nog los van de vraag of dit kan worden vastgesteld - onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De verklaring van [persoon 315] kan dan ook zonder meer voor het bewijs worden gebezigd.

[persoon 332]

[persoon 332] is door de getuige [persoon 333] als potentiële getuige genoemd. Er zijn in 2013 twee verkennende gesprekken met haar gevoerd, waarna zij in 2015 tweemaal is gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris in de Verenigde Staten van Amerika. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten woonde zij niet in Debre Marcos of Metekel maar in Addis Abeba. Haar oudere broer [persoon 4, anders geschreven] en haar jongere zus waren lid van de EPRP. Ze heeft met name verklaard over hetgeen haar broer en neef is overkomen en over andere executies van gevangenen. Voorts heeft ze verklaard dat ze regelmatig contact heeft met [persoon 136, anders geschreven], een van de op de tenlastelegging onder feiten 1 en 2 genoemde slachtoffers, en vaak met haar spreekt.

De rechtbank stelt vast dat de getuige niet zelf bij een exposure meeting en niet in het politiekamp, het militair kamp of de gevangenis aanwezig is geweest, zij verbleef hoofdzakelijk niet in Debre Marcos maar in Addis Abeba. Ten aanzien van hetgeen zij over gebeurtenissen verklaart die in Debre Marcos hebben plaatsgevonden, berust haar kennis grotendeels op wat zij van anderen heeft gehoord. De bron van die kennis wordt echter niet altijd duidelijk. De rechtbank kan niet uitsluiten dat [persoon 332] deze kennis heeft opgedaan via haar contacten met één of meerdere van de slachtoffers. Met betrekking tot hetgeen haar broer is overkomen, valt het de rechtbank daarnaast op dat zij bij de politie heeft verklaard dat zij bij een bezoek aan haar broer op het politiebureau het idee kreeg dat haar broer was gemarteld omdat hij niet opstond en dit werd later bevestigd door een vriend van haar broer. Bij de rechter-commissaris heeft zij echter anders verklaard, namelijk dat haar broer haar zelf had gezegd dat hij was gemarteld.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank de verklaring van deze getuige niet bruikbaar voor het bewijs.

[persoon 111, anders geschreven]

[persoon 111, anders geschreven] is door de getuigen [persoon 314] en genoemd. Er is met hem in 2013 een voorgesprek gevoerd, waarna hij in 2015 is gehoord door de DLR. In 2016 is hij door de rechter-commissaris gehoord in de Verenigde Staten van Amerika. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

De getuige was rond de 29 jaar ten tijde van de tenlastegelegde feiten, was werkzaam als leraar in Debre Marcos en was lid van de EPRP. Hij heeft verklaard over de exposure meeting, zijn verblijf in een militair kamp gevolgd door zijn verblijf in een politiekamp en de gevangenis, de speciale ondervragers, de detentieomstandigheden, martelingen, de executies van medegevangenen en de beslissing waarbij aan hem een gevangenisstraf werd opgelegd. Voorts heeft hij zeer belastend verklaard over de rol van [Eshetu A.].

De rechtbank stelt vast dat [persoon 111, anders geschreven] zeer consistent en zonder tegenstrijdigheden heeft verklaard en een duidelijk onderscheid heeft weten te maken tussen eigen wetenschap en hetgeen hij van anderen heeft gehoord. Door zijn taak in het zogenoemde discipline comité bevond de getuige zich in een positie van waaruit hij veel heeft kunnen zien. Met betrekking tot de rol van de verdachte maakte hij duidelijk melding van het bestaan van een andere persoon met de naam Eshetu, zodat van een persoonsverwarring geen sprake lijkt te zijn. De rechtbank acht deze getuige daarom zeer betrouwbaar.

[persoon 336]
[persoon 336] is door de getuige [persoon 332] genoemd als potentiële getuige. Hij is vervolgens in 2015 gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris in Canada. Het verhoor door de DLR vond plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal en het verhoor door de rechter-commissaris met bijstand van een tolk Amhaars.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was hij rond de 22 jaar en was hij lid van de EPRP maar niet actief. Hij heeft verklaard dat hij in februari 1978 is ondergedoken omdat de Derg naar hem op zoek is gegaan. In 1980 is hij opgepakt en in een kamp in Bahir Dar terechtkomen.

Voor de rechtbank staat vast dat [persoon 336] zich in de tenlastegelegde periode, althans in de periode dat de verdachte in Gojjam was, niet bevond in Debre Marcos of Metekel. Zijn verklaring over die periode kan dan ook enkel gebaseerd zijn op hetgeen hij van anderen heeft gehoord, waarbij veelal de bron niet door de getuige is vermeld. Bovendien heeft hij, nadat de recherche hem lijsten met een aantal namen heeft getoond, verklaard dat het hier personen betreft die in mei 1978 zijn gedood, hetgeen afwijkt van hetgeen door andere getuigen is verklaard. De rechtbank is op grond van dit alles van oordeel dat zijn verklaring niet voor het bewijs kan dienen.

[persoon 318]

[persoon 318] is door de getuige [persoon 336] genoemd als potentiële getuige. Hij is in 2015 gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris in Canada. Het verhoor door de DLR vond plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal en het verhoor bij de rechter-commissaris met een tolk Amhaars.

In de tenlastegelegde periode was hij rond de zestien jaar en was hij politiek actief. Hij heeft verklaard dat hij in 1977 in Dangela is opgepakt en na een verblijf in de gevangenis in Dangela in december 1977 is overgebracht naar de gevangenis van Debre Marcos. Daar zat hij tot april 1978. Ook heeft hij korte tijd in het politiekamp verbleven. Hij heeft voornamelijk verklaard over zijn verblijf in de gevangenis, het politiekamp, detentieomstandigheden, martelingen, executies en de beslissing waarbij uiteindelijk een gevangenisstraf aan hem is opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat de getuige over verschillende onderwerpen wisselend heeft verklaard. Daarbij lijkt hij niet altijd duidelijk te zijn in wat hij zelf heeft gezien, meegemaakt en waargenomen en wat hij van anderen heeft gehoord. Als enige getuige heeft hij daarnaast verklaard dat op het gevangenisterrein een gat is gegraven met een graafmachine. Toen hij bij de rechter-commissaris ermee werd geconfronteerd dat geen van de andere getuigen hierover heeft gerept, verklaarde hij dat er zowel met de handen als met de graafmachine werd gegraven. Ook met betrekking tot de verschillende groepen personen die zouden zijn weggevoerd om te worden gedood, kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de getuige verschillende gebeurtenissen mogelijk met elkaar heeft verward en dat zijn herinneringen - al dan niet door tijdsverloop, traumatisering of verhalen van anderen - niet meer geheel duidelijk zijn. De rechtbank zal daarom zijn verklaring niet bezigen voor het bewijs.

[persoon 320]

[persoon 320] is door iemand van het Ethiopian Community Development Centre genoemd als potentiële getuige. In 2014 is met hem een voorgesprek gevoerd, in 2015 is hij gehoord door de DLR en in 2016 is hij door de rechter-commissaris gehoord. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Hij heeft verklaard dat hij in oktober 1977 uit Debre Marcos is gevlucht, in Gondar heeft vastgezeten en medio 1979 is teruggekeerd naar Debre Marcos. Pas in juni 1979 is hij in Debre Marcos gearresteerd. Hij heeft acht maanden in het politiekamp gezeten, waarna hij is vrijgelaten.

De rechtbank stelt vast dat [persoon 320] zich derhalve niet in dezelfde periode als de verdachte in Gojjam heeft bevonden. De executies en de rol van de verdachte moet dus - zoals hij zelf ook heeft verklaard - wel informatie zijn die hij van horen zeggen heeft. De rechtbank acht de verklaring van deze getuige daarom niet bruikbaar voor het bewijs.

[persoon 322, anders geschreven]

[persoon 322, anders geschreven] is door de getuige [persoon 320] genoemd als potentiële getuige. In 2014 is er een verkennend gesprek gevoerd met deze getuige, waarna hij in 2015 is gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

De getuige was rond de twintig jaar gedurende de tenlastegelegde periode. Hij heeft verklaard over de gebeurtenissen bij de exposure meeting in Metekel, zijn gevangenschap in Metekel, zijn overplaatsing naar Debre Marcos, verblijf in het politiekamp en de gevangenis aldaar, de detentieomstandigheden, de verhoorders, martelingen en executies. Hij heeft zeer belastend verklaard over de rol van de verdachte met betrekking tot die exposure meeting, de martelingen en de executies.

[persoon 322, anders geschreven] heeft uitvoerige verklaringen afgelegd. Het valt de rechtbank echter op dat uit die verklaringen op veel punten niet is op te maken wat hij uit eigen wetenschap heeft verklaard en wat hij van anderen heeft gehoord. Als enige getuige heeft hij daarnaast verklaard dat er elke week een groep van twintig mensen met een strop werd gedood. Verder bevatten zijn opeenvolgende verklaringen ook diverse innerlijke tegenstrijdigheden. Zo heeft hij bij het verkennend gesprek verklaard dat hij is gemarteld, maar niet aan het plafond is gehangen, terwijl hij later bij de politie heeft verklaard dat hij bij het martelen aan het plafond is gehangen. In zijn verklaringen is hij er eveneens inconsistent over of de exposure meeting in Metekel heeft plaatsgevonden vóór of na zijn eerste arrestatie en is onduidelijk over wanneer hij de verdachte voor het eerst zou hebben gezien. De rechtbank kan door dit alles niet uitsluiten dat de getuige al dan niet door tijdsverloop, door traumatisering of door hetgeen hij van anderen heeft gehoord, niet goed meer in staat is om te omschrijven wat hij heeft gezien, gehoord en meegemaakt. De rechtbank acht het daarom niet verantwoord om zijn verklaring voor het bewijs te bezigen.

[persoon 325, anders geschreven]

[persoon 325, anders geschreven] is door de getuige [persoon 322, anders geschreven] genoemd als potentiële getuige. In 2014 is er een verkennend gesprek met hem gevoerd en in 2015 is hij gehoord door de DLR. In 2016 is hij door de rechter-commissaris gehoord. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was hij rond de 24 jaar oud. Hij heeft met name verklaard over de exposure meeting, zijn verblijf in een militair kamp en vervolgens zijn verblijf in een politiekamp, martelingen en executies. Voorts heeft hij verklaard over de rol van de verdachte. Hij heeft nog altijd contact met [persoon 322, anders geschreven] (de rechtbank vermoedt getuige [persoon 322, anders geschreven]) en hij kent [persoon 136, anders geschreven] (de rechtbank vermoedt [persoon 136, anders geschreven], die als slachtoffer onder feiten 1, 2 en 4 op de tenlastelegging staat).

De rechtbank merkt op dat de getuige in zijn verklaringen tegenstrijdig lijkt te verklaren over wie de permanent vertegenwoordiger van de Derg in de provincie Gojjam was. Daarbij lijkt hij de verdachte en Kassay Aragaw door elkaar te halen. Bij het tonen van een foto van de verdachte noemde hij bovendien de naam van Kassay Aragaw. Daarnaast heeft hij verklaard dat er reeds in januari 1969 (E) een bijeenkomst zou zijn georganiseerd door mensen als Eshetu, dit terwijl de verdachte toen nog helemaal niet in Gojjam zou zijn geweest. Dit maakt dat de rechtbank de verklaring van [persoon 325, anders geschreven] op dat punt in elk geval niet voor het bewijs zal bezigen. Ook voor het overige signaleert de rechtbank tegenstrijdigheden in de verklaringen. Zo heeft hij bij het verkennend gesprek verklaard dat hij een man die zes keer was gemarteld en in zijn geslachtsdelen werd getrapt (de rechtbank begrijpt dat dit het slachtoffer [persoon 323] moet zijn) zelf heeft moeten begraven, terwijl hij later heeft verklaard te hebben gehoord dat het lichaam van het slachtoffer naar de gevangenis is gebracht en daar is begraven. Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank niet kan uitsluiten dat de verklaring van de getuige (onbewust) is beïnvloed door het tijdsverloop, traumatisering of contact met anderen. Zijn verklaring zal derhalve alleen worden gebezigd voor het bewijs voor zover deze betrekking heeft op wat hemzelf is overkomen.

[persoon 313]

[persoon 313] is door de getuige [persoon 320] genoemd als potentiële getuige. In 2014 is er een verkennend gesprek met hem gevoerd, waarna hij in 2015 is gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris in de Verenigde Staten van Amerika. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Gedurende de tenlastegelegde feiten was de getuige rond de vijftien jaar oud en hoewel hij geen lid was van de EPRP was hij er wel actief voor. Hij heeft verklaard over zijn verblijf in een politiekamp en later de gevangenis, detentieomstandigheden, martelingen, executies en de beslissing waarbij aan hem een gevangenisstraf is opgelegd. Over de rol van de verdachte heeft hij verklaard wat hij van anderen hierover heeft gehoord.

Door [persoon 313] zijn verklaringen afgelegd die consistent zijn en geen tegenstrijdigheden bevatten. In de verklaringen wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen wat de getuige zelf heeft gezien, gehoord en meegemaakt en wat hij van anderen heeft gehoord. In vrijwel alle gevallen wordt daarbij de bron van de kennis duidelijk vermeld. De verklaringen zijn daarnaast genuanceerd. Zo heeft de getuige verklaard dat hij weliswaar trappen en klappen met de vlakke hand heeft gekregen, maar dat hij veel minder ernstig is gemarteld dan anderen. Daarnaast heeft hij geen oordeel geveld over de vraag of het de EPRP of de Derg is geweest die is begonnen met moorden. Tot slot heeft hij veel namen van medegevangen genoemd die al dan niet om het leven zijn gebracht, die ook terugkomen op de lijsten die zich in het dossier bevinden. Alles bij elkaar is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [persoon 313] zeer betrouwbaar is en zonder voorbehoud voor het bewijs kan worden gebruikt.

[persoon 174, anders geschreven]

[persoon 174, anders geschreven] is door de getuige [persoon 313] genoemd als potentiële getuige. In 2015 is hij gehoord door de DLR en in 2016 is hij in Canada gehoord door de rechter-commissaris. Het verhoor door de DLR vond plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal en het verhoor door de rechter-commissaris met een tolk Amhaars.

In de tenlastegelegde periode was hij rond de 22 jaar en hoorde hij bij de jeugdbeweging van de EPRP. Hij heeft verklaard over zijn bekendmaking bij een exposure meeting en de rol van de verdachte aldaar, zijn verblijf in een militair kamp en vervolgens het politiekamp en de gevangenis, de rol van de speciale ondervragers, de detentieomstandigheden, martelingen, de executies van medegevangenen en de uiteindelijke beslissing waarbij aan hem een gevangenisstraf is opgelegd. Volgens eigen zeggen heeft hij met andere getuigen - te weten [persoon 313] en [persoon 318] - gesproken over de feiten.

De rechtbank stelt vast dat ook [persoon 174, anders geschreven] zeer consistent heeft verklaard en een duidelijk onderscheid weet te maken tussen hetgeen hij zelf heeft gezien, gehoord en meegemaakt en wat hij van anderen heeft gehoord. De rechtbank acht deze getuige daarom zeer betrouwbaar. De enkele omstandigheid dat hij contact heeft gehad met medegetuigen en met hen heeft gesproken over de feiten doet hieraan - gelet op vorenstaande - niet af. Daarbij betrekt de rechtbank tevens de omstandigheid dat de verklaring van de getuige niet geheel gelijkluidend is aan die van zijn medegetuigen, hetgeen bij collusie of collaborative storytelling wel valt te verwachten.

[persoon 317, andere schrijfwijze]

[persoon 317, andere schrijfwijze] is bij de DLR in beeld gekomen omdat hij een aanvulling heeft gegeven voor het boek van de hierna nog te noemen schrijver Chaneyalew Kassa. Hij is in 2015 door de DLR gehoord en in 2016 door de rechter-commissaris. Het verhoor door de DLR heeft plaatsgevonden met bijstand van een tolk in de Engelse taal en het verhoor door de rechter-commissaris met bijstand van een tolk Amhaars.

De getuige was rond de zestien jaar ten tijde van de tenlastegelegde feiten en actief in de jeugdbeweging van de EPRP. Hij heeft voornamelijk verklaard over zijn verblijf in een politiekamp en later de gevangenis, martelingen, executies en de beslissing waarbij aan hem een gevangenisstraf is opgelegd. Voorts heeft hij verklaard over de rol van de verdachte, wat hij over de verdachte heeft gehoord van medegevangenen en hoe hij de verdachte zelf heeft gezien. Enkele jaren na de gebeurtenissen heeft hij data genoteerd in een notitieboekje. Later heeft hij via een blog contact gehad met anderen over onder meer de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat deze getuige zeer gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Daarbij heeft hij telkens duidelijk aangegeven welke informatie een eigen waarneming betreft en wat hij van horen zeggen heeft. Hoewel hij via een blog contact heeft gehad met anderen en veelvuldig bezig is geweest met de gebeurtenissen eind jaren zeventig in Gojjam, ziet de rechtbank dit niet als een contra-indicatie voor de betrouwbaarheid. De omstandigheid dat de getuige sinds de tenlastegelegde periode veelvuldig heeft nagedacht over de gebeurtenissen draagt naar het oordeel van de rechtbank juist bij aan het actueel houden van de herinnering en daarmee de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de getuige er met zijn correcties op het werk van Chaneyalew Kassa blijk van heeft gegeven niet zonder meer verhalen van anderen te incorporeren in zijn eigen herinneringen. De omstandigheid dat de getuige heeft verklaard dat hij de verdachte op een afstand van 150 meter heeft gezien en herkend, doet aan zijn betrouwbaarheid niet af. De rechtbank is het met de verdediging eens dat een herkenning op een dergelijke afstand nauwelijks mogelijk is, maar zij houdt rekening met de mogelijkheid dat de getuige de afstand niet goed heeft ingeschat. Alles overwegend acht de rechtbank de verklaring van [persoon 317, andere schrijfwijze] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

[persoon 321, andere schrijfwijze]

[persoon 321, andere schrijfwijze] heeft zelf contact opgenomen met de DLR nadat hij via Chaneyalew Kassa over het onderzoek had gehoord. Hij is in 2015 gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal.

Hij heeft bij de DLR verklaard dat hij in april/mei, dan wel in de wintermaanden juni/juli 1971 (E) in Bichena is gearresteerd en na een week is overgebracht naar Debre Marcos. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij in 1970 (E) is gearresteerd. Hij heeft verder verklaard over zijn verblijf in de gevangenis, martelingen, detentieomstandigheden en executies.

De rechtbank stelt vast dat de getuige weliswaar wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij is gearresteerd en is overgebracht naar Debre Marcos, maar dat gelet op hetgeen hij verder heeft verklaard over onder meer [persoon 324] en [persoon 4, anders geschreven] en de dark rooms, hij zich kennelijk in de jaartelling heeft vergist. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat hij in de aan de verdachte tenlastegelegde periode naar Debre Marcos is gebracht. Hij heeft verder zeer consistent verklaard en is duidelijk over wat hij zelf heeft gezien en wat hij van horen zegt heeft. Daarbij is door hem telkens de bron vermeld. Tot slot verklaart hij genuanceerd. Alles overwegend acht de rechtbank de verklaring van [persoon 321, andere schrijfwijze] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

[persoon 337]

[persoon 337] is in 2015 in de Nederlandse taal gehoord door de DLR. Hij heeft verklaard dat hij in Gojjam heeft vastgezeten, maar niet in Debre Marcos. Zijn broer zou wel in Debre Marcos in de gevangenis hebben gezeten.

Gelet op de omstandigheid dat deze getuige niet kan verklaren over de tenlastegelegde feiten, kan zijn verklaring niet voor het bewijs dienen.

[persoon 329]

[persoon 329] is mogelijk bij de DLR in beeld gekomen omdat hij heeft getracht in contact te komen met de verdachte. Hij is 2015 en 2016 gehoord door de DLR en in 2016 is hij twee maal gehoord door de rechter-commissaris. Het eerste verhoor bij de rechter-commissaris moest worden afgebroken omdat de indruk ontstond dat de getuige en de tolk elkaar niet goed begrepen. Beide verhoren bij de rechter-commissaris hebben plaatsgevonden met bijstand van een tolk in de Amhaarse taal.

De getuige, die in Nederland een zogenaamde 1F status heeft, heeft verklaard dat hij lid was van de Derg en een soortgelijke functie als de verdachte heeft bekleed, maar dan in het staatsdeel Illubabor. Hij heeft met name verklaard over de organisatie van de Derg, de functie van het revolutionaire campagne coördinerend comité en de functie en bevoegdheden van de verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat deze getuige niet heeft kunnen verklaren uit eigen waarneming over wat er in Debre Marcos en Metekel heeft plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode. Daarnaast kan niet uit het oog worden verloren dat deze getuige door zijn lidmaatschap van de Derg en zijn eigen functie als vertegenwoordiger in een andere provincie, een mogelijk belang heeft om niet geheel naar waarheid te verklaren. Zijn verklaring moet dan ook - indien noodzakelijk voor het bewijs - met de nodige behoedzaamheid worden gebruikt en enkel voor zover deze steun vindt in andere bewijsmiddelen.

[persoon 330]

[persoon 330] is in 2015 en 2016 gehoord door de DLR en in 2017 door de rechter-commissaris. De getuige was secretaris van de Pomoa (rechtbank: Provisional Office for Mass Organizations Affairs) en hield als zodanig kantoor in het paleis, waar ook de Derg gevestigd was. Hij heeft met name verklaard over de organisatie van de Derg, de vergadering van de Derg die leidde tot de moord op Atanafu, de rol en de reputatie van de verdachte en de functie van de provinciale vertegenwoordigers.

Ook voor wat betreft deze getuige stelt de rechtbank voorop dat hij niet heeft kunnen verklaren uit eigen waarneming over wat er in Debre Marcos en Metekel heeft plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode. Ook bij hem kan daarnaast niet uit het oog worden verloren dat deze getuige door zijn lidmaatschap van de Derg en zijn eigen functie als secretaris, een mogelijk belang heeft om niet geheel naar waarheid te verklaren en zijn eigen rol te minimaliseren. Zijn verklaring moet dan ook - indien noodzakelijk voor het bewijs - met de nodige behoedzaamheid worden gebruikt en enkel voor zover deze steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Yoseph Kiros Gezagehn

Yoseph Kiros Gezagehn is bij de DLR in beeld gekomen als de speciale officier van justitie in het in Ethiopië gevoerde strafproces tegen de verdachte. Hij is in 2016 met een tolk in de Amhaarse taal gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft verklaard over het strafproces in Ethiopië, de aard en de herkomst van het bewijs in die strafzaak en de functie en rol van de verdachte.

De verdediging en de verdachte hebben met stelligheid het standpunt ingenomen dat de verklaring van Yoseph Kiros Gezagehn niet voor het bewijs moet worden gebezigd. Door de verdachte is aangevoerd dat deze getuige een hoog lid van de EPRP moet zijn en dat hij enkel op die manier zijn functie als speciaal officier van justitie kan hebben verkregen. De rechtbank oordeelt dat hier geen aanwijzingen voor zijn. De getuige heeft daarnaast uitvoerig en gedetailleerd verklaard en nergens blijkt uit dat hij in strijd met de waarheid zou hebben verklaard. Ook het feit dat hij heeft gesteld dat hij over zijn getuigenis geen contact heeft gehad met het huidige regime in Ethiopië, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de verklaring onbetrouwbaar moet worden geacht. Yoseph Kiros Gezagehn is immers thans geen officier van justitie meer, maar werkt als advocaat en is aldus niet meer verbonden aan de overheid in Ethiopië. De rechtbank acht zijn verklaring dus in beginsel betrouwbaar. Wel merkt zij op dat de getuige niet uit eigen waarneming kan verklaren over de tenlastegelegde feiten, maar enkel over het strafrechtelijk onderzoek in Ethiopië en wat hieruit is gebleken. De rechtbank zal zijn verklaring - voor zover nodig - daarom slechts gebruiken in onderlinge samenhang met andere bewijsmiddelen.

[persoon 338], [persoon 339] en [persoon 340]

[persoon 338], [persoon 339] en [persoon 340] zijn door de DLR gehoord naar aanleiding van getapte telefoongesprekken tussen hen en de verdachte. In die gesprekken werd door de verdachte gerefereerd aan schuldgevoelens.

De rechtbank stelt vast dat geen van deze getuigen iets heeft kunnen verklaren over de gebeurtenissen in Metekel of Debre Marcos. Hun verklaringen zijn derhalve niet bruikbaar voor het bewijs.

[persoon 341], [persoon 342] en [persoon 343]

[persoon 341], [persoon 342] en [persoon 343] zijn de ex-vrouw respectievelijk dochter en zoon van de verdachte. Zij zijn in 2015 gehoord door de DLR en hebben alle drie verklaard weinig tot niets te weten van de gedragingen van de verdachte in Gojjam eind jaren zeventig.

Nu geen van deze getuigen heeft kunnen verklaren over de gebeurtenissen in Metekel of Debre Marcos, zijn hun verklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet bruikbaar voor het bewijs.

[persoon 344] en [persoon 345]

[persoon 344] en [persoon 345] zijn beiden gehoord door de DLR in 2012. Bij dat verhoor is door [persoon 344] onder meer verklaard over zijn verblijf in de gevangenis in Debre Marcos, maar aan het einde van het verhoor heeft hij aangegeven dat hij meende te worden vergiftigd door zijn bovenbuurvrouw. Volgens buurthulp lijdt hij aan waanideeën. [persoon 345] lijdt aan forse geheugenproblemen.

Om deze redenen zal de rechtbank deze getuigen verder geheel buiten beschouwing laten.

De getuigen uit het Ethiopische strafdossier

Met betrekking tot de getuigen uit het Ethiopisch strafdossier merkt de rechtbank op dat zij niet kan vaststellen op welke wijze en onder welke omstandigheden deze verklaringen tot stand zijn gekomen. Derhalve zal zij deze verklaringen slechts voor het bewijs gebruiken voor zover zij voldoende ondersteuning vinden in tenminste twee andere bewijsmiddelen.

8.5

De getuigenverklaringen

De rechtbank zal hieronder een zakelijke weergave geven van (de delen van) de getuigenverklaringen die zij voldoende betrouwbaar en bruikbaar acht voor het bewijs. Voor zover door de getuigen in opeenvolgende verklaringen aanvullend is verklaard, is dit door de rechtbank in de zakelijke weergave - zonder verdere aanduiding - samengevoegd. Bij verschillen in opeenvolgende verklaringen is dit wel nadrukkelijk vermeld. Voorafgaande aan de zakelijk weergave is tussen haakjes een verwijzing opgenomen naar de betreffende verklaringen waarop de weergave is gebaseerd. In het hoofdstuk, waarin de rechtbank de feiten zal vaststellen, zal een specifieke verwijzing naar de gebezigde onderdelen van de verklaringen volgen.

[persoon 111, anders geschreven]

[persoon 111, anders geschreven] (zie p. 2040-2057 met bijlagen; rapport gespreksverslag [persoon 111, anders geschreven], niet doorlopend genummerd; proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris de getuige [persoon 111, anders geschreven], alinea’s 1-59) heeft verklaard dat hij in 1973/1974 als leraar in Debre Marcos is gaan werken op de highschool. Sinds de universiteit was hij al actief in de studentenbeweging en na 1973 is hij lid geworden van de EPRP. Zijn zuster en broer ([persoon 239, anders geschreven] en [persoon 346]) waren ook actief in de EPRP en beiden hebben later drie jaar gevangenisstraf gekregen.

Toen [Eshetu A.] werd overgeplaatst naar Gojjam hoorde getuige dat hij de vertegenwoordiger was. Eshetu stuurde ook brieven naar verschillende bureaus die hij als vertegenwoordiger ondertekende. De getuige weet zeker dat hij de brief met de benoeming van Eshetu heeft gelezen op het mededelingenbord. [Eshetu A.] is ongeveer twee jaar in Gojjam actief is geweest, hij was er in 1978 en ook in 1977.

In 1977 was er een explosie bij het politiebureau in Debre Marcos. Dit was duidelijk van de EPRP afkomstig, uit wraak tegen gevangennemingen en marteling van EPRP-leden. De squad-commissie was de gewapende vleugel van de EPRP, vanaf 1977, zo denkt de getuige.

De exposure campagne van de Derg begon in februari 1978. Er waren ook mensen overgelopen naar de Derg en die gaven dan namen van EPRP-leden door. Iedereen moest naar de highschool komen om zich bekend te maken. De exposure meeting duurde drie dagen. Op de tweede dag moest een rij gevormd worden en moest men door de stad lopen, in die rij, en daarbij roepen dat de EPRP niet meer bestond en dat zij zich zouden voegen bij de militaire partij. De derde dag werden er driehonderd mensen geselecteerd. Op de eerste dag was Eshetu er. Hij zou een toespraak houden over hoe de exposure meeting moest gaan. De kadres en [Eshetu A.] hadden de leiding bij de exposure meetings. Eshetu heeft die dag een groep van vijftien à zestien mensen, die verdacht werden van leugens, naar de gevangenis laten brengen. De getuige zag hoe Eshetu de mensen meenam, naar een kamer bracht en de deur dicht deed. Na de derde dag is de getuige met driehonderd anderen naar een militair kamp gebracht. Dit zou zijn voor politieke oriëntatie. De datum van zijn gevangenneming was 26 februari 1978.

Daarna kwamen er nieuwe kadres, van een bijzondere eenheid uit Addis Abeba, ze lazen namen op van de top van de partij naar beneden. Dit waren tussen de vijftig en zestig namen. Deze personen werd overgebracht naar een nieuwe locatie.

Na enkele weken ging de getuige naar het politiekamp. Daar waren drie ruimtes voor verhoor en een ruimte voor martelingen. Er was een disciplinair comité voor het doorgeven van informatie aan de kampleiding. De getuige en andere gevangenen moesten de structuur van de EPRP en de hoeveelheid wapens bekend maken. Op hun verzoek is [persoon 347] naar het militaire kamp gebracht, want die wist dat soort dingen. Deze heeft verteld dat er één uzi was binnen de partij. [persoon 347] is voorzitter geworden van het disciplinecomité. Hij was belangrijk vanwege goede contacten met de officials uit Addis Abeba. [Eshetu A.] was de leider in de hele regio.

De getuige is één keer verhoord. ‘Ze’ wisten alles al van hem en hij moest vertellen wat hij had gedaan vanaf het begin van zijn lidmaatschap. Mensen werden doorgestuurd naar de martelkamer als men vond dat ze niet de waarheid vertelden. De getuige, de voorzitter van het disciplinecomité, Chaneyalew en [persoon 110, anders geschreven] waren aangewezen om te assisteren. Zij moesten mensen oproepen voor verhoor. De getuige heeft daardoor veel gehoord van wat er in de martelkamers gebeurde. Als iemand iets achterhield werd die naar de martelkamer gebracht. Door de dichte deur heen was te horen hoe mensen huilden en schreeuwden. Later begonnen ze mensen een bal in hun mond te stoppen tegen het schreeuwen. De getuige zag hoe mensen uit de martelkamer kwamen, de meesten vielen om en waren buiten bewustzijn. Een persoon, [persoon 323], is gestorven als gevolg van de marteling. Hij kwam uit de martelkamer met alleen een onderbroek aan en hij viel en huilde om water. Chaneyalew mocht hem geen water geven van het hoofd van de verhoorders. Uit angst hielp niemand [persoon 323]. De getuige hoorde dat [persoon 323] met een laars hard in zijn kruis was getrapt en dat [persoon 323]’s testikels groot waren en er bloed uit zijn penis liep.

Het kan niet anders dan dat [Eshetu A.] wist dat er in het politiekamp werd gemarteld. De speciale ondervragers moesten alles over de EPRP te weten komen, met alle middelen, inclusief marteling, aldus de getuige.

Kapitein Eshetu was de commandant van het kamp, dat was een andere Eshetu dat de vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam. De folteraars kwamen uit Addis Abeba en stonden onder gezag van deze kapitein Eshetu. Kapitein Eshetu gaf orders aan de verhoorders. Hij denkt dat [Eshetu A.] heeft gevraagd om politieke officials uit Addis Abeba om het onderzoek te doen naar de EPRP. Hij had ervaren mensen nodig. [Eshetu A.] was de leider in de hele regio, dus wie anders zou zo’n groep hebben kunnen laten overkomen, aldus de getuige.

De getuige heeft vertegenwoordiger [Eshetu A.] een keer in het kamp gezien, bij een bewaker die een vrouwelijke gevangene had misbruikt knipte hij de militaire rangen af en hij veroordeelde hem direct tot twee jaar gevangenisstraf. Hij werd begeleid door twee of drie zwaar bewapende bewakers. Mensen die verhoord waren kregen een cirkel om hun naam, degenen die als strijders werden gezien kregen een rode cirkel. De getuige ging ervan uit dat een rode cirkel de dood betekende, want de meeste top EPRP-leden hadden een rode cirkel. De lijsten werden naar het kantoor gebracht van de militaire vertegenwoordiger, [Eshetu A.]. Dat de lijsten naar het kantoor van [Eshetu A.] werden gebracht heeft hij van [persoon 347] gehoord. De verklaringen van de verhoren met de cirkel erom heen kwamen terecht bij [Eshetu A.], die nam dan een beslissing.

De getuige heeft drie jaar gevangenisstraf gekregen. Bij aankomst werden ze direct in een donkere kamer gezet en ze gingen alleen ’s ochtends en ’s avonds eruit om naar de wc te gaan. De mensen met een rode cirkel zaten in een aparte donkere kamer. De donkere kamer was een straf. Ze mochten geen contact met andere gevangenen hebben. Er waren vier donkere kamers, met in elke kamer ongeveer zestig mensen. De getuige is ongeveer drie tot vier maanden in de donkere kamer geweest. Na een ontsnappingspoging werden de gevangenen aan hun enkels geboeid met een andere gevangene. Het leven was vreselijk want het was heel warm, geen licht, behoeften moesten gedaan worden in een bakje dat daarna hoog aan de muur moest worden gehangen. De warmte en stank waren ondraaglijk.

Na de periode van de donkere kamer zat de getuige met vijftig tot zestig mensen in de cel. Per persoon was er ongeveer een lichaamslengte ruimte. Er zaten politieke en reguliere gevangenen, in aparte vleugels. Er zaten ook leden van de EDU.

Op 12 augustus 1978 heeft de getuige gehoord dat de straf drie jaar was. De maanden in ‘voorarrest’ werden er niet afgetrokken. De straf werd opgelegd en ondertekend door [Eshetu A.]. Ook de kortere straffen werden voorgelezen. Met betrekking tot de groep die niet genoemd werd en ook niet aanwezig was bij de strafoplegging werd ervan uitgegaan dat ze zouden worden vermoord. Er is nooit een rechtbank aan te pas gekomen.

Op 15 augustus 1978 zijn er tachtig gevangenen vermoord. Rond acht of negen uur ’s avonds ging hun kamer open. De getuige hoorde van iemand dat de groep naar buiten geroepen werd en dat ze geboeid waren met de handen op de rug. Hij hoorde de gevangenen EPRP-liederen zingen en hoorde dat de groep in de richting van de kerk werd gevoerd. Ze liepen achter de cel van de getuige langs. Later hoorde hij van Chaneyalew dat de gewone gevangenen hadden geholpen door de lichamen van de doden naar het graf te brengen. [Eshetu A.] was hierbij aanwezig, zo hoorde hij van vrienden die het weer van reguliere gevangenen hadden gehoord. De getuige had gehoord dat [Eshetu A.] alles had bekeken tot de klus klaar was. Chaneyalew had gehoord dat, nadat iemand op een gevoelige plek was geslagen en buiten westen was, hij op een stoel werd gezet en een touw om de nek kreeg. Dan stond aan weerszijde van die persoon een lid van de speciale commando eenheid en zij trokken het touw strakker totdat iemand niet meer ademde. Vervolgens werd de persoon door de gewone gevangenen in een massagraf gelegd, dat was gegraven door de levenslang gestraften, waaronder [persoon 348]. Die hadden dit alles aan Chaneyalew verteld, van wie de getuige het hoorde, en ze hadden het ook aan anderen verteld. De informatie leek te kloppen want nadat gehoord was dat ze naar de kerk gingen had niemand schoten gehoord. De dag erna mochten ze niet naar de akker waar de groenten verbouwd werden. Op de plek waar de getuige vooraf een gat had gezien met verse aarde eromheen, was nu geen gat meer. Na de moordpartij waren er allemaal kraaien rondom die plek. Het gat was dicht en afgedekt met gemaaid gras.

Jaren later is daar een massagraf gevonden en de stoffelijke overschotten zijn aan families teruggegeven. Dit was de laatste moordpartij die de getuige meemaakte. De eerste moordpartij waarvan hij hoorde was toen er zestien hooggeplaatste EPRP-leden werden doodgeschoten, ongeveer vier kilometer buiten de stad. Die tachtig zijn op het gevangenisterrein vermoord om geen oproer te krijgen onder familieleden.

De moord op de tachtig personen kwam niet in de media. In de media kwam bijvoorbeeld wel dat bepaalde mensen lid van de EPRP waren en iets geprobeerd hadden, maar dit ‘massagebeuren’ werd niet bekend gemaakt. De moord werd wel bekend in Debre Marcos. Families kwamen eten brengen en dat werd niet aangenomen.

De getuige werd na drie jaar vrijgelaten en heeft daar ook een document van gekregen. Degene die de lijst voorlas zei dat de brief van het kantoor van [Eshetu A.] was gekomen. [Eshetu A.] besliste over de straf, hij was de hoogste baas. Het document van zijn vrijlating heeft hij nog thuis. Nummer 11 op de lijst met namen en revolutionaire maatregelen c.q. straffen (pagina 2061) is [persoon 14, anders geschreven], die hem heeft exposed. Ook zijn eigen naam staat op de lijst (pagina 2063) met de straf erachter.

[persoon 174, anders geschreven]

[persoon 174, anders geschreven] (zie p. 2113-2133 met bijlagen; proces-verbaal verhoor getuige van de rechter-commissaris van [persoon 174, anders geschreven], alinea 1-40) heeft verklaard dat hij twee jaar lid is geweest van de jeugdbeweging van de EPRP. In februari 1970 (E) is hij gearresteerd. Verantwoordelijk voor de Rode Terreur in Gojjam was eerst iemand wiens naam hij niet meer weet, daarna kwam [Eshetu A.], in 1970 (E). Hij weet niet wanneer Eshetu is vertrokken, maar hij is vervangen door Kassay Aragaw.

Eshetu leidde de exposure campagne. De getuige heeft hem een keer gezien toen hij een bijeenkomst toesprak en er werd hem gezegd dat dat Eshetu was. Er waren kadres daar die vertelden dat die man [Eshetu A.] was. Bij de eerste dag van de exposure meetings was Eshetu er, op de tweede dag niet. Eshetu zei dat als mensen zich bekend maakten, ze niet vervolgd zouden worden. Als ze zich niet zouden aangeven, zouden ze geslagen worden. [Eshetu A.] noemde in zijn toespraak revolutionaire maatregelen, zowel hij als de mensen die met hem samenwerkten. De getuige wist indertijd dat dat de dood betekende, of de gevangenis of dat je bezittingen werden afgepakt. Als over mensen werd gezegd dat er revolutionaire maatregelen tegen hen waren genomen, betekende dat meestal dat ze - in detentie - waren gedood. De Rode Terreur betrof maatregelen zonder vorm van proces, een standrechtelijke maatregel kon gewoon op straat gebeuren.

Eshetu was de voorzitter van het revolutionary campaign coordinating committee, die namen alle beslissingen over het arresteren van mensen, lange gevangenisstraffen, executies. Getuige weet niet waarom [Eshetu A.] wegging uit Gojjam in 1970. Hij denkt dat dit in de maand Nehase (augustus/september) was.

Er was veel verzet tegen de Rode Terreur. Er werden groepen georganiseerd, er werden flyers verspreid en soms vermoordde de EPRP militairen. Dat laatste werd door de squads gedaan. Er is ook een keer een granaat in het politiebureau gegooid. Daarop ging de Derg ’s nachts en ’s morgens vroeg mensen uit hun huis halen.

De exposurecampagne begon rond februari 1970 (E). Voor die tijd waren er huiszoekingen, werden wapens afgepakt van mensen en werd er gezocht naar partijmateriaal. Veel mensen probeerden de grens over te vluchten en sommigen is dat gelukt.

De getuige heeft zich gemeld op de laatste dag van de exposure meetings. De exposure meetings vonden steeds plaats op het terrein van de highschool in Debre Marcos en duurde meerdere dagen. Bij de bijeenkomst waar Eshetu aanwezig was, gaf hij een toespraak en zei toen dat de volgende dag de laatste mogelijkheid tot bekendmaking zou zijn. Als iemand daar niet aan voldeed zou de Rode Terreur beginnen en zouden executies volgen. Mensen kwamen met allerlei verschillende verhalen, wat ze hadden gedaan en sommigen wezen anderen aan. Als iemand werd aangewezen en hij ontkende, dan ging hij direct naar de gevangenis. Anders gaf men alsnog het lidmaatschap toe. Het was niet mogelijk om weg te lopen bij de exposures. Er stonden allemaal gewapende bewakers omheen. Degenen die actief waren geweest in comités of de jeugdbeweging werden aan het eind van de bijeenkomsten naar een militair kamp gebracht.

Het leven was niet slecht in het militaire kamp. Familie mocht op bezoek komen. Ze waren daar voor indoctrinatie, na ongeveer een maand werden ze naar het politiekamp gebracht. Iemand van de EPRP fractie uit Addis had zich aangesloten bij de Derg en wilde met hen samenwerken. Hij vroeg om de documenten die ze hadden en heeft die allemaal verzameld en gebundeld met namen erop. Daarna werden ongeveer 100-150 mensen, waaronder de getuige, naar het politiekamp gebracht. Er kwam een groep militiemensen naar het kamp. Dat waren onderzoekers. Er kwamen zes verhoorders uit Addis Abeba. Ze mochten geen contact meer hebben met familie. Eerst kwam er een verhoor en als men dacht dat het verhaal niet klopte, dan werd je meegenomen naar de martelkamer. In het politiekamp heeft hij van de Derg alleen Berhanu herkend, de belangrijkste.

De getuige is zelf niet gemarteld, maar andere mensen kwamen met gezwollen gezichten en bloed uit handen, voeten en lichaam uit de martelkamer. [persoon 323] werd zo zwaar gemarteld dat hij eraan is overleden.

In april werden ze - de groep van de jeugdbeweging - naar de gevangenis gebracht. Tot augustus zaten ze opgesloten en mochten twee keer per dag naar buiten. Eerst was er geen vonnis, maar op 29 juli 1970 (E) is hij - en anderen - veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf

De namen van diegenen die veroordeeld werden, werden opgelezen, als beslissing van het Revolutionary Committee. Op dezelfde dag werden er meer dan 25 mensen uit een kamer weggehaald, twee aan twee geboeid. Ze zijn zingend en anti-Derg leuzen roepend afgevoerd en vervolgens geëxecuteerd. Dit was op 5 augustus 1978, ze zijn naar iets buiten Debre Marcos gebracht met een militaire truck, later zijn de lichamen teruggebracht. De getuige heeft niet zelf dit waargenomen, maar het nieuws ging rond. De getuige zat toen in cel 5, een dark room waar hij ongeveer vier maanden heeft gezeten.

Negen dagen later was er nog een moordpartij. Op 14 augustus 1978 hebben ze meer dan tachtig mensen gedood. Dit heeft hij via via gehoord. Deze keer gebeurde het met touwen. Ook uit de cel van de getuige werd iemand weggehaald. De getuige zat op dat moment in cel 10. Vanuit die cel kon hij naar buiten kijken. Ze konden vanuit de cel zien dat er uit verschillende cellen mensen bij elkaar gebracht werden. Uit de cel van getuige werd een jongen [persoon 349] gehaald, die werd vastgebonden met de handen op de rug. Zestig personen werden weggehaald uit cellen 5, 6 en 7. Ook een jongen van ongeveer zeventien jaar, genaamd [persoon 11, anders geschreven], werd weggevoerd. Vanaf een bepaald punt, kon getuige het niet meer zien maar gingen ze de hoek om. De jongen die uit de cel van de getuige is meegenomen is nooit meer teruggekomen.

Ze werden naar de hal van de kerk gebracht. Hij heeft gehoord dat ze in de hal van de kerk zijn vermoord en op het gevangenisterrein zijn begraven. Vlak bij het hek was al een groot gat gegraven en daar zijn ze begraven, zo heeft de getuige gehoord. De niet-politieke gevangenen moesten de lichamen naar het graf brengen. Diegenen wisten dat er geen wapens werden gebruikt. De getuige heeft niet gezien dat Eshetu erbij was, hij heeft dat wel gehoord.

Ze zaten met ongeveer 35 à veertig mensen in een cel. Het zat vol en je kon er niet lopen. Gedurende een maand zijn ze geboeid geweest, twee aan twee aan de enkels. Het was moeilijk om te bewegen. Dat was na een ontsnappingspoging van acht mensen uit een andere cel. Zes van hen zijn vermoord, één leeft nog en één is inmiddels dood. Ook dit heeft hij gehoord. Later heeft de getuige in een grotere cel gezeten met vijftig à zestig mensen.

Mensen die geen familie hadden deelden in het eten van degenen die wel familie hadden. In het politiekamp was geen medische zorg, gewonden werden niet behandeld. Er was geen douche, geen toilet, de gevangenen gebruikten het terrein om hun behoefte te doen. Er was kraanwater, dat kregen ze in een emmer. Eten werd door de familie gebracht, in de dark rooms werd dat dan voor de deur gezet en als de deur openging om naar de wc te gaan konden ze het eten. Koffie en thee kwam in thermosflessen van familie.


De getuige kende zo’n twintig mensen van de lijst met 71 namen die hem is getoond. Hij herkende op de andere lijst zijn eigen naam onder nummer 163. Ook herkende hij de drie namen van degenen die bij ontsnapping zijn gedood. De getuige was een ‘klein visje’, vanwege zijn beperkte activiteit in de jeugdbeweging. De groep die drie jaar gevangenisstraf heeft gekregen, bestond uit kleine visjes. De getuige concludeerde dat het revolutionaire campagne comité zijn dossier had omdat hij door dat comité is veroordeeld. Bij het uitspreken van de straf werd niet de naam van de leider van het comité genoemd. Ze wisten wel dat dat een lid van de Derg was.

[persoon 315]

[persoon 315] (zie p. 1991-2005 met bijlagen en p. 2014-2015 met bijlagen; 1e, 2e en 3e rapport gespreksverslag [persoon 315], niet doorlopend genummerd; proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris [persoon 315], alinea’s 1-51) heeft verklaard dat hij op zijn zestiende lid werd van de jeugdafdeling van de EPRP en tot zijn achttiende lid is gebleven, toen hij werd gearresteerd. Hij was voorzitter van de kebele en lid van de subdistrict cel.

[Eshetu A.] was de lokale vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam. Hij was een officier, een sergeant of iets dergelijks. Hij had een militaire titel, maar had technisch gezien een lagere rang. Hij had echter de volledige macht in de provincie Gojjam, terwijl de burgerbestuurder feitelijk geen macht had. Eshetu was altijd omgeven door bewakers. Iedereen die was aangesteld door de Derg was een vertrouweling van Mengistu en aangesteld op basis van hun gewelddadigheid en wreedheid. Eshetu was plaatsvervangend lid van het centrale comité, maar geen volledig lid, en werd ook als alternate member en politieke vertegenwoordiger van de Derg aangekondigd op de radio toen hij voor het eerst naar Gojjam kwam. Eshetu is vanaf ongeveer 1977 actief geweest in Gojjam, maar de getuige weet niet wanneer hij is weggegaan.

Eshetu was aanklager, jury en rechter in één. De getuige heeft meerdere malen gezien dat mensen zomaar werden meegenomen in de auto door de entourage van Eshetu. Eshetu gaf opdrachten aan mensen en die mensen voerden de opdrachten uit.

Direct na de aanstelling van Eshetu was er een openbare vergadering waar de getuige verplicht bij aanwezig was. Op deze vergadering werd verdachte, de vertegenwoordiger van de Derg, aangekondigd als spreker en zag getuige hem voor het eerst. In totaal zag hij hem ongeveer dertig keer. Overal waar publieke bijeenkomsten waren sprak [Eshetu A.]. In zijn speeches zei Eshetu wat ze moesten doen en dat de contrarevolutionairen onder de duim moesten worden gehouden. Ook zei Eshetu: “We zullen actie ondernemen, we zullen deze mensen elimineren”.

In februari 1978 begon de exposure campagne, enkel gericht tegen EPRP-leden. Alle EPRP-leden moesten naar school komen om zich bekend te maken. De kebeles gebruikten een megafoon om te roepen dat iedereen de dag erop naar de High School moest gaan.

De getuige is die dag niet aanwezig geweest bij de meeting (bij de politie heeft hij verklaard dat hij zich die dag verstopt heeft, bij het voorgesprek dat hij aanvankelijk wel was gegaan maar is gevlucht toen de school werd omsingeld). Van een plaatsvervanger uit zijn wijkgroep, die naar de meeting is gegaan hoorde hij later dat de groep van [Eshetu A.], bewapend met machinegeweren de groep mensen omsingelde. Aan het eind van de dag hoorde de getuige dat [persoon 350], die in een cel onder hem zat, was meegenomen. Uit angst is de getuige vervolgens wel naar de exposure meeting gegaan. Op de bijeenkomst, die plaatsvond op een open veld van de High School, maakten [persoon 351] en [persoon 334, anders geschreven] zich bekend als leden van het centraal comité van de EPRP.

Er werd gezegd dat EPRP-leden zichzelf bekend moesten maken en weer naar huis zouden mogen als ze dit deden. Dit werd gezegd door de kadres. De kadres maakten propaganda en moesten mensen werven. Bij de exposure meetings waren ze aanwezig om mensen angst aan te jagen. De kadres spraken de mensen toe en zeiden dat als men zich niet aansloot bij de Derg, er wat zwaaide. Als een naam door een ander werd genoemd dan werd die persoon geslagen met de kolf van een geweer van een van de bewakers en in een militair voertuig gegooid, maar als iemand zichzelf bekend maakte werd hij niet geslagen.

De getuige zag hoe [persoon 352] in elkaar werd geslagen voordat hij naar de vrachtwagen werd gebracht, omdat hij niemand wilde verraden.

Samen met twee andere leden van zijn groep heeft de getuige zich vervolgens op de derde dag bekend gemaakt. Door de mensen van de verdachte werd verteld dat ze naar een militair kamp zouden worden gebracht en later weer naar huis zouden mogen. De getuige is op de exposure meeting niet geslagen, omdat hij zichzelf bekend maakte. De getuige heeft gehoord dat Eshetu de eerste dag aanwezig was en hij heeft hem de tweede dag zelf gezien. Eshetu had de leiding bij de exposure meetings. Hij keek de hele tijd boos en was intimiderend. Hij zei dat wie zich niet bekend zou maken daar de gevolgen van moest dragen en dat wie zich wel bekend maakte naar huis mocht. Hij zag dat Eshetu ’s avonds instructies gaf aan zijn plaatsvervangers. Hij kon niet horen wat er werd gezegd, maar hij zag dat het instructies waren voor de volgende dag. Op de derde dag was Eshetu niet aanwezig, maar had [persoon 413] de leider van de public organizing group de leiding.

Met een vrachtwagen werd de getuige samen met anderen naar het militaire kamp - een concentratiekamp - gebracht, dat ongeveer tien kilometer bij de High School vandaan lag, in het zuiden van Debre Marcos. [Eshetu A.] had gezegd dat ze daar zouden worden gecheckt. Ze moesten inzicht geven in de structuur van de EPRP en liederen zingen waarin de EPRP werd verdoemd. De public organizing group kwam langs en probeerde hen over te halen naar de Derg. Er waren drie grote zalen en getuige en de anderen moesten op de grond slapen. Er was geen sanitair en familieleden moesten voor eten en kleding zorgen. Er was bewaking in het kamp, maar achter op het terrein was een bos dat niet werd bewaakt.

Na een dag of tien kwam Eshetu met vijf mannen naar het kamp en riep enkele leuzen. De vijf mannen bleven en de sfeer veranderde. Eshetu zei dat de mannen die hij bij zich had zich over hen zouden ontfermen en verder het onderzoek zouden doen. Eén van die mensen was een petty-officer die [persoon 400] heette en die de leiding had. Eén van de mannen, [persoon 393, anders geschreven]h, begon te intimideren en ze identificeerden de namen van mensen die hogerop in de EPRP structuur voorkwamen. Hierop werden ongeveer vijftig mensen geselecteerd die werden overgebracht naar een andere locatie. Enkele uren later werd een tweede groep geselecteerd, waarvan getuige deel uitmaakte. Ze werden vervolgens naar het politietrainingskamp gebracht, ongeveer tien kilometer verderop. De commandant in het politiekamp heette eveneens Eshetu en hij was de leider van een politie verhoorteam. De getuige denkt dat deze mensen uit Addis kwamen. Later heeft hij gehoord dat ze vanuit de central investigation criminal group kwamen.

Op de dag dat [persoon 323] stierf heeft de getuige Eshetu in het politiekamp gezien. De getuige zat buiten en had zicht op de verhoorkamers. Voor de verhoorkamers stond Eshetu, op ongeveer 25 tot dertig meter afstand van de getuige, met een been op een tree en het andere been op de grond. Hij praatte met de verhoorders en bewoog met zijn handen. De getuige kon een gezagsverhouding opmaken en zag dat de verhoorders knikten en het eens waren met wat Eshetu zei. Na enige tijd ging de verdachte weg en ging het martelen weer door. De dag na het overlijden van [persoon 323] heeft de getuige hem ook gezien en ook daarna nogmaals.

Eshetu kwam vaker in het politiekamp. De getuige en de anderen zagen hem ook dan praten met de ondervragers en het zag er dan uit alsof hij instructies gaf. Als hij met hen sprak dan knikten ze met hun hoofd en was te zien dat ze bang waren. Het was te zien dat ze bevelen aannamen. Het was éénrichtingverkeer. De getuige stond op een afstand van twintig meter. De getuige weet niet hoe vaak hij dit heeft gezien. De ondervragingen hebben een maand geduurd dus de getuige zou kunnen zeggen dat hij Eshetu tien tot vijftien keer in het politiekamp heeft gezien. Deels was dat om de gevangenen bij elkaar te roepen om tegen hen te schreeuwen en deels om instructies te geven aan de ondervragers en het proces gade te slaan.

De getuige en de anderen werden in drie voormalige kantoorruimtes gezet. De mensen van wie ze dachten dat ze hoger in de structuur van de EPRP zaten werden apart gezet. De getuige zat met 23 mensen in de middelste kamer, en als ze uitgestrekt op de grond lagen raakten hun voeten elkaar. De kamer was slechts een derde van een kamer van drie en een halve meter bij acht meter. De ramen waren dichtgedaan en geblindeerd en er was bewaking door zwaar bewapende militie. Na enige tijd werden de mannen naar twee grote ruimtes verplaatst en de vrouwen naar een derde ruimte. De kantoren werden vervolgens gebruikt als verhoorkamers en een vierde kamer deed dienst als martelkamer.

Familie moest voor eten zorgen en dit deelden ze met gevangenen die geen familie in de buurt hadden. Er was geen medische verzorging voor zieken of gewonden. Er was een gevangene, een arts genaamd Chaneyalew Kassa, die zijn EHBO-kit mocht houden om medische hulp te geven aan bewakers en de ondervragers. Chaneyalew Kassa heeft ongezien zorg verleend aan de andere gevangenen.

Op zeker moment werd hij vanuit de gevangenis [persoon 347] overgebracht, nadat hij al een keer eerder was overgebracht om hem psychologisch te breken. Hij was de leider van de EPRP in de provincies Gojjam en Gondar en zat al voor de exposure meetings vast. [persoon 347] werd uiteindelijk een instrument om de ondervragers te helpen bij de ondervragingen.

De verhoorders stelden vragen en als het antwoord hun niet aanstond werd er gemarteld. De folteraars kwamen van een central criminal investigations group uit Addis Abeba. Ze waren getraind in het martelen, zonder mededogen. De getuige is vijftien tot twintig minuten lang gemarteld. Hij had blote voeten en werd geslagen, onder andere met een lat waarin een roestige spijker zat die door zijn voetzool ging. Hierdoor heeft hij een infectie opgelopen. Er werd geen medische zorg verleend. Na een marteling moest een gevangene helpen met het graven van een gat dat was bestemd als toilet. Sommige mensen waren zo ernstig gemarteld dat ze buiten bewustzijn raakten. Daarna werden ze nog steeds gedwongen om te gaan graven. De getuige heeft gezien dat een man zo verzwakt was na een marteling dat hij, toen hij de pikhouweel oppakte om te gaan graven, hij hierop viel en zich verwondde aan zijn borst. Voorts heeft de getuige gezien hoe een gemartelde man - de getuige herinnert zich de naam [persoon 323] wanneer de politie deze noemt - het bewustzijn verloor toen hij op zijn hoofd werd geslagen en vervolgens op de grove en scherpe gravelgrond werd gegooid en gerold. Met de kolf van een kalasjnikov werd de man door één van de militiemannen in het kruis geslagen en er werd een bajonet gebruikt om een kruis te zetten in de rug van de man. Daarna moest de man gaan graven en toen een gezondheidsfunctionaris vroeg om water voor de man werd de gezondheidsfunctionaris met een metalen stok achter op zijn hoofd geslagen. De man is daarna naar binnen gebracht en is overleden.

De getuige heeft voorts gezien dat een andere man, [persoon 324, anders geschreven] verwondingen had toen hij uit de martelkamer kwam en deels buiten bewustzijn was. [persoon 324, anders geschreven] is samen met anderen gedood. De zus van [persoon 324, anders geschreven], [persoon 136, anders geschreven] werd ook gedwongen om te zeggen dat ze lid was van het EPLF.

In juni/juli is een groep van 25 personen, waaronder [persoon 324, anders geschreven], vermoord, ongeveer vijf kilometer ten noorden van de High School, in Wonka. Toen die 25 mensen naar de plek werden gebracht waar ze vermoord zouden worden liepen er mensen van de stad met de truck mee. Dit heeft de getuige gehoord van anderen. In augustus zijn er anderen vermoord.

Na het martelen en de verhoren is een deel overgebracht naar de gevangenis en een deel is in het politiekamp gebleven. De getuige hoorde bij de groep die in het kamp bleef. Op een donderdagmorgen in midden mei kwam een van de vertegenwoordigers, die zei dat ze hun spullen moesten pakken. Over één van de gevangenen, een oude klasgenoot van de getuige genaamd [persoon 314, anders geschreven], was onduidelijkheid over de vraag of hij niet eigenlijk naar de gevangenis moest, maar dat bleek niet zo te zijn. Vervolgens kregen ze enkele weken indoctrinatiesessies. Aan het einde hiervan kregen ze een certificaat en waren ze vrij om te gaan.

Aan de getuige is bladzijde 1 getoond van de lijst waarvan in de kop staat: ‘Personen tegen wie de revolutionaire maatregelen uitgevoerd zijn’. De getuige heeft verklaard dat hij de volgende mensen op de lijst kende, maar dat zij zijn gedood: [persoon 4, anders geschreven (nr. 1), [persoon 5, anders geschreven] (nr. 2), [persoon 6] (nr. 3), [persoon 8, anders geschreven] (nr. 5), [persoon 9, anders geschreven] (nr. 6), [persoon 10, anders geschreven] (nr. 7), [persoon 11, anders geschreven] (nr. 8), [persoon 14, anders geschreven] (nr. 11), [persoon 15, anders geschreven] (nr. 12), [persoon 79, anders geschreven] (nr. 14), [persoon 18, anders geschreven] (nr. 17), [persoon 19, anders geschreven] (nr. 18), [persoon 20, anders geschreven] (nr. 19), [persoon 21, anders geschreven] (nr. 20), [persoon 22, anders geschreven] (nr. 21), [prsoon 23, anders geschreven] (nr. 22), [persoon 27, anders geschreven] (nr. 26), [prsoon 29, anders geschreven] (nr. 28), [persoon 30] (nr. 29), [presoon 31, anders geschreven] (nr. 30), [persoon 32, anders geschreven] (nr. 31).

Voorts heeft hij de namen genoemd van [persoon 23], omdat hij in het concentratiekamp erg close met hem was, [persoon 2], die probeerde te vluchten, [persoon 353], met wie hij altijd at in het kamp. Ook zat ene [persoon 354] in de gevangenis. Van hem hoorde de getuige dat hij [persoon 324, anders geschreven] en diens zus moest martelen, maar dat hij dit niet had gedaan. Voorts had hij een medegevangene genaamd [persoon 355]. Eén van de tachtig slachtoffers was [persoon 21, anders geschreven]. De getuige heeft van de vader van dit slachtoffer gehoord dat er tegen hem was gezegd dat er revolutionaire maatregelen waren genomen tegen zijn zoon. Voorts heeft de getuige verklaard over ene [persoon 1, anders geschreven] die is gedood toen hij probeerde te ontsnappen uit de gevangenis.

[persoon 316]

[persoon 316] (zie p. 2019-2032 met bijlagen; 1e en 2e rapport gespreksverslag [persoon 316], niet doorlopend genummerd; rechter-commissaris proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 316], alinea’s 1-56) heeft verklaard dat hij in 1977 is gaan werken voor het ministerie van onderwijs, op de postkamer. Vanaf 1969 (E) was hij lid van de EPRP, maar hij was niet erg actief. Zijn betrokkenheid bestond uit lezen en in kleine groepen debatteren.

[Eshetu A.] was de lokale vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam. De getuige weet dit omdat hij daar was en daar een baan had. De naam en het zegel van [Eshetu A.] stonden op allerlei documenten die op zijn werk binnenkwamen. Als hij een brief zag van [Eshetu A.] werden de EPRP-leden daarin altijd anarchisten genoemd. Eén brief ging over de Rode Terreur, en een andere ging over dat iedereen de waarheid moest zeggen over de EPRP en dat iedereen de EPRP moest verlaten en zich bij de Derg moest aansluiten. Op de brieven heeft hij de naam en het stempel van [Eshetu A.] gezien. De getuige herkende de stempel van [Eshetu A.] aan de naam. Ook zijn handtekening stond er op. De administrator deed een bijlage bij de brieven en stuurde ze dan door naar rond de vijftig scholen in Debre Marcos (opmerking rechtbank: vermoedelijk bedoelt de getuige hiermee Gojjam).

Bij voorlezing heeft getuige verklaard dat iedereen in de scholen moest weten dat zij moesten doen wat hun gevraagd werd. Het idee was mensen vrees aan te jagen, iedereen moest bang zijn. Wat in de brief stond had kracht van wet. Er stond ook in de brief dat je aan de kant van de Derg moest staan, en “wij zullen de Rode Terreur uitoefenen”. In een andere brief stond dat alle ambtenaren naar de Tekleimanut school moesten komen om toegesproken te worden. Als je niet met de Derg meedeed zou je gevangen genomen worden of vermoord. Dat stond niet in de brieven. De verplichting om te komen stond erin en dat wie niet voor de Derg was, een terrorist was die moest worden gestraft.

De getuige heeft [Eshetu A.] de eerste keer gezien bij diens bezoek aan de Tekleimanut basisschool. Van tevoren was bericht dat iedereen van het onderwijsministerie daar moest komen. De getuige wist dat het Eshetu was bij die school omdat hij de brief had gestuurd over de ontmoeting op de school met alle ambtenaren. Hij zag [Eshetu A.] in het midden van een menigte van ongeveer vijftig à 55 mensen staan, hij stond te schreeuwen. Een oudere man stelde een vraag en daarop schreeuwde Eshetu en beval de kadres de man naar buiten te nemen. Hij was in militair tenue gekleed en had kadres om zich heen. Eshetu hief toen zijn gebalde vuist in de lucht en riep weg met de anarchisten. Daarmee bedoelde hij de EPRP. De getuige stond op dat moment op ongeveer dertig meter afstand. [Eshetu A.] was er om de macht en de kracht van de Derg te vertegenwoordigen, in een periode van twee à drie jaar. Hij meent dat [Eshetu A.] in 1979/1980 was weggegaan. Hij had een heel slechte naam, hij was een heel slechte dictator.

De Derg begon EPRP-leden te identificeren. Ze zeiden tegen highschool leerlingen dat hen niets gedaan zou worden als ze zichzelf aangaven. De getuige is pas de derde dag gegaan, omdat hij hoorde dat hij anders gedood zou worden, als zijn naam genoemd zou worden. Daar was Eshetu niet. De kadres vertelden iedereen dat je je bekend moest maken, anders zou het slecht aflopen met je. Hij heeft wel gehoord dat Eshetu bij de opening van de exposure meeting heeft gezegd dat iedereen die zich niet bekend zou maken als EPRP-lid zou worden vermoord. De hele stad sprak daarover.

Omdat zijn vriend zich bekend had gemaakt en in dezelfde EPRP cel zat, was de kans groot dat zijn naam genoemd zou worden. Zijn naam werd geroepen, hij moest zich vervolgens bekend maken en er werd hem gevraagd een andere persoon uit zijn cel te noemen. De exposure meetings duurden van acht uur ’s ochtends tot vijf of zeven uur in de avond. Er waren vier of vijf kadres die achter de tafel zaten en er stond een aantal kadres met vuurwapens tussen de mensen in.

De selectie van degenen die mee moesten gebeurde op basis van bekendmaking als lid van het centraal comité van de EPRP. De ondervragers dachten dat er nog iemand miste uit een centraal comité als zich minder mensen meldden dan zij verwachtten.

De getuige werd naar de directiekamer gebracht om de structuur van de EPRP in kaart te brengen. Iemand had horen zeggen dat ze een uzi hadden, zo werd tijdens een exposure meeting verteld. De kadres wilden toen weten waar die uzi was en toen dat niet duidelijk werd moest iedereen naar het kantoor van de directeur. Er waren ongeveer driehonderd mensen, ze werden met bussen naar het militaire kamp gebracht, onder begeleiding van gewapende kadres.

De getuige heeft verklaard dat ze met zeventig à tachtig man in een kamer sliepen. Omdat er veel te weinig ruimte was, moest er zittend geslapen worden. Overdag moest iedereen aantreden op een voetbalveld en slogans roepen. In het kamp was één wc voor driehonderd mensen. Het regime werd steeds strenger. Er werden mensen vanuit de gevangenis naar het kamp gebracht om de structuur van de EPRP bekend te maken. Zij werden naar een kamer op het kamp gebracht, waar de getuige zelf niet is geweest. De getuige heeft nooit iemand van de Derg in het kamp gezien. Hij is daar ongeveer zeven dagen geweest. Vandaar is hij naar het politiekamp gebracht.

In het politiekamp was een gevangene die [Eshetu A.] kende van highschool, [persoon 347], hij zat in het Centraal Comité van de EPRP. [persoon 347] vertelde dat Eshetu onderzoekers uit Addis Abeba had laten komen.

Na de registratie van namen, werd de getuige opgeroepen voor de verhoorruimte. Er waren drie verhoorkamers en een martelkamer. Hij moest vertellen hoe hij bij de EPRP was gekomen, wat zijn activiteiten waren en dergelijke. Hij is niet gemarteld of geslagen en hij is ook niet in de martelkamer geweest. Hij kende wel mensen die gemarteld werden, bijvoorbeeld [persoon 323, anders geschreven], het hoofd van het ministerie van onderwijs, een hooggeplaatst persoon. Toen [persoon 323] terugkwam kon hij niet meer lopen, hij viel voortdurend en een soldaat schopte hem. Hij is meegenomen naar de cel van onder meer getuige. Na ongeveer twintig minuten ging hij dood. [persoon 323] zag helemaal groen en had zwellingen over zijn hele lichaam. [persoon 326] is ook gemarteld en ook hij had zwellingen over zijn hele lichaam. [persoon 327] werd heel erg gemarteld. De getuige heeft over de martelingen gehoord dat er eerst een bal in de mond werd gestopt, dat mensen aan het plafond gehangen werden, dat flessen vol met water aan testikels werden gebonden en dat nagels werden uitgetrokken. De marteling vond plaats tijdens kantooruren. Als ‘ze’ je niet geloofden, dan werd je gemarteld.

Tijdens de exposure meeting heeft een man [persoon 327] een andere man [persoon 356] aangewezen als EPRP-lid. [persoon 356] is in het politiekamp terecht gekomen. Een hooggeplaatst EPRP-lid (een kennis van [Eshetu A.] van vroeger) heeft over [persoon 356] gezegd dat die niet van de EPRP was. Eshetu had deze uitwisseling gehoord en zei dat [persoon 327] gemarteld moest worden omdat hij zonder reden iemand als EPRP-lid had aangewezen.

De getuige heeft [Eshetu A.] regelmatig gezien in het kamp (bij de politie heeft hij verklaard dat hij hem elke dag zag, bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij hem tenminste twee keer heeft gezien). [persoon 347] was er dan bij. Die vertelde dan wel eens wat Eshetu zei. Als je bij hem in de buurt bleef hoorde je veel.

Het ging om dezelfde Eshetu die hij had gezien bij de lagere school waarover hij eerder heeft verklaard. Als hij kwam was hij omringd door bewakers. Van een van de mannen die voor de verhoorkamers stonden hoorde de getuige dat Eshetu informeerde hoe het ging en of er nog nieuwe informatie was. Voor zover hij weet heeft Eshetu nooit zelf iemand verhoord of gemarteld. Dat Eshetu veel mensen heeft gedood, dat was gewoon bekend. Gevangenen werden in groepen verdeeld, sommige werden na drie à vier maanden vrijgelaten, anderen kregen drie jaar gevangenisstraf en een derde groep werd gedood. Eshetu was de baas en niemand anders bepaalde dat.

De getuige werd gedwongen om een lied voor de Derg te zingen en na verhoren mochten ze hun kamer niet meer uit. Hij heeft drie à drieëneenhalve maand in het politiekamp gezeten.

Inmiddels waren al veel mensen naar de gevangenis gebracht. Daarna is hij vrijgelaten met de opdracht als goed burger te leven.

In Debre Marcos hingen overal slogans, die hij Eshetu ook heeft horen roepen, zoals ‘Down with EPRP’. Ook op de radio waren deze teksten te horen. Hij heeft gehoord dat Eshetu wegging en dat hij zijn vervanger Kassay Aragew rondleidde in Gojjam. Nadat die mensen zijn gedood is Eshetu weggegaan.

Het Demses-comité was opgericht om mensen te vermoorden of in de gevangenis gooien. De getuige herinnert zich de namen [persoon 356, anders geschreven] en [prsoon 4, anders geschreven]. Het comité deed wat [Eshetu A.] zei, wat de top zei. [Eshetu A.] beval wie er gedood moesten worden.

[persoon 313]

[persoon 313] (zie p. 1921-1935 met bijlagen; rapport gespreksverslag [persoon 313], niet doorlopend genummerd; rechter-commissaris proces-verbaal van verhoor [persoon 313], alinea’s 1-36) was geen lid van de EPRP, maar wel actief voor de EPRP. In januari/februari 1969 (E) is hij aangehouden. Dit moment kan hij zich nog goed herinneren omdat hij aan het begin van de maand altijd zijn salaris kreeg en toen niet. De politie was op zoek naar materialen, wapens, pamfletten. De getuige is meegenomen naar het politiebureau en na een tijdje overgebracht naar de district gevangenis Changi in Metekel. Hij werd samen met anderen overgebracht naar het politiekamp in Debre Marcos. Hij vermoedde dat ze dachten dat hij een hoge positie had in de EPRP.

Er waren speciale verhoorders uit het centrale gebied van Addis Abeba gekomen. Na ongeveer een week werd de getuige verhoord. De andere vier personen uit zijn cel hadden gezegd dat hij de leider was, maar de getuige heeft verklaard dat dat afhing van de actie die werd ondernomen. Hij heeft verteld dat hij alleen pamfletten had gelezen en verspreid. De toon van het verhoor was heel beangstigend. Hij hoorde de geluiden van de mensen die werden gemarteld en geslagen en die moesten overgeven. De verhoorders zeiden dat als je niet zou praten dat ook met jou zou gebeuren en dan lieten ze je alleen met de geluiden en kwamen dan weer terug en gingen verder vragen. Hij is niet zo erg gemarteld als anderen, maar ze hebben hem wat trappen en klappen met de vlakke hand gegeven. Hij heeft alle soorten verwondingen bij anderen gezien. Het kon elk lichaamsdeel zijn, zoals armen die onbruikbaar waren. Als de medegevangenen de gewonden wilden dragen, werden ze geslagen. De getuige heeft [persoon 323] gezien toen hij overleed. Hij kende [persoon 323] niet, maar van anderen hoorde hij dat dat [persoon 323] was en dat hij in zijn kruis was geschopt. Hij werd naar buiten gesleept en van de rest van de groep gescheiden.

Na een maand is de getuige naar de gevangenis van Debre Marcos overgebracht. Dit moet ongeveer midden 1977 (de rechtbank begrijpt uit de rest van de verklaring dat de getuige 1978 bedoelt) zijn geweest. Hij zat in cel 23. Er zaten ongeveer vijftig à zestig personen in een cel. Er waren politieke gevangenen, droge of gewone gevangenen en landheren. De droge gevangenen werden vertrouwd door de politie en hadden meer privileges. De politieke gevangenen hadden een goede band met de droge gevangenen en werden door hen voorzien van informatie, ook over degenen die niemand mocht zien. Dat waren degenen die verdacht waren van het bekleden van een hoge functie of van geweld tegen de militaire junta. Zij zaten in afgescheiden donkere kamers aan de rand van het terrein. Zij gingen in de ochtend vroeg naar de wc, kregen water aangereikt via een bedekt raampje door een waterslang en hadden geen douche.

[persoon 357] was een droge gevangene die een opening had gemaakt bij het houten hek. Daardoor hebben twaalf gevangenen geprobeerd te ontsnappen. Er is er maar één levend ontsnapt. Hij heeft de naam [persoon 81, anders geschreven] herkend als de naam van de ontsnapte gevangene. De anderen zijn ter plekke neergeschoten.

Op 16 augustus 1970 (E) heeft de getuige zijn vonnis gehoord. Hij heeft nooit iets op papier gezien. Iemand met een megafoon heeft vanaf een heuvel de vonnissen voorgelezen. Daarbij werd de datum genoemd. Hij kreeg drie jaar en het jaar dat hij al gezeten had telde niet mee. Dit maakte hem boos. Hij moest huilen toen hij hoorde dat hij drie jaar had gekregen, net als zijn vriend. De oudere broer van die vriend zei dat zij moesten stoppen met huilen omdat hij zeker wist dat hijzelf zou worden vermoord, omdat zijn naam niet op de lijst stond.

Van de politie had hij gehoord dat dit vonnis door het comité was uitgevaardigd. De voorzitter was altijd de vertegenwoordiger van de Derg en dat was [Eshetu A.].

In de gevangenis in Debre Marcos was de periode voor het vonnis het ergst. Men zat in een donkere cel, mocht maar twee keer per dag naar de wc, niet douchen, geen bezoek ontvangen en het eten werd naar binnen gegooid. Eens in de zoveel tijd werden medicijnen gegeven voor degenen die heel ziek waren. Dan kwam een verpleegkundige. Er werd antibiotica gegeven. Ook moest men graven en men leefde in angst. Ze namen ook mensen mee, groepjes van twintig mensen. Nadat het vonnis was voorgelezen werd het relaxter. Er mocht bezoek worden ontvangen en met een politieman mocht de cel worden verlaten. Bij ziekte werd er behandeld.

Nadat deze vonnissen gegeven waren moesten de gevangenen eerder naar hun cel. Er werden touwen naar binnen gegooid en de mensen die eerder geen vonnis hadden gekregen wisten dat ze gingen sterven. Ze begonnen liederen te zingen en schreeuwden: “neem ons allemaal”. Maar er waren mensen aangewezen in de cellen en die bonden degenen wiens naam was genoemd en zij werden naar buiten geduwd. De getuige heeft gezien dat ze die nacht op het grasveld werden verzameld.

De beste vriend van getuige, [persoon 49, anders geschreven], en [persoon 70, anders geschreven], [persoon 359], [persoon 48, anders geschreven], [persoon 5, anders geschreven] en [persoon 360] zijn die nacht meegenomen.

Nadat de mensen verzameld waren werden ze via de uitgang begeleid. De getuige zat in de cel en kon niet zien of er hooggeplaatste mensen bij zaten. Hij zag alleen goedbewapende militairen, de persoon die namen opnoemde en de persoon die het touw gooide. De man die de namen voorlas was een politieman van de gevangenis, die in het kantoor werkte. De getuige kon hem goed zien van een afstand van drie à vier meter. De gewapende mannen die bij hem stonden hadden speciale uniformen aan en hadden machine geweren. Daarom denkt getuige dat het special forces waren. De niet-politieke gevangenen die bij het moorden aanwezig zouden zijn geweest waren [persoon 48, anders geschreven], [persoon 361], [persoon 362] en [persoon 363] (hij was voorzitter van de gevangenen).

Van [persoon 361] en [persoon 348, anders geschreven[, die in zijn cel verbleef, heeft getuige gehoord dat de mannen zijn meegenomen naar de kerk en moesten knielen op een rij. De speciale eenheden deden touwen om hun nek en toen werden ze in hun nek geslagen. Daarna werd er getrokken aan het touw. [persoon 361, anders geschreven] en [persoon 348, anders geschreven] hebben getuige verteld dat ze iemand gedragen hebben die nog leefde. Ze vertelden ook dat Eshetu aanwezig was met bewaking. Hij was gekleed in zwart en Eshetu controleerde of alles naar behoren was gegaan. Van [persoon 361, anders geschreven] heeft de getuige gehoord dat Eshetu bij het moorden aanwezig was. Hij vermoedt dat [persoon 348, anders geschreven] niet weet hoe Eshetu eruit ziet. Wel heeft [persoon 348, anders geschreven] verteld dat er mensen op het podium stonden in de kerk en dat er mensen werden vermoord. De getuige wist dat [persoon 361, anders geschreven] Eshetu wel kende, omdat [persoon 361, anders geschreven] meer vrijheden had en wel buiten mocht komen. Ook stond Eshetu dagelijks in de krant. Voordat [persoon 361, anders geschreven] getuige vertelde over wat er in de Micheals Church was gebeurd, had [persoon 361, anders geschreven] niet over Eshetu gesproken. Zowel [persoon 361, anders geschreven] als [persoon 348, anders geschreven] hebben verteld dat er meerdere mensen bij Eshetu op het podium stonden. Als ze eenmaal lagen moesten ze naar het graf worden gedragen. Dit gebeurde door de groep waar [persoon 361, anders geschreven] in zat. [persoon 348, anders geschreven] heeft ook verteld hoe het doden ging. [persoon 348, anders geschreven] was de hele dag ontdaan en getuige heeft verklaard dat ze erop stonden dat hij hun zou vertellen wat er was gebeurd. Hij heeft toen verteld ‘hoe de procedure in elkaar zat’.

[persoon 361, anders geschreven] was een verre relatie van een vriend van getuige genaamd [persoon 5, anders geschreven] die in een van de donkere kamers zat en middels briefjes die getuige aan [persoon 361, anders geschreven] meegaf had getuige contact met [persoon 5, anderes geschreven]. De volgende ochtend bracht [persoon 361, anders geschreven] getuige onder andere de ring van [persoon 5, anders geschreven] om aan diens vrouw terug te geven. Hij heeft getuige daarbij ook verteld hoe het is gebeurd en zei dat als hij het had geweten hij hem had helpen ontsnappen. De tweede dag hebben alle ouders het gehoord. De getuige heeft toen de vrouw van [persoon 5, anders geschreven] zijn ring gegeven.

Op de lijst (met namen van personen tegen wie revolutionaire maatregelen uitgevoerd zijn) heeft hij herkend [persoon 4, anders geschreven], [persoon 353], [persoon 6, anders geschreven], over wie hij heeft gezegd dat zij daar zijn vermoord, [persoon 364], [persoon 48, anders geschreven], [persoon 49, anders geschreven], die de vriend was waarover hij vertelde, [persoon 365], [persoon 52, anders geschreven], [persoon 70, anders geschreven], [persoon 69, anders geschreven]. Deze mensen hebben allemaal met hem gevangen gezeten

[persoon 317]

[persoon 317] (zie p. 2068-2087 met bijlagen; rechter-commissaris proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 317], alinea 1-47) heeft verklaard dat hij actief was in de jeugdbeweging de EPRP.

In het voorjaar van 1970 (E) werd de getuige opgepakt en een aantal weken vastgehouden op het politiebureau in Bahardar. ’s Nachts werden getuige en nog twee anderen naar een andere plek gebracht en gemarteld. Op een gegeven moment is hij naar Debre Marcos gebracht, naar het politiekamp.

Hij kwam met achttien mensen in de cel en er waren al 35 à 45 gevangenen. In het kamp werd hem verteld dat het Derg-onderzoeksteam uit Addis Abeba weg was en dat de plaatselijke onderzoekers zich door hen opzij geschoven hadden gevoeld. De mening van de gevangenen die er al zaten was dat het team uit Addis Abeba was ingeschakeld door de hoogste vertegenwoordiger van de Derg. Toen getuige in het kamp kwam was [Eshetu A.] de hoogste vertegenwoordiger. Het was algemeen bekend dat hij de dossiers had, de resultaten van alle verhoren. Het vonnis kwam van Eshetu, er was een comité, het revolution and campaign coordination committee, geleid door Eshetu. Hij was de permanente vertegenwoordiger van de Derg in de provincie Gojjam, de ultieme autoriteit, de Mengistu van Gojjam. Geen enkele politieke zaak kwam voor de rechter. Er was in deze periode geen rechtbank die een rol speelde. De getuige heeft Eshetu wel eens gezien in de Debre Marcos gevangenis, op ongeveer honderd à 150 meter afstand. Anderen wezen hem aan. Ook las hij in kranten over Eshetu, wat hij deed, waar hij toespraken hield.

In juli 1970 (E) is de getuige naar de gevangenis in Debre Marcos gebracht. Ongeveer een maand later hoorde hij het vonnis. Van een hele groep werden namen omgeroepen en vanaf die dag was de straf twee jaar. Hij hoefde geen zwaar werk te doen omdat hij werkte aan de alfabetisering van de niet-politieke gevangen. Bij het opleggen van de straf is de naam van Eshetu niet genoemd. De getuige is gevraagd een tekening te maken van de gevangenis. Hij heeft verteld dat de kerk werd gebruikt voor de alfabetiseringscampagne en dat in de vier grote kamers zestig à zeventig gevangenen zaten, allemaal per twee geboeid. Er zat iets van metaal om hun benen. De getuige zag dat dagelijks als zij terug kwamen van de toiletten. Alleen de benen waren aan elkaar geboeid en zij moesten daarom alles samen doen. De getuige zat in celnummer 22.

De getuige zat met ongeveer vijftig mensen in een cel, er was te weinig ruimte om op je rug te slapen. Er zaten voor 50% politieke gevangenen en 50% gewone criminelen, ook wel genoemd de natte en de droge gevangenen. In de cel van getuige zaten ze door elkaar.

In die gevangenis waren vier heel grote cellen: die waren overdag altijd afgesloten. Er zaten andere politieke gevangenen. Ze mochten niet naar buiten, alleen vroeg in de ochtend en ’s avonds mochten ze naar de wc. Op 29 juli 1970 (E) moesten getuige en zijn celgenoten terug naar hun cellen. Mensen begonnen te zingen, leuzen te roepen, gezangen waarin de EPRP werd opgehemeld en de Derg veroordeeld. Na een paar minuten vielen de stemmen weg. De volgende ochtend realiseerden de achtergebleven gevangenen zich dat zestien mensen uit die vier cellen waren weggehaald en gedood. Het ging om de provinciale top van de EPRP. De getuige heeft verklaard te hebben gehoord dat de gevangenen in een truck werden geladen en dat ze zongen. Hun begeleiders wilden niet dat het publiek dat hoorde. Zij begonnen met moorden al tijdens het transport. De moorden werden, zoals van te voren gepland, uitgevoerd net buiten de stad. Ze hebben gehoord dat de lichamen zijn teruggebracht binnen het terrein en vervolgens in een gat gegooid. Dit waren de eerste moorden die de getuige meemaakte nadat hij in de gevangenis was gekomen.

Deze details kregen ze van de politie, die begeleidde hen vanuit de gevangenis. De politie praatte tegen de mensen. Zij waren erbij geweest en zij praatten ook met gevangenen. Een andere bron van informatie was een voedselleverancier, die niets te maken had met het leger. De voedselleverancier hoorde van de politie dat tijdens het vervoer al begonnen werd met het dood maken van de mensen.

Soms was er geweld wanneer gevangenen in het weekend te dicht bij de uitgang gingen staan, de politie sloeg de gevangenen als ze te dicht bij het hek kwamen, zodat zij terug gingen naar de bufferzone. Dit was op bezoekdagen. Het meest erge geweld was in augustus, drie dagen na zijn vonnis. Er werden vonnissen van andere gevangenen voorgelezen, inclusief van de mensen in de verzegelde kamers. Maar niet allemaal. Sommigen hoorden die dag hun vonnis, maar niet iedereen. Er was angst dat tussen 5 en 8 augustus 1970 (E) hen het ergste zou overkomen. Dat kwam ook doordat er een groot gat was gegraven op het gevangenisterrein, door de droge gevangenen. In de nacht van 8 augustus 1970 (E), werden getuige en zijn celgenoten ongebruikelijk vroeg naar hun cellen teruggestuurd, die werden gesloten. Na een poosje begon een groep bewakers mensen uit de cellen te halen. Zij zagen door de getraliede ramen mensen naar buiten komen met hun ellebogen op de rug gebonden. Zij werden naar de achterkant van de gevangenis meegenomen. Ze riepen een naam bij de cel van getuige, maar dat was niet die persoon. De naam klopte niet helemaal. Ze namen hem toch mee, vastgebonden. De volgende ochtend wisten ze dat er iets vreselijks gebeurd was.

Het eerste wat de getuige deed was naar zijn vriend [persoon 348, anders geschreven] gaan, een droge gevangene van wie hij dacht dat die geholpen had die nacht. Hij was erg verdrietig. Hij zei dat er zoveel mensen meegenomen waren naar de kerk en in de kerk gedood in aanwezigheid van [Eshetu A.]. Steeds als een gevangene naar de kerk werd gebracht, vroeg Eshetu: “Wie is dit?” De politie keek op hun lijst. Dan vinkte Eshetu het af op zijn lijst. [persoon 348, anders geschreven] vertelde dat 82 mensen die nacht gestorven moeten zijn, waaronder een meisje. De manier waarop zij hen doodden was dat ze een soort touw deden aan het touw waar hun handen mee gebonden waren en een lus om hun nek, zodat de lus hen wurgde. De volgende dag werden spullen van mensen die gedood waren verkocht, zoals jasjes, ringen, horloges. De gevangenen moesten de lichamen

dragen en dumpen in het massagraf. Tijdens het overbrengen vanuit de kerk naar het massagraf hebben zij spullen van de lijken afgehaald. De droge gevangenen verkochten de objecten. Sommigen kon het niets schelen, ze zeiden dat het zonde zou zijn om deze spullen mee te begraven. [persoon 348, anders geschreven] vertelde getuige dat hij een zekere [persoon 27, anders geschreven] van de kerk naar het graf had gedragen. Hij was heel groot. Omdat [persoon 27, andres geschreven] zo zwaar en groot was lukte de gewone wurgtechniek niet en hebben ze hem gewoon op de grond laten liggen. [persoon 27, anders geschreven] was nog niet dood en onderweg naar het graf praatte [persoon 27, anders geschreven] tegen [persoon 348, anders geschreven]. Omdat ze elkaar kenden was dit heel zwaar voor [persoon 348, anders geschreven]. Hij was ook nog niet dood toen [persoon 348, anders geschreven] hem in het gat gooide. Wat [persoon 348, anders geschreven] ook vertelde, was dat de enige vrouw uit de vrouwencel ook werd gewurgd en later naar het massagraf gebracht. Toen ze haar in het massagraf gooiden, probeerde zij op te staan en eruit te klimmen. De hele groep, inclusief Eshetu was al onderweg naar het massagraf en hij vroeg waarom heb je die niet afgemaakt? Toen zei iemand die bij hem stond: de aarde maakt het werk wel af, er is geen wapen nodig. [persoon 348, anders geschreven] heeft dit verklaard aan de getuige. De getuige heeft het ook van de andere droge gevangenen gehoord en van de politiemensen. Mensen zijn daar levend begraven. Het klopte dat als de groep daar stond en men zag dat de mensen nog leefden, het werk gewoon doorging en het graf gevuld werd met grond. De lijken lagen bijna aan de oppervlakte.

De getuige noemt [persoon 348, anders geschreven] zo vaak, omdat die hem op de hoogte heeft gebracht na die nacht. Daarna kwam nog meer informatie van politieagenten. Zij hadden het ook weer aan hun familieleden verteld. Zij vertelden het weer aan anderen. Vooral de gevangenen uit Debre Marcos hadden veel informatie van familieleden.

De getuige heeft de lijst bekeken en verklaard dat [persoon 27, anders geschreven] nummer 26 was. Nummer 44 was de enige vrouw die gedood is. Zij was degene in doodsnood toen ze in het graf lag. Nummer 41 is de nummer 18 van de groep van getuige. Getuige weet niet waarom hij gedood is. Nummer 58 was een gezondheidsmedewerker en zijn vriend een leraar, hij was die met het misverstand over de naam, waarvan de namen door elkaar werden gehaald. Ze waren allebei naar een lege cel gebracht. Zij hebben daar die nacht gezeten, zodat Eshetu kon uitzoeken wie degene was, die het doodsvonnis had gekregen. De volgende ochtend kwam de leraar terug. Hij vertelde dat het zijn vriend was geweest die het doodsvonnis had gehad en niet hij. Zijn vriend is de nacht erna gedood. Dit was de nacht nadat de 82 werden vermoord. Het was algemeen bekend dat Eshetu besliste over wie leefde en wie dood ging.

[persoon 321, andere schrijfwijze]

[persoon 321, andere schrijfwijze] (zie p. 2283-2296 met bijlagen, rechter-commissaris proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 321, anders geschreven], alinea 1-55 met bijlagen) heeft verklaard dat hij in de winterperiode juni/juli (kan ook april/ mei geweest zijn) in 1971 (E) (de rechtbank heeft reeds eerder overwogen dat de verklaring waarin de getuige 1970 (E) verklaart, een kennelijke vergissing betreft) in Bichena is gearresteerd en na een week naar Debre Marcos is gebracht. Na een paar dagen werd hij naar het politiekamp gebracht. Zijn vriend ging eerst naar binnen en werd geslagen. Toen hij naar buiten kwam kon hij niet meer lopen en werd ondersteund. Daarna ging de getuige naar binnen. Hij zag een man aan het plafond hangen. Die oude man werd geslagen onder zijn voeten. Toen hij naar beneden werd gehaald kon hij niet meer op zijn benen staan. Overal lagen bloedvlekken.

Hij is naar de Debre Marcos gevangenis gebracht, genaamd Demalas. “Dem” staat voor bloed en “Melas” voor terugbetalen, wreken. De gevangenis ligt onderaan de heuvel. In cel 17 waren ongeveer vijftig gevangenen, droge en politieke. De ruimte was ongeveer zes bij zeven meter. De politieke gevangenen hadden geen bedden. Als je familie het zich kon veroorloven had je een half matras. Er was een aardewerken pot bovenaan de muur voor als je moest plassen. Overdag konden ze naar de wc, ’s avonds vanaf 18:00 uur en ’s nachts niet. Als de familie het zich kon veroorloven brachten ze eten naar de gevangenis. Van de gevangenis kreeg je eten uit een vat, een pannetje met een stukje brood.

Ongeveer in augustus, de winterperiode, werd rond 12:00 uur de bewaking strikter. Rond 14:00 à 15:00 uur hoorden ze schreeuwen uit de dark rooms. Op een gegeven moment werd het stiller. Rond 17:00 uur moesten ze terug naar hun kamers, dat was eerder dan normaal. Rond 19:00 à 20:00 uur werden de stemmen weer luider. Hij zag toen twee personen met een groot notitieboek. Ze liepen langs alle cellen en riepen namen. Toen ze dichterbij cel 17 kwamen waren hun stemmen te horen. Hij zag dat er een touw aan de cabo (verantwoordelijk voor de orde handhaving en geen politieke gevangene) werd gegeven en de cabo moest de handen van de persoon van wie de naam werd genoemd op de rug binden. Mensen werden uit verschillende cellen gehaald en kwamen uit de cel terwijl hun handen al op hun rug waren gebonden. Als de namen werden omgeroepen gooiden de militairen een touw door het raam naar binnen. Hij heeft gehoord dat de zogenaamde droge gevangenen in de cel de jongeren moesten vastbinden. In cel 13 of 14, ook een dark room, zaten mensen uit Mota. Maar een persoon uit die groep heeft het overleefd.

De volgende dag was er een man toegewezen aan cel 17 waar de getuige zag, die uit cel 13 of 14 kwam. Ze vroegen hem waarom er zo geschreeuwd was de vorige dag. De man vertelde dat ze wisten dat er achter de kerk een gat was gegraven en dat ze dachten dat dat voor hen bestemd was. De getuige heeft gehoord van een droge gevangene dat hij meegeholpen had met het begraven van lichamen. De dag na het incident heeft de getuige daar verse aarde zien liggen. Hij heeft gehoord dat er in 1970 (E) ook een grote moord zou zijn gepleegd en noemt de namen [persoon 324], [persoon 4, anders geschreven] en [persoon 63, anders geschreven], hij kent diens broer. Hij herkent op hem de getoonde lijsten de namen [persoon 4, anders geschreven], [persoon 27, anders geschreven] en [persoon 63, anders geschreven], wiens broer hij kent. [persoon 415] hoorde niet bij de groep die is vermoord toen hij in de gevangenis zat.

Toen hij twee, drie maanden in de gevangenis was hoorde hij toen hij aan het basketballen was dat hij twee jaar gevangenis met (zware) dwangarbeid had gekregen. Hij heeft geen enkel document gekregen met daarop wie die straf heeft opgelegd. Er werden wel namen genoemd, [Eshetu A.] en majoor Kassai Arragaw.

[persoon 366] heeft hem verteld dat hij samen met [persoon 9, anders geschreven] in een dark room zat toen hun vonnis werd uitgesproken. [persoon 9, anders geschreven] kreeg de doodstraf en Kahasun kreeg drie jaar. Zij waren aan de enkels aan elkaar geketend. De verdachte heeft toen gezegd: “wij hebben hem drie jaar gegeven maar neem hem ook maar mee dan krijgt hij ook de doodstraf”. [persoon 366] stond erbij toen de verdachte dit zei.

De getuige heeft verklaard dat hij de verdachte niet kent en hem nooit heeft gezien. Hij kwam er na zijn vrijlating achter dat verdachte fulltime member van de Derg was. Hij begrijpt nu dat de verdachte volledige leiding had over politieke activiteiten in de regio.

[persoon 325, anders geschreven]

[persoon 325, anders geschreven] (zie p. 1949-1965 met bijlagen; rapport gespreksverslag [persoon 325, anders geschreven], niet doorlopend genummerd; proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris [persoon 325, anders geschreven], alinea’s 1-31) heeft verklaard dat hij, na twee weken in het militaire kamp te hebben verbleven, met ongeveer vijftig mensen naar het politiekamp is gebracht. Na het helder krijgen van de structuren kwamen er mensen uit Addis Abeba die gespecialiseerd waren in het loskrijgen van informatie. De getuige heeft verklaard dat hij een keer gemarteld is door de mensen uit Addis Abeba. Toen hij de kamer binnenkwam zag hij dat er een houten balk aan het plafond hing waar een touw overheen hing. Nadat hij op de tafel was gaan staan werd hij vastgebonden. Zijn handen en voeten werden achter zijn rug gebonden en het touw ging langs zijn mond. Op enig moment werd hij omhoog gehesen. Hij hing aan het plafond met zijn voeten en armen achter zijn rug. De ene man duwde hem al hangend door de kamer, de ander sloeg met een stok. Hij kreeg klappen op zijn rug, benen en voeten. Die op zijn voeten waren het ergst. Hij denkt dat het tussen de tien en vijftien minuten heeft geduurd. De getuige noemt deze methode Wafalala (fonetisch). Wafa betekent volgens de getuige vogel en lala betekent vliegen. Dus het betekent zoiets als vliegende vogel.

8.6

De getuigenverzoeken

Het toetsingscriterium

Bij pleidooi heeft de verdediging verzocht om een groot aantal personen (al dan niet opnieuw) als getuige te horen. Voor de gedane verzoeken verwijst de rechtbank naar het door haar vervaardigde overzicht, dat als Bijlage 2 bij dit vonnis is gevoegd. De onder 1 tot en met 12 genoemde getuigen zijn reeds eerder verzocht.

Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank het volgende voorop. Een verzoek tot het horen van getuigen dient door de rechtbank te worden getoetst aan het verdedigingsbelang dan wel aan het noodzaakscriterium.

Een verzoek waarvoor het verdedigingsbelang geldt, kan slechts worden afgewezen indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak van een verdachte te nemen beslissing dan wel dat redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Enkel in dat geval kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Deze regeling impliceert enerzijds dat het criterium van het verdedigingsbelang met zich brengt dat terughoudendheid dient te worden betracht bij de afwijzing van de verzoeken tot horen van getuigen. Tegelijkertijd onderstreept zij de plicht voor de verdediging om die verzoeken naar behoren te motiveren. Een afwijzing van het verzoek is denkbaar als het verzoek niet, dan wel zo summier onderbouwd is, dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag derhalve worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikel 348 en 350 van het WvSv te nemen beslissing.

Het noodzaakscriterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek. Met het oog daarop is aan de rechter de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen als deze hun verhoor noodzakelijk vindt, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Dit brengt mee dat een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken.

Voor het antwoord op de vraag of het verdedigingsbelang dan wel het noodzaakscriterium van toepassing is, dient te worden gekeken naar het moment dat het verzoek is gedaan.

In haar beslissing van 16 februari 2017 heeft de rechtbank - onder de hierna volgende motivering - overwogen dat op dat moment reeds het noodzaakscriterium van toepassing was:

“Het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte is al enkele jaren in gang. Vanaf eind 2015 heeft de rechter-commissaris de regie gevoerd. Er zijn diverse verzoeken ex artikel 182 Sv ingediend door de voormalige verdediging. Naar aanleiding daarvan zijn deskundigen benoemd en bijna twintig getuigen gehoord door de rechter-commissaris in Nederland, de Verenigde Staten van Amerika en Canada. De rechter-commissaris heeft het onderzoek beëindigd op 15 november 2016, na afronding van alle onderzoekshandelingen. Kort daarna heeft verdachte ervoor gekozen om zich te laten bijstaan door andere raadslieden. De inhoudelijke behandeling, die gepland stond vanaf 21 november 2016, kon hierdoor geen doorgang vinden. Teneinde de nieuwe raadslieden in de gelegenheid te stellen om eventuele nieuwe onderzoekswensen naar voren te brengen, heeft de rechtbank op 6 februari 2017 alsnog een regiezitting gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat - in de fase waarin de zaak zich thans bevindt - bij de beoordeling van de verzoeken het noodzaakscriterium moet worden toegepast. Gelet evenwel op de bijzondere ernst van de zaak en op de wisseling van de raadslieden zal de rechtbank in het belang van een eerlijke procesvoering het noodzakelijkheidscriterium met zodanige coulance toepassen dat de uitkomst niet wezenlijk zal verschillen van wat met toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou zijn bereikt.”

De rechtbank oordeelt dat ook thans - onder dezelfde motivering - sprake is van het noodzaakscriterium. Het stadium van een coulante toepassing van het noodzaakscriterium is echter op dit moment - gelet op de stand van het onderzoek, in het bijzonder de gelegenheid die ook de huidige verdediging heeft gehad om in een eerder stadium wensen in te dienen - niet langer aan de orde.

De onder 1 genoemde getuigen

De rechtbank stelt vast dat dit een herhaald verzoek betreft. Zij wijst dit verzoek grotendeels overeenkomstig haar motivering in de beslissing van 16 februari 2017 als volgt af.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van deze getuigen zijn opgenomen in het

strafdossier dat afkomstig is uit Ethiopië. Met uitzondering van de getuige die onder m) is

genoemd, hebben zij echter slechts in zijn algemeenheid verklaard over de verdachte, dan

wel meer concreet op punten die niet zien op de in deze zaak tenlastegelegde feiten. Bij de herhaling van het verzoek is dit door de verdediging betwist en zijn passages aangehaald, waaruit zou moeten blijken dat de getuigen wel degelijk concreet hebben verklaard over de verdachte. Dit doet de rechtbank echter niet tot een ander oordeel komen, nu de aangedragen passages zien op algemene omschrijvingen van de functie, woonplaats en uiterlijk van de verdachte, dan wel op incidenten die in de onderhavige strafzaak niet aan de verdachte zijn tenlastegelegd. De rechtbank acht zich op de algemene punten reeds voldoende voorgelicht en zal het verzoek tot het horen van deze getuigen dan ook opnieuw afwijzen bij gebrek aan noodzaak.

Bij beslissing van 16 februari 2017 heeft de rechtbank het verzoek tot het horen van de onder m) genoemde getuige toegewezen. Bij proces-verbaal van bevindingen van 26 oktober 2017 heeft de rechter-commissaris gerelateerd dat van deze getuige, ondanks zoekslagen onvoldoende gegevens bekend zijn om hem te lokaliseren. Een rechtshulpverzoek aan Ethiopië, waar de getuige zich waarschijnlijk bevindt, behoort niet tot de mogelijkheden. Op de terechtzitting van 30 oktober 2017 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen en geoordeeld dat gelet op het eerdergenoemde proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris de rechtbank het volstrekt onaannemelijk acht dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Bij haar oordeel heeft de rechtbank betrokken dat er zelfs geen begin van reële verwachting is dat Ethiopië kan of zal meewerken bij het uitvoeren van een rechtshulpverzoek. De rechtbank oordeelt dat thans geen sprake is nieuwe feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

De onder 2 genoemde getuigen

Bij beslissing van 16 februari 2017 heeft de rechtbank het verzoek tot het horen van deze getuigen afgewezen, omdat er onvoldoende identificerende gegevens bekend waren van de getuigen. Het toenmalige ministerie van Veiligheid en Justitie, afdeling AIRS, heeft bericht dat er geen mogelijkheden zijn deze getuigen langs diplomatieke weg en via de

Ethiopische autoriteiten op te sporen, zodat Ethiopië evenmin via Interpol kan worden

benaderd. Navraag via Interpol in de Ethiopië omringende landen en door de Nederlandse

attaché in Kenia heeft geen resultaat gehad, omdat de namen van de getuigen onvoldoende

aanknopingspunten boden om ze te kunnen vinden. Navraag door het openbaar ministerie

bij een contactpersoon heeft om dezelfde reden evenmin resultaat gehad. Niet is gebleken dat deze omstandigheden thans zijn gewijzigd en dat enig resultaat valt te verwachten van hernieuwde navragen. Het verzoek zal daarom opnieuw worden afgewezen.

De onder 3 genoemde getuigen

De rechtbank heeft de onder a), c) en d) genoemde getuigen bij voormelde beslissing van 16 februari 2017 afgewezen omdat er onvoldoende identificerende gegevens bekend zijn. De rechtbank komt thans wederom tot afwijzing van deze getuigen en verwijst voor de motivering naar hetgeen zij hiervoor met betrekking tot de onder 1 genoemde getuigen heeft overwogen.

De rechtbank heeft destijds de onder b) genoemde getuige toegewezen. De rechter-commissaris heeft echter bij eerdergenoemd proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat het niet mogelijk is gebleken om deze getuige te lokaliseren omdat onvoldoende identificerende gegevens van hem bekend zijn. Op de terechtzitting van 30 oktober 2017 is het verzoek daarom afgewezen, aangezien de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Aangezien dit ook thans nog geldt, zal de rechtbank het verzoek opnieuw afwijzen.

De onder 4 genoemde getuigen

De rechtbank heeft het verzoek tot het horen van de onder a) en b) genoemde personen bij voormelde beslissing van februari 2017 toegewezen. [persoon 319, andere schrijfwijze] is vervolgens op 25 augustus 2017 door de rechter-commissaris gehoord, waarbij de verdediging middels videoverbinding aanwezig was. Gelet hierop ziet de rechtbank niet de noodzaak om deze getuige (opnieuw) te horen en wijst zij het verzoek af.

Met betrekking tot de onder b) genoemde persoon is een rechtshulpverzoek aan de Canadese autoriteiten gedaan en deze hebben laten weten niet in te stemmen met een verhoor. Op de terechtzitting van 30 oktober 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat de weg naar het horen van deze getuige hiermee is afgesloten en het verzoek derhalve moet worden afgewezen. De rechtbank zal het verzoek ook thans afwijzen, enerzijds omdat het onaannemelijk is dat zij binnen afzienbare tijd ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, anderzijds omdat de rechtbank eerder in dit hoofdstuk heeft geoordeeld de verklaring niet voor het bewijs te zullen bezigen en ook overigens niet de noodzaak ziet tot het horen van de getuige.

Met betrekking tot de onder c) genoemde getuige sluit de rechtbank aan bij haar eerdere afwijzende motivering van 16 februari 2017, inhoudende dat aan dit verzoek louter speculatie ten grondslag ligt, zodat de rechtbank niet de noodzaak ziet om de getuige te horen.

De onder 5 genoemde getuige

Met betrekking tot deze getuige sluit de rechtbank aan bij haar eerdere afwijzende motivering van 16 februari 2017, inhoudende dat aan dit verzoek louter speculatie ten grondslag ligt, zodat de rechtbank niet de noodzaak ziet om de getuige te horen.

De onder 6 genoemde getuigen

Bij beslissing van 16 februari 2017 heeft de rechtbank deze getuigen toegewezen. De rechter-commissaris heeft echter gerelateerd dat de Nederlandse ambassade in Zimbabwe, waar de getuige Mengistu zou verblijven, herhaaldelijk heeft geprobeerd met de autoriteiten van Zimbabwe te bespreken of een rechtshulpverzoek zou kunnen worden gedaan. Die autoriteiten hebben echter niet ingestemd met het maken van een afspraak. Daarom heeft de rechter-commissaris geen rechtshulpverzoek kunnen doen. Van de getuige Desta zijn onvoldoende identificerende gegevens bekend, maar hij verblijft vermoedelijk in Ethiopië. Op de terechtzitting van 30 oktober 2017 heeft de rechtbank het verzoek ten aanzien van deze twee getuigen alsnog afgewezen, aangezien het volstrekt onaannemelijk is dat zij binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zullen verschijnen en er zelfs geen begin van reële verwachting is dat Zimbabwe of Ethiopië kunnen of zullen meewerken bij het uitvoeren van een rechtshulpverzoek. De rechtbank wijst het verzoek ook thans af, onder een gelijkluidende motivering.

De onder 7 genoemde getuigen

Bij beslissing van 16 februari 2017 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen, omdat de vragen die de verdediging aan de getuigen wenste te stellen, reeds bij hun eerdere

verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van de vorige

verdediging konden worden gesteld. De vragen hebben geen betrekking op nieuwe gezichtspunten of op nieuwe ontwikkelingen. Blijkens vaste jurisprudentie is het nogmaals horen van reeds ondervraagde getuigen onder deze omstandigheden niet noodzakelijk. De rechtbank wijst het verzoek thans opnieuw af, onder dezelfde motivering.

De onder 8 genoemde getuige-(deskundige)

De rechtbank heeft bij beslissing van 16 februari 2017 dit verzoek afgewezen, bij gebrek aan noodzaak. De rechtbank heeft hiertoe - kort weergegeven - gemotiveerd dat de vermeende gebreken in de rechtsgang met betrekking tot de Ethiopische strafzaken niet door de verdediging zijn onderbouwd en dat daarnaast onduidelijk is wat een deskundige over het huidige regime in Ethiopië kan bijdragen aan een toetsing van deze rechtsgang. Daarnaast heeft de rechtbank gemotiveerd dat door de verdediging niet is onderbouwd dat door de Ethiopische overheid stukken zouden zijn gemanipuleerd of dat de overheid een rol zou hebben gespeeld bij het verstrekken van lijsten om de verdachte in Nederland veroordeeld te krijgen. Tot slot heeft de rechtbank destijds overwogen dat zij geen deskundige nodig heeft om zich te doordringen van de noodzaak om de nodige behoedzaamheid te betrachten met betrekking tot het vertrouwensbeginsel. Ook thans ziet de rechtbank nog niet de noodzaak om dit verzoek toe te wijzen, zodat zij het - met een gelijkluidende motivering - afwijst.

De onder 9 genoemde getuige-(deskundige)

De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen bij beslissing van 16 februari 2017 onder de motivering dat zij reeds voldoende bekend is met de aspecten waarmee in dergelijke zaken rekening moet worden gehouden bij de waardering van het getuigenbewijs. De rechtbank wijst het verzoek ook thans af, onder een gelijkluidende motivering.

De onder 10 genoemde getuigen.

Met betrekking tot de onder a) genoemde persoon overweegt de rechtbank dat het verzoek om hem te horen reeds in februari 2017 is toegewezen en dat de getuige vervolgens op 18 april 2017 is gehoord door de rechter-commissaris, in het bijzijn van de huidige verdediging. Gelet hierop ziet de rechtbank niet de noodzaak om deze getuige (opnieuw) te horen.

Ten aanzien van de onder b) genoemde getuige overweegt de rechtbank dat de vragen die de verdediging aan de getuige wenste te stellen, reeds bij zijn eerdere verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van de vorige verdediging konden worden gesteld. De vragen hebben geen betrekking op nieuwe gezichtspunten of op nieuwe ontwikkelingen. Blijkens vaste jurisprudentie is het nogmaals horen van reeds ondervraagde getuigen onder deze omstandigheden niet noodzakelijk. De rechtbank wijst het verzoek derhalve af.

De onder 11 genoemde getuige

De rechtbank heeft deze getuige bij beslissing van 16 februari 2017 afgewezen omdat de verdediging had aangegeven haar te willen bevragen over de functie en het verblijf van de verdachte in Gojjam of Gondar in 1978, terwijl zij reeds had verklaard hier niets van te weten. De rechtbank wijst het verzoek ook thans af, wegens een gebrek aan noodzaak.

De onder 12 genoemde getuigen

Bij voormelde beslissing van 16 februari 2017 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen, omdat van de getuigen geen identificerende gegevens bekend zijn en het verzoek zodanig onbepaald is dat de rechtbank dit - ook nu - zal moeten afwijzen.

De onder 13 tot en met 34 genoemde getuigen

De rechtbank wijst de onder 13 tot en met 33 genoemde getuigen af, nu zij zich reeds voldoende voorgelicht acht en niet de noodzaak ziet tot het horen van deze getuigen, waarbij de rechtbank opmerkt dat ook bij deze getuigen de verdediging in veel gevallen volstrekt in gebreke is gebleven voldoende identificerende gegevens te verstrekken.

Met betrekking tot de onder 13, 16, 17, 18, 22, 23, 24, 26 en 27 genoemde personen overweegt de rechtbank aanvullend dat de verdediging heeft aangegeven deze personen te willen horen naar aanleiding van (eerdere) verklaringen van getuigen. De rechtbank heeft echter reeds in dit hoofdstuk overwogen dat zij die getuigenverklaringen niet voor het bewijs zal bezigen. Het horen van deze personen kan daarom niet noodzakelijk zijn.

Ten aanzien van de onder 15 en 21 genoemde personen overweegt de rechtbank aanvullend dat de vragen die de verdediging aan de getuigen wenst te stellen, reeds bij hun eerdere

verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van de vorige

verdediging konden worden gesteld. De vragen hebben geen betrekking op nieuwe gezichtspunten of op nieuwe ontwikkelingen. Blijkens vaste jurisprudentie is het nogmaals horen van reeds ondervraagde getuigen onder deze omstandigheden niet noodzakelijk.

Met betrekking tot de onder 34 genoemde persoon merkt de rechtbank op dat - anders dan gesteld door de verdediging - deze persoon niet door de rechtbank als getuige is afgewezen. Pas bij pleidooi heeft de verdediging het verhoor van deze persoon als getuige verzocht, zodat ook hiervoor onverkort het noodzaakscriterium geldt. De rechtbank wijst het verzoek af aangezien zij zich voldoende voorgelicht acht en de noodzaak van het verhoor haar niet is gebleken.

9 De schriftelijke bescheiden en deskundigenrapporten

9.1

Inleiding

Naast getuigenverklaringen bevinden zich in het dossier diverse schriftelijke bescheiden, afkomstig uit onder meer het Ethiopische strafdossier tegen de verdachte. De rechtbank zal deze schriftelijke bescheiden hieronder benoemen en waar nodig beoordelen op hun bruikbaarheid als bewijs. Daarnaast bevinden zich in het dossier twee deskundigenrapporten en van deze deskundigen zijn ook verhoren afgenomen. Ook aan deze rapporten zal de rechtbank in dit hoofdstuk aandacht besteden.

9.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft de bewijskracht van de schriftelijke bescheiden en de deskundigenrapporten niet betwist en deze bruikbaar geacht voor het bewijs.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de authenticiteit van de schriftelijke bescheiden afkomstig uit het Ethiopische strafdossier niet kan worden vastgesteld en dat tal van personen de in het dossier opgenomen lijsten hebben kunnen voorzien van stempels en/of handtekeningen die voor die van de verdachte moeten doorgaan.

Met betrekking tot het rapport en de verklaring van de deskundige De Jong heeft de verdediging benadrukt dat hieruit niet kan worden geconcludeerd dat de onderzochte handtekeningen van de verdachte zijn en/of door hem zijn geplaatst.

De verdediging heeft zich met betrekking tot het rapport en de verklaringen van de deskundige Abbink op het standpunt gesteld dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Hiertoe is aangevoerd dat Abbink bevooroordeeld is en op dit gebied onvoldoende deskundig kan worden geacht. De verdediging heeft verzocht om Abbink andermaal te horen als getuige, indien de rechtbank zijn rapport en verklaringen voor het bewijs zal gebruiken.

9.4

De dossierstukken

9.4.1

De schriftelijke bescheiden

Foto’s en een krantenartikel

Aan de verdachte is een foto getoond die is aangetroffen bij de doorzoeking in zijn woning. De verdachte heeft verklaard dat achter op die foto staat Ginbot 26 1970 Bahir Dar (zie p. 388). De verdachte herkende zich op die foto (zie p. 278).

De rechtbank stelt vast dat de datum Ginbot 26 in Europese jaartelling 3 juni 1978 oplevert en dat Bahir Dar in Gojjam lag.

Een krantenartikel in de Engelstalige Ethiopische Daily Herald van 16 juni 1978 (zie p. 1801) vermeldt:

Meanwhile in the seven provinces comprising Gojjam region, nearly 45.000 Birr was collected by members of the clergy in the ongoing drive to rush provisions to those deployed along the fronts and relief supplies to victims of aggression. Presenting the cheque for the sum to Comrade Lt. [Eshetu A.], a member of the Provisional Military Administrative Council assigned to the region (…).”

De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de datering van de bij de verdachte thuis aangetroffen foto en het krantenartikel en acht deze bescheiden bruikbaar voor het bewijs.

Proclamatie 129

Bij deze proclamatie (zie p. 2435-2441) van 27 augustus 1977, twee dagen na de toespraak van Mengistu waarin werd aangekondigd dat verraders zoals bijv EDU en EPRP “shall be exposed (…), brought to their knees and shall be crushed”, werd opgericht een zogeheten National Revolutionary Operations Command, aangevoerd door de Derg-voorzitter, sinds februari 1977 Mengistu. In de opbouw en verschillende artikelen van de proclamatie wordt een kader zichtbaar van vergaande bevoegdheden van de ’council’ van dit Command in de strijd tegen “reactionary internal and external forces that hate to see a strong and revolutionary Ethiopia.” (geschrift, te weten een stuk bij geschrift militaire activiteiten van de EDU, René Lefort, Ethiopia. An heretical revolution?, Londen: Zed Press, 1981, p. 216).

Per regio werd er een Sector Command (artikel 7), ook voor Gojjam, ingesteld, met door de regering aan te stellen sectorvoorzitter, waarbij (op grond van artikel 10) de vertegenwoordiger van de Derg (PMAC) als vice-voorzitter optrad. In artikel 12 is vastgelegd dat er per regio Revolutionary Operations Coordinating Committees werden ingesteld, waarvan in de provincie Gojjam de verdachte de voorzitter was (verklaring van de verdachte, afgelegd ter zitting van 30 oktober 2017).

In geval van overtreding (op enigerlei wijze) van de proclamatie, zo blijkt uit artikel 25, volgde bestraffing: een ieder die orders voortvloeiend uit de proclamatie niet opvolgde of deze orders trachtte te ontwijken, of die iemand anders aanspoorde tot dergelijke ongehoorzaamheid, werd bestraft met gevangenisstraf tot vijf jaar en in meer serieuze gevallen tot levenslange gevangenisstraf of de doodstraf.

De tekst van de proclamatie is opgenomen in de Negarit Gazeta van 27 augustus 1977. De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de authenticiteit van deze proclamatie en acht deze bruikbaar voor het bewijs. De verdachte heeft ook aangegeven de proclamatie te (her)kennen (verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 november 2017).

De Ethiopische documenten

In het dossier bevinden zich geschriften in de Amhaarse taal (zie p. 910-949, met vertaling op p. 957-1003) die in het kader van de uitvoering van een internationaal rechtshulpverzoek in 2013 uit handen van het Ethiopische ministerie van justitie zijn ontvangen (zie p. 907). Deze geschriften zijn vertaald en over de inhoud is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Uit de vertaling van de Amhaarse pagina’s leidt de rechtbank af dat deze stukken zien op beslissingen omtrent straffen. Voorts bevatten deze stukken een handtekening en de naam van verdachte (meerdere malen) en (stempels met) functieomschrijvingen van verdachte. In het proces-verbaal is een samenhang tussen de verschillende pagina’s en onderdelen gegeven. De functieomschrijvingen van verdachte zijn weergegeven als ‘Voorzitter van het Coördinerend Comité van de Revolutionaire Campagne van de provincie Gojjam’ en ‘Permanent vertegenwoordiger van de Derg in de provincie Gojjam’ (zie p. 1004-1007).

Bij deze documenten bevindt zich een brief (zie p. 922, met vertaling op p. 970) gedateerd 14 augustus 1978, ondertekend met de naam [Eshetu A.] en een handtekening, permanent vertegenwoordiger van de Derg in de provincie, gericht aan het hoofd van de gevangenis van de provincie Gojjam, Debre Marcos, met als bijlage een lijst van namen van personen tegen wie ‘revolutionaire maatregelen’ moeten worden uitgevoerd (zie p. 923-925, met vertaling op p. 971-973) met de mededeling dat een bevestiging van de uitvoering van het bevel wordt verwacht. Een antwoord op deze brief bevindt zich ook bij deze documenten (zie p. 926, met vertaling op p. 974), gedateerd 16 augustus 1978, afkomstig van het hoofd van de gevangenis in de provincie Gojjam, gericht aan [Eshetu A.], permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam waarin is bevestigd dat ‘revolutionaire maatregelen’ zijn genomen tegen 73 personen, dat eerder drie personen tijdens hun ontsnapping uit de gevangenis zijn gedood en dat één van de gevangenen is ontsnapt. Daarnaast is bevestigd dat vijf gevangenen in de gevangenis van Metekel zitten. Bij opdracht van 16 augustus 1978 is aan de gevangenis van de provincie Metekel meegedeeld dat tegen vijf gevangenen revolutionaire maatregelen moeten worden uitgevoerd (zie p. 931-933, met vertaling op p. 979-985), ondertekend met de naam [Eshetu A.], permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam, en een handtekening. Een antwoord op deze brief bevindt zich ook bij deze documenten (zie p. 927, met vertaling op p. 975), gedateerd 17 augustus 1978, afkomstig van [persoon 396], gericht aan [Eshetu A.], permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam, waarin is bevestigd dat het schriftelijk en mondeling gegeven bevel tot het treffen van ‘revolutionaire maatregelen’ tegen de vijf personen is uitgevoerd. Bij de documenten bevindt zich een briefwisseling (zie p. 9848-949, met vertaling p. 1002-1003) gedateerd 17 augustus 1978, afkomstig van het hoofd van de gevangenissen in de provincie Gojjam, gericht aan Luitenant [Eshetu A.], Permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam, dat naar aanleiding van het bevel nummer 476/11 op 17 augustus 1978 de revolutionaire maatregel is genomen tegen Tadee Yadtee Kelemu.

Bij de documenten bevinden zich verder twee lijsten, waarvan één ongedateerde en genoemd Debre Markos District, 147 tenlastelegging, met 211 namen (zie p. 937-943, met vertaling op p. 991-997) en één gedateerd in augustus 1978, genoemd Debre Markos District 2e ronde, 147 tenlastelegging, met 123 namen (zie p. 944-947, met vertaling op p. 998-1001). Op deze lijsten zijn bij de verschillende namen behalve ‘revolutionaire maatregelen’ ook straffen vermeld als drie jaar gevangenisstraf met zware arbeid (zie p. 945, met vertaling op p. 999), twee jaar gevangenisstraf met zware arbeid (zie p. 946, met vertaling op p. 1000), zes maanden gevangenisstraf met politieke lessen (zie p. 947, met vertaling op p. 1001). Onderaan de lijsten is te zien een handtekening met stempel met de naam [Eshetu A.], voorzitter van het Revolutionair Coördinerend Comité van de provincie Gojjam.

De rechtbank volstaat hier met de constatering dat zij door vergelijking heeft vastgesteld dat de in de tenlastelegging onder feiten 1, 3 en 4 opgenomen namen terug te vinden zijn in de Ethiopische documenten, met uitzondering van de nummers 313-321 van feit 1 en de nummers 232-240 van feit 4. Daarnaast bevatten de Ethiopische lijsten nog enkele (deels) onleesbare namen die niet op de tenlastelegging zijn opgenomen.

De rechtbank zal op een later moment in dit vonnis haar oordeel geven of van de authenticiteit van de Ethiopische documenten mag worden uitgegaan en of de daarop voorkomende handtekening van verdachte is.

Het Ethiopisch strafvonnis

In een deel van het Ethiopisch strafdossier dat niet aan de onderzoekers ter beschikking is gesteld bevinden zich twee brieven waarvan in het Ethiopische vonnis wordt aangegeven dat deze van verdachte afkomstig zijn. Eén brief dateert van 16 maart 1978 en bevat het verzoek om rechercheurs van de veiligheidsdienst uit Addis Abeba te sturen en de andere brief is gedateerd 7 april 1978, met daarin het bevel aan de financiële administratie van de provincie Gojjam om voor vijftien dagen een vergoeding per dag te betalen aan de rechercheurs (zie p. 592, met de vertaling op p. 608). De rechtbank hanteert deze brieven met de nodige behoedzaamheid, aangezien zij niet beschikt over de brieven zelf.

9.4.2

De deskundigenrapporten en de verhoren van de deskundigen

Het deskundigenrapport forensisch schriftonderzoek

Aan de door de rechter-commissaris benoemde handschriftdeskundige W.C. de Jong zijn voor zijn onderzoek een origineel diplomatiek Ethiopisch paspoort op naam van de verdachte en een originele geplastificeerde militaire Ethiopische identiteitskaart op naam van de verdachte ter beschikking gesteld.

Tevens zijn hem de in het Amhaars gestelde documenten op pagina 922 (toevoeging rechtbank: vertaling pagina 970) en op pagina 1638 van het voorgeleidingsdossier aangeleverd. De rechtbank heeft met de rechter-commissaris geconstateerd dat deze laatstgenoemde pagina in het einddossier ontbreekt. De vertaling van het ontbrekende document bevindt zich in het einddossier op pagina 990, in het voorgeleidingsdossier was dit pagina 1692.

Het diplomatieke paspoort en de militaire identiteitskaart betreffen de bescheiden die bij de huiszoeking bij verdachte op 29 september 2015 in beslag waren genomen.

De deskundige heeft op 4 maart 2016 rapport uitgebracht (zie rapport De Jong, p. 1-14). Het betwiste materiaal heeft de deskundige aangeduid als X1 en X2, het als vergelijkingsmateriaal aangeleverde diplomatieke paspoort heeft de deskundige V1 en de militaire identiteitskaart V2 genoemd.

De deskundige heeft uiteengezet dat, doordat aan hem kopieën zijn verstrekt, enkele kenmerken niet op betrouwbare wijze te beoordelen zijn. Echter, de complexiteit en het onderscheidend vermogen van de wel te beoordelen kenmerken in de betwiste handtekeningen zijn voldoende om een uitspraak te doen over het schrijverschap van de handtekeningen. De betwiste en de referentie-handtekeningen zijn op verschillende kenmerken beoordeeld en vergeleken. De betwiste handtekeningen tonen op alle kenmerken goede overeenkomsten met de referentie-handtekeningen.

De conclusie van het deskundigenrapport luidt dat de onderzoeksresultaten waarschijnlijker zijn wanneer de betwiste handtekeningen, X1 en X2, authentieke handtekeningen zijn afkomstig van de schrijver van de handtekeningen V1 en V2 (hypothese 1) dan wanneer deze afkomstig zijn van een andere schrijver en de producten zijn van nabootsing (hypothese 2).

De verdediging heeft weliswaar de inhoud van het rapport betwist maar niet de betrouwbaarheid van het rapport als zodanig. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport als zodanig. De rechtbank komt er later op terug welke bewijswaarde zij er aan zal toekennen.

Het verhoor van de deskundige

De deskundige is op 28 juni 2016 door de rechter-commissaris gehoord (zie proces-verbaal van verhoor getuige-deskundige De Jong door de rechter-commissaris, p. 1-8).

De deskundige heeft bevestigd dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat de betwiste handtekeningen geen nabootsing zijn. Hij ziet aan de kopieën dat het handtekeningen zijn die spontaan en dynamisch tot stand zijn gekomen en hij vindt daarin geen sporen die op nabootsing duiden.

Een belangrijk element is nog dat er twee handtekeningen zijn, zodat naar variaties kan worden gekeken. Een nagebootste handtekening lijkt op het voorbeeld dat gebruikt wordt. Er zijn echter geen twee handtekeningen die door dezelfde persoon worden

gezet, die gelijk zijn. Men vindt natuurlijke varianten. Als men kijkt naar de handtekening Xl, daar heeft de hoofdletter E een volle lus in de bovenste boog. Die volle lus is terug te vinden in V2. De handtekening X2 heeft een heel smalle lus en die vindt men terug in VI. Dit zijn natuurlijke varianten die voorkomen. Bij nabootsing ziet men dergelijke varianten niet.

Het feit dat iemand de twee verschillende soorten schrift kan schrijven, heeft geen invloed op de vraag of hij de handtekening kan beoordelen.

Met ‘goede overeenkomsten’ zoals in het rapport besproken, wordt bedoeld dat alle relevante kenmerken die bij de betwiste handtekeningen zijn aangetroffen, terug te vinden zijn in het vergelijkingsmateriaal. De aangetroffen verschillen zijn niet a-typisch maar vallen binnen de breedte van natuurlijke variatie.

Nader gevraagd naar zijn conclusie op pagina 6 die over nabootsing gaat antwoordt de deskundige dat naar zijn oordeel de betwiste handtekeningen te vlot zijn gezet voor nabootsing uit de vrije hand. Helemaal uit te sluiten is het niet maar het is dan een onwaarschijnlijk te achten vorm van nabootsing, gezien de informatie die het schrift hem geeft.

De betwiste handtekeningen zijn dus handtekeningen van dezelfde persoon als de

vergelijkingshandtekeningen of ze zijn nagebootst. De nabootsingshypothese is niet

waarschijnlijk te achten. Zijn conclusie is dat de handtekeningen Xl en X2 authentieke handtekeningen zijn, maar dat kan hij niet met zekerheid vaststellen en dat is een gevolg van

de kwaliteit van het onderzoeksmateriaal.

Het deskundigenrapport van professor dr. G.J. Abbink

Abbink heeft een rapport uitgebracht over de politieke en historische context van de gebeurtenissen in Ethiopië in de periode van 1974-1979 (zie rapport Abbink p. 1-29). Ook heeft hij in zijn rapport vragen van de toenmalige verdediging en het openbaar ministerie over begrippen en posities beantwoord.

Abbink heeft na zijn benoeming als deskundige met instemming van het openbaar ministerie en de verdediging de beschikking gekregen over het tegen verdachte opgemaakte proces-verbaal.

Abbink heeft uiteengezet dat zijn rapport (voorts) is gebaseerd op analyse van de wetenschappelijke literatuur en jarenlange veldwerkervaring in Ethiopië. Aan het eind van zijn rapport heeft de deskundige zich uitgelaten over de schuldvraag.

Het verhoor van de deskundige Abbink door de rechter-commissaris

Abbink is op 8 november 2016 door de rechter-commissaris gehoord (zie proces-verbaal van verhoor getuige-deskundige Abbink bij de rechter-commissaris, alinea 1-55). Hij heeft bij die gelegenheid zijn rapport nader toegelicht.

Het verhoor van de deskundige Abbink door de rechtbank

De rechtbank heeft de deskundige ter terechtzitting van 6 februari 2017 gehoord (zie proces-verbaal ter terechtzitting van 6 februari 2017).

Bij die gelegenheid heeft de rechtbank hem nadrukkelijk gevraagd naar de bronnen waarop hij zich bij het weergeven van zijn belangrijkste bevindingen had gebaseerd, aangezien de deskundige zich op diverse plaatsen in zijn rapport leek te baseren op niet openbare stukken uit het strafdossier en zich meermalen kritisch had uitgelaten over de verdachte en op enig moment zich zelfs heeft uitgelaten over de vraag naar diens schuld. De rechtbank heeft de deskundige gevraagd om bij beantwoording van de vragen van de rechtbank steeds zijn bronnen te noemen. De deskundige heeft een aantal vragen van de rechtbank niet kunnen beantwoorden.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de deskundige Abbink

De rechtbank zal het rapport noch de verklaringen van Abbink voor het bewijs gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank valt ook na de verhoren van de deskundige door de rechter-commissaris en de rechtbank niet te scheiden in hoeverre de deskundige alleen heeft gerapporteerd en verklaard over hetgeen zijn wetenschap en kennis hem leren, of dat hij zich bij zijn bevindingen ook (deels) heeft gebaseerd op hetgeen hij in het hem ter beschikking gestelde strafdossier over verdachte heeft gelezen. Nu hij zich - al dan niet baserend op de stukken uit het dossier - tevens heeft uitgelaten over de schuldvraag kan hij niet langer als objectief worden beschouwd.

Nu de rechtbank het rapport en de verklaringen van Abbink niet voor het bewijs zal gebruiken wijst zij het verzoek om hem te horen af wegens gebrek aan noodzaak.

10 De vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen

10.1

Inleiding

Feit 1 ziet op de verdenking dat in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978 in Debre Marcos en/of Metekel 321 met name in de tenlastelegging genoemde personen arbitrair van hun vrijheid zijn beroofd. Deze personen namen (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deel. Tegen deze personen zouden (op exposure meetings) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen zijn uitgesproken en/of ten uitvoer gelegd zonder voorafgaande berechting en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen. Bij hen zouden huiszoekingen zijn verricht en/of zij zouden zijn gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of een gevangenis gebracht. De detentieomstandigheden waarin zij verbleven zouden slecht zijn geweest en ze zouden verstoken zijn geweest van medische zorg.

Feit 2 ziet op de verdenking dat in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978 in Debre Marcos en/of Metekel negen mensen zijn gemarteld. Deze personen zouden tegen de geslachtsdelen, de voeten, het hoofd en het lichaam zijn geschopt en geslagen en met voeten en handen vastgebonden zijn opgehesen en met stokken geslagen tegen lichaam en voeten, al dan niet terwijl die personen een bal of ander voorwerp in de mond hadden. Hierdoor zouden deze personen (zwaar) lichamelijk letsel hebben ondervonden. De namen van deze personen zouden zijn [persoon 322], [persoon 136, anders geschreven], [persoon 323], [persoon 313, anders geschreven], [persoon 324], [persoon 325, anders geschreven], [persoon 315], [persoon 326] en [persoon 327]. Ook deze personen namen (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandigheden deel.

Feit 3 ziet op de verdenking dat in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978 in Debre Marcos en/ of Metekel een aanslag en/of lichamelijke geweldpleging op het leven van 75 met name in de tenlastelegging genoemde personen en/of anderen is gepleegd en/of deze personen zijn gedood. Ook deze personen namen niet meer rechtstreeks aan de vijandelijkheden deel. Deze personen zouden zijn neergeschoten of zijn gewurgd of levend zijn begraven.

Feit 4 ziet tot slot op de verdenking dat in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 in Debre Marcos en/of Metekel 240 personen straffen tegen zich hebben horen uitspreken, zonder eerlijk proces en in slechte detentieomstandigheden zouden zijn gehouden met gebrekkige medische faciliteiten. Ook deze personen namen niet meer rechtstreeks aan de vijandelijkheden deel.

De rechtbank zal hieronder - op basis van de in de vorige hoofdstukken genoemde getuigenverklaringen en overige stukken - tot een feitelijke vaststelling komen met betrekking tot de gebeurtenissen.

10.2

De vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen

De rechtbank acht wettig en overtuigen bewezen dat in de periode van 1 februari 1978 tot 31 december 1981 in Gojjam, Ethiopië, de volgende gebeurtenissen zijn voorgevallen.

De exposure meetings

In de maand februari 1978 is in het kader van de zogeheten exposure campagne van de Derg een exposure meeting gehouden op de middelbare school in Debre Marcos. De exposure meeting in Debre Marcos duurde drie dagen. Het doel van dergelijke bijeenkomsten was om EPRP-leden te ontmaskeren.125 De mensen werden opgeroepen om naar de school te komen en zich daar als EPRP-lid bekend te maken. Hun werd medegedeeld dat als zij zichzelf bekend zouden maken als EPRP lid hen niets zou gebeuren, maar als zij zichzelf niet bekend zouden maken de Rode Terreur zou beginnen en executies zouden volgen.126 Op het terrein waren gewapende kebele bewakers en gewapende kadres aanwezig.127 Een groot aantal mensen heeft uit angst om door een ander genoemd te worden de bijeenkomst bezocht en zichzelf als EPRP lid bekend gemaakt. Ook hebben velen de namen van anderen genoemd.128 Na afloop van de bijeenkomst zijn ongeveer driehonderd mensen onder begeleiding van bewapende kadres met bussen of vrachtwagens afgevoerd naar het nabijgelegen (vijftiende) militaire kamp.129 Dit stond leeg, omdat de militairen naar het noorden waren gestuurd om te strijden tegen de EPLF.130

Het militaire kamp

In het militaire kamp verbleven ongeveer driehonderd mensen in de leeftijd van vijftien tot zeventig jaar, maar vooral mensen jonger dan negentien jaar.131 Zij sliepen met mannen en vrouwen door elkaar in een groot vies gebouw met drie zalen.132 Er was weinig ruimte en mensen moesten op de grond slapen.133 Er was slechts één wc voor de driehonderd mensen.134 De familie van de gevangenen moest eten en kleren brengen.135 De gevangenen moesten indoctrinatiebijeenkomsten bijwonen, waar werd verteld hoe goed de Derg was en hoe slecht de EPRP en waar ze anti-EPRP liederen moesten zingen. Aanvankelijk was de sfeer redelijk goed en was er een zekere mate van vrijheid in het kamp. Er was beloofd dat ze vrijgelaten zouden worden na een week politieke oriëntatie.136 Hoewel er bewakers waren werd niet het gehele terrein bewaakt, hetgeen de door de eerder gedane belofte gewekte verwachting dat ze na de indoctrinatie weer naar huis mochten versterkte.137 De bewapende kadres informeerden telkens naar de structuur van de EPRP en naar hun wapens.138 Er werden mensen, die al eerder waren opgepakt en in de gevangenis zaten, naar het militaire kamp gebracht om de organisatie en structuur van de EPRP bekend te maken en te vertellen over de wapens van de EPRP. Bij deze gevangenen zat ook een zekere [persoon 347], de hoogste leider van de EPRP.139 Als er namen van mensen werden genoemd die nog niet vastzaten, gingen de kadres de stad in om hen op te pakken.140 Na ongeveer tien dagen werd een groep mannen van een bijzondere eenheid uit Addis Abeba gebracht. Zij kregen de leiding over het kamp, de sfeer verslechterde, het regime werd aanzienlijk strenger en de bewaking werd aangescherpt.141 Eén van leden van deze bijzondere eenheid uit Addis Abeba was een onderofficier uit de marine, [persoon 400]. Een ander heette [persoon 393, anders geschreven] en een heette [persoon 414]. De dagelijkse leiding was in handen van kapitein Eshetu, maar dat was een andere Eshetu dan de verdachte.142 Op de dag dat ze kwamen las [persoon 393, anders geschreven] een lijst met vijftig à zestig namen voor van hogere EPRP leiders en zij werden afgevoerd naar het politiekamp, ongeveer tien kilometer verderop.143 Nadien werden telkens nieuwe groepen vervoerd en uiteindelijk is iedereen overgeplaatst naar het politiekamp.144

Het politiekamp

Aanvankelijk zat de eerste groep die al eerder was overgebracht in de kantoorruimtes. Er zaten zoveel mensen in de kamer dat als ze op de grond lagen de benen elkaar raakten. De ramen waren dichtgemaakt en geblindeerd. Toen de rest van de groep kwam werden ze overgeplaatst naar de grotere ruimtes, die inmiddels waren verbouwd.145 Dit betroffen drie grotere ruimtes: twee voor mannen en één voor vrouwen.146 Daarnaast waren er vier kleine kantoorruimtes, waarvan drie gebruikt werden als verhoorruimte en één werd gebruikt als martelkamer.147 Vanuit andere delen van Gojjam werden ook gevangenen overgebracht naar het politiekamp in Debre Marcos.148 Behalve de speciale verhoorders waren vijftig à zeventig commando’s gekomen om het kamp te bewaken.149 Familiebezoek was niet langer toegestaan.150 De gevangenen zaten met grote groepen in een volle cel en sliepen op de grond. Er was geen medische verzorging voor zieken of gewonden.151 De cellen waren op ongeveer vijftig à zestig meter afstand van de verhoorkamers.152

Al in het militaire kamp was een disciplinair comité opgericht onder de gevangen. Het comité bestond uit onder andere [persoon 111, anders geschreven], Chaneyalew Kassa en [persoon 110, anders geschreven]. In het politiekamp is het voorzitterschap overgedragen aan [persoon 347], die op verzoek van het disciplinair comité weer uit de gevangenis was overgebracht om te helpen bij het volledig in kaart brengen van de EPRP. Het disciplinair comité gaf informatie door van de politie aan de gevangenen en omgekeerd. Het comité moest de speciale eenheid assisteren en riep de gevangenen op voor verhoor.153

De verhoorders uit Addis Abeba zijn in het politiekamp begonnen met het verhoren van de gevangenen. Het doel van het verhoor was het (verder) in kaart brengen van de structuur van de EPRP. Omdat een EPRP lid alleen degene direct boven en direct onder hem in de organisatie kende, was het voor het verkrijgen van een volledig beeld nodig om iedereen te verhoren. Daarom was ook iedereen uit het militaire kamp naar het politiekamp gebracht.154 Hierbij werd voortgebouwd op de informatie die reeds in het militaire kamp was verkregen.155 De gevangenen moesten vertellen wat ze hadden gedaan binnen de partij, wat hun positie was, bij wie ze in de EPRP-cel zaten, wat hun financiële bijdrage was geweest en of ze wapens hadden gehad of gebruikt. Alles werd opgeschreven en na het verhoor moesten de gevangenen hun verklaring ondertekenen.156 Na het verhoor werden de namen van de verhoorde gevangene met een kleur omcirkeld. Hiermee werden ze in groepen verdeeld door de ondervragers.157 Rood betekende dat de betreffende persoon zou moeten worden gedood. Dat gold voor hooggeplaatste EPRP-leden, leden van de squads en zij die wapens ter hand hadden genomen of gekocht.158

Indien tijdens het verhoor de verklaring van de gevangenen niet werd geloofd werden ze naar de martelkamer gebracht. Daar werden zij op verschillende manieren mishandeld.159 Een methode die vaker werd gebruikt was het met een touw aan elkaar vastbinden van de armen en benen achter de rug en vervolgens aan dit touw ophijsen van het lichaam, waarna met een stok tegen het gehele lichaam en het gezicht werd geslagen, met name tegen de voeten (in het Amhaars genaamd: whofelala).160 Na verloop van tijd werd - om het schreeuwen tegen te gaan - een bal, gemaakt van stof, in de mond gedaan.161 Na afloop van de mishandelingen werden de slachtoffers, die niet of nauwelijks bij bewustzijn waren en nauwelijks nog konden lopen, gedwongen gaten te graven voor wc’s.162 Er waren slechts weinigen die niet gemarteld werden.163

Een zekere [persoon 323] werd zodanig vaak en zodanig ernstig mishandeld dat hij uiteindelijk in zijn cel aan zijn verwondingen is overleden. Hij had het bewustzijn verloren toen hij ondersteboven hing en werd geslagen. De ondervragers hadden hem toen naar beneden gehaald en op de grove scherpe gravelgrond voor de martelkamer gegooid en daarin omgerold. Een van de militiemannen sloeg hem met de kolf van een kalasjnikov in zijn kruis en terwijl hij daar lag werd met een bajonet een kruis in zijn rug gezet. De gezondheidsfunctionaris Chaneyalew Kassa die [persoon 323] wilde helpen en water wilde geven werd dit verboden. [persoon 323] is uiteindelijk teruggebracht naar zijn cel en daar overleden.164

[persoon 324] en zijn zus [persoon 136, anders geschreven] moesten bekennen dat zij naast lid van de EPRP ook lid van het EPLF waren, nu hun ouders oorspronkelijk uit Eritrea kwamen. [persoon 136, anders geschreven] en [persoon 324, anders geschreven] hingen in dezelfde kamer aan het plafond aan hun armen, die naar achteren vastgebonden waren op hun rug, en moesten zien hoe de ander werd mishandeld. Toen ze naar buiten kwamen konden ze niet meer lopen.165 [persoon 324, anders geschreven] is omstreeks 12 augustus 1978 doodgeschoten en tot op de dag van vandaag heeft [persoon 136, anders geschreven] geen gevoel in haar handen.166

[persoon 313] heeft verklaard dat hij werd verhoord in een ruimte naast de martelkamer. Hij hoorde geluiden, gezucht, mensen die werden geslagen en die moesten overgeven. Er werd gezegd dat dit met je zou gebeuren als je nu niet zou verklaren. Je werd dan alleen gelaten met het geluid van het martelen in de aangrenzende kamer. Daarna kwamen ‘ze’ terug om je te ondervragen. Hij heeft verklaard dat hij ook werd meegenomen naar de martelkamer en dat hij daar werd getrapt en met de vlakke hand geslagen en dat hem werd gezegd dat hij er maar over na moest denken en morgen terug zou komen.167

[persoon 325]heeft verklaard dat hij met zijn armen en voeten achter zijn rug gebonden aan het plafond werd gehesen en dat hij al hangend door de kamer werd geduwd, terwijl hij met een stok werd geslagen op zijn rug, benen en voeten. De klappen op zijn voeten waren het ergste. Het duurde tussen de tien en vijftien minuten.168

[persoon 315] heeft verklaard dat hij vijftien tot twintig minuten werd geslagen. Hierbij werd een lat gebruikt met een roestige spijker erin die door zijn voetzool ging. ‘Ze’ sloegen met alles wat ze vast konden houden. Zijn voeten waren een aantal dagen gezwollen geweest door de infectie van de roestige spijker.169

Tussen eind april en midden mei 1978 zijn de gevangenen in groepjes overgeplaatst naar de gevangenis in Debre Marcos.170 Zij zijn hiervoor niet bij een rechtbank geweest.171 Een aantal van de gevangenen is - na een periode van politieke oriëntatie - vrijgelaten.172

De gevangenis

De gevangenis in Debre Marcos, bij genaamd Demelash, lag aan de voet van een heuvel. Boven op de heuvel lag het paleis, zijnde het kantoor van verdachte.173 In de gevangenis verbleven naast de politieke gevangenen ook gewone gevangenen, ‘droge gevangenen’ genoemd. Ook zaten er al leden van de EDU.174

In de gevangenis waren gewone cellen en 4 donkere cellen. In elke donkere cel zaten ongeveer zestig mensen175 Hier zaten de hoger geplaatste EPRP-leden of zij die geweld hadden gebruikt.176 Degenen die een rode cirkel om hun naam hadden gekregen zaten bij elkaar in een aparte donkere cel.177 De gevangenen in de donkere cellen mochten alleen

’s ochtends en ’s avonds een keer uit de cel om naar de wc te gaan.178 Ze mochten geen contact hebben met de andere gevangenen of met familie.179 Het eten werd gebracht door de familie en buiten de cel neergezet en naar binnen gegooid.180 De gevangenen deelden het met degenen die geen familie hadden. Het was erg warm in de cellen, er was geen licht en het stonk. De gevangenen moesten hun behoeften doen in een bakje dat je aan de muur kon hangen. Het was er vol met mensen, iedereen had ongeveer één lichaamslengte plek. Je kon dan niet meer lopen.181 Er was niet of onvoldoende medische verzorging.182 Er werd voorafgaand aan het verblijf in de donkere kamers geen informatie gegeven aan de gevangenen.183

In de gewone cellen werd niet voorzien in medische behandelingen.184 De gevangenen mochten alleen op zondag bezoek ontvangen.185 De toiletten waren vijftig à zestig gaten in de grond en je moest je met een handdoek afschermen voor privacy.186 Ook de gewone cellen waren zo vol187 dat er te weinig ruimte was om op je rug te slapen.188 Ook waren er geen bedden. De gevangenen in de gewone cellen mochten overdag naar de WC, maar vanaf 18:00 uur niet meer. Er was dan een aardewerken pot aan de muur waarin je kon plassen. Je kreeg uit een vat te eten, een pannetje met een stukje brood. Familie kon ook eten naar de gevangenis brengen.189

Begin juli 1978 probeerde een aantal gevangenen te ontsnappen uit een van de donkere cellen. In ieder geval één van hen [persoon 81, anders geschreven]190 is het gelukt te ontsnappen, de anderen - waaronder [persoon 81, anders geschreven], [persoon 2] en [persoon 3] - zijn bij hun poging doodgeschoten.191 Na deze poging werden de gevangenen in de donkere kamers in paren aan hun enkels geboeid.192

Omstreeks 5 augustus 1978 werd het vonnis tegen de eerste groep politieke gevangenen voorgelezen.193 Omstreeks 12 augustus 1978 werd het vonnis tegen een tweede groep voorgelezen.194 Geen van de veroordeelden is bij een rechtbank geweest, hun zaken zijn niet door een rechtbank behandeld, noch hebben zij een afschrift van het vonnis ontvangen.195 De beslissingen tot veroordeling zijn genomen op basis van de informatie die is verkregen door de speciale verhoorders uit Addis Abeba.196 Eerst werd de groep genoemd die drie jaar gevangenisstraf had gekregen, daarna de korter gestraften. Er was ook een groep die helemaal niet werd genoemd. Deze laatste groep betrof de mensen met een hogere functie binnen de EPRP of de squads.197

Die avond is een groep van ongeveer twintig hooggeplaatste EPRP-leden uit hun cellen gehaald en in een vrachtwagen vervoerd tot vlak buiten de stad. Daar zijn zij doodgeschoten, waarna hun lichamen op het gevangenisterrein zijn begraven.198 Een van de slachtoffers was [persoon 324].199 De overige gevangenen leefden in angst dat zij of hun vrienden ook zouden worden gedood en dat zij hun eigen graf aan het graven waren.200

Op of omstreeks 14 augustus 1978 werd aan het begin van de avond een aantal mensen uit verschillende cellen gehaald waarna hun handen op hun rug werden gebonden.201 Zij werden naar het kerkgebouw op het terrein van de gevangenis gebracht. Daar werd een touw om hun nek gedaan, werden zij geslagen en met de touwen gewurgd.202 De lichamen zijn door een aantal droge gevangenen, die moesten helpen, waaronder [persoon 348, anders geschreven], [persoon 367] en [persoon 361, anders geschreven], naar een eerder die week gegraven gat in de grond achter de kerk gebracht en daarin gelegd.203 Twee van de slachtoffers - een man genaamd [persoon 27, anders geschreven] en een vrouw genaamd [persoon 45, anders geschreven] - waren nog niet dood toen zij in het gat werden gelegd.204 Het gat werd daarna gedicht205 en de slachtoffers zijn niet meer gezien.206 Aan familie van de slachtoffers werd in de dagen daarna verteld dat zij geen eten meer hoefden te brengen voor de gevangene, waaruit de familie opmaakte dat hun familielid dood was.207 Dat deze mensen daadwerkelijk zijn gedood blijkt behalve uit getuigenverklaringen ook uit de brieven die zich in het dossier bevinden. In een brief van 14 augustus 1978208 is aan het hoofd van de gevangenissen in de provincie Gojjam, Debre Marcos, opgedragen ‘revolutionaire maatregelen’ uit te voeren tegen tachtig in de bijlage genoemde personen. Bij brief van 16 augustus 1978,209 met bijlage, bevestigt Wedemu Haile, het hoofd van de gevangenis in de provincie Gojjam210, dat hij naar aanleiding van het bevel van 14 augustus 1978 met betrekking tot 73 mensen de revolutionaire maatregel heeft genomen. Hij geeft in deze brief tevens aan dat drie mensen zijn gedood bij de voornoemde ontsnappingspoging, dat één persoon is ontsnapt en dat vijf mensen niet in Debre Marcos vastzitten, maar in de gevangenis in Metekel. Uit een brief van 16 augustus 1978,211 gericht aan het gevangeniskantoor in Metekel blijkt dat diezelfde dag nog opdracht is gegeven om ten aanzien van deze groep van vijf mensen in Metekel tevens ‘revolutionaire maatregelen’ te nemen. Bij brief van 17 augustus 1978212 bevestigt [persoon 396] dat het bij brief van 16 augustus 1978 gegeven en telefonisch bevestigde bevel tot het nemen van de ‘revolutionaire maatregel’ tegen deze mensen is uitgevoerd. Uit een briefwisseling op 17 augustus 1978 blijkt dat ook opdracht is gegeven de ‘revolutionaire maatregel’ uit te voeren ten aanzien van [persoon 78] en dat daaraan die zelfde dag om 12:30 uur gevolg is gegeven.213 Weliswaar zijn in de brief op pagina 948 met betrekking tot de als antirevolutionair bestempelde [persoon 78] de woorden ‘revolutionaire maatregel’ niet leesbaar maar in de bevestiging van diezelfde datum aan de verdachte wordt gemeld dat overeenkomstig zijn bevel tegen die persoon de revolutionaire maatregel is genomen.214

Namens verdachte is betoogd dat de term ‘revolutionaire maatregel’ destijds werd gebruikt voor een breed scala aan maatregelen die werden genomen ter bevordering van de revolutie. Dat kon bijvoorbeeld inhouden het planten van een boom of het onteigenen van goederen, aldus verdachte. De rechtbank is evenwel van oordeel dat voor deze zaak slechts van belang is de vraag wat is bedoeld met de term ‘revolutionaire maatregel’ in de hiervoor omschreven brieven tussen 14 en 17 augustus 1978 en concludeert dat in deze context niets anders kan zijn bedoeld dan het ter dood brengen van de betreffende personen.

Hiertoe overweegt zij dat uit de bijlage bij de brief van 16 augustus 1978 blijkt dat de revolutionaire maatregel de straf is die werd opgelegd aan degenen die in de ogen van de Derg “huurmoordenaars en leden van de EPRP waren”, mensen die ernstige misdaden zouden hebben begaan tegen de revolutie, hebben geprobeerd te vluchten en dat hun aanwezigheid een gevaar vormt voor het land.215 Aan de anderen werd een gevangenisstraf opgelegd. Het is onwaarschijnlijk dat degenen die beschuldigd werden van de meest ernstige misdrijven en die als een gevaar voor het land werden gezien en die kennelijk geen gevangenisstraf kregen, niet ter dood zouden worden gebracht. Daar komt bij dat degenen die op 14 augustus 1978 vanuit de gevangenis van Debre Marcos zijn weggevoerd en nadien niet meer zijn gezien blijkens de overzichten van de opgelegde straffen216 zijn gestraft met de ‘revolutionaire maatregel’. [persoon 2] en [persoon 1, anders geschreven] worden ook in dit overzicht genoemd. Achter hun naam staat de vermelding: “revolutionaire maatregel is genomen toen hij probeerde de gevangenisdeur open te breken”. Wetende dat zij zijn gedood tijdens de ontsnappingspoging217 kan het niet anders dan dat in deze brieven met ‘revolutionaire maatregelen’ wordt bedoeld het ter dood brengen. De rechtbank ziet hiervoor ook ondersteuning in de verklaring van getuige Yoseph Kiros Gezahegn die heeft verklaard dat in de tijd waarin de hier besproken lijsten werden opgesteld, met de term “revolutionaire maatregel” de doodstraf werd bedoeld.218 Ook is dit terug te vinden in een posttelegram van 14 november 1977 van de ambassadeur in Addis Abeba aan het Ministerie van Buitenlandse zaken, waarin verslag wordt gedaan van de situatie in Ethiopië. De ambassadeur meldt dat “gisteravond (de rechtbank begrijpt: 13 november 1977) over radio en televisie in een “statement” van de Dergue bekend werd gemaakt dat “a revolutionary measure was taken” (in het Dergue jargon betekent dit standrechtelijke executie) tegen vice-voorzitter Lt.Kol. Atnafu wegens diens gebleken anti-revolutionaire misdaden jegens de ‘brede massa’ van het Ethiopische volk”.219

Na 15 augustus 1978 werden de resterende gevangenen verdeeld over alle cellen.220

De gevangenen in de donkere cellen mochten na 15 augustus 1978 ook overdag naar buiten en hun ketens werden verwijderd van hun enkels.221 Ook mochten de gevangen bezoek ontvangen, hun cel verlaten met een politieman en werd behandeling gegeven aan zieken.222 Er werd eten verschaft door de gevangenis, maar dat was van slechte kwaliteit.223 Nadat de verschillende straffen waren uitgezeten, of kort daarvoor, werden gevangenen vrijgelaten.224 Een aantal van hen heeft langer gezeten dan de opgelegde straf.225

11 Beschermde personen

11.1

Inleiding

De rechtbank heeft in de voorgaande hoofdstukken uiteengezet dat in Ethiopië in de tenlastegelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict en dat in die periode personen - kort gezegd - zijn gevangengehouden, dat er geweld tegen hen is gebruikt en dat een aantal van hen is gedood. De rechtbank zal zich in dit hoofdstuk buigen over de vraag of deze slachtoffers beschermde personen zijn als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3.

11.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat het evident is dat, op het moment dat de misdrijven gepleegd werden, niemand van de slachtoffers rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam en zij aldus beschermde personen waren als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3. Zij bevonden zich allen in de macht van de verdachte.

11.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft hieromtrent geen standpunt ingenomen.

11.4

Het oordeel van de rechtbank

Gemeenschappelijk artikel 3 beschermt iedereen die niet of niet langer actief deelneemt aan de vijandelijkheden die verband houden met het gewapend conflict. Deze bepaling maakt ook deel uit van het internationaal gewoonterecht.226 In de praktijk betekent dit dat burgers, strijders die de wapens hebben neergelegd of strijders die buiten gevecht zijn, bijvoorbeeld omdat ze gevangen zijn genomen of ziek of gewond zijn, bescherming genieten.

De rechtbank stelt vast dat er geen enkele reële aanwijzing is dat degenen die op exposure meetings aanwezig waren, actief deelnamen aan de aan de vijandelijkheden tussen de Derg en EPRP of een van de andere hiervoor genoemde gewapende groepen. Dat geldt des te meer vanaf het moment dat personen gearresteerd waren en aankwamen dan wel verbleven in het politiekamp, militaire kamp of de gevangenis in Debre Marcos of Metekel. De slachtoffers behoorden derhalve tot de personen aan wie gemeenschappelijk artikel 3 en het humanitair gewoonterecht bescherming bieden.

12 Schendingen van het internationaal humanitair recht

12.1

Inleiding

In hoofdstuk 10. is de rechtbank tot een feitelijke vaststelling gekomen ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten en omstandigheden. De rechtbank zal in dit hoofdstuk uiteenzetten of deze feiten en omstandigheden schendingen opleveren van gemeenschappelijk artikel 3 en het internationaal humanitair gewoonterecht.

De rechtbank zal daartoe in navolging van het ICC de zogenaamde Elements of Crimes (elementen van misdrijven) als hulpmiddel gebruiken voor die beoordeling. Met betrekking tot het onder 1 en 4 tenlastegelegde houdt dit in dat de rechtbank zich zal uitlaten over arbitraire vrijheidsberoving, detentieomstandigheden en het uitspreken van buitengerechtelijke vonnissen. Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal de rechtbank zich buigen over het verbod van marteling en doden.227

12.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde

Het openbaar ministerie gaat uit van een algemeen verbod op arbitraire vrijheidsberoving in verband met gewapende conflicten, dat gebaseerd is op het gebod van menslievende behandeling in gemeenschappelijk artikel 3 en op het internationaal gewoonterecht. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er valide strafrechtelijke redenen noch gronden voor internering waren, gelegen in imperative reasons for security. Er is aldus sprake van arbitraire vrijheidsberoving.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat die arbitraire vrijheidsberoving een wrede en onmenselijke behandeling inhouden. Daarnaast in de onderhavige zaak sprake is van onmenselijke detentieomstandigheden en is sprake is van ernstige aanranding van de persoonlijke waardigheid op grond van deze detentieomstandigheden.

Het openbaar ministerie heeft tot slot betoogd dat buitengerechtelijke vonnissen zijn uitgesproken en tenuitvoergelegd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het geweld dat is gebruikt tijdens de verhoren ten aanzien van zeven in de tenlastelegging genoemde personen, marteling oplevert.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van het verbod op doden zoals neergelegd in gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a.

12.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op dit punt geen standpunt ingenomen.

12.4

Het toetsingskader

12.4.1

Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde

Arbitraire vrijheidsberoving

Vrijheidsberoving en vrijheidsbeperking op willekeurige gronden in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict is in strijd met gemeenschappelijk artikel 3, en wel met het centrale gebod om personen die niet of niet meer aan de vijandelijkheden deelnemen menslievend te behandelen. Dit gebod rust op alle strijdende partijen en geldt ‘in alle omstandigheden’. Het raakt de kern van het internationaal humanitair recht.

In dit kader kan worden aangeknoopt bij Rule 99 van het ICRC: “Arbitrary deprivation of liberty is prohibited.”228

Paragraaf 719 van het ICRC Commentary on the First Geneva Convention legt het als volgt uit:

“It is a requirement under customary international law, however, that any detention must not be arbitrary. Therefore, certain grounds and procedures for such detention must be provided.” 229

Met andere woorden, een geldige reden en een deugdelijke procedure zijn vereist. Voor een geldige reden moet ofwel sprake zijn van een aanhouding en detentie in het kader van een wettelijk voorziene strafrechtelijke procedure ofwel van internering om zwaarwegende veiligheidsredenen in verband met het niet-internationale gewapend conflict. In dit laatste geval moet het gaan om preventieve redenen van veiligheid, in die zin dat de geïnterneerde persoon een veiligheidsrisico vormt voor de internerende partij bij het gewapende conflict. Dit kan het geval zijn omdat de persoon in kwestie rechtstreeks aan de vijandelijkheden heeft deelgenomen of anderszins een reële bedreiging vormt. Dit betekent dat het vastzetten van een hele bevolkingsgroep zonder aanwijsbaar of tenminste aannemelijk veiligheidsrisico in het individuele geval niet geoorloofd is.230 Voorts is het inwinnen van informatie, bijvoorbeeld over de organisatie van de tegenpartij, geen geldige reden voor een veiligheidsinternering, tenzij de persoon in kwestie zelf een bedreiging vormt voor de internerende partij.231 Meer in het algemeen zullen partijen steeds de voor het internationaal humanitaire recht kenmerkende balans moeten vinden tussen overwegingen van militaire noodzaak en overwegingen van menselijkheid.

Vrijheidsontneming die berust op buitengerechtelijke bestraffing kan per definitie geen geldige reden hebben, omdat het buitengerechtelijk uitdelen van straffen door gemeenschappelijk artikel 3 uitdrukkelijk wordt verboden. Zelfs indien een zodanige bestraffing zou berusten op nationale wetgeving, is de resulterende vrijheidsontneming arbitrair en daarmee in strijd met internationaal humanitair gewoonterecht.

Hoewel het verbod van arbitraire vrijheidsberoving zowel ziet op vrijheidsberoving als op vrijheidsbeperking, kan wel onderscheid tussen deze twee categorieën worden gemaakt. Vrijheidsberoving houdt een ernstigere beperking in, normaliter binnen een kleinere ruimte, dan beperkingen van de vrijheid van beweging in het algemeen. Het onderscheid moet van geval tot geval bekeken worden, waarbij factoren als type, duur, wijze van tenuitvoerlegging en effecten van vrijheidsbeperkende maatregelen een rol spelen. De specifieke context is van belang en de duur is niet beslissend, hetgeen bijvoorbeeld betekent dat ook een korte periode op het politiebureau vrijheidsberoving kan betekenen. Een essentieel kenmerk van vrijheidsberoving is dat de persoon in kwestie niet de keuze heeft om weg te gaan. Vrijheidsberoving omvat zowel het moment van ontneming van de vrijheid als de voortduring ervan.

Met betrekking tot de vraag of het verbod op arbitraire vrijheidsberoving ook reeds in de tenlastegelegde periode tot het internationaal gewoonterecht behoorde stelt de rechtbank het volgende voorop.

In de Ethiopische Penal Code van 1957, die in 1978 van kracht was, was detentie van de burgerbevolking in (concentratie)kampen tijdens zowel internationale als niet-internationale conflicten strafbaar gesteld (artikel 282(c)). De Penal Code stelde bovendien “unlawful arrest or detention” door “any public servant” strafbaar (artikel 416). Dit omvatte het negeren van “forms and procedures prescribed by law”.

Ook buiten Ethiopië werd het reeds als onaanvaardbaar gezien om mensen onrechtmatig van hun vrijheid te beroven. Zo oordeelde het Internationale Hof van Justitie in 1980 (zeer kort na het begin van de tenlastegelegde periode):

“Wrongfully to deprive human beings of their freedom and to subject them to physical constraint in conditions of hardship is in itself incompatible with the principles of the Charter of the United Nations as well as fundamental principles enunciated in the Universal Declaration of Human Rights.” 232

Gelet op vorenstaande stelt de rechtbank dan ook vast dat er geen twijfel over kan bestaan dat dat het verbod van arbitraire detentie reeds in de tenlastegelegde periode tot het internationaal gewoonterecht behoorde.

Uitspreken en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen

Om de elementen van misdrijf ten aanzien van het uitspreken en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen te kunnen vaststellen, volgt de rechtbank de lijn die is uitgezet in het ICRC Commentary en in de jurisprudentie.

Gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, onder d verbiedt het volgende:

“the passing of sentences and the carrying out of executions without previous judgement pronounced by a regularly constituted court, affording all the judicial guarantees which are recognized as indispensable by civilized peoples”.

Dit verbod is in artikel 6, tweede lid, van het AP II en in het internationaal gewoonterecht verder uitgewerkt. In artikel 6, tweede lid, van het AP II is het vereiste opgenomen dat een gerecht over de essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid dient te beschikken, zodat een eerlijk proces kan worden gegarandeerd.

Wil een gerecht onafhankelijk zijn, dan moet het kunnen functioneren “without interference from any other branch of government, especially the executive”.233 Het vereiste van onpartijdigheid bestaat uit twee aspecten, het subjectieve en het objectieve aspect.

Allereerst mogen rechters hun oordeel niet vellen op grond van vooroordelen en persoonlijke vooringenomenheid. Tevens mogen rechters niet partijdig zijn, door het belang van de ene partij voorop te stellen.
Daarnaast dienen rechters, vanuit een objectief gezichtspunt, onpartijdig te zijn. Met andere woorden, de onpartijdigheid moet voor een redelijke waarnemer zichtbaar zijn.234

Deze twee aspecten van het vereiste van onpartijdigheid zijn onder meer door het ICTY in de Furundžija zaak235 aangenomen en door het ICTR in de Akayesu zaak.236 De rechtbank zal in haar beoordeling van de onderhavige zaak deze lijn volgen.

De juridische waarborgen die door beschaafde volken als onmisbaar zijn erkend - zoals in gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, onder d opgenomen - zijn in de ICC Elements of Crimes vervangen door het vereiste, “generally recognized as indispensable under international law”.237 De rechtbank zal deze laatste uitleg volgen.

Gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, onder d geeft geen uitleg over de specifieke juridische waarborgen. Artikel 6 van het AP II geeft wel de minimale waarborgen waaraan een eerlijk proces dient te voldoen en die onmisbaar zijn in het hedendaags internationaal recht.

Deze waarborgen zijn de verplichting om de verdachte tijdig te informeren over de beschuldiging, de rechten van de verdachte en het beschikbaar stellen van middelen ten behoeve van zijn verdediging, het recht van de verdachte om slechts veroordeeld te worden op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid en het beginsel van nullum crimen, nulla poena sine lege.

Voorts zijn deze waarborgen het verbod om een zwaardere straf op te leggen dan de straf die gold ten tijde van het plegen van het strafbare feit, de onschuldpresumptie, het recht van de verdachte om bij zijn berechting aanwezig te zijn, het zwijgrecht van de verdachte en het verbod op een gedwongen bekentenis en het recht van de verdachte om kennis te kunnen nemen van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen.238

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze waarborgen worden gebruikt bij de nadere invulling van de norm van gemeenschappelijk artikel 3, omdat het volgens het ICRC gaat om waarborgen die onderdeel uitmaken van het internationaal gewoonterecht.239 Deze waarborgen zijn overigens niet limitatief.240

Samengevat concludeert de rechtbank dat uit de jurisprudentie, gemeenschappelijk artikel 3 en AP II en het internationaal gewoonterecht in elk geval de volgende waarborgen voortvloeien:

  • -

    het niet voldoen aan de verplichting om de verdachte tijdig te informeren over de beschuldiging;

  • -

    de rechten van de verdachte niet in acht nemen en geen middelen ter beschikking stellen ten behoeve van zijn verdediging;

  • -

    het recht van de verdachte om slechts veroordeeld te worden op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet in acht nemen;

  • -

    het nullum crimen, nulla poena sine lege-beginsel niet in acht nemen en het verbod om een zwaardere straf op te leggen dan de straf die gold ten tijde van het plegen van het strafbare feit niet handhaven;

  • -

    de onschuldpresumptie niet in acht nemen;

  • -

    het recht van de verdachte om bij zijn berechting aanwezig te zijn niet erkennen;

  • -

    het zwijgrecht van de verdachte niet erkennen en het verbod op een gedwongen bekentenis niet handhaven;

  • -

    het recht van de verdachte om kennis te kunnen nemen van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen niet toepassen.

Als één of meer van deze elementen van misdrijf aangaande het uitspreken en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen in een zaak voorkomen, dan is niet voldaan aan de hiervoor beschreven essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zodat een eerlijk proces niet kan worden gegarandeerd.

Wrede en onmenselijke behandeling

Het verbod op wrede of onmenselijke behandeling in gemeenschappelijk artikel 3 is een middel om zeker te stellen dat personen die niet deelnemen aan de vijandelijkheden, onder alle omstandigheden menselijk worden behandeld.241 De Geneefse Conventies noch de Aanvullende Protocollen geven een definitie van wrede behandeling.

In de jurisprudentie wordt wrede of onmenselijke behandeling als volgt gedefinieerd:

“[treatment] which causes serious mental or physical suffering or constitutes a serious attack upon human dignity, which is equivalent to the offence of inhuman treatment in the framework of the gravebreaches provisions of the Geneva Conventions”. 242

Hier wordt ook de aanranding van de persoonlijke waardigheid benoemd. De rechtbank komt hier verderop in het vonnis op terug.

In navolging van de rechtspraak van het ICTY en het ICC maakt de rechtbank geen onderscheid tussen cruel treatment zoals verboden in gemeenschappelijk artikel 3 en inhuman treatment als een grove schending van de Geneefse Conventies.

Om van wrede of onmenselijke behandeling te spreken, moet er sprake zijn van ernstig fysiek of psychisch lijden.243 Hiervoor is geen speciaal oogmerk vereist.244. Of er sprake is van ernstig fysiek of psychisch lijden, dient van geval tot geval te worden beoordeeld.245 Hierbij dient zowel naar de objectieve als naar de subjectieve omstandigheden te worden gekeken. Wrede of onmenselijke behandeling kan bestaan uit één geïsoleerde handeling, maar kan ook het gevolg zijn van een combinatie of ophoping van verschillende handelingen, die los van elkaar niet als wrede of onmenselijke behandeling zou worden gekwalificeerd.246

De elementen die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of van voldoende ernst sprake is, zijn de aard van de gedraging of van het nalaten, de context waarin de gedraging plaatsvindt, de duur en/ of de herhaling van de gedraging, de fysieke, psychische en morele gevolgen van de gedraging voor het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer, met daarbij inbegrepen leeftijd, geslacht en gezondheid. Het is geen vereiste dat het lijden, dat is veroorzaakt door de wrede behandeling blijvend is. Wel dat het ernstig is.247 Indien een gedraging op de lange termijn gevolgen heeft, kan dit van belang zijn voor het vaststellen van de ernst van de gedraging.248

Specifieke handelingen die als wreed worden gezien zijn onder meer het gebrek aan adequate medische voorzieningen249 en onmenselijke leefomstandigheden in een gevangenis,250 slaan,251 en poging tot moord252.

In de Limaj zaak zijn door het ICTY de detentieomstandigheden uiteengezet waarbij is vastgesteld dat er sprake is geweest van wrede behandeling. In die zaak zijn onder meer de volgende detentieomstandigheden beschreven. Het was heel warm in de kamer. Er was geen ventilatie. Er was alleen een klein raam en de grond was van beton. Op de grond lagen uitwerpselen en er was bloed. De gevangenen waren vastgebonden of geketend, soms aan andere gevangenen. De atmosfeer en geur waren verstikkend. De temperatuur en de geur zijn op een gegeven moment ondraaglijk geworden, ook omdat de gevangenen in deze ruimte moesten slapen en eten. De gevangenen verbleven de hele dag in de kleine ruimte en mochten niet met elkaar praten. Er was voor de gevangenen niet genoeg ruimte om zich uit te strekken. De gevangenen moesten twintig uur per dag in deze ruimte verblijven en konden deze niet verlaten. De ijzeren deur was de hele tijd gesloten.

Er waren dagen dat de gevangenen helemaal geen voedsel kregen en dagen dat ze soep of brood kregen. Volgens de gevangenen zag het eten er uit als veevoer en was het niet geschikt voor mensen. De gevangenen sliepen op een klein tapijt op de grond. Er was geen beddengoed. Er waren geen sanitaire voorzieningen. De gevangenen mochten geen gebruik maken van het toilet dat zich buiten bevond, maar moesten gebruik maken van een emmer, die niet regelmatig werd geleegd. Ondanks dat er gevangenen waren met ernstige verwondingen, was er geen medische zorg. Onder de gevangenen was sprake van ernstig psychisch en fysiek lijden, hetgeen een ernstige inbreuk op hun waardigheid maakte.253

De rechtbank put ten aanzien van de detentieomstandigheden ook uit de Delalić zaak.

In deze zaak heeft het ICTY ook de detentieomstandigheden benoemd en geconcludeerd dat er sprake is van wrede behandeling.

Er is vastgesteld dat het voedsel voor de gevangenen ontoereikend was. Op warme dagen moesten de gevangenen in de hangar verblijven. De gevangenen moesten op het kale beton en op hun zij liggend, tegen elkaar aan slapen. Er was sprake van een opeenhoping van uitwerpselen van de gevangenen. Er was een tekort aan medische voorzieningen en er was sprake van constante psychische kwelling. De gevangenen leefden in een atmosfeer van terreur, waarbij ze bang waren om geslagen of gedood te worden.254

De rechtbank heeft hierboven slechts die detentieomstandigheden uit de jurisprudentie aangehaald die relevant zijn voor de beoordeling van hetgeen aan de verdachte in de onderhavige zaak is tenlastegelegd. De rechtbank benadrukt dat het hier geen limitatieve opsomming van elementen van misdrijf betreft.

Aanranding van de persoonlijke waardigheid

Het verbod op aanranding van de persoonlijke waardigheid, door vernederende en onterende behandeling is ook in gemeenschappelijk artikel 3 vastgelegd.

Dit verbod is herbevestigd in de Aanvullende Protocollen en wordt beschouwd als geldend internationaal gewoonterecht. De Geneefse Conventies noch de Aanvullende Protocollen geven echter een definitie van aanranding van de persoonlijke waardigheid255.

De rechtbank zal ook ten aanzien van aanranding van de persoonlijke waardigheid, door vernederende en onterende behandeling, de lijn volgen die eerder in de jurisprudentie is uiteengezet en daarbij specifiek op de detentieomstandigheden ingaan.

Ten aanzien van aanranding van de persoonlijke waardigheid heeft het ICTY in de Kunarac zaak de volgende definitie vastgesteld:

“The accused intentionally committed or participated in an act or omission which would be generally considered to cause serious humiliation, degradation or otherwise be a serious attack on human dignity.”’ 256

Met andere woorden, de aanranding kan een opzettelijk plegen of een deelname aan een handeling behelzen, maar ook een nalaten, dat in het algemeen ernstige vernedering of anderszins een ernstige aanranding van de menselijke waardigheid veroorzaakt.

En ook bij deze beoordeling dient naar de subjectieve criteria te worden gekeken, zoals de gevoeligheid van het slachtoffer, maar ook naar de objectieve criteria die gerelateerd zijn aan de ernst van de handeling.257

Net als wrede of onmenselijke behandeling kan aanranding van de persoonlijke waardigheid bestaan uit één geïsoleerde handeling, maar ook het gevolg zijn van een combinatie of ophoping van verschillende handelingen, die los van elkaar als niet wrede of onmenselijke behandeling zou worden gekwalificeerd. De rechtbank volgt hetgeen door het ICTY in de Aleksovski zaak is bepaald. In deze zaak is het volgende overwogen:

“The seriousness of an act and its consequences may arise either from the nature of the act per se or from the repetition of an act or from a combination of different acts which, taken individually, would not constitute a crime within the meaning of Article 3 of the Statute. The form, severity and duration of the violence, the intensity and duration of the physical or mental suffering, shall serve as a basis for assessing whether crimes were committed.”’ 258

Zoals reeds vastgesteld dient de vernedering ernstig te zijn, doch het is geen vereiste dat de aanranding blijvende gevolgen heeft.259 Ook is geen bijzonder oogmerk vereist, zoals dat wel bij marteling het geval is.260

In de zaak Kvočka is door het ICTY ernstige vernedering op grond van detentieomstandigheden aangenomen. In deze zaak zijn gevangenen blootgesteld aan ernstige vernedering met daaronder inbegrepen slechte detentieomstandigheden, het gedwongen zijn tot uitvoering van vernederende handelingen, gedwongen zijn om hun behoeften in de eigen kleding te doen of langdurig angstig zijn om blootgesteld te worden aan fysiek, psychisch of seksueel geweld in het kamp.261

Ook hier heeft de rechtbank slechts die elementen van aanranding van de persoonlijke waardigheid, door vernederende en onterende behandeling uit de jurisprudentie aangehaald die relevant zijn voor de beoordeling van hetgeen aan de verdachte in de onderhavige zaak is tenlastegelegd. De rechtbank benadrukt ook hier dat het hier geen limitatieve opsomming van elementen van misdrijf betreft.

Het voorgaande is een beperkte weergave van de elementen van wrede of onmenselijke behandeling en van aanranding van de persoonlijke waardigheid, door vernederende en onterende behandeling, die in de jurisprudentie en literatuur is weergegeven.

12.4.2

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Als toetsingskader voor de elementen van het misdrijf marteling zoekt de rechtbank opnieuw aansluiting bij de toepassing van gemeenschappelijk artikel 3. Immers dat schrijft voor dat, in geval van een niet-internationaal gewapend conflict, ten aanzien van de beschermde personen overal en te allen tijde verboden is om te martelen.

De Geneefse Conventies geven geen definitie van het begrip marteling, dit begrip is nader gedefinieerd en uitgewerkt in de literatuur en in de (internationale) rechtspraak. De rechtbank wijst op bijvoorbeeld de Greek Case uit 1972, van de Europese Commissie voor de mensenrechten,262 waarin de die Commissie marteling definieerde als “inhuman treatment which has a purpose, such as the obtaining of information or concessions, or the infliction of punishment”. Inhuman treatment werd vervolgens gedefiniëerd als “deliberately causing severe suffering, mental or physical, in the particular situation unjustifiable”.

De elementen van het misdrijf marteling zijn ontwikkeld en uitgekristalliseerd in de rechtspraak van het ICC en het ICTY en in Rule 90 van de Customary International Humanitarian Law Database van het ICRC.

De Trial Chamber van het ICTY schetste in onder meer de zaak Furundžija de vereisten voor marteling als volgt:

“(i) consists of the infliction by act or omission of severe pain or suffering, whether physical or mental; in addition

(ii) this act or omission must be intentional;

(iii) it must aim at obtaining information or a confession, or at punishing, intimidating or coercing the victim or a third person; or at discriminating, on any ground against the victim or a third person;

(iv) it must be linked to an armed conflict;

(v) at least one of the persons involved in the torture process must be a public official or must at any rate act in a non-private capacity, e.g. as a de facto organ of a State or any other authority-wielding entity.” 263

In de zaak Kunarac nuanceerde de Trial Chamber het onder (v) geschetste element door te concluderen dat

”the presence of a state official or any other authority-wielding person in the torture process is not necessary for the offence to be regarded as torture under international humanitarian law.” 264

12.4.3

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De rechtbank neemt wederom het centrale verbod van gemeenschappelijk artikel 3 als uitgangspunt in dit kader: ten aanzien van beschermde personen blijft te allen tijde en overal verboden een aanslag op het leven, in het bijzonder het doden op welke wijze ook. De uitwerking van het verbod op doden is terug te vinden in de rechtspraak van de internationale tribunalen.

Ook het Statuut van onder meer het ICC en dat van het ICTY bevatten een verbod van dit oorlogsmisdrijf.

Als bepaling van internationaal humanitair gewoonterecht heeft het verbod zijn weerslag gevonden in Rule 89 in de al eerder genoemde database van het ICRC.

De elementen van het misdrijf doden zijn in artikel 8(2)(c) van het ICC Statuut als oorlogsmisdrijf geschetst als volgt (samengevat):

“The perpetrator killed one or more persons, such person or persons were civilians, taking no part in the hostilities, the perpetrator was aware of the circumstances of this status, the conduct took place in the context of and was associated with a non-international armed conflict, the perpetrator was aware of the circumstances that established the existence of an armed conflict.”

12.5

Schendingen van het internationaal humanitair recht in deze zaak

De rechtbank zal hieronder beoordelen of de vastgestelde feitelijke gebeurtenissen schendingen opleveren van het internationaal humanitair recht. Daarvoor zal zij de zojuist geschetste elementen van misdrijven gebruiken.

12.5.1

Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde

Arbitraire vrijheidsberoving en buitengerechtelijke vonnissen

De rechtbank komt op basis van de eerder vastgestelde feiten en omstandigheden tot de volgende conclusies met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van vrijheidsbeneming en zo ja, of dit arbitrair was en of buitengerechtelijke vonnissen zijn gewezen en tenuitvoergelegd.

In het kader van een campagne tegen de EPRP is in Debre Marcos een groot aantal mensen verplicht om aanwezig te zijn bij exposure meetings op het terrein van de plaatselijke school. Deelname aan deze exposure meetings geschiedde onder druk en uit angst voor ernstige represailles. Tijdens de bijeenkomst mocht men alleen ’s avonds naar huis om de volgende dag weer aanwezig te moeten zijn. Er waren gewapende bewakers op het terrein om ervoor te zorgen dat niemand het terrein van de school overdag verliet. De rechtbank ziet dit samenstel van omstandigheden op zijn minst als vrijheidsbeperking. In de loop van de exposure meetings zijn verscheidene personen ter plekke afgevoerd, nadat zij zichzelf bekend hadden gemaakt als EPRP-lid of als zodanig bekend waren gemaakt door anderen. De meesten, ongeveer driehonderd personen, werden aan het eind van de bijeenkomst op de derde dag afgevoerd naar het militaire kamp. De rechtbank stelt vast dat dit vrijheidsberoving betreft.

De vrijheidsberoving werd voor het overgrote deel van personen verder voortgezet in het daaropvolgende verblijf in het politiekamp en daarna in de gevangenis. Voor 236 personen heeft die vrijheidsberoving voortgeduurd ook nadat er ‘vonnis’ tegen hen was gewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben van meet af aan rechtens geldige redenen ontbroken voor het gehele proces van vrijheidsbeperking tijdens de exposure meetings en de vrijheidsberoving bij de arrestaties en de daaropvolgende detentie van een groot aantal van de gevangenen in het militaire kamp, het politiekamp en de gevangenis tot aan het wijzen van de ‘vonnissen’ in augustus 1978. De vrijheidsberoving speelde - naast militaire activiteiten, felle anti-EPRP propaganda en politieke herscholing - een centrale rol in de campagne van de Derg om de EPRP in de provincie Gojjam definitief te verslaan. Het gehele proces van vrijheidsberoving was er op gericht de structuur van de EPRP bloot te leggen om vervolgens zijn al dan niet vermeende leden te elimineren, dan wel gevangen te houden. De identificatie van al dan niet vermeende EPRP-leden of -sympathisanten was in veel gevallen slechts gebaseerd op de jeugdige leeftijd van de betrokkenen en vond telkens op een onrechtmatige manier plaats: te weten met valse beloftes, onder (ernstige bedreiging met) geweld of de dood en in een algehele sfeer van intimidatie. Geen van hen is ooit op formele gronden in staat van beschuldiging gesteld van een specifiek strafbaar feit. Deze manier van handelen maakt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake kan zijn geweest van vrijheidsberoving in het kader van een wettelijk voorziene strafrechtelijke procedure. De enkele omstandigheid dat jongeren van de EPRP een mogelijke rol zouden hebben gespeeld bij gewelddadige acties in Addis Abeba is onvoldoende om een groot deel van de jeugd in Gojjam van hun vrijheid te beroven. Deze willekeur van de vrijheidsberoving alleen al maakt dat niet kan worden gesproken van internering om zwaarwegende veiligheidsredenen tevens in verband met het niet-internationale gewapende conflict.

De rechtbank is voorts van oordeel dat ook de vrijheidsberoving na de ‘vonnissen’ in augustus 1978 arbitrair is geweest, omdat die ‘vonnissen’ buitengerechtelijk zijn geweest. Tegen de betreffende personen zijn immers maatregelen (gevangenisstraf met zware arbeid) uitgevaardigd en ten uitvoer gelegd zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen, in het bijzonder zonder dat zij zijn berecht door een gerecht dat over de essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikte. Zo zijn in ieder geval de volgende waarborgen niet in acht genomen:

  • -

    de verplichting om de verdachte tijdig te informeren over de beschuldiging;

  • -

    het recht van de verdachte om kennis te kunnen nemen van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen;

  • -

    middelen ter beschikking stellen ten behoeve van zijn verdediging;

  • -

    het recht van de verdachte om bij zijn berechting aanwezig te zijn;

  • -

    het zwijgrecht van de verdachte erkennen en het verbod op een gedwongen bekentenis.

Gelet op vorenstaande concludeert de rechtbank dan ook dat de vrijheidsberoving bij de exposure meetings, in het militaire kamp, in het politiekamp en in de gevangenis, zowel vóór als na de buitengerechtelijke vonnissen, arbitrair is geweest. Dit levert aldus een schending op van het gewoonterechtelijk verbod op arbitraire vrijheidsberoving. Voorts concludeert de rechtbank dat de arbitraire vrijheidsberoving en het uitvaardigen en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen een schendingen opleveren van het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3.

Detentieomstandigheden

Met betrekking tot de detentieomstandigheden overweegt de rechtbank het volgende.

Hoewel in het militaire kamp slechts weinig ruimte was, mensen, veelal zittend, op de grond moesten slapen, familieleden voor eten en kleding moesten zorgen, en er slechts één wc was voor driehonderd mensen, werd het leven daar strikt genomen niet als slecht beschouwd door degenen die er moesten verblijven. De rechtbank is ten aanzien van de hier geldende detentieomstandigheden van oordeel dat - mede gelet op de in die tijd en cultuur geldende maatstaven - niet kan worden vastgesteld dat dit een wrede dan wel onmenselijke behandeling opleverde en/of dat de betrokken personen hiermee in hun waardigheid werden aangerand dan wel vernederend en onterend werden behandeld.

Dit is echter anders voor de detentieomstandigheden in het politiekamp. De rechtbank overweegt dat hier - nog los van de veel te krappe cellen en de afwezigheid van (behoorlijke) sanitaire voorzieningen - meerdere gevangenen ernstig werden mishandeld. De gevangenen werden doorlopend blootgesteld aan het geschreeuw, gekrijs, gekreun en gehuil van de mishandelden. De gewonde medegevangenen werden - zonder enige medische zorg - teruggeplaatst in de cellen bij de andere gevangenen. De andere gevangenen werd vervolgens verboden om hen te helpen. [persoon 323] is zelfs in de cel, in de aanwezigheid van medegevangenen, overleden. De angst van de anderen dat zij de volgende konden zijn die zouden worden mishandeld of gedood en dat zij gedwongen zouden worden zichzelf of anderen te verraden leefde voortdurend. De rechtbank acht het gevangenhouden onder deze detentieomstandigheden een wrede dan wel onmenselijke behandeling en is van oordeel dat de betrokken personen hiermee in hun waardigheid werden aangerand dan wel vernederend en onterend werden behandeld.

Ook in de gevangenis waren de omstandigheden voordat de buitengerechtelijke vonnissen werden uitgesproken erbarmelijk. In de gewone cellen was er te weinig ruimte om op de rug te slapen, bij de toiletten - gaten in de grond - was geen privacy en er was geen medische zorg. Ook heerste er een groeiende onzekerheid bij de gevangenen over hun lot.

In de dark rooms, waar de politieke gevangenen werden opgesloten, waren de detentieomstandigheden schrijnend te noemen. De cellen hadden vrijwel geen daglicht. De gevangenen uit deze cellen mochten - anders dan de anderen - overdag niet uit hun cel en konden alleen ’s ochtends en ’s middags één keer gebruik maken van het toilet. Voor het overige moesten zij hun behoefte doen in een bakje dat aan de muur hing; de warmte en de stank werd beschreven als ondraaglijk. De gevangenen werden bij hun enkels geboeid, twee aan twee, hetgeen het bewegen en ook het slapen bemoeilijkte. Er was geen medische zorg. Daarnaast werd er geen informatie gegeven voorafgaande aan het verblijf in een dark room. De gevangenen verkeerden in volstrekte onzekerheid omtrent hun lot.

De rechtbank is op grond van voormelde feiten en omstandigheden van oordeel dat ook de detentieomstandigheden in de gevangenis een wrede dan wel onmenselijke behandeling opleverden en dat de gevangenen hiermee in hun persoonlijke waardigheid werden aangerand en vernederend en onterend zijn behandeld.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank met betrekking tot de detentieomstandigheden tot de conclusie dat sprake is van een schending van het internationaal humanitair recht. Dit geldt overigens niet voor de detentieomstandigheden ná de buitengerechtelijke vonnissen. Uit de verschillende getuigenverklaringen komt hierover immers weinig naar voren, anders dan dat de donkere cellen nadien niet meer als zodanig werden gebruikt en dat er nadien meer vrijheid was. Voor dat onderdeel dient dan ook vrijspraak te volgen. Hetzelfde geldt voor de detentieomstandigheden in Metekel, aangezien over de omstandigheden daar onvoldoende blijkt uit het dossier.

12.5.2

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De vastgestelde gebeurtenissen toetsend aan de hiervoor geschetste elementen van misdrijf komt de rechtbank tot het oordeel dat de onder feit 2 aan verdachte ten laste gelegde marteling voldoet aan de criteria zoals neergelegd in gemeenschappelijk artikel 3 en nader uitgewerkt in de aangehaalde rechtspraak. Het opzettelijk toegebrachte fysieke en mentale lijden dat tot doel had de slachtoffers te dwingen de structuur van de tegenpartij in het gewapend conflict, te weten de EPRP, en hun eigen rol binnen de EPRP in kaart te brengen was zodanig grof en ernstig dat het de drempel van marteling ruimschoots haalt. Dit geldt ook voor het geweld dat [persoon 313] werd aangedaan, die weliswaar heeft verklaard dat hij enkel een klap en schop heeft gehad, maar waarvan de rechtbank overweegt dat deze mishandeling - hoewel op zichzelf minder ernstig - in samenhang met de hiervoor reeds omschreven detentieomstandigheden en in samenhang met zijn jonge leeftijd bij hem een mentaal lijden heeft veroorzaakt dat kan worden gekwalificeerd als marteling.

12.5.3

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De vastgestelde gebeurtenissen toetsend aan het in gemeenschappelijk artikel 3 neergelegde verbod op doden op welke wijze dan ook en de in het ICC Statuut opgesomde criteria komt de rechtbank tot het oordeel dat de aan verdachte onder 3 tenlastegelegde opdracht tot het doden van personen in de gevangenis voldoet aan alle hiervoor geschetste elementen.

13 De vaststelling van de rol van de verdachte

13.1

Inleiding

De rechtbank heeft in de voorgaande hoofdstukken vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode in Gojjam schendingen plaatsvonden van het gemeenschappelijk artikel 3 en het internationaal humanitair gewoonterecht, bestaande uit ondermeer arbitraire vrijheidsberoving. De rechtbank zal zich nu buigen over de vraag of de verdachte hierbij een rol heeft gehad en, zo ja, welke. Daarbij zal zij een onderscheid maken tussen de vaststelling van feitelijke gedragingen en de juridische kwalificatie daarvan. Voor de vaststelling van de feitelijke gedragingen maakt zij opnieuw gebruik van de hiervoor in de hoofdstukken 8. en 9. genoemde getuigenverklaringen en overige stukken. Voor de beoordeling van de juridische kwalificatie zal de rechtbank het toetsingskader schetsen van de deelnemingsvormen medeplegen, medeplichtigheid, uitlokken en de aansprakelijkheid als meerdere als bedoeld in artikel 9 (oud) van de WOS.

13.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft medegepleegd, dat hij de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten tevens heeft uitgelokt en dat hij de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten heeft toegelaten als meerdere en daarom aansprakelijk is (superior responsibility).

13.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat - indien de tenlastegelegde feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden - de verdachte hiervan geen enkele wetenschap had noch een vermoeden daarvan kon hebben en daarom moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot het vraagstuk van superior responsibility is naar voren gebracht dat geen sprake was van effective control, nu hij geen wetenschap had van de feiten.

13.4

De feitelijke vaststelling van de rol van de verdachte

De rechtbank acht op basis van de getuigenverklaringen die in hoofdstuk 8. zijn genoemd, op basis van de verklaring van de verdachte ter zitting, alsmede op basis van de schriftelijke bescheiden en het handschriftonderzoek met betrekking tot de rol van de verdachte het volgende wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte was één van de 120 leden van de Derg. Er was geen andere [Eshetu A.] lid van de Derg. Na een training in Moskou is hij omstreeks 1976 naar Gondar gestuurd en vervolgens naar Gojjam, waar hij in 1977/1978 als provinciaal vertegenwoordiger van de Derg was gestationeerd. Hij was daar - als enige Derg vertegenwoordiger - voorzitter van het revolutionair coördinerend campagnecomité.265 Gojjam was een conflictgebied; het was er onrustig door de aanslagen van de EPRP.266

De verdachte was op meerdere dagen aanwezig bij de exposure meetings in februari 1978 in Debre Marcos. De verdachte had daar de leiding en hield daar een speech waarin hij vertelde over hoe de exposure meetings zouden gaan. Hij zei dat de EPRP destructief was voor de natie.267 Hij bewoog de mensen zichzelf en anderen aldaar bekend te maken als EPRP lid, door te beloven dat hen niets zou overkomen als ze zichzelf bekend maakten en te dreigen met de dood als ze door een ander zouden worden genoemd.268 De verdachte heeft (de kadres) bevolen dat degenen die verdacht werden van leugens of zich bekend hadden gemaakt als EPRP lid werden meegenomen.269

De verdachte heeft de mannen uit Addis Abeba als ondervrager naar het militaire kamp gebracht. De rechtbank baseert deze conclusie mede op de overweging in het Ethiopische vonnis tegen de verdachte,270 waarin de eerder genoemde twee brieven van de verdachte worden beschreven; te weten die van 16 maart 1978 die een verzoek om rechercheurs van de veiligheidsdienst uit Addis Abeba te sturen bevat en een brief gedateerd 7 april 1978 waarin het bevel aan de financiële administratie van de provincie Gojjam wordt gegeven om voor vijftien dagen een vergoeding per dag te betalen aan de rechercheurs. De inhoud en datering van deze brieven, in samenhang met de verklaring van [persoon 315]271 en andere getuigen die verklaren over de komst van de ondervragers,272 acht de rechtbank voldoende ter onderbouwing van deze vaststelling.

De verdachte is ook in het politiekamp geweest en heeft daar ook contact gehad met de ondervragers uit Addis Abeba.273 De verdachte sprak voor de verhoorkamer met deze verhoorders, informeerde hoe het ging en gaf hun aanwijzingen.274 Na de verhoren werden de lijsten met de omcirkelde namen van degenen die verhoord waren naar het kantoor van de verdachte gebracht, die vervolgens op basis van de bevindingen van de verhoorders besloot welke straf aan de verschillende gevangenen zou worden opgelegd.275

De rechtbank baseert zich bij deze conclusie op de verklaringen van de verschillende getuigen, die aangeven dat bij of na het voorlezen van de gevangenisstraffen werd gezegd dat het vonnis was getekend door de verdachte en/of door de leider van het revolutionair coördinerend campagne comité.276

Ook heeft de rechtbank bij deze vaststelling acht geslagen op het gegeven dat deze werkwijze past bij de functie die de verdachte, als permanent vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam en als voorzitter van voormeld comité, ingevolge proclamatie 129 diende uit te voeren. Het was immers de taak van dat comité onder meer de anti-revolutionairen aan te pakken en het kon een ieder die orders voortvloeiend uit de proclamatie niet opvolgde of deze orders trachtte te ontwijken, of die iemand anders aanspoorde tot dergelijke ongehoorzaamheid, bestraffen met gevangenisstraf of de doodstraf. Ook past dit bij wat getuigen verklaren over de wijze waarop de verdachte invulling gaf aan zijn functie, te weten dat de verdachte de ultieme autoriteit van Gojjam was en hij de volledige macht had.277 De verdachte was aanklager, jury en rechter tegelijkertijd. Hij had de macht mensen te arresteren, te doden en vrij te laten. De burger-bestuurder in de provincie had geen macht.278

Ook blijkt zijn betrokkenheid bij het nemen van deze beslissingen uit de verantwoording die hij hierover aflegde aan de Derg-leiding in Addis Abeba, die terug te vinden is in de ongedateerde lijsten met namen die zijn geparafeerd en ondertekend met een zeer vergelijkbare handtekening als de handtekeningen die door De Jong zijn onderzocht279.

Maar wellicht het meest overtuigende bewijs voor zijn betrokkenheid bij de bepaling van het lot van de gevangenen zijn wel de brieven gericht aan het hoofd van de verschillende gevangenissen in Gojjam met in de brief of bijbehorende bijlage (lijsten met) de namen van personen tegen wie revolutionaire maatregelen moesten worden uitgevoerd.280 Het kan dus niet anders of het moet het hoofd van de gevangenis duidelijk zijn geweest dat het nemen van die maatregel de opdracht van de verdachte was.

De verdachte heeft ontkend deze brieven te hebben getekend, maar heeft nagelaten een aannemelijke verklaring te geven voor de handtekening op de brieven.

Voor zover de verdachte heeft willen suggereren dat deze handtekeningen destijds door een ander in Gojjam moeten zijn vervalst, overweegt de rechtbank dat dit alleen al bijzonder onwaarschijnlijk is omdat het antwoord op de brieven, te weten de bevestigingen van de revolutionaire maatregelen, naar het kantoor van de verdachte werden verzonden en ook omdat blijkens de brief van het hoofd van de gevangenis van Metekel van 17 augustus 1978 de eerder gegeven schriftelijke opdracht tot het nemen van revolutionaire maatregelen ook telefonisch was gegeven. Maar ook hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van het andere alternatieve scenario maakt vervalsing destijds onaannemelijk.

Voor zover is bedoeld te suggereren dat de inhoud van de brieven en de handtekeningen op de brieven pas veel later zijn vervalst ten tijde van en ten behoeve van het strafproces tegen de verdachte in Ethiopië overweegt de rechtbank dat de handtekeningen op twee van deze brieven zijn onderzocht door de handschriftdeskundige De Jong, zoals hiervoor in hoofdstuk 9. is weergegeven.281 De rechtbank gaat er op basis van het deskundigenrapport van uit dat deze brieven zijn ondertekend met de handtekening van de verdachte. Hoewel de deskundige niet heeft kunnen uitsluiten dat montage mogelijk is, is dit door hem uiterst onwaarschijnlijk geacht.282 De rechtbank sluit bij die conclusie aan, nu er geen enkele aanwijzing voor is, maar ook omdat de gebruikte handtekeningen allemaal van elkaar verschillen, hetgeen falsificatie door montage hoogst onwaarschijnlijk maakt. De rechtbank heeft ook anderszins geen redenen om te twijfelen aan de authenticiteit van de handtekeningen, zodat zij concludeert dat de verdachte de brieven met namen en lijsten heeft ondertekend.

Tot slot merkt de rechtbank op dat zij de verklaring van de verdachte dat hij in maart 1978 reeds uit Gojjam zou zijn vertrokken ongeloofwaardig acht. Uit vorenstaande vaststellingen volgt immers dat hij in elk geval ten tijde van het tekenen van de lijsten nog permanent vertegenwoordiger in Gojjam was. Daarnaast bevinden zich in het dossier krantenartikelen daterend uit juni 1978 waarin melding wordt gemaakt van de verdachte, als permanent vertegenwoordiger in Gojjam.283

Concluderend stelt de rechtbank dan ook vast dat de verdachte exposure meetings heeft georganiseerd in Debre Marcos en daar ook bij aanwezig is geweest. De verdachte is daarnaast zowel in het militaire kamp, als in het politiekamp geweest. Verder heeft hij speciale ondervragers laten komen uit Addis Abeba voor het verhoren van de gevangenen en heeft hij bevelen getekend om personen gevangen te houden en te doden.

De rechtbank volgt het openbaar ministerie niet in zijn betoog dat de verdachte zelf aanwezig is geweest bij het doden van gevangenen. De rechtbank heeft reeds eerder uiteengezet dat zij de verklaringen van de enige getuige die de verdachte die nacht in de gevangenis zegt te hebben gezien niet voor het bewijs zal bezigen, gelet op de vele inconsistenties in zijn verklaring. Hoewel vele andere getuigen verklaren van verschillende bronnen gehoord te hebben dat de verdachte die nacht bij het doden aanwezig was, zijn dit alle zogenoemde de auditu verklaringen en kan bovendien niet worden uitgesloten dat de verdachte uiteindelijk slechts door één persoon is herkend. De rechtbank acht dit onvoldoende overtuigend.

13.5

De kwalificatie van de rol van de verdachte

13.5.1

Het toetsingskader van medeplegen, medeplichtigheid en uitlokken

Behoudens enkele uitzonderingen zijn de algemene regels van het commune (nationaal) strafrecht ook van toepassing bij de berechting van oorlogsmisdrijven (artikel 91 van het WvSr), in het bijzonder de regels met betrekking tot deelneming aan strafbare feiten.284 De rechtbank zal hieronder de toetsingskaders van de verschillende tenlastegelegde deelnemingsvormen schetsen die zij hierna als uitgangspunt zal nemen bij de verdere beoordeling.

Medeplegen

Van medeplegen is sprake indien aan de volgende vereisten is voldaan:

(1) De medeplegers werken (a) nauw en (b) bewust samen om een strafbaar feit te plegen.

(2) Het misdrijf heeft (a) plaatsgevonden of (b) er is daartoe een strafbare poging gedaan of (c) is strafbaar voorbereid.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking zijn de volgende criteria van belang:

(1) De medeplegers werken opzettelijk samen tot het verrichten van de delictueuze gedraging.

(2) De bijdragen van de medepleger aan het strafbare feit is van voldoende materieel of intellectueel gewicht, waarbij rekening kan worden gehouden met onder meer (a) de intensiteit van de samenwerking (b) de onderlinge taakverdeling (c) de rol in de voorbereiding (d) de uitvoering of de afhandeling van het delict (e) het belang van de rol van de verdachte (f) de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten (g) het niet zich terugtrekken van de verdachte op een daartoe geëigend tijdstip, hoewel dit op zichzelf zelden voldoende zal zijn285

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen ook slechts vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen echter moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in die voorbereiding.286

Medeplichtigheid

Van medeplichtigheid is sprake, indien aan de volgende vereisten is voldaan:

(1) De medeplichtige is een ander of anderen (a) behulpzaam bij het plegen van een misdrijf (simultane medeplichtigheid en/of (b) verstrekt gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een strafbaar feit (consecutieve medeplichtigheid).

(2) Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte is gericht op (a) het behulpzaam zijn of het verstrekken van de gelegenheid, middelen of inlichtingen en (b) op de bestanddelen van het strafbare feit, maar niet noodzakelijkerwijs op de precieze uitvoering.287

(3) Het misdrijf waaraan hulp wordt verleend heeft (a) plaatsgevonden of (b) er is daartoe een strafbare poging gedaan of (c) is strafbaar voorbereid.

Het verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid is erin gelegen dat de gedragingen van de medeplichtige niet van groot materieel of intellectueel gewicht hoeven te zijn voor het misdrijf, terwijl dit voor een medepleger wel vereist is.

Uitlokken

Van uitlokking is sprake, indien aan de volgende vereisten is voldaan:

(1) Het (voorwaardelijk) opzet van de uitlokker is gericht op (a) het uitlokken en (b) op alle bestanddelen van het uitgelokte delict, maar hoeft niet gericht te zijn op een bepaalde wijze van uitvoering van het delict.

(2) Hiertoe zijn één of meer uitlokkingsmiddelen gebruikt, te weten (a) belofte (b) misbruik van gezag (c) geweld, bedreiging en misleiding (d) gelegenheid, middelen en inlichtingen.

(3) Een ander (de uitgelokte) is hierdoor aangezet het strafbare feit te plegen, kortom de uitlokker heeft bij de uitgelokte het 'wilsbesluit' doen ontstaan een strafbaar feit te plegen.

(4) Het uitgelokte delict is gevolgd.

(5) De uitgelokte moet deswege strafbaar zijn.

Het onderscheid tussen uitlokking en medeplegen is gelegen in het feit dat de uitlokker steeds een ander overhaalt tot een delict zonder aan de uitvoering daarvan mee te werken, terwijl medeplegers samen het delict plegen. Hoewel een aantal van de uitlokkingsmiddelen ook worden genoemd bij medeplichtigheid, bestaat het verschil tussen de twee deelnemingsvormen eruit dat bij uitlokking de middelen worden gebruikt om een ander over te halen, terwijl de medeplichtige hulp verleent aan iemand bij wie het criminele plan reeds bestond.

13.5.2

Het toetsingskader voor aansprakelijkheid als meerdere

In artikel 9 (oud) van de WOS is strafbaar gesteld degene die opzettelijk toelaat dat een aan hem ondergeschikte een feit als bedoeld in artikel 8 (oud) van de WOS begaat. In de wet wordt niet verder gedefinieerd wanneer hiervan sprake is. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of zij aansluiting kan zoeken bij de internationaalrechtelijke figuur van superior responsibility, ook wel command responsibility genoemd.

Het uitgangspunt bij superior responsibility is dat een meerdere wordt geacht gezag en controle uit te oefenen over het gedrag van zijn ondergeschikten, teneinde te garanderen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de wetten van een gewapend conflict.288 Indien de meerdere faalt in zijn supervisie, dan kan hij strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor het overtreden van deze wetten door zijn ondergeschikte.

Ter beantwoording van de door haar opgeworpen vraag, overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel veel van de jurisprudentie over deze doctrine dateert van na de tenlastegelegde periode, is het leerstuk al sinds de jaren vijftig volop in ontwikkeling.

Het in artikel 1 van GC IV en het bijbehorende reglement van 1907 (het Haags Landoorlogreglement) gecodificeerde beginsel van responsible command is gebaseerd op deze combinatie tussen enerzijds gezag en anderzijds aansprakelijkheid, wat nodig is voor een succesvolle toepassing van het humanitair oorlogsrecht.289

Pas na de Tweede Wereldoorlog zijn er echter voor het eerst sancties verbonden aan het handelen in strijd met responsible command en werden leidinggevenden vervolgd voor het niet voorkomen en bestraffen van misdaden door hun ondergeschikten.290

De doctrine van de superior responsibility werd in 1977 gecodificeerd in artikel 86 en 87 van het eerste Aanvullend Protocol bij de Geneefse Conventies, waarbij zowel de plichten van de commandant als de mogelijke strafrechtelijke gevolgen bij verzuim van deze plichten werden opgenomen. Hoewel in AP II geen verplichtingen zijn opgenomen die hiermee zijn te vergelijken, is algemeen aanvaard dat de doctrine ook van toepassing is in niet-internationaal gewapende conflicten.291

De eerste strafbepaling voor een effectieve vervolging op basis van superior responsibility werd in 1993 in het leven geroepen met het Statuut voor het ICTY. In 1994 werd in het Statuut voor het ICTR een vrijwel gelijkluidende bepaling opgenomen over superior responsibility.

In het Statuut van Rome voor de oprichting van het ICC van 1998 is vervolgens - op basis van de jurisprudentie van het ICTY en het ICTR - in artikel 28 superior responsibility opgenomen.

Hoewel de codificatie bij het ICTY, ICTR en ICC - en daarmee de jurisprudentie van deze tribunalen - dateert van na de tenlastegelegde periode, ziet de rechtbank geen beletsel om bij de invulling van artikel 9 (oud) van de WOS aan te sluiten bij de doctrine van superior responsibility, zoals door deze tribunalen ontwikkeld. Superior responsibility is immers de strafrechtelijke invulling van het begrip responsible command, dat een intrinsiek vereiste is van het gemeenschappelijk artikel 3. Destijds waren reeds een zeer groot aantal staten partij bij de Geneefse Conventies en Ethiopië had deze in 1969 had geratificeerd. De rechtbank ziet daarnaast geen enkele aanwijzing dat de doctrine eind jaren zeventig niet tot het gewoonterecht zou behoren. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van aansprakelijkheid als meerdere als bedoeld in artikel 9 (oud) van de WOS, zal de rechtbank derhalve - binnen de beperkingen van artikel 9 (oud) van de WOS - aansluiting zoeken bij de doctrine van superior responsibility.292Het verdient opmerking dat de invulling die daaraan door het ICC wordt gegeven op punten afwijkt van de jurisprudentie ontwikkeld door ad hoc tribunalen. De rechtbank zal in die gevallen echter zo veel mogelijk aansluiting zoeken bij de jurisprudentie van de verschillende ad hoc tribunalen.

Twee scenario‘s

Er zijn twee mogelijke scenario’s voor superior responsiblity, te weten:

1) de meerdere wist of had reden om te weten dat er een misdrijf werd of zou worden gepleegd door zijn ondergeschikte en faalde in het voorkomen van dit misdrijf, of;

2) de meerdere wist niet dat het misdrijf zou worden gepleegd (en dit gebrek aan wetenschap kan hem niet worden verweten) maar, zodra hij op de hoogte kwam van het gepleegde feit, heeft hij nagelaten om de ondergeschikte te bestraffen of hierover te rapporteren aan het bevoegde autoriteiten.

Met betrekking tot dit tweede scenario moet worden opgemerkt dat deze invulling van superior responsibility buiten het bereik van artikel 9 (oud) van de WOS ligt. In artikel 9 (oud) van de WOS is immers strafbaar gesteld het opzettelijk toelaten van een delict door de ondergeschikte en daaronder kan naar het oordeel van de rechtbank niet begrepen worden ‘nalaten een ondergeschikte te bestraffen’.293

Om binnen het eerste scenario superior responsibility vast te stellen moet worden voldaan aan de volgende vier cumulatieve vereisten:

(1) De meerdere oefent effectief gezag en controle uit over de ondergeschikte in een hiërarchische structuur

(2) De ondergeschikte pleegt - in die effectieve gezagsrelatie - een misdrijf

(3) De meerdere wist of had reden om te weten dat een misdrijf op handen was of werd gepleegd door zijn ondergeschikte (mens rea)

(4) De meerdere laat (al dan niet opzettelijk) na om hiertegen noodzakelijke maatregelen te treffen die in zijn vermogen liggen.

Hierna zullen de vier cumulatieve vereisten worden besproken.

De meerdere oefent effectief gezag en controle uit over de ondergeschikte in een hiërarchische structuur

Het begrip meerdere is niet slechts beperkt tot de militaire meerdere, maar kan ook zien op een civiele leider.294 Hoewel het ICTR aanvankelijk een ander standpunt innam, werd ook door dat tribunaal later dezelfde lijn gevoerd.

Om tot aansprakelijkheid op basis van superior responsibility te komen moet allereerst vast komen te staan dat de verdachte als meerdere effectief gezag en effectieve controle had over zijn ondergeschikte, die de pleger is van het misdrijf. Het begrip meerdere is nooit gedefinieerd, maar uit de jurisprudentie van de ad hoc tribunalen volgen drie elementen: een hiërarchische relatie, een positie van gezag of autoriteit en effectieve controle.295

De noodzakelijke hiërarchische relatie tussen de meerdere en de ondergeschikte hoeft niet formeel te zijn. Van belang is of de meerdere effectief gezag heeft.296De jure gezag is aan de andere kant onvoldoende om enkel op basis daarvan tot superior responsibility te komen.297 Kortom, zowel in geval van de jure als de facto autoriteit moet - om tot superior responsibility te komen - worden vastgesteld dat de meerdere effectief gezag had over de ondergeschikte en dat hij dit effectief gezag uitoefende in een hiërarchische structuur.

Effectief gezag in dit kader behelst de mogelijkheid om misdrijven door ondergeschikten te voorkomen.298Het hebben van een aanzienlijke invloed op het gedrag van de ondergeschikte, zonder daar een effectieve controle over te hebben is dan ook onvoldoende voor een veroordeling als strafbare meerdere.299

Het is goed voor te stellen dat een meerdere weliswaar een zeer hoge functie heeft in de organisatie, maar dat hij - juist vanwege zijn hoge functie - geen effectief gezag kan uitoefenen.300 Ook is het mogelijk dat er meer dan één meerdere is die gezag heeft over de ondergeschikte, in welk geval voor al die meerderen superior responsibility kan gelden.301

De ondergeschikte pleegt - in die effectieve gezagsrelatie - een misdrijf

Om tot een veroordeling te komen voor superior responsibility moet vervolgens komen vast te staan dat een ondergeschikte van de meerdere daadwerkelijk een misdrijf heeft gepleegd. Dit werd pas in 2005 uitdrukkelijk bevestigd302 door de Trial Chamber van het ICTY in de Orić zaak.303

Het misdrijf moet volledig zijn gepleegd door anderen dan de meerdere. Wanneer de meerdere deel heeft genomen aan het misdrijf, kan zijn aansprakelijkheid niet meer worden gebracht onder artikel 7(3) van het ICTY Statuut of artikel 6(3) van het ICTR Statuut.304

Het is niet nodig dat de ondergeschikte de hoofddader is van het misdrijf.305 Het is evenmin vereist dat de ondergeschikte is geïdentificeerd. Het is voldoende als vast kan worden gesteld dat de dader lid was van een groep en dat de meerdere effectief gezag had over die groep.306

De meerdere wist of had reden om te weten dat een misdrijf op handen was of werd gepleegd door zijn ondergeschikte (mens rea)

Om de mens rea van de meerdere vast te stellen moet worden bewezen dat de meerdere wist dat er een misdrijf op handen was of werd gepleegd door zijn ondergeschikte of dat de meerdere reden had om dit te vermoeden.

Bij het beoordelen van de vraag of wettig en overtuigend is bewezen dat de meerdere wist dat zijn ondergeschikte een misdrijf zou plegen kan bij de afwezigheid van direct bewijs hieromtrent ook gebruik worden gemaakt van circumstantial evidence. Hiertoe gaf de Trial Chamber in de Čelebići zaak een lijst met criteria ter overweging om vast te stellen of een (militaire) meerdere daadwerkelijk beschikte over de vereiste kennis:

“It is, accordingly, the Trial Chamber’s view that, in the absence of direct evidence of the superior’s knowledge of the offences committed by his subordinates, such knowledge cannot be presumed, but must be established by way of circumstantial evidence. In determining whether a superior, despite pleas to the contrary, in fact must have possessed the requisite knowledge, the Trial Chamber may consider, inter alia, the following indicia, listed by the Commission of Experts in its Final Report:

(a) The number of illegal acts;

(b) The type of illegal acts;

(c) The scope of illegal acts;

(d) The time during which the illegal acts occurred;

(e) The number and type of troops involved;

(f) The logistics involved, if any;

(g) The geographical location of the acts;

(h) The widespread occurrence of the acts;

(i) The tactical tempo of operations;

(j) The modus operandi of similar illegal acts;

(k) The officers and staff involved;

(l) The location of the commander at the time.” 307

De jurisprudentie van de ad hoc tribunalen laat zien dat het makkelijker is om daadwerkelijke wetenschap van het misdrijf vast te stellen bij een de jure militaire meerdere, terwijl bij een de facto meerdere of civiele leider zonder formele positie of autoriteit, dan wel bij een militaire meerdere in een informelere structuur de lat hoger ligt.308

Het is ook voldoende als komt vast te staan dat de leidinggevende “had reason to know”.309 De meerdere heeft echter geen plicht om te weten.310Het ICTY overwoog voor uitleg over het criterium in diezelfde zaak:

“A showing that a superior had some general information in his possession, which would put him on notice of possible unlawful acts by his subordinates would be sufficient to prove that he “had reason to know”. The ICRC Commentary (Additional Protocol I) refers to “reports addressed to (the superior), the tactical situation, the level of training and instruction of subordinate officers and their troops, and their character traits” as potentially constituting the information referred to in Article 86(2) of Additional Protocol I. As to the form of the information available to him, it may be written or oral, and does not need to have the form of specific reports submitted pursuant to a monitoring system. This information does not need to provide specific information about unlawful acts committed or about to be committed. For instance, a military commander who has received information that some of the soldiers under his command have a violent or unstable character, or have been drinking prior to being sent on a mission, may be considered as having the required knowledge.

(…)

Thus, as correctly held by the Trial Chamber, as the element of knowledge has to be proved in this type of cases, command responsibility is not a form of strict liability. A superior may only be held liable for the acts of his subordinates if it is shown that he “knew or had reason to know” about them. The Appeals Chamber would not describe superior responsibility as a vicarious liability doctrine, insofar as vicarious liability may suggest a form of strict imputed liability.”311

De meerdere laat (al dan niet opzettelijk) na om hiertegen noodzakelijke maatregelen te treffen die in zijn vermogen liggen.

Van de meerdere kan worden verwacht dat hij de maatregelen treft die in zijn vermogen liggen om het gedrag van zijn ondergeschikte te voorkomen of te onderdrukken. De meerdere heeft niet de vrijheid om al dan niet te kiezen voor voorkomen of onderdrukken van het gedrag van de ondergeschikte.312 Noch kan hij het nalaten om te voorkomen goed maken door nadien zijn ondergeschikte te straffen.313 Van de meerdere kan enkel worden verwacht dat hij de maatregelen treft die feitelijk in zijn vermogen liggen.314

13.5.3

Deelneming en aansprakelijkheid in deze zaak

Ten aanzien van de onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten

In de voorgaande hoofdstukken heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode een groot aantal mensen bij - onder meer - exposure meetings is opgepakt en vervolgens in een militair kamp, een politiekamp en in de gevangenis arbitrair van hun vrijheid is beroofd onder slechte detentieomstandigheden. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de rol van de verdachte er in elk geval uit bestond dat hij aanwezig is geweest bij de exposure meetings in Debre Marcos en daar speeches heeft gegeven. Daarnaast is de verdachte zowel in het militaire kamp als in het politiekamp aanwezig geweest. De straffen die uiteindelijk zijn opgelegd, zijn uitgevaardigd door het revolutionair coördinerend campagne comité, waarvan de verdachte de voorzitter was.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de gedragingen van de verdachte van dien aard zijn dat zij medeplegen van, opzettelijk als meerdere toelaten van of medeplichtigheid aan de strafbare feiten opleveren en - in het geval van het onder 4 tenlastegelegde - uitlokking. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

De verdachte was in de tenlastegelegde periode in de provincie Gojjam vanuit zijn functie als permanent vertegenwoordiger van de Derg en voorzitter van het revolutionair coördinerend campagne comité verantwoordelijk voor - onder meer - het tegengaan van de weerstand van partijen zoals de EPRP. De exposure meetings maakten deel uit van die campagne. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte een initiërende en sturende rol heeft gehad in het tot stand komen en uitvoeren van die exposure meetings. Dat hij daarbij een leidende rol had, blijkt daarnaast ook uit de omstandigheid dat hij bij meerdere exposure meetings het woord voerde, de gang van zaken uiteen zette, mensen ertoe bracht uit angst zichzelf of anderen bekend te maken als EPRP lid en opdracht te geven hen weg te voeren. De rol van de verdachte is daarmee van groot belang geweest bij de exposure meetings en die zouden zonder hem op die wijze niet hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet echter nog meer aanwijzingen van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. Ook na de exposure meetings is de verdachte namelijk betrokken geweest bij het gevangenhouden van de grote groep (vermeende) EPRP-leden. Hij is daarbij in zowel het militaire kamp alsook meermalen in het politiekamp aanwezig geweest. Hij heeft zich dus op geen enkel moment teruggetrokken, noch zich gedistantieerd van de gevangenhouding, noch ingegrepen in de slechte detentieomstandigheden. Tot slot heeft het comité, waarvan hij voorzitter was en waarin hij op zijn minst een sturende rol vervulde, aan een groot aantal gevangenen straffen opgelegd. Ook hiervoor geldt dat de gevangenhouding van de (vermeende) EPRP-leden door de mededaders (zoals de gevangenbewaarders en gevangenisdirecteuren) niet zou hebben plaatsgevonden zonder de aanvankelijke opdracht, het tussentijds niet beëindigen en het opleggen van de straffen van/door de verdachte. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er tussen de verdachte en zijn mededaders een nauwe en bewuste samenwerking is geweest van de gestelde feitelijke gedragingen en handelingen zoals onder 1 en 4 tenlastegelegd, zodat kan worden gesproken van medeplegen.

De rechtbank kan niet tot bewezenverklaring van de bij feit 4 cumulatief/ alternatief tenlastegelegde uitlokking komen. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij dit feit - het uitspreken en tenuitvoerleggen van gevangenisstraffen en het gevangen houden onder mensonterende detentie-omstandigheden - zou hebben uitgelokt in de periode van 24 augustus 1978 tot en met 31 december 1981. Het door de verdachte opdracht geven om gevangenisstraffen met zware arbeid op te leggen is echter niet gebeurd in de tenlastegelegde periode, maar reeds in de eerste helft van augustus 1978. Dat de detentieomstandigheden ook na midden augustus 1978 nog zodanig slecht waren dat zij als wreed en/of onmenselijk en/of mensonterend en/of vernederend kunnen worden gekwalificeerd heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of zij de verdachte - zoals betoogd door het openbaar ministerie - ook als meerdere aansprakelijk kan stellen voor de gedragingen van zijn ondergeschikten. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord, nu de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat hij medepleger is en dat de feiten niet zonder hem hadden kunnen plaatsvinden. Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt ten aanzien van deze feiten is dat hij in nauwe en bewuste samenwerking met anderen een wezenlijke rol heeft vervuld bij de uitvoering daarvan (commissie/handelen) en niet dat hij verwijtbaar niet heeft ingegrepen in een misdrijf dat volledig door anderen werd gepleegd (omissie/nalaten). Voor een veroordeling als meerdere, naast een veroordeling als medepleger, is ten aanzien van dezelfde feiten geen ruimte. De rechtbank zal de verdachte daarom daarvan vrijspreken.

Dat geldt eveneens voor de cumulatief/alternatief tenlastegelegde medeplichtigheid, nu zijn rol als medepleger die van medeplichtige uitsluit.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de rechtbank in de voorgaande hoofdstukken vastgesteld dat er in Debre Marcos meerdere mensen in gevangenschap zijn gemarteld door speciale ondervragers uit Addis Abeba. Met betrekking tot de rol van de verdachte is uiteengezet dat hij verantwoordelijk was voor het naar Debre Marcos halen van de speciale ondervragers en dat hij vanuit zijn functie tevens zorgdroeg voor hun betaling. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of bewezen kan worden dat de verdachte die martelingen heeft medegepleegd, opzettelijk als meerdere heeft toegelaten en/of hieraan medeplichtig is geweest.

Anders dan het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat tussen de verdachte en de speciale ondervragers een nauwe en bewuste samenwerking was die gericht was op het martelen. Weliswaar volgt uit het dossier genoegzaam dat de onderzoekers in opdracht van de verdachte de gevangenen hebben verhoord teneinde de EPRP structuur in kaart te brengen, maar er is onvoldoende bewijs dat de verdachte tevens de opdracht zou hebben gegeven de gevangenen hierbij te martelen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen van de martelingen.

De rechtbank ziet echter wel gronden om de verdachte aansprakelijk te houden als meerdere. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de speciale ondervragers die de gevangenen hebben gemarteld, tot de verdachte in een gezagsrelatie stonden. De speciale ondervragers zijn op verzoek van de verdachte uit Addis Abeba gekomen en door hem bij de gevangenen gebracht om hen te gaan ondervragen. Het was ook de verdachte die zich bezighield met de bezoldiging van deze ondervragers. Uit de verklaringen van getuigen volgt daarnaast dat het gezag van de verdachte over de ondervragers ook daadwerkelijk effectief was. Zij hebben immers verklaard dat de verdachte sprak met de ondervragers en dat deze knikten en zich respectvol opstelden naar de verdachte. Dat in het kamp geweld werd gebruikt tegen gevangenen was bekend bij de verdachte of had dat op zijn minst moeten zijn. Er vonden in Ethiopië op dat moment immers op grote schaal mensenrechtenschendingen plaats en de verdachte was hiermee ook bekend, alleen al omdat hij op zeker moment een vriend van martelingen heeft moeten redden. De speciale ondervragers waren daarnaast zeer succesvol in het verkrijgen van bekentenissen, terwijl het gelet op de gevaren die het EPRP-lidmaatschap in die periode meebracht, niet voor de hand lag dat men dit zomaar toegaf. De rechtbank ziet daarnaast volstrekt niet in hoe de verdachte in het kamp aanwezig kan zijn geweest zonder kennis te hebben genomen van hetgeen er gebeurde. Diverse getuigen hebben immers verklaard over de grote schaal van ernstige mishandelingen, gegil en geschreeuw en zwaar gewonde mensen.

Tot slot staat voor de rechtbank vast dat de verdachte niet heeft ingegrepen om het geweld te laten stoppen, terwijl hij dit naar eigen zeggen wel had gekund.315 Hiermee heeft de verdachte gefaald in zijn taak als leidinggevende. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring voor superior responsibility.

Ten aanzien van de cumulatief/ alternatief tenlastegelegde medeplichtigheid komt de rechtbank tot vrijspraak, omdat de rol van de verdachte als aansprakelijk meerdere die van medeplichtige uitsluit.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat een groot aantal mensen in de tenlastegelegde periode is gedood.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger en/of uitlokker van dit feit.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de beslissing om deze personen te doden is genomen door de verdachte en dat hij hiertoe opdracht heeft gegeven aan het hoofd van de gevangenis waar de betrokken personen op dat moment vastzaten. Hoewel de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte in de nacht van de executies aanwezig is geweest en de verdachte de executies ook niet zelf heeft voltrokken, staat dit niet in de weg aan een bewezenverklaring van medeplegen. De rol van de verdachte is namelijk van een dusdanig gewicht geweest dat het feit zonder zijn beslissing niet had kunnen plaatsvinden. Daarnaast volgt uit het dossier dat de executies werden teruggekoppeld aan de verdachte en dat hij zelfs contact opnam met zijn mededaders als een executie mogelijk niet was uitgevoerd, waarna hij er alsnog zorg voor droeg dat dit gebeurde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte dan ook zeer nauw en bewust samengewerkt met zijn mededaders, zodat medeplegen bewezen kan worden verklaard.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat tot een bewezenverklaring van uitlokking kan worden gekomen. De verdachte heeft immers met behulp van zijn functie anderen (zoals bijvoorbeeld de gevangenisdirecteur en bewakers) ertoe bewogen om de door hem bevolen executies uit te voeren. Zonder het handelen van de verdachte zouden zij hier niet toe zijn overgegaan.

14 De nexus

14.1

Inleiding

De rechtbank heeft in de voorgaande hoofdstukken vastgesteld dat in Ethiopië in de tenlastegelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict waar de verdachte kennis van had, dat schendingen hebben plaatsgevonden van gemeenschappelijk artikel 3 en het internationaal humanitair gewoonterecht jegens beschermde personen en dat de verdachte hiervoor aansprakelijk was. Thans resteert de vraag of sprake was van een nauwe samenhang tussen de gepleegde feiten en het gewapend conflict. De rechtbank zal zich daarover in dit hoofdstuk uitlaten.

14.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat het conflict tussen de Derg en de EPRP, EPLF, ELF en EDU een substantiële rol heeft gespeeld bij de beslissing van de verdachte om de misdrijven te begaan. De slachtoffers werden geassocieerd met de tegenpartij en daarom moesten zij worden gevangen gezet, onmenselijk behandeld, gemarteld, bestraft en gedood. Naar de mening van het openbaar ministerie is er daarom sprake van de noodzakelijke nexus.

14.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot dit vraagstuk.

14.4

Het toetsingskader

Deze rechtbank, het gerechtshof Den Haag en het gerechtshof Den Bosch hebben in eerdere zaken voor de interpretatie van het nexus-vereiste aansluiting gezocht bij wat daarover door het ICTY en het ICTR is overwogen.316 De Appeals Chamber van het ICTY heeft in de zaak Kunarac overwogen:

“What ultimately distinguishes a war crime from a purely domestic offence is that a war crime is shaped by or dependent upon the environment – the armed conflict – in which it is committed. It need not have been planned or supported by some form of policy. The armed conflict need not have been causal to the commission of the crime, but the existence of an armed conflict must, at a minimum, have played a substantial part in the perpetrator’s ability to commit it, his decision to commit it, the manner in which it was committed or the purpose for which it was committed. Hence, if it can be established, as in the present case, that the perpetrator acted in furtherance of or under the guise of the armed conflict, it would be sufficient to conclude that his acts were closely related to the armed conflict. The Trial Chamber’s finding on that point is unimpeachable.” 317

De Appeals Chamber geeft in de zaak Kunarac aan welke factoren kunnen worden meegewogen om te bepalen of aan de toets is voldaan dat de dader handelde in furtherance or under the guise of the armed conflict, te weten:

“In determining whether or not the act in question is sufficiently related to the armed conflict, the Trial Chamber may take into account, inter alia, the following factors: the fact that the perpetrator is a combatant; the fact that the victim is a non-combatant; the fact that the victim is a member of the opposing party; the fact that the act may be said to serve the ultimate goal of a military campaign; and the fact that the crime is committed as part of or in the context of the perpetrator’s official duties.” 318

Het ICTR heeft in de Rutaganda zaak geoordeeld dat de functie van het nexus-vereiste tweeledig is. In de eerste plaats dient het om oorlogsmisdaden te onderscheiden van de zuiver commune misdaden. In de tweede plaats is de nexus-eis noodzakelijk om louter toevallige of geïsoleerde criminele voorvallen die geen oorlogsmisdaden vormen in het kader van de internationale wetten van oorlog uit te sluiten. Bedoelde willekeurige of geïsoleerde incidenten worden in beginsel gesanctioneerd door de nationale wetgeving.319

14.5

De nexus in deze zaak

In de zaken die betrekking hadden op oorlogsmisdrijven ten tijde van het conflict in Rwanda hebben de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag uitgebreide overwegingen gewijd aan de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake was van een nexus.

In deze zaak hoeft de rechtbank daar veel minder lang bij stil te staan. Op grond van hetgeen hiervoor met betrekking tot de feiten en de rol van de verdachte daarin al is vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank zonneklaar dat aan de Kunarac criteria is voldaan, immers:

  • -

    de verdachte was militair en vertegenwoordiger van de Derg;

  • -

    de slachtoffers waren beschermde personen;

  • -

    de slachtoffers behoorden of werden geassocieerd met de tegenpartij(en) in het gewapende conflict;

  • -

    zowel de exposure meetings als de vrijheidsberoving onder mensonterende omstandigheden als de martelingen als het doden als het bestraffen waren dienstbaar of konden dienstbaar zijn aan het doel van de militaire campagne van de Derg, namelijk het in kaart brengen en vervolgens uitschakelen van de vermeende tegenstander(s) in het gewapende conflict;

  • -

    de misdrijven zijn gepleegd in de officiële taken van de verdachte, te weten permanent vertegenwoordiger van de Derg.

De rechtbank komt derhalve tot de vaststelling dat er in de onderhavige zaak een nexus is.

15 Schending van de WOS

De rechtbank heeft in de voorgaande hoofdstukken vastgesteld dat in Ethiopië in de tenlastegelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. De verdachte had kennis van dit conflict. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat in die periode schendingen hebben plaatsgevonden van het internationaal humanitair recht en dat de verdachte hierbij betrokken is geweest. De ten laste van de verdachte bewezen verklaarde misdrijven hebben alle plaatsgevonden in samenhang met het gewapend conflict. De rechtbank concludeert dat aldus sprake is geweest van schending van de wetten en de gebruiken van de oorlog door de verdachte of door aan de verdachte ondergeschikte personen. De verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8 (oud) en artikel 9 (oud) van de WOS.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat deze feiten een onmenselijke behandeling inhielden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de rechtbank vastgesteld dat dit de dood van [persoon 323] en zwaar lichamelijk letsel van [persoon 136, anders geschreven] tot gevolg heeft gehad. Ten aanzien van feit 3 heeft de rechtbank vastgesteld dat dit de dood van 75 personen tot gevolg heeft gehad. Dit zijn strafverzwarende omstandigheden zoals genoemd in het tweede en derde lid van artikel 8 (oud) van de WOS.

De rechtbank zal hieronder uiteenzetten dat daarnaast nog sprake is van andere strafverzwarende omstandigheden zoals genoemd in tweede en/ of derde lid van artikel 8 (oud) van de WOS. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op de reeds in hoofdstuk 8. weergegeven getuigenverklaringen die in hoofdstuk 10. voor het bewijs zijn gebezigd en zal deze hierna zonodig aanvullen.

Naar het oordeel van de rechtbank waren de vrijheidsberoving, het martelen, het doden en het opleggen van buitengerechtelijke straffen uiting van een stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking, namelijk diegenen die ervan verdacht werden dat zij behoorden tot of sympathiseerden met de EPRP. De door verdachte gepleegde feiten vonden immers alle plaats in het kader van de al meergenoemde Rode Terreur: het vernietigen van de EPRP en andere als contra-revolutionair ervaren groeperingen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid dat van de door verdachte gepleegde feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Voor wat betreft feit 1 wijst de rechtbank in het bijzonder op de verklaringen met betrekking tot de uiterst onhygiënische detentieomstandigheden, waardoor het uitbreken van besmettelijke ziektes verre van denkbeeldig was.

Voor wat betreft feit 2 wijst de rechtbank op de hiervoor reeds weergegeven verklaringen van de getuigen [persoon 325] en [persoon 315], die verklaren hoe zij zwaar gemarteld werden.

Bij alle feiten is ook sprake van schending van een gegeven belofte als strafverzwarende omstandigheid. Immers, uit de getuigenverklaringen blijkt dat mensen bij exposure meetings door verdachte en/of zijn mededaders is voorgehouden dat, als zij zich maar zelf zouden melden, hen niets zou overkomen. Van die belofte is niets terecht gekomen: de slachtoffers hebben dit met langdurige arbitraire vrijheidsberoving, in sommige gevallen marteling en in veel gevallen met de dood moeten bekopen.

Bij de feiten 1 en 2 is sprake van het met verenigde krachten dwingen iets te doen: mensen werden op de exposure meetings en tijdens de martelingen door verdachte en/of zijn mededaders gedwongen zich als EPRP lid bekend te maken of de namen van anderen te noemen.

Bij feit 3 is tenslotte naar het oordeel van de rechtbank ook nog sprake van de strafverzwarende omstandigheid dat dit feit tevens geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhield. Immers, naast degenen die het feitelijk doden hebben uitgevoerd, waren daar ook mensen bij betrokken die de te doden personen uit hun cel moesten halen en naar de kerk moesten brengen en hen - al dan niet levend - in het graf moesten gooien.

16 De (partiële) vrijspraken

De rechtbank komt tot een (partiële) vrijspraak met betrekking tot de volgende feiten:

[persoon 320] heeft verklaard dat hij in oktober 1977 uit Debre Marcos is gevlucht en in juni 1979 in Debre Marcos - derhalve nadat verdachte uit Debre Marcos was vertrokken - is gearresteerd en gevangen gezet. De rechtbank zal derhalve vrijspreken van de feiten 1 en 4 voor zover dat betrekking heeft op [persoon 320].

De rechtbank zal eveneens vrijspreken van feit 4 voor zover dit betrekking heeft op [persoon 314], [persoon 315] en [persoon 316], aangezien zij al voor 1 augustus 1978 in vrijheid waren gesteld.

Ten aanzien van [peresoon 326, anders geschreven] heeft één getuige verklaard dat hij zwaar is mishandeld en zwellingen over zijn hele lichaam had. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaring evenwel niet blijkt hoe [persoon 326, anders geschreven] aan deze verwondingen zou zijn gekomen, noch wat de redenen van wetenschap van deze getuige zijn over de mishandeling en verwondingen, zodat van feit 2 ten aanzien van de tenlastegelegde marteling van dit slachtoffer om deze reden vrijspraak dient te volgen.

Dat geldt eveneens ten aanzien van de bij feit 2 tenlastegelegde marteling van [persoon 327].

Ook ten aanzien van het martelen van [persoon 322] acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig. De op verschillende momenten afgelegde verklaringen van het slachtoffer vertonen op het punt van de mishandelingen zodanige discrepanties dat de rechtbank deze verklaring niet tot het bewijs zal bezigen, hetgeen tot vrijspraak van de onder feit 2 tenlastegelegde marteling van [persoon 322] leidt.

De rechtbank heeft reeds eerder overwogen dat zij de verdachte zal vrijspreken voor het onder 1 cumulatief/alternatief tenlastegelegde toelaten als meerdere en de medeplichtigheid. Voorts heeft zij reeds overwogen dat de verdachte zal worden vrijgesproken voor het onder 2 cumulatief/alternatief tenlastegelegde medeplegen en medeplichtigheid en het onder 4 cumulatief/alternatief tenlastegelegde toelaten als meerdere en de medeplichtigheid. Ook zal de rechtbank vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde uitlokken, nu de uitlokkingshandelingen die zijn tenlastegelegd, te weten het opdracht geven om de genoemde personen gevangenisstraffen met zware arbeid op te leggen en het in stand laten van mensonterende omstandigheden, niet zijn verricht in de tenlastegelegde periode, maar in de eerste helft van augustus 1978. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de detentieomstandigheden nadien nog immer zodanig slecht waren dat zij als wreed en/of onmenselijk en/of mensonterend en/of vernederend kunnen worden gekwalificeerd.

17 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte - samengevat - bewezen:

  1. dat verdachte in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978 in Debre Marcos tezamen en in vereniging met anderen 320 personen wreed en onmenselijk heeft behandeld en hen arbitrair van hun vrijheid heeft beroofd.

  2. dat verdachte in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978 in Debre Marcos opzettelijk heeft toegelaten dat aan hem ondergeschikte personen ten minste zes mensen hebben gemarteld.

  3. dat verdachte in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978 in Debre Marcos en Metekel het bevel heeft gegeven om 75 mensen te doden, welk bevel is uitgevoerd; door dit bevel heeft hij deze mensen tezamen en in vereniging met anderen gedood en heeft hij het doden van deze mensen uitgelokt.

  4. dat verdachte in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1978 tezamen en in vereniging met anderen tegen 236 mensen een vonnis heeft uitgevaardigd en ten uitvoer gelegd, zonder dat deze mensen een eerlijk proces hebben gehad bij een onafhankelijke rechtbank en hen arbitrair van hun vrijheid heeft beroofd; in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 15 augustus 1978 heeft hij tezamen en in vereniging met anderen deze mensen wreed en onmenselijk behandeld door hen in zeer erbarmelijke omstandigheden op te sluiten.

De volledige bewezenverklaring is als Bijlage 3 achter dit vonnis gevoegd.

18 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

19 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

20 De strafoplegging

20.1

De vordering van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte veroordeeld zal worden tot levenslange gevangenisstraf. Het openbaar ministerie is van mening dat alleen deze straf in aanmerking komt vanwege de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en de grootschaligheid waarop deze hebben plaatsgevonden. Bovendien moet de straf aan slachtoffers en nabestaanden maar ook de internationale rechtsgemeenschap en de samenleving duidelijk maken hoe ernstig het handelen van de verdachte aan hem wordt toegerekend en welke zware straf op dergelijke zware misdrijven slechts kan volgen. Volgens het openbaar ministerie is opleggen van een levenslange gevangenisstraf op dit moment niet in strijd met het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), waartoe het gewezen heeft op het Besluit Adviescollege levenslanggestraften dat op 1 maart 2017 in werking is getreden, de wijziging daarop die met terugwerkende kracht per 1 juni 2017 in werking is getreden en op de conclusie van 5 september 2017 van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad.320

20.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft in verband met de strafmaat aandacht gevraagd voor het feit dat Ethiopië ten tijde van de feiten geen staande rechtsstaat was maar een land in ontwikkeling waar veel partijen elkaar bevochten. De verdachte is daarin meegesleept. Dat moet er toe leiden dat aan de verdachte een straf gelijk aan het voorarrest wordt opgelegd. De verdediging heeft - zo begrijpt de rechtbank - voorts betoogd dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met het EVRM. Het toetsingsvoorstel zoals is neergelegd in voornoemd Besluit Adviescollege levenslanggestraften doet onvoldoende recht aan het vereiste dat men recht heeft op een onafhankelijke objectieve toetsing, zo begrijpt de rechtbank het verweer. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht een gevangenisstraf van bepaalde duur op te leggen. Uiterst subsidiair is betoogd dat de straf gematigd zou moeten worden omdat naar de mening van de verdediging de redelijke termijn is overschreden, niet alleen omdat de feiten dateren van veertig jaar geleden maar ook omdat door toedoen van justitie de zaak veertien jaar heeft stilgelegen. Los daarvan is de impact van de wijze waarop de zaak in de media is behandeld op de verdachte enorm geweest, niet in het laatst door het vertonen van de documentaire ’De Oorlogsrecherche’ door de Nederlandse Publieke Omroep.

20.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich tijdens het conflict in Ethiopië schuldig gemaakt aan zeer ernstige misdrijven, te weten oorlogsmisdrijven. De verdachte is, in verschillende deelnemings- dan wel aansprakelijkheidsvormen, schuldig aan arbitraire vrijheidsberoving, opsluiting onder mensonterende omstandigheden, marteling, het opleggen en uitvoeren van buitengerechtelijke gevangenisstraffen aan een groot aantal personen en het op gruwelijke wijze doden van een grote groep mensen.

De verdachte heeft met zijn daden op een kille en berekenende manier zijn landgenoten van hun wezenlijke rechten beroofd: het recht op vrijheid, het recht om niet wreed of onmenselijk behandeld te worden of niet te worden gemarteld en het meest wezenlijke recht: het recht op leven. Met zijn daden heeft hij de slachtoffers en hun familieleden onmetelijk leed berokkend. Zo hebben degenen die van hun vrijheid beroofd zijn geweest belangrijke momenten in hun eigen leven en dat van hun naasten moeten missen, zoals het halen van een diploma of het zien opgroeien van een pasgeboren baby. Degenen die gemarteld zijn hebben onbeschrijfelijke pijnen moeten doorstaan en sommigen zijn voor het leven getekend door fysieke of emotionele letsels. En zij die op gruwelijke wijze zijn gedood hebben nooit afscheid kunnen nemen van hun geliefden, die lange tijd in onzekerheid werden gelaten over hun lot. Alle slachtoffers hebben doodsangsten doorstaan. De omstandigheid dat een groot deel van de slachtoffers kinderen van nog geen achttien waren, maakt de misdrijven des te wreder. Verschillende nabestaanden en slachtoffers hebben op de zitting indringend naar voren gebracht hoezeer zij ook nu nog lijden onder wat hun door de verdachte is aangedaan.

Los van dit onmetelijk leed dat de verdachte de slachtoffers en nabestaanden heeft aangedaan heeft hij met zijn daden tevens een ernstige inbreuk gemaakt op de Ethiopische rechtsorde. De door de verdachte begane oorlogsmisdrijven waren daarnaast toen en zijn ook nu nog ernstige inbreuken op de internationale en daarmee tevens Nederlandse rechtsorde.

De verdachte is enige tijd na de bewezenverklaarde feiten naar Nederland gekomen, heeft hier asiel gevraagd en gekregen en is genaturaliseerd. De verdachte is daarmee deel gaan uitmaken van de Nederlandse samenleving. In die samenleving wonen ook mensen die destijds in Ethiopië woonden en het gewapend conflict hebben meegemaakt. Ook om die reden zijn de door de verdachte gepleegde feiten mede een zaak van de Nederlandse rechtsorde geworden.

Oorlogsmisdrijven zijn daarom zo ernstig, omdat het daarbij gaat om zeer grove schendingen van het humanitaire oorlogsrecht dat nu juist beoogt weerloze burgers tijdens een gewapend conflict te beschermen.

Het spreekt voor zich dat bij dergelijke ernstige misdrijven alleen een zeer langdurige gevangenisstraf een passende sanctie is.

Een van de strafdoelen is vergelding voor het leed en verdriet dat aan de slachtoffers en hun nabestaanden is aangedaan: zij moeten weten hoe ernstig het handelen van de verdachte wordt beoordeeld. De verdachte moet boeten voor zijn daden.

De straftoemeting moet voorts aan de internationale rechtsgemeenschap duidelijk maken hoe ernstig de daden van de verdachte worden getaxeerd en dat daarop slechts een zware straf kan volgen. Ook dient van de strafoplegging een duidelijk signaal uit te gaan naar diegenen die voornemens zijn zulke ernstige misdrijven te plegen: de generale preventie. Zij moeten zich realiseren dat zij ook jaren ná het plegen van ernstige schendingen van humanitair oorlogsrecht ter verantwoording kunnen worden geroepen en dat ook dan de straf onverkort hoog is. Dat geldt eens te meer in de huidige tijd, waar veel landen worden verscheurd door interne conflicten. De omstandigheid dat het gaat om feiten die lang geleden hebben plaatsgevonden weegt dan ook geenszins in het voordeel van de verdachte mee.

Bij het bepalen van de strafmaat ligt aan de rechtbank de keuze voor tussen de (destijds en ook nu nog in de WOS) geldende maximale tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaar of levenslange gevangenisstraf. Een gevangenisstraf van minder dan twintig jaar is, gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten, sowieso niet aan de orde.

Opleggen van de maximale tijdelijke gevangenisstraf zal gelet op de huidige regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling neerkomen op een feitelijke gevangenschap van dertien jaar en vier maanden, wat zou betekenen dat de verdachte, die al ruim twee jaar in voorarrest zit, over elf jaar weer vrij man is. De rechtbank acht dat gelet op hetgeen zij hiervoor al heeft overwogen volstrekt onacceptabel, tenzij er dusdanig zware contra-indicaties tegen het opleggen van een levenslange gevangenisstraf zouden zijn dat het opleggen van de maximale tijdelijke gevangenisstraf, hoewel te kort, voor lief moet worden genomen, hoe onbegrijpelijk dat ook voor de slachtoffers of de (internationale) rechtsorde zou zijn. Een alternatief is er dan immers niet.

Zijn er contra-indicaties voor het opleggen van een levenslange gevangenisstraf?

De rechtbank heeft die in de persoon noch in de proceshouding van de verdachte gevonden.

Dat de verdachte al wat ouder is en geen strafblad heeft legt ten opzichte van de ernst van de misdrijven geen gewicht in de schaal.

De verdachte kon zich ook in de periode van 1974 tot en met 1978 rekenschap geven van de ernst en gevolgen van de gebeurtenissen in Ethiopië en de niets en niemand ontziende repressie van het Derg-regime, waarvan hij zelf deel uitmaakte, tegen iedereen die iets anders voorstond dan de Derg. Hij heeft zich daaraan echter niet onttrokken, integendeel.

De verdachte heeft steeds volgehouden dat hij ten onrechte werd beschuldigd van de hem tenlastegelegde en door de rechtbank bewezen verklaarde feiten. Na tijdens het vooronderzoek voornamelijk te hebben gezwegen heeft hij ter zitting op de vele hem belastende documenten en verklaringen wisselend verklaard dan wel geen plausibele verklaring gegeven.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte tot op de dag van vandaag de EPRP en haar aanhangers als verantwoordelijke ziet voor de door hem begane misdaden.

De verdediging heeft ten slotte aangevoerd dat de redelijke termijn zou zijn geschonden maar de rechtbank deelt die mening niet. De redelijke termijn is niet gaan lopen op het moment van het plegen van de feiten, het verschijnen van het artikel in Vrij Nederland of het moment dat het openbaar ministerie een opsporingsonderzoek startte. De redelijke termijn is pas gaan lopen op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Dat was het moment dat de verdachte werd aangehouden, te weten 29 september 2015. Weliswaar heeft de procedure in deze aanleg langer dan twee jaar geduurd, maar dat is verklaarbaar door de aard en de complexiteit van de zaak en het verloop van het proces. Daarbij komt bijzondere betekenis toe aan het feit dat de verdachte zeer kort voor de oorspronkelijk geplande inhoudelijke behandeling, ruim een jaar geleden, andere advocaten in de arm heeft genomen.

Het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het in artikel 3 van het EVRM neergelegde verbod op een onmenselijke behandeling of bestraffing, nu sinds 1 maart 2017 het Besluit Adviescollege levenslanggestraften in werking is getreden. Dit Besluit heeft een specifieke op de levenslange gevangenisstraf toegesneden reële mogelijkheid van herbeoordeling in het leven geroepen.

De rechtbank heeft derhalve geen contra-indicaties tegen het opleggen van levenslange gevangenisstraf gevonden.

Zij zal deze straf dan ook aan de verdachte opleggen, omdat alleen deze straf recht doet aan de ernst van de door hem gepleegde feiten.

21 De vorderingen van de benadeelde partijen

21.1

Inleiding

[persoon 332], [persoon 321, andere schrijfwijze], [persoon 111, anders geschreven], [persoon 174, anders geschreven], [persoon 315] en [persoon 316] hebben zich (ieder voor zich) als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, elk tot een bedrag van € 226,89. Zij werden allen bijgestaan door mr. G. Sluiter en mw. mr. B. van Straaten, beiden advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft, met het oog op een efficiënte behandeling van de (toen nog in te dienen) vorderingen benadeelde partij, een schriftelijke voorbereidingsronde gelast, zonder daarmee af te doen aan het uiteindelijk ter terechtzitting te voeren debat. De raadslieden van de benadeelde partijen hebben de vorderingen tijdig ingediend en deze voorzien van een uitgebreide motivering en expert opinion met betrekking tot het op de inhoudelijke beoordeling van de vordering toe te passen Ethiopisch recht. Het openbaar ministerie heeft in het kader van de schriftelijke voorbereidingsronde binnen de afgesproken termijn laten weten geen opmerkingen over de vorderingen te hebben. De verdediging heeft in het kader van de schriftelijke ronde niet gereageerd.

Ter terechtzitting van 2 november 2017 heeft mr. Sluiter de vorderingen namens de benadeelde partijen verder toegelicht, waarna de rechtbank hem nog enige vragen heeft gesteld ten aanzien van de mogelijkheid van schadevergoeding voor nabestaanden, eventuele verjaring en het verzoek om dadelijke uitvoerbaarheid.

Het openbaar ministerie heeft bij requisitoir gevorderd de vorderingen toe te wijzen, daarbij de mogelijkheid open houdend daarop bij repliek terug te komen na kennisneming van de reactie van de raadsman van de benadeelde partijen op de vragen van de rechtbank.

De verdediging heeft zich bij pleidooi niet uitgelaten over de vorderingen en heeft desgevraagd te kennen gegeven dit pas bij dupliek te willen doen.

Ter terechtzitting van 15 november 2017 heeft mr. Van Straaten de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord.

Bij repliek heeft het openbaar ministerie herhaald dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, er daarbij ten aanzien van de vordering van [persoon 332] aan toevoegend dat deze op grond van de redelijkheid en billijkheid, alsmede uit de voor Nederland uit het Internationaal Verdrag inzake de bescherming tegen gedwongen verdwijningen voortvloeiende verplichtingen, zou moeten worden toegewezen. Het openbaar ministerie heeft voorts betoogd dat de toewijzing van de vorderingen uitvoerbaar bij voorraad zou moeten worden verklaard.

Mr. Sluiter, namens de benadeelde partijen ter terechtzitting van 16 november 2017 aanwezig, zag geen aanleiding andermaal het woord te voeren.

De verdediging heeft eerst bij dupliek aangevoerd dat verdachte zich ingeval van veroordeling met betrekking tot de vorderingen refereert aan het oordeel van de rechtbank.

21.2

De bevoegdheid van de rechtbank om over de vorderingen te oordelen

Op 1 april 2012 is in werking getreden artikel 21a van de Wim.

Genoemd artikel is ingevoegd omdat het als onbevredigend werd ervaren dat, als gevolg van het overgangsrecht van de zogenoemde Wet Terwee (Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het WvSr, het WvSv, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten, Stb. 1993, 29, in werking getreden 1 april 1995) de bepalingen van die wet niet van toepassing waren op strafbare feiten die waren begaan voor het in werking treden van die wet. Waar het ging om strafvervolging voor internationale misdrijven die zijn gepleegd vóór 1 april 1995 betekende dit namelijk dat slachtoffers van internationale misdrijven slechts een vordering tot schadevergoeding tot een beperkt bedrag konden indienen en dat nabestaanden van slachtoffers zich in het geheel niet als benadeelde partij in het strafproces konden voegen.

Artikel 21a van de Wim heeft hierin voorzien en luidt als volgt:

In geval van strafvervolging voor een van de in deze wet, de Uitvoeringswet folteringverdrag, de Uitvoeringswet genocideverdrag, dan wel de Wet oorlogsstrafrecht omschreven misdrijven begaan voor 1 april 1995 (cursivering rechtbank), zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering betreffende het slachtoffer en de benadeelde partij van toepassing.

Artikel 51f van het WvSv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

  1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

  2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

De rechtbank is mitsdien bevoegd om over de vorderingen te oordelen.

21.3

De beoordeling van de vorderingen

De vordering van [persoon 332]

[persoon 332] heeft een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden door het overlijden van haar broer [persoon 4, anders geschreven], de zogenaamde affectieschade. Hoewel de vordering niet is betwist, zal de rechtbank ambtshalve dienen te onderzoeken of haar vordering ontvankelijk is.

De rechtbank heeft geen enkele twijfels dat het overlijden van haar broer en de jarenlange onzekerheid over zijn lot voor [persoon 332] veel verdriet en pijn hebben veroorzaakt. In haar ter terechtzitting van 2 november 2017 afgelegde verklaring heeft zij treffend verwoord wat het overlijden van haar broer en deze onzekerheid met haar heeft gedaan en nog steeds met haar doet. De rechtbank begrijpt dat toekenning van haar vordering geen goedmaking of verzachting maar wel een zekere erkenning van het door haar ondervonden leed zou kunnen betekenen. De rechtbank wil haar deze erkenning zeker niet ontzeggen, maar ziet wettelijke beletselen om haar in haar vordering te kunnen ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat de broer van [persoon 332] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare feit. Ingevolge het bepaalde in artikel 51, tweede lid, van het WvSv kunnen in het geval degene die rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het strafbare feit is overleden zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen. Het gaat bij dergelijke vorderingen echter om vergoeding van materiële schade. [persoon 332] vordert vergoeding van de door haar geleden immateriële schade. Dat is bij de stand van de huidige wetgeving niet mogelijk. Weliswaar is inmiddels bij de Eerste Kamer een wetsvoorstel tot vergoeding van zogenoemde affectieschade aanhangig, maar dat kan haar niet baten nu dit voorstel geen kracht van wet heeft. De Hoge Raad heeft herhaalde malen geoordeeld dat de rechter niet de vrijheid heeft om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever in te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen. De rechtbank zal mr. Van Straaten daarom niet volgen in haar voorstel om te anticiperen op het wetsvoorstel.

Ten aanzien van het betoog van het openbaar ministerie dat het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen zou nopen tot toekenning van de gevorderde immateriële schadevergoeding van een nabestaande, overweegt de rechtbank dat artikel 24, vierde en vijfde lid, van dit Verdrag de Nederlandse staat verplicht bepaalde maatregelen te nemen. Deze bepalingen hebben evenwel geen rechtstreekse werking, zodat het de strafrechter niet de mogelijkheid geeft om - bij het ontbreken van een nationaal rechtelijke grondslag - in een strafzaak de verdachte te veroordelen een immateriële schadevergoeding te voldoen aan een nabestaande. Het is aan de wetgever om te bepalen op welke wijze hij aan deze verplichtingen wil voldoen.

De conclusie kan geen andere zijn dan dat [persoon 332] in haar vordering niet kan worden ontvangen. Zij kan haar vordering desgewenst bij de civiele rechter aanbrengen.

Gelet op het feit dat tegen de vordering geen verweer is gevoerd bestaat voor een veroordeling van [persoon 332] in de proceskosten van verdachte geen aanleiding.

De vorderingen van [persoon 111, anders geschreven], [persoon 174, anders geschreven], [persoon 315], [persoon 321, andere schrijfwijze] en [persoon 316]

Met de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van - onder meer - het Wetboek van Strafvordering (Stb. 2010, nr. 1, 30143) ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, is artikel 361, derde lid, van het WvSv gewijzigd op 1 januari 2011. Bij die wetswijziging is het vanaf 1 april 1995 geldende criterium voor de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij vervangen door het criterium of de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een redelijke, dan wel onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Niet tegenstaande de mogelijke toepassing van buitenlands recht - waarover later meer - zijn de vorderingen naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig belastend voor behandeling in deze strafzaak.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad is op de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen Ethiopisch recht van toepassing.

De raadsman van de benadeelde partijen heeft ter onderbouwing van de vorderingen en het toepasselijk recht een expert opinion gevoegd van Gebrehiwot Hadush en Abiy Chelkeba, respectievelijke dean en postgraduate programs coordinator van het Mekelle University College of law and Governance. De raadsman heeft onder verwijzing naar deze expert opinion gesteld dat de Ethiopische Civil Code de mogelijkheid kent van zogenaamde ’intentionele aansprakelijkheid’, dat wil zeggen aansprakelijkheid die voortvloeit uit opzettelijk handelen of nalaten van de verdachte. Het Ethiopisch recht kent daarnaast drie elementen van onrechtmatige daad, waarvan sprake moet zijn om vast te stellen dat er inderdaad sprake is van een onrechtmatige daad, te weten: er moet een grond van aansprakelijkheid zijn, het slachtoffer heeft schade geleden en er moet sprake zijn van causaal verband tussen het schadebrengende feit en de schade. De raadsman heeft onder verwijzing naar de expert opinion verder gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen naar Ethiopisch recht niet zijn verjaard, onder andere omdat deze door het Ethiopische strafproces tegen de verdachte is gestuit en daarna een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen.

Ten aanzien van de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering van een benadeelde partij gelden de regels van het civiele bewijsrecht. Die regels komen er kort gezegd op neer dat de eisende partij (de benadeelde) alle feiten moet stellen die nodig zijn voor het door hem beoogde rechtsgevolg. Partijen zijn verplicht de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De feiten zoals die door de benadeelde partijen zijn gesteld, zijn door of namens de verdachte niet betwist. Op grond van de regels van het civiele bewijsrecht hebben die feiten daarom tussen de benadeelde partij enerzijds en verdachte anderzijds te gelden als vaststaande feiten. Onverkorte toepassing van de civiele regels kan echter botsen met onderwerpen die het WvSv regelt, met name het recht van een verdachte op een eerlijk proces. De rechtbank heeft daarom nagegaan of de verdediging in voldoende mate in staat is geweest verweer tegen de vorderingen te voeren.

De rechtbank komt gelet op hetgeen hierboven ten aanzien van het verloop van dit onderdeel van de procedure is weergegeven tot het oordeel dat dat ruimschoots het geval is geweest.

De rechtbank acht de vorderingen van [persoon 111, anders geschreven], [persoon 174, anders geschreven], [persoon 315], [persoon 321, andere schrijfwijze]en [persoon 316] als vergoeding van immateriële schade toewijsbaar, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partijen schade hebben geleden als rechtstreeks gevolg van de onder feit 1 (jegens [persoon 111, anders geschreven], [persoon 174, anders geschreven], [persoon 315], [persoon 321, andere schrijfwijze] en [persoon 316] ), feit 2 (jegens [persoon 315]) en 4 (jegens [persoon 111, anders geschreven], [persoon 174, anders geschreven] en [persoon 321, andere schrijfwijze]) bewezenverklaarde feiten.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

De rechtbank is van oordeel dat het niet mogelijk is de toewijzing van de vorderingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De strafrechter doet over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak. Een strafvonnis is pas voor tenuitvoerlegging vatbaar als dit onherroepelijk is geworden. De rechtbank heeft in dit verband meegewogen het belang van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doch is van oordeel dat de bepalingen van het WvSv doorslaggevend zijn voor beantwoording van de vraag op welke wijze de civiele vordering in het strafproces wordt ingebed. Nu het WvSv niet voorziet in de mogelijkheid van dadelijke uitvoerbaarverklaring zal de rechtbank dan ook daartoe niet overgaan.

De rechtbank merkt op dat het haar niet vrijstaat om, al dan niet ambtshalve, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het WvSr op te leggen. Bij de schadevergoedingsmaatregel gaat het om een strafrechtelijke sanctie en het in artikel 1 van het WvSr vervatte legaliteitsbeginsel verzet zich ertegen dat deze kan worden opgelegd voor feiten die zijn gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet Terwee.

22 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 en 57 van het WvSr;

- 8 ( oud) en 9 (oud) van de WOS.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

23 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tweede cumulatief/alternatief en derde cumulatief/alternatief, de onder 2 eerste cumulatief/alternatief en derde cumulatief/alternatief en de onder 4 tweede cumulatief/alternatief en derde alternatief/cumulatief en vierde alternatief/cumulatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 eerste alternatief/cumulatief, de onder 2 tweede alternatief/cumulatief, de onder 3 eerste alternatief/cumulatief en tweede alternatief/cumulatief en de onder 4 eerste alternatief/ cumulatief tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor in hoofdstuk 17. in verkorte vorm weergegeven en in bijlage 3 volledig weergegeven en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, eerste alternatief/cumulatief:

medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is en terwijl het feit inhoudt een onmenselijke behandeling, meermalen gepleegd

en

medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit inhoudt het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2, eerste alternatief/cumulatief:

het opzettelijk toelaten, dat een aan hem ondergeschikte de wetten en gebruiken van de oorlog schendt en terwijl van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten was en terwijl het feit inhoudt een onmenselijke behandeling, meermalen gepleegd

en

het opzettelijk toelaten, dat een aan hem ondergeschikte de wetten en gebruiken van de oorlog schendt en terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander ten gevolge heeft en terwijl het feit inhoudt het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3, eerste alternatief/cumulatief:

medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood van een ander tengevolge heeft en terwijl het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten tegen personen dan wel geweldpleging tegen zieken of gewonden en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep van de bevolking en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3, tweede alternatief/cumulatief:

uitlokking van medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood van een ander tengevolge heeft en terwijl het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten tegen personen dan wel geweldpleging tegen zieken of gewonden en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep van de bevolking en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4, eerste alternatief/cumulatief:

medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit inhoudt een onmenselijke behandeling, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en terwijl het feit schending inhoudt van een gegeven belofte, meermalen gepleegd,

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een levenslange gevangenisstraf;

bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 332] niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [persoon 111, anders geschreven], [persoon 174, anders geschreven], [persoon 315], [persoon 321, anders geschreven en [persoon 316] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ieder van hen te betalen een bedrag van € 226,89;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door deze benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart en mr. M. Sepmeijer-Kovacevic, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2017.

Bijlage 1: De tenlastelegging

FEIT 1

Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978

1.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was;

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat hij, verdachte, toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

1. persoon 1]

2. [ persoon 2]

3. [ persoon 3]

4. [ persoon 4]

5. [ persoon 5]

6. [ persoon 6]

7. [ persoon 7]

8. [ persoon 8]

9. [ persoon 9]

10. [ persoon 10]

11. [ persoon 11]

12. [ persoon 12]

13. [ persoon 13]

14. [ persoon 14]

15. [ persoon 15]

16. [ persoon 16]

17. [ persoon 17]

18. [ persoon 18]

19. [ persoon 19]

20. [ persoon 20]

21. [ persoon 21]

22. [ persoon 22]

23. [ persoon 23]

24. [ persoon 24]

25. [ persoon 25]

26. [ persoon 26]

27. [ persoon 27]

28. [ persoon 28]

29. [ persoon 29]

30. [ persoon 30]

31. [ persoon 31]

32. [ persoon 32]

33. [ persoon 33]

34. [ persoon 34]

35. [ persoon 35]

36. [ persoon 36]

37. [ persoon 37]

38. [ persoon 38]

39. [ persoon 39]

40. [ persoon 40]

41. [ persoon 41]

42. [ persoon 42]

43. [ persoon 43]

44. [ persoon 44]

45. [ persoon 45]

46. [ persoon 46]

47. [ persoon 47]

48. [ persoon 48]

49. [ persoon 49]

50. [ persoon 50]

51. [ persoon 51]

52. [ persoon 52]

53. [ persoon 53]

54. [ persoon 54]

55. [ persoon 55]

56. [ persoon 56]

57. [ persoon 57]

58. [ persoon 58]

59. [ persoon 59]

60. [ persoon 60]

61. [ persoon 61]

62. [ persoon 62]

63. [ persoon 63]

64. [ persoon 64]

65. [ persoon 65]

66. [ persoon 66]

67. [ persoon 67]

68. [ persoon 68]

69. [ persoon 69]

70. [ persoon 70]

71. [ persoon 71]

72. [ persoon 72]

73. [ persoon 73]

74. [ persoon 74]

75. [ persoon 75]

76. [ persoon 76]

77. [ persoon 78]

78. [ persoon 78]

79. [ persoon 79]

80. [ persoon 80]

81. [ persoon 81]

82. [ persoon 82]

83. [ persoon 83]

84. [ persoon 84]

85. [ persoon 85]

86. [ persoon 86]

87. [ persoon 87]

88. [ persoon 88]

89. [ persoon 89]

90. [ persoon 90]

91. [ persoon 91]

92. [ persoon 92]

93. [ persoon 93]

94. [ persoon 94]

95. [ persoon 95]

96. [ persoon 96]

97. [ persoon 97]

98. [ persoon 98]

99. [ persoon 99]

100. [persoon 100]

101. [persoon 101]

102. [persoon 102]

103. [persoon 103]

104. [persoon 104]

105. [persoon 105]

106. [persoon 106]

107. [persoon 107]

108. [persoon 108]

109. [persoon 109]

110. [persoon 110]

111. [persoon 111]

112. [persoon 112]

113. [persoon 113]

114. [persoon 114]

115. [persoon 115]

116. [persoon 116]

117. [persoon 117]

118. [persoon 118]

119. [persoon 119]

120. [persoon 120]

121. [persoon 121]

122. [persoon 122]

123. [persoon 123]

124. [persoon 124]

125. [persoon 125]

126. [persoon 126]

127. [persoon 127]

128. [persoon 128]

129. [persoon 129]

130. [persoon 130]

131. [persoon 131]

132. [persoon 132]

133. [persoon 133]

134. [persoon 134]

135. [persoon 135]

136. [persoon 136]

137. [persoon 137]

138. [persoon 138]

139. [persoon 139]

140. [persoon 140]

141. [persoon 141]

142. [persoon 142]

143. [persoon 143]

144. [persoon 144]

145. [persoon 145]

146. [persoon 146]

147. [persoon 147]

148. [persoon 148]

149. [persoon 149]

150. [persoon 150]

151. [persoon 151]

152. [persoon 152]

153. [persoon 153]

154. [persoon 154]

155. [persoon 155]

156. [persoon 156]

157. [persoon 157]

158. [persoon 158]

159. [persoon 159]

160. [persoon 160]

161. [persoon 161]

162. [persoon 162]

163. [persoon 163]

164. [persoon 164]

165. [persoon 165]

166. [persoon 166]

167. [persoon 167]

168. [persoon 168]

169. [persoon 169]

170. [persoon 170]

171. [persoon 171]

172. [persoon 172]

173. [persoon 173]

174. [persoon 174]

175. [persoon 175]

176. [persoon 176]

177. [persoon 177]

178. [persoon 178]

179. [persoon 179]

180. [persoon 180]

181. [persoon 181]

182. [persoon 182]

183. [persoon 183]

184. [persoon 184]

185. [persoon 185]

186. [persoon 186]

187. [persoon 187]

188. [persoon 188]

189. [persoon 189]

190. [persoon 190]

191. [persoon 191]

192. [persoon 192]

193. [persoon 193]

194. [persoon 194]

195. [persoon 195]

196. [persoon 196]

197. [persoon 197]

198. [persoon 198]

199. [persoon 199]

200. [persoon 200]

201. [persoon 201]

202. [persoon 202]

203. [persoon 203]

204. [persoon 204]

205. [persoon 205]

206. [persoon 206]

207. [persoon 207]

208. [persoon 208]

209. [persoon 209]

210. [persoon 210]

211. [persoon 211]

212. [persoon 212]

213. [persoon 213]

214. [persoon 214]

215. [persoon 215]

216. [persoon 216]

217. [persoon 217]

218. [persoon 218]

219. [persoon 219]

220. [persoon 220]

221. [persoon 221]

222. [persoon 222]

223. [persoon 223]

224. [persoon 224]

225. [persoon 225]

226. [persoon 226]

227. [persoon 227]

228. [persoon 228]

229. [persoon 229]

230. [persoon 230]

231. [persoon 231]

232. [persoon 232]

233. [persoon 233]

234. [persoon 234]

235. [persoon 235]

236. [persoon 236]

237. [persoon 237]

238. [persoon 238]

239. [persoon 239]

240. [persoon 240]

241. [persoon 241]

242. [persoon 242]

243. [persoon 243]

244. [persoon 244]

245. [persoon 245]

246. [persoon 246]

247. [persoon 247]

248. [persoon 248]

249. [persoon 249]

250. [persoon 250]

251. [persoon 251]

252. [persoon 252]

253. [persoon 253]

254. [persoon 254]

255. [persoon 255]

256. [persoon 256]

257. [persoon 257]

258. [persoon 258]

259. [persoon 259]

260. [persoon 260]

261. [persoon 261]

262. [persoon 262]

263. [persoon 263]

264. [persoon 264]

265. [persoon 265]

266. [persoon 266]

267. [persoon 267]

268. [persoon 268]

269. [persoon 269]

270. [persoon 270]

271. [persoon 271]

272. [persoon 272]

273. [persoon 273]

274. [persoon 274]

275. [persoon 275]

276. [persoon 276]

277. [persoon 277]

278. [persoon 278]

279. [persoon 279]

280. [persoon 280]

281. [persoon 281]

282. [persoon 282]

283. [persoon 283]

284. [persoon 284]

285. [persoon 285]

286. [persoon 286]

287. [persoon 287]

288. [persoon 288]

289. [persoon 289]

290. [persoon 290]

291. [persoon 291]

292. [persoon 292]

293. [persoon 293]

294. [persoon 294]

295. [persoon 295]

296. [persoon 296]

297. [persoon 297]

298. [persoon 298]

299. [persoon 299]

300. [persoon 300]

301. [persoon 301]

302. [persoon 302]

303. [persoon 303]

304. [persoon 304]

305. [persoon 305]

306. [persoon 306]

307. [persoon 307]

308. [persoon 308]

309. [persoon 309]

310. [persoon 310]

311. [persoon 311]

312. [persoon 312]

313. [persoon 313]

314. [persoon 314]

315. [persoon 315]

316. [persoon 316]

317. [persoon 317]

318. [persoon 318]

319. [persoon 319]

320. [persoon 320]

321. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk heeft behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of ten uitvoer heeft gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid heeft beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer mededader(s)

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (op exposurebijeenkomsten) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen heeft/ hebben uitgesproken en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    huiszoekingen heeft/hebben verricht/laten verrichten bij voornoemde perso(o)n(en) en/of hen heeft/hebben gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of gevangenis gebracht/laten brengen en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

1.2

toelaten

dat aan verdachte ondergeschikte personen (zoals (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders) en/of één of meer andere(n) tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was;

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 1]

  2. [persoon 2]

  3. [persoon 3]

4. [ persoon 4]

5. [ persoon 5]

6. [ persoon 6]

7. [ persoon 7]

8. [ persoon 8]

9. [ persoon 9]

10. [ persoon 10]

11. [ persoon 11]

12. [ persoon 12]

13. [ persoon 13]

14. [ persoon 14]

15. [ persoon 15]

16. [ persoon 16]

17. [ persoon 17]

18. [ persoon 18]

19. [ persoon 19]

20. [ persoon 20]

21. [ persoon 21]

22. [ persoon 22]

23. [ persoon 23]

24. [ persoon 24]

25. [ persoon 25]

26. [ persoon 26]

27. [ persoon 27]

28. [ persoon 28]

29. [ persoon 29]

30. [ persoon 30]

31. [ persoon 31]

32. [ persoon 32]

33. [ persoon 33]

34. [ persoon 34]

35. [ persoon 35]

36. [ persoon 36]

37. [ persoon 37]

38. [ persoon 38]

39. [ persoon 39]

40. [ persoon 40]

41. [ persoon 41]

42. [ persoon 42]

43. [ persoon 43]

44. [ persoon 44]

45. [ persoon 45]

46. [ persoon 46]

47. [ persoon 47]

48. [ persoon 48]

49. [ persoon 49]

50. [ persoon 50]

51. [ persoon 51]

52. [ persoon 52]

53. [ persoon 53]

54. [ persoon 54]

55. [ persoon 55]

56. [ persoon 56]

57. [ persoon 57]

58. [ persoon 58]

59. [ persoon 59]

60. [ persoon 60]

61. [ persoon 61]

62. [ persoon 62]

63. [ persoon 63]

64. [ persoon 64]

65. [ persoon 65]

66. [ persoon 66]

67. [ persoon 67]

68. [ persoon 68]

69. [ persoon 69]

70. [ persoon 70]

71. [ persoon 71]

72. [ persoon 72]

73. [ persoon 73]

74. [ persoon 74]

75. [ persoon 75]

76. [ persoon 76]

77. [ persoon 77]

78. [ persoon 78]

79. [ persoon 79]

80. [ persoon 80]

81. [ persoon 81]

82. [ persoon 82]

83. [ persoon 83]

84. [ persoon 84]

85. [ persoon 85]

86. [ persoon 86]

87. [ persoon 87]

88. [ persoon 88]

89. [ persoon 89]

90. [ persoon 90]

91. [ persoon 91]

92. [ persoon 92]

93. [ persoon 93]

94. [ persoon 94]

95. [ persoon 95]

96. [ persoon 96]

97. [ persoon 97]

98. [ persoon 98]

99. [ persoon 99]

100. [persoon 100]

101. [persoon 101]

102. [persoon 102]

103. [persoon 103]

104. [persoon 104]

105. [persoon 105]

106. [persoon 106]

107. [persoon 107]

108. [persoon 108]

109. [persoon 109]

110. [persoon 110]

111. [persoon 111]

112. [persoon 112]

113. [persoon 113]

114. [persoon 114]

115. [persoon 115]

116. [persoon 116]

117. [persoon 117]

118. [persoon 118]

119. [persoon 119]

120. [persoon 120]

121. [persoon 121]

122. [persoon 122]

123. [persoon 123]

124. [persoon 124]

125. [persoon 125]

126. [persoon 126]

127. [persoon 127]

128. [persoon 128]

129. [persoon 129]

130. [persoon 130]

131. [persoon 131]

132. [persoon 132]

133. [persoon 133]

134. [persoon 134]

135. [persoon 135]

136. [persoon 136]

137. [persoon 137]

138. [persoon 138]

139. [persoon 139]

140. [persoon 140]

141. [persoon 141]

142. [persoon 142]

143. [persoon 143]

144. [persoon 144]

145. [persoon 145]

146. [persoon 146]

147. [persoon 147]

148. [persoon 148]

149. [persoon 149]

150. [persoon 150]

151. [persoon 151]

152. [persoon 152]

153. [persoon 153]

154. [persoon 154]

155. [persoon 155]

156. [persoon 156]

157. [persoon 157]

158. [persoon 158]

159. [persoon 159]

160. [persoon 160]

161. [persoon 161]

162. [persoon 162]

163. [persoon 163]

164. [persoon 164]

165. [persoon 165]

166.[persoon 166]

167. [persoon 167]

168. [persoon 168]

169. [persoon 169]

170. [persoon 170]

171. [persoon 171]

172. [persoon 172]

173. [persoon 173]

174. [persoon 174]

175. [persoon 175]

176. [persoon 176]

177. [persoon 177]

178. [persoon 178]

179. [persoon 179]

180. [persoon 180]

181. [persoon 181]

182. [persoon 182]

183. [persoon 183]

184. [persoon 184]

185. [persoon 185]

186. [persoon 186]

187. [persoon 187]

188. [persoon 188]

189. [persoon 189]

190. [persoon 190]

191. [persoon 191]

192. [persoon 192]

193. [persoon 193]

194. [persoon 194]

195. [persoon 195]

196. [persoon 196]

197. [persoon 197]

198. [persoon 198]

199. [persoon 199]

200. [persoon 200]

201. [persoon 201]

202. [persoon 202]

203. [persoon 203]

204. [persoon 204]

205. [persoon 205]

206. [persoon 206]

207. [persoon 207]

208. [persoon 208]

209. [persoon 209]

210. [persoon 210]

211. [persoon 211]

212. [persoon 212]

213. [peroon 213]

214. [persoon 214]

215. [persoon 215]

216. [persoon 216]

217. [persoon 217]

218. [persoon 218]

219. [persoon 219]

220. [persoon 220]

221. [persoon 221]

222. [persoon 222]

223. [persoon 223]

224. [persoon 224]

225. [pesroon 225]

226. [persoon 226]

227. [persoon 227]

228. [persoon 228]

229. [persoon 229]

230. [persoon 230]

231. [persoon 231]

232. [persoon 232]

233. [persoon 233]

234. [persoon 234]

235. [persoon 235]

236. [persoon 236]

237. [persoon 237]

238. [persoon 238]

239. [persoon 239]

240. [persoon 240]

241. [persoon 241]

242. [persoon 242]

243. [persoon 243]

244. [persoon 244]

245. [persoon 245]

246. [persoon 246]

247. [persoon 247]

248. [persoon 248]

249. [persoon 249]

250. [persoon 250]

251. [persoon 251]

252. [persoon 252]

253. [persoon 253]

254. [persoon 254]

255. [persoon 255]

256. [persoon 256]

257. [persoon 257]

258. [persoon 258]

259. [persoon 259]

260. [persoon 260]

261. [persoon 261]

262. [persoon 262]

263. [persoon 263]

264. [persoon 264]

265. [persoon 265]

266. [persoon 266]

267. [persoon 267]

268. [persoon 268]

269. [persoon 269]

270. [persoon 270]

271. [persoon 271]

272. [persoon 272]

273. [persoon 273]

274. [persoon 274]

275. [persoon 275]

276. [persoon 276]

277. [persoon 277]

278. [persoon 278]

279. [persoon 279]

280. [persoon 280]

281. [persoon 281]

282. [persoon 282]

283. [persoon 283]

284. [persoon 284]

285. [persoon 285]

286. [persoon 286]

287. [persoon 287]

288. [persoon 288]

289. [persoon 289]

290. [persoon 290]

291. [persoon 291]

292. [persoon 292]

293. [persoon 293]

294. [persoon 294]

295. [persoon 295]

296. [persoon 296]

297. [persoon 297]

298. [persoon 298]

299. [persoon 299]

300. [persoon 300]

301. [persoon 301]

302. [persoon 302]

303. [persoon 303]

304. [persoon 304]

305. [persoon 305]

306. [persoon 306]

307. [persoon 307]

308. [persoon 308]

309. [persoon 309]

310. [persoon 310]

311. [persoon 311]

312. [persoon 312]

313. [persoon 313]

314. [persoon 314]

315. [persoon 315]

316. [persoon 316]

317. [persoon 317]

318. [persoon 318]

319. [persoon 319]

320. [persoon 320]

321. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat die ondergeschikten

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (op exposurebijeenkomsten) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen heeft/hebben uitgesproken en/of ten uitvoer heeft/hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    huiszoekingen heeft/hebben verricht/laten verrichten bij voornoemde perso(o)n(en) en/of hen heeft/hebben gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of gevangenis gebracht/laten brengen en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

wat verdachte, zijnde vertegenwoordiger van Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojam, op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) opzettelijk heeft toegelaten en/of (in het bijzonder) geen en/of onvoldoende maatregelen heeft genomen om voornoemde misdrijven te voorkomen en/of te doen ophouden en/of te bestraffen

(art. 8 jo. 9 WOS)

en/of

1.3

medeplichtigheid

dat hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en/of één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was;

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 1]

  2. [persoon 2]

  3. [persoon 3]

4. [ persoon 4]

5. [ persoon 5]

6. [ persoon 6]

7. [ persoon 7]

8. [ persoon 8]

9. [ persoon 9]

10. [ persoon 10]

11. [ persoon 11]

12. [ persoon 12]

13. [ persoon 13]

14. [ persoon 14]

15. [ persoon 15]

16. [ persoon 16]

17. [ persoon 17]

18. [ persoon 18]

19. [ persoon 19]

20. [ persoon 20]

21. [ persoon 21]

22. [ persoon 22]

23. [ persoon 23]

24. [ persoon 24]

25. [ persoon 25]

26. [ persoon 26]

27. [ persoon 27]

28. [ persoon 28]

29. [ persoon 29]

30. [ persoon 30]

31. [ persoon 31]

32. [ persoon 32]

33. [ persoon 33]

34. [ persoon 34]

35. [ persoon 35]

36. [ persoon 36]

37. [ persoon 37]

38. [ persoon 38]

39. [ persoon 39]

40. [ persoon 40]

41. [ persoon 41]

42. [ persoon 42]

43. [ persoon 43]

44. [ persoon 44]

45. [ persoon 45]

46. [ persoon 46]

47. [ persoon 47]

48. [ persoon 48]

49. [ persoon 49]

50. [ persoon 50]

51. [ persoon 51]

52. [ persoon 52]

53. [ persoon 53]

54. [ persoon 54]

55. [ persoon 55]

56. [ persoon 56]

57. [ persoon 57]

58. [ persoon 58]

59. [ persoon 59]

60. [ persoon 60]

61. [ persoon 61]

62. [ persoon 62]

63. [ persoon 63]

64. [ persoon 64]

65. [ persoon 65]

66. [ persoon 66]

67. [ persoon 67]

68. [ persoon 68]

69. [ persoon 69]

70. [ persoon 70]

71. [ persoon 71]

72. [ persoon 72]

73. [ persoon 73]

74. [ persoon 74]

75. [ persoon 75]

76. [ persoon 76]

77. [ persoon 77]

78. [ persoon 78]

79. [ persoon 79]

80. [ persoon 80]

81. [ persoon 81]

82. [ persoon 82]

83. [ persoon 83]

84. [ persoon 84]

85. [ persoon 85]

86. [ persoon 86]

87. [ persoon 87]

88. [ persoon 88]

89. [ persoon 89]

90. [ persoon 90]

91. [ persoon 91]

92. [ persoon 92]

93. [ persoon 93]

94. [ persoon 94]

95. [ persoon 95]

96. [ persoon 96]

97. [ persoon 97]

98. [ persoon 98]

99. [ persoon 99]

100. [persoon 100]

101. [persoon 101]

102. [persoon 102]

103. [persoon 103]

104. [persoon 104]

105. [persoon 105]

106. [persoon 106]

107. [persoon 107]

108. [persoon 108]

109. [persoon 109]

110. [persoon 110]

111. [persoon 111]

112. [persoon 112]

113. [persoon 113]

114. [persoon 114]

115. [persoon 115]

116. [persoon 116]

117. [persoon 117]

118. [persoon 118]

119. [persoon 119]

120. [persoon 120]

121. [persoon 121]

122. [persoon 122]

123. [persoon 123]

124. [persoon 124]

125. [persoon 125]

126. [persoon 126]

127. [persoon 127]

128. [persoon 128]

129. [persoon 129]

130. [persoon 130]

131. [persoon 131]

132. [persoon 132]

133. [persoon 133]

134. [persoon 134]

135. [persoon 135]

136. [persoon 136]

137. [persoon 137]

138. [persoon 138]

139. [persoon 139]

140. [persoon 140]

141. [persoon 141]

142. [persoon 142]

143. [persoon 143]

144. [persoon 144]

145. [persoon 145]

146. [persoon 146]

147. [persoon 147]

148. [persoon 148]

149. [persoon 149]

150. [persoon 150]

151. [persoon 151]

152. [persoon 152]

153. [persoon 153]

154. [persoon 154]

155. [persoon 155]

156. [persoon 156]

157. [persoon 157]

158. [persoon 158]

159. [persoon 159]

160. [persoon 160]

161. [persoon 161]

162. [persoon 162]

163. [persoon 163]

164. [persoon 164]

165. [persoon 165]

166. [persoon 166]

167. [persoon 167]

168. [persoon 168]

169. [persoon 169]

170. [persoon 170]

171. [persoon 171]

172. [persoon 172]

173. [persoon 173]

174. [persoon 174]

175. [persoon 175]

176. [persoon 176]

177. [persoon 177]

178. [persoon 178]

179. [persoon 179]

180. [persoon 180]

181. [persoon 181]

182. [persoon 182]

183. [persoon 183]

184. [persoon 184]

185. [persoon 185]

186. [persoon 186]

187. [persoon 187]

188. [persoon 188]

189. [persoon 189]

190. [persoon 190]

191. [persoon 191]

192. [persoon 192]

193. [persoon 193]

194. [persoon 194]

195. [persoon 195]

196. [persoon 196]

197. [persoon 197]

198. [persoon 198]

199. [persoon 199]

200. [persoon 200]

201. [persoon 201]

202. [persoon 202]

203. [persoon 203]

204. [persoon 204]

205. [persoon 205]

206. [persoon 206]

207. [persoon 207]

208. [persoon 208]

209. [persoon 209]

210. [persoon 210]

211. [persoon 211]

212. [persoon 212]

213. [persoon 213]

214. [persoon 214]

215. [persoon 215]

216. [persoon 216]

217. [persoon 217]

218. [persoon 218]

219. [persoon 219]

220. [persoon 220]

221. [persoon 221]

222. [persoon 222]

223. [persoon 223]

224. persoon 224]

225. [persoon 225]

226. [persoon 226]

227. [persoon 227]

228. [persoon 228]

229. [persoon 229]

230. [persoon 230]

231. [persoon 231]

232. [persoon 232]

233. [persoon 233]

234. [persoon 234]

235. [persoon 235]

236. [persoon 236]

237. [persoon 237]

238. [persoon 238]

239. [persoon 239]

240. [persoon 240]

241. [persoon 241]

242. [persoon 242]

243. [persoon 243]

244. [persoon 244]

245. [persoon 245]

246. [persoon 246]

247. [persoon 247]

248. [persoon 248]

249. [persoon 249]

250. [persoon 250]

251. [persoon 251]

252. [persoon 252]

253. [persoon 253]

254. [persoon 254]

255. [persoon 255]

256. [persoon 256]

257. [persoon 257]

258. [persoon 258]

259. [persoon 259]

260. [persoon 260]

261. [persoon 261]

262. [persoon 262]

263. [persoon 263]

264. [persoon 264]

265. [persoon 265]

266. [persoon 266]

267. [persoon 267]

268. [persoon 268]

269. [persoon 269]

270. [persoon 270]

271. [persoon 271]

272. [persoon 272]

273. [persoon 273]

274. [persoon 274]

275. [persoon 275]

276. [persoon 276]

277. [persoon 277]

278. [persoon 278]

279. [persoon 279]

280. [persoon 280]

281. [persoon 281]

282. [persoon 282]

283. [persoon 283]

284. [persoon 284]

285. [persoon 285]

286. [persoon 286]

287. [persoon 287]

288. [persoon 288]

289. [persoon 289]

290. [persoon 290]

291. [persoon 291]

292. [persoon 292]

293. [persoon 293]

294. [persoon 294]

295. [persoon 295]

296. [persoon 296]

297. [persoon 297]

298. [persoon 298]

299. [persoon 299]

300. [persoon 300]

301. [persoon 301]

302. [persoon 302]

303. [persoon 303]

304. [persoon 304]

305. [persoon 305]

306. [persoon 306]

307. [persoon 307]

308. [persoon 308]

309. [persoon 309]

310. [persoon 310]

311. [persoon 311]

312. [persoon 312]

313. [persoon 313]

314. [persoon 314]

315. [persoon 315]

316. [persoon 316]

317. [persoon 317]

318. [persoon 318]

319. [persoon 319]

320. [persoon 320]

321. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat zij

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (op exposurebijeenkomsten) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen heeft/hebben uitgesproken en/of ten uitvoer heeft/hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    huiszoekingen heeft/hebben verricht/laten verrichten bij voornoemde perso(o)n(en) en/of hen heeft/hebben gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of gevangenis gebracht/laten brengen en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

bij en/of tot het plegen van welke (vorenomschreven) misdrijven hij, verdachte

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,

door toen en daar opzettelijk

- meermalen, in ieder geval eenmaal, een zogehete (exposure)bijeenkomst te hebben geleid althans in ieder geval aanwezig te zijn geweest en/of

- opdrachten heeft gegeven voornoemde perso(o)n(en) te arresteren en/of

-voornoemde perso(o)n(en) ter beschikking heeft gesteld aan hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen en/of

-de onmenselijke omstandigheden in de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel in stand heeft gehouden

(art. 8 WOS (oud) jo. 48 Sr.)

FEIT 2

Marteling

2.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat hij, verdachte, toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 322]

  2. [persoon 136, anders geschreven]

  3. [persoon 323]

  4. [persoon 313, anders geschreven]

  5. [persoon 324]

  6. [persoon 325]

  7. [persoon 315]

  8. [persoon 326]

  9. [persoon 327]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) heeft gemarteld

Welke marteling hierin bestond dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) met het oogmerk informatie en/of een bekentenis te verkrijgen en/of voornoemde perso(o)n(en) te bestraffen en/of te intimideren en/of voornoemde perso(o)n(en) en/of één of meer derden te dwingen iets te doen of na te laten en/of om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) tegen (het) geslachtsde(e)l(en) en/of de (blote) voeten en/of hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voeten en handen van voornoemde perso(o)n(en) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of vervolgens heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen het gezicht en/of het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben vastgebonden aan de armen en/of handen en/of heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen de (blote) voeten en/of tegen het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen terwijl een of meer voornoemde perso(o)n(en) een bal of een ander voorwerp in zijn/haar mond had(den)

terwijl voornoemde perso(o)n(en) zich in gevangenschap bevonden

tengevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) ernstige pijn of ernstig lijden en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft/hebben ondervonden

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

2.2

toelaten

dat aan verdachte ondergeschikte personen (zoals (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders) en één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 322]

  2. [persoon 136, anders geschreven]

  3. [persoon 323]

  4. [persoon 313, anders geschreven]

  5. [persoon 324]

  6. [persoon 325]

  7. [persoon 315]

  8. [persoon 326]

  9. [persoon 327]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) hebben gemarteld

welke marteling hierin bestond dat die ondergeschikten

met het oogmerk informatie en/of een bekentenis te verkrijgen en/of voornoemde perso(o)n(en) te bestraffen en/of te intimideren en/of voornoemde perso(o)n(en) en/of één of meer derden te dwingen iets te doen of na te laten en/of om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) tegen (het) geslachtsde(e)l(en) en/of de (blote) voeten en/of hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voeten en handen van voornoemde perso(o)n(en) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of vervolgens heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen het gezicht en/of het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben vastgebonden aan de armen en/of handen en/of heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen de (blote) voeten en/of tegen het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen terwijl een of meer voornoemde perso(o)n(en) een bal of een ander voorwerp in zijn/haar mond had(den)

terwijl voornoemde perso(o)n(en) zich in gevangenschap bevonden

tengevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) ernstige pijn of ernstig lijden en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft/hebben ondervonden

wat verdachte, zijnde vertegenwoordiger van Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojam ,op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) opzettelijk heeft toegelaten en/of (in het bijzonder) geen en/of onvoldoende maatregelen heeft genomen om voornoemde misdrijven te voorkomen en/of te doen ophouden en/of te bestraffen

(art. 8 jo. 9 WOS (oud))

en/of

2.3

medeplichtigheid

dat (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 322]

  2. [persoon 136, anders geschreven]

  3. [persoon 323]

  4. [persoon 313, anders geschreven]

  5. [persoon 324]

  6. [persoon 325]

  7. [persoon 315]

  8. [persoon 326]

  9. [persoon 327]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) hebben gemarteld

welke marteling hierin bestond dat (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen

met het oogmerk informatie en/of een bekentenis te verkrijgen en/of voornoemde perso(o)n(en) te bestraffen en/of te intimideren en/of voornoemde perso(o)n(en) en/of één of meer derden te dwingen iets te doen of na te laten en/of om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) tegen (het) geslachtsde(e)l(en) en/of de (blote) voeten en/of hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voeten en handen van voornoemde perso(o)n(en) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of vervolgens heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen het gezicht en/of het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben vastgebonden aan de armen en/of handen en/of heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen de (blote) voeten en/of tegen het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen terwijl een of meer voornoemde perso(o)n(en) een bal of een ander voorwerp in zijn/haar mond had(den)

terwijl voornoemde perso(o)n(en) zich in gevangenschap bevonden

tengevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) ernstige pijn of ernstig lijden en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft/hebben ondervonden

bij en/of tot het plegen van welke (vorenomschreven) marteling hij, verdachte op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen hebben verschaft,

door toen en daar opzettelijk

-verhoorders uit Addis Abeba te laten komen naar het politiekamp en/of gevangenis van Debre Marcos en/of

-voornoemde perso(o)n(en) ter beschikking te stellen aan (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen

(art. 8 WOS (oud) jo. 48 Sr.)

FEIT 3

Doden op 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978

3.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of schendingen van met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomsten en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was;

hierin bestaande dat hij, verdachte toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

tegen personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 4]

  2. [persoon 5]

  3. [persoon 6]

  4. [persoon 7]

  5. [persoon 8]

  6. [persoon 9]

  7. [persoon 10]

  8. [persoon 11]

  9. [persoon 12]

  10. [persoon 13]

  11. [persoon 14]

  12. [persoon 15]

  13. [persoon 16]

  14. [persoon 17]

  15. [persoon 18]

  16. [persoon 19]

  17. [persoon 20]

  18. [persoon 21]

  19. [persoon 22]

  20. [persoon 23]

  21. [persoon 24]

  22. [persoon 25]

  23. [persoon 26]

  24. [persoon 27]

  25. [persoon 28]

  26. [persoon 29]

  27. [persoon 30]

  28. [persoon 31]

  29. [persoon 32]

  30. [persoon 33]

  31. [persoon 34]

  32. [persoon 35]

  33. [persoon 36]

  34. [persoon 37]

  35. [persoon 38]

  36. [persoon 39]

  37. [persoon 40]

  38. [persoon 41]

  39. [persoon 42]

  40. [persoon 43]

  41. [persoon 44]

  42. [persoon 45]

  43. [persoon 46]

  44. [persoon 47]

  45. [persoon 48]

  46. [persoon 49]

  47. [persoon 50]

  48. [persoon 51]

  49. [persoon 52]

  50. [persoon 53]

  51. [persoon 54]

  52. [persoon 55]

  53. [persoon 56]

  54. [persoon 57]

  55. [persoon 58]

  56. [persoon 59]

  57. [persoon 60]

  58. [persoon 61]

  59. [persoon 62]

  60. [persoon 63]

  61. [persoon 64]

  62. [persoon 65]

  63. [persoon 66]

  64. [persoon 67]

  65. [persoon 68]

  66. [persoon 69]

  67. [persoon 70]

  68. [persoon 71]

  69. [persoon 72]

  70. [persoon 73]

  71. [persoon 74]

  72. [persoon 75]

  73. [persoon 76]

  74. [persoon 77]

  75. [persoon 78]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) een aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging heeft gepleegd (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen heeft gedood

welk(e) aanslag(en) op het leven en/of lichamelijke geweldpleging, en/of doden hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s)

-meermalen, althans eenmaal met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) in het lichaam en/ of het hoofd van voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geschoten en/of voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben gewurgd en/of doen stikken met een touw(en), althans een voorwerp en/of voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben begraven of een of meer andere vormen van geweld en/of andere geweldshandelingen op die voornoemde perso(o)n(en) heeft/ hebben toegepast/uitgeoefend

ten gevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) zijn overleden

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

3.2

Uitlokking

dat [persoon 412] en/of [prsoon 396] en/of bewakers en/of een of meer andere(n) tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was;

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

tegen een (of meer) perso(o)n(en) die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam(en) (te weten burger(s) en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak),

te weten

  1. [persoon 4]

  2. [persoon 5]

  3. [persoon 6]

  4. [persoon 7]

  5. [persoon 8]

  6. [persoon 9]

  7. [persoon 10]

  8. [persoon 11]

  9. [persoon 12]

  10. [persoon 13]

  11. [persoon 14]

  12. [persoon 15]

  13. [persoon 16]

  14. [persoon 17]

  15. [persoon 18]

  16. [persoon 19]

  17. [persoon 20]

  18. [persoon 21]

  19. [persoon 22]

  20. [persoon 23]

  21. [persoon 24]

  22. [persoon 25]

  23. [persoon 26]

  24. [persoon 27]

  25. [persoon 28]

  26. [persoon 29]

  27. [persoon 30]

  28. [persoon 31]

  29. [persoon 32]

  30. [persoon 33]

  31. [persoon 34]

  32. [persoon 35]

  33. [persoon 36]

  34. [persoon 37]

  35. [persoon 38]

  36. [persoon 39]

  37. [persoon 40]

  38. [persoon 41]

  39. [persoon 42]

  40. [persoon 43]

  41. [persoon 44]

  42. [persoon 45]

  43. [persoon 46]

  44. [persoon 47]

  45. [persoon 48]

  46. [persoon 49]

  47. [persoon 50]

  48. [persoon 51]

  49. [persoon 52]

  50. [persoon 53]

  51. [persoon 54]

  52. [persoon 55]

  53. [persoon 56]

  54. [persoon 57]

  55. [persoon 58]

  56. [persoon 59]

  57. [persoon 60]

  58. [persoon 61]

  59. [persoon 62]

  60. [persoon 63]

  61. [persoon 64]

  62. [persoon 65]

  63. [persoon 66]

  64. [persoon 67]

  65. [persoon 68]

  66. [persoon 69]

  67. [persoon 70]

  68. [persoon 71]

  69. [persoon 72]

  70. [persoon 73]

  71. [persoon 74]

  72. [persoon 75]

  73. [persoon 76]

  74. [persoon 77]

  75. [persoon 78]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) een aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging hebben gepleegd (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen hebben gedood

welk(e) aanslag(en) op het leven en/of lichamelijke geweldpleging, en/of doden hierin bestond(en) dat zij

-meermalen, althans eenmaal met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) in het lichaam en/ of het hoofd van voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geschoten en/of voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben gewurgd en/of doen stikken met een touw(en), althans een voorwerp en/of voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben begraven of een of meer andere vormen van geweld en/of andere geweldshandelingen op die voornoemde perso(o)n(en) heeft/ hebben toegepast/uitgeoefend

ten gevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) zijn overleden

welke misdrijven hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978, in ieder geval in 1978 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

door middel van giftenbeloften, misbruik van gezag, geweld bedreiging ,misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt,

immers heeft hij (gebruikmakend van zijn positie als vertegenwoordiger van de Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojam

toen en daar

-schriftelijke en/of telefonisch bevel gegeven tot het (laten) doden (revolutionaire maatregelen) van voornoemde perso(o)n(en)

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

FEIT 4

Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981

4.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat hij, verdachte, toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

1. persoon 82]

2. [ persoon 83]

3. [ persoon 84]

4. [ persoon 85]

5. [ persoon 86]

6. [ persoon 87]

7. [ persoon 88]

8. [ persoon 89]

9. [ persoon 90]

10. [ persoon 91]

11. [ persoon 92]

12. [ persoon 93]

13. [ persoon 94]

14. [ persoon 95]

15. [ persoon 96]

16. [ persoon 97]

17. [ persoon 98]

18. [ persoon 99]

19. [ persoon 100]

20. [ persoon 101]

21. [ persoon 102]

22. [ persoon 103]

23. [ persoon 104]

24. [ persoon 105]

25. [ persoon 106]

26. [ persoon 107]

27. [ persoon 108]

28. [ persoon 109]

29. [ persoon 110]

30. [ persoon 111]

31. [ persoon 112]

32. [ persoon 113]

33. [ persoon 114]

34. [ persoon 115]

35. [ persoon 116]

36. [ persoon 117]

37. [ persoon 118]

38. [ persoon 119]

39. [ persoon 120]

40. [ persoon 121]

41. [ persoon 122]

42. [ persoon 123]

43. [ persoon 124]

44. [ persoon 125]

45. [ persoon 126]

46. [ persoon 127]

47. [ persoon 128]

48. [ persoon 129]

49. [ persoon 130]

50. [ persoon 131]

51. [ persoon 132]

52. [ persoon 133]

53. [ persoon 134]

54. [ persoon 135]

55. [ persoon 136]

56. [ persoon 137]

57. [ persoon 138]

58. [ persoon 139]

59. [ persoon 140]

60. [ persoon 141]

61. [ persoon 142]

62. [ persoon 143]

63. [ persoon 144]

64. [ persoon 145]

65. [ persoon 146]

66. [ persoon 147]

67. [ persoon 148]

68. [ persoon 149]

69. [ persoon 150]

70. [ persoon 151]

71. [ persoon 152]

72. [ persoon 153]

73. [ persoon 154]

74. [ persoon 155]

75. [ persoon 156]

76. [ persoon 157]

77. [ persoon 158]

78. [ persoon 159]

79. [ persoon 160]

80. [ persoon 161]

81. [ persoon 162]

82. [ persoon 163]

83. [ persoon 164]

84. [ persoon 165]

85. [ persoon 166]

86. [ persoon 167]

87. [ persoon 168]

88. [ persoon 169]

89. [ persoon 170]

90. [ persoon 171]

91. [ persoon 172]

92. [ persoon 173]

93. [ persoon 174]

94. [ persoon 175]

95. [ persoon 176]

96. [ persoon 177]

97. [ persoon 178]

98. [ persoon 179]

99. [ persoon 180]

100. [persoon 181]

101. [persoon 182]

102. [persoon 183]

103. [persoon 184]

104. [persoon 185]

105. [persoon 186]

106. [persoon 187]

107. [persoon 188]

108. [persoon 189]

109. [persoon 190]

110. [persoon 191]

111. [persoon 192]

112. [persoon 193]

113. [persoon 194]

114. [persoon 195]

115. [persoon 196]

116. [persoon 197]

117. [persoon 198]

118. [persoon 199]

119. [persoon 200]

120. [persoon 201]

121. [persoon 202]

122. [persoon 203]

123. [persoon 204]

124. [persoon 205]

125. [persoon 206]

126. [persoon 207]

127. [persoon 208]

128. [persoon 209]

129. [persoon 210]

130. [persoon 211]

131. [persoon 212]

132. [persoon 213]

133. [persoon 214]

134. [persoon 215]

135. [persoon 216]

136. [persoon 217]

137. [persoon 218]

138. [persoon 219]

139. [persoon 220]

140. [persoon 221]

141. [persoon 222]

142. [persoon 223]

143. [persoon 224]

144. [persoon 225]

145. [persoon 226]

146. [persoon 227]

147. [persoon 228]

148. [persoon 229]

149. [persoon 230]

150. [persoon 231]

151. [persoon 232]

152. [persoon 233]

153. [persoon 234]

154. [persoon 235]

155. [persoon 236]

156. [persoon 237]

157. [persoon 238]

158. [persoon 239]

159. [persoon 240]

160. [persoon 241]

161. [persoon 242]

162. [persoon 243]

163. [persoon 244]

164. [persoon 245]

165. [persoon 247]

167. [persoon 248]

168. [persoon 250]

170. [persoon 251]

171. [persoon 252]

172. [persoon 253]

173. [persoon 254]

174. [persoon 255]

175. [persoon 256]

176. [persoon 257]

177. [persoon 258]

178. [persoon 259]

179. [persoon 260]

180. [persoon 261]

181. [persoon 262]

182. [persoon 263]

183. [persoon 264]

184. [persoon 265]

185. [persoon 266]

186. [persoon 267]

187. [persoon 268]

188. [persoon 269]

189. [persoon 270]

190. [persoon 271]

191. [persoon 272]

192. [persoon 273]

193. [persoon 274]

194. [persoon 275]

195. [persoon 276]

196. [persoon 277]

197. [persoon 278]

198. [persoon 279]

199. [persoon 280]

200. [persoon 281]

201. [persoon 282]

202. [persoon 283]

203. [persoon 284]

204. [persoon 285]

205. [persoon 286]

206. [persoon 287]

207. [persoon 288]

208. [persoon 289]

209. [persoon 290]

210. [persoon 291]

211. [persoon 292]

212. [persoon 293]

213. [persoon 294]

214. [persoon 295]

215. [persoon 296]

216. [persoon 297]

217. [persoon 298]

218. [persoon 299]

219. [persoon 300]

220. [persoon 301]

221. [persoon 302]

222. [persoon 303]

223. [persoon 304]

224. [persoon 305]

225. [persoon 306]

226. [persoon 307]

227. [persoon 308]

228. [persoon 309]

229. [persoon 310]

230. [persoon 311]

231. [persoon 312]

232. [persoon 313]

233. [persoon 314]

234. [persoon 315]

235. [persoon 316]

236. [persoon 317]

237. [persoon 318]

238. [persoon 319]

239. [persoon 320]

240. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk heeft behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of tenuitvoer heeft gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid heeft beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of één of meer mededader(s)

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) heeft/ hebben uitgevaardigd in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 1978 en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

4.2

Uitlokking

dat hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of politiebeambten en/of bewakers en één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

een (of meer) perso(o)n(en) die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam(en) (te weten burger(s) en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak),

te weten

1. persoon 82]

2. [ persoon 83]

3. [ persoon 84]

4. [ persoon 85]

5. [ persoon 86]

6. [ persoon 87]

7. [ persoon 88]

8. [ persoon 89]

9. [ persoon 90]

10. [ persoon 91]

11. [ persoon 92]

12. [ persoon 93]

13. [ persoon 94]

14. [ persoon 95]

15. [ persoon 96]

16. [ persoon 97]

17. [ persoon 98]

18. [ persoon 99]

19. [ persoon 100]

20. [ persoon 101]

21. [ persoon 102]

22. [ persoon 103]

23. [ persoon 104]

24. [ persoon 105]

25. [ persoon 106]

26. [ persoon 107]

27. [ persoon 108]

28. [ persoon 109]

29. [ persoon 110]

30. [ persoon 111]

31. [ persoon 112]

32. [ persoon 113]

33. [ persoon 114]

34. [ persoon 115]

35. [ persoon 116]

36. [ persoon 117]

37. [ persoon 118]

38. [ persoon 119]

39. [ persoon 120]

40. [ persoon 121]

41. [ persoon 122]

42. [ persoon 123]

43. [ persoon 124]

44. [ persoon 125]

45. [ persoon 126]

46. [ persoon 127]

47. [ persoon 128]

48. [ persoon 129]

49. [ persoon 130]

50. [ persoon 131]

51. [ persoon 132]

52. [ persoon 133]

53. [ persoon 134]

54. [ persoon 135]

55. [ persoon 136]

56. [ persoon 137]

57. [ persoon 138]

58. [ persoon 139]

59. [ persoon 140]

60. [ persoon 141]

61. [ persoon 142]

62. [ persoon 143]

63. [ persoon 144]

64. [ persoon 145]

65. [ persoon 146]

66. [ persoon 147]

67. [ persoon 148]

68. [ persoon 149]

69. [ persoon 150]

70. [ persoon 151]

71. [ persoon 152]

72. [ persoon 153]

73. [ persoon 154]

74. [ persoon 155]

75. [ persoon 156]

76. [ persoon 157]

77. [ persoon 158]

78. [ persoon 159]

79. [ persoon 160]

80. [ persoon 161]

81. [ persoon 162]

82. [ persoon 163]

83. [ persoon 164]

84. [ persoon 165]

85. [ persoon 166]

86. [ persoon 167]

87. [ persoon 168]

88. [ persoon 169]

89. [ persoon 170]

90. [ persoon 171]

91. [ persoon 172]

92. [ persoon 173]

93. [ persoon 174]

94. [ persoon 175]

95. [ persoon 176]

96. [ persoon 177]

97. [ persoon 178]

98. [ persoon 179]

99. [ persoon 180]

100. [persoon 181]

101. [persoon 182]

102. [persoon 183]

103. [persoon 184]

104. [persoon 185]

105. [persoon 186]

106. [persoon 187]

107. [persoon 188]

108. [persoon 189]

109. [persoon 190]

110. [persoon 191]

111. [persoon 192]

112. [persoon 193]

113. [persoon 194]

114. [persoon 195]

115. [persoon 196]

116. [persoon 197]

117. [persoon 198]

118. [persoon 199]

119. [persoon 200]

120. [persoon 201]

121. [persoon 202]

122. [persoon 203]

123. [persoon 204]

124. [persoon 205]

125. [persoon 206]

126. [persoon 207]

127. [persoon 208]

128. [persoon 209]

129. [persoon 210]

130. [persoon 211]

131. [persoon 212]

132. [persoon 213]

133. [persoon 214]

134. [persoon 215]

135. [persoon 216]

136. [persoon 217]

137. [persoon 218]

138. [persoon 219]

139. [persoon 220]

140. [persoon 221]

141. [persoon 222]

142. [persoon 223]

143. [persoon 224]

144. [persoon 225]

145. [persoon 226]

146. [persoon 227]

147. [persoon 228]

148. [persoon 229]

149. [persoon 230]

150. [persoon 231]

151. [persoon 232]

152. [persoon 233]

153. [persoon 234]

154. [persoon 235]

155. [persoon 236]

156. [persoon 237]

157. [persoon 238]

158. [persoon 239]

159. [persoon 240]

160. [persoon 241]

161. [persoon 242]

162. [persoon 243]

163. [persoon 244]

164. [persoon 245]

165. [persoon 246]

166. [persoon 247]

167. [persoon 248]

168. [persoon 249]

169. [persoon 250]

170. [persoon 251]

171. [persoon 252]

172. [persoon 253]

173. [persoon 254]

174. [persoon 255]

175. [persoon 256]

176. [persoon 257]

177. [persoon 258]

178. [persoon 259]

179. [persoon 260]

180. [persoon 261]

181. [persoon 262]

182. [persoon 263]

183. [persoon 264]

184. [persoon 265]

185. [persoon 266]

186. [persoon 267]

187. [persoon 268]

188. [persoon 269]

189. [persoon 270]

190. [persoon 271]

191. [persoon 272]

192. [persoon 273]

193. [persoon 274]

194. [persoon 275]

195. [persoon 276]

196. [persoon 277]

197. [persoon 278]

198. [persoon 279]

199. [persoon 280]

200. [persoon 281]

201. [persoon 282]

202. [persoon 283]

203. [persoon 284]

204. [persoon 285]

205. [persoon 286]

206. [persoon 287]

207. [persoon 288]

208. [persoon 289]

209. [persoon 290]

210. [persoon 291]

211. [persoon 292]

212. [persoon 293]

213. [persoon 294]

214. [persoon 295]

215. [persoon 296]

216. [persoon 297]

217. [persoon 298]

218. [persoon 299]

219. [persoon 300]

220. [persoon 301]

221. [persoon 302]

222. [persoon 303]

223. [persoon 304]

224. [persoon 305]

225. [persoon 306]

226. [persoon 307]

227. [persoon 308]

228. [persoon 309]

229. [persoon 310]

230. [persoon 311]

231. [persoon 312]

232. [persoon 313]

233. [persoon 314]

234. [persoon 315]

235. [persoon 316]

236. [persoon 317]

237. [persoon 318]

238. [persoon 319]

239. [persoon 320]

240. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen hebben uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) heeft/ hebben uitgevaardigd in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 augustus 1978 en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

welke misdrijven hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

door middel van giften, beloften, misbruik van gezag, geweld bedreiging ,misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt,

immers heeft hij (gebruikmakend van zijn positie als als vertegenwoordiger van de Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojam

toen en daar

-opdracht gegeven om aan voornoemde perso(o)n(en) gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) op te leggen en/of ten uitvoer te leggen en/of

- de onmenselijke omstandigheden in de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel in stand gehouden

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

4.3

toelaten

dat aan verdachte ondergeschikte personen (zoals hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of politiebeambten en/of bewakers) en één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben/heeft gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

1. persoon 82]

2. [ persoon 83]

3. [ persoon 84]

4. [ persoon 85]

5. [ persoon 86]

6. [ persoon 87]

7. [ persoon 88]

8. [ persoon 89]

9. [ persoon 90]

10. [ persoon 91]

11. [ persoon 92]

12. [ persoon 93]

13. [ persoon 94]

14. [ persoon 95]

15. [ persoon 96]

16. [ persoon 97]

17. [ persoon 98]

18. [ persoon 99]

19. [ persoon 100]

20. [ persoon 101]

21. [ persoon 102]

22. [ persoon 103]

23. [ persoon 104]

24. [ persoon 105]

25. [ persoon 106]

26. [ persoon 107]

27. [ persoon 108]

28. [ persoon 109]

29. [ persoon 110]

30. [ persoon 111]

31. [ persoon 112]

32. [ persoon 113]

33. [ persoon 114]

34. [ persoon 115]

35. [ persoon 116]

36. [ persoon 117]

37. [ persoon 118]

38. [ persoon 119]

39. [ persoon 120]

40. [ persoon 121]

41. [ persoon 122]

42. [ persoon 123]

43. [ persoon 124]

44. [ persoon 125]

45. [ persoon 126]

46. [ persoon 127]

47. [ persoon 128]

48. [ persoon 129]

49. [ persoon 130]

50. [ persoon 131]

51. [ persoon 132]

52. [ persoon 133]

53. [ persoon 134]

54. [ persoon 135]

55. [ persoon 136]

56. [ persoon 137]

57. [ persoon 138]

58. [ persoon 139]

59. [ persoon 140]

60. [ persoon 141]

61. [ persoon 142]

62. [ persoon 143]

63. [ persoon 144]

64. [ persoon 145]

65. [ persoon 146]

66. [ persoon 147]

67. [ persoon 148]

68. [ persoon 149]

69. [ persoon 150]

70. [ persoon 151]

71. [ persoon 152]

72. [ persoon 153]

73. [ persoon 154]

74. [ persoon 155]

75. [ persoon 156]

76. [ persoon 157]

77. [ persoon 158]

78. [ persoon 159]

79. [ persoon 160]

80. [ persoon 161]

81. [ persoon 162]

82. [ persoon 163]

83. [ persoon 164]

84. [ persoon 165]

85. [ persoon 166]

86. [ persoon 167]

87. [ persoon 168]

88. [ persoon 169]

89. [ persoon 170]

90. [ persoon 171]

91. [ persoon 172]

92. [ persoon 173]

93. [ persoon 174]

94. [ persoon 175]

95. [ persoon 176]

96. [ persoon 177]

97. [ persoon 178]

98. [ persoon 179]

99. [ persoon 180]

100. [persoon 181]

101. [persoon 182]

102. [persoon 183]

103. [persoon 184]

104. [persoon 185]

105. [persoon 186]

106. [persoon 187]

107. [persoon 188]

108. [persoon 189]

109. [persoon 190]

110. [persoon 191]

111. [persoon 192]

112. [persoon 193]

113. [persoon 194]

114. [persoon 195]

115. [persoon 196]

116. [persoon 197]

117. [persoon 198]

118. [persoon 199]

119. [persoon 200]

120. [persoon 201]

121. [persoon 202]

122. [persoon 203]

123. [persoon 204]

124. [persoon 205]

125. [persoon 206]

126. [persoon 207]

127. [persoon 208]

128. [persoon 209]

129. [persoon 210]

130. [persoon 211]

131. [persoon 212]

132. [persoon 213]

133. [persoon 214]

134. [persoon 215]

135. [persoon 216]

136. [persoon 217]

137. [persoon 218]

138. [persoon 219]

139. [persoon 220]

140. [persoon 221]

141. [persoon 222]

142. [persoon 223]

143. [persoon 224]

144. [persoon 225]

145. [persoon 226]

146. [persoon 227]

147. [persoon 228]

148. [persoon 229]

149. [persoon 230]

150. [persoon 231]

151. [persoon 232]

152. [persoon 233]

153. [persoon 234]

154. [persoon 235]

155. [persoon 236]

156. [persoon 237]

157. [persoon 238]

158. [persoon 239]

159. [persoon 240]

160. [persoon 241]

161. [persoon 242]

162. [persoon 243]

163. [persoon 244]

164. [persoon 245]

165. [persoon 246]

166. [persoon 247]

167. [persoon 248]

168. [persoon 249]

169. [persoon 250]

170. [persoon 251]

171. [persoon 253]

172. [persoon 254]

173. [persoon 255]

174. [persoon 255]

175. [persoon 256]

176. [peroon 257]

177. [persoon 258]

178. [persoon 259]

179. [persoon 260]

180. [persoon 261]

181. [persoon 262]

182. [persoon 263]

183. [persoon 264]

184. [persoon 265]

185. [persoon 266]

186. [persoon 267]

187. [persoon 268]

188. [persoon 269]

189. [persoon 270]

190. [persoon 271]

191. [persoon 272]

192. [persoon 273]

193. [persoon 274]

194. [persoon 275]

195. [persoon 276]

196. [persoon 277]

197. [persoon 278]

198. [persoon 279]

199. [persoon 280]

200. [persoon 281]

201. [persoon 282]

202. [persoon 283]

203. [persoon 284]

204. [persoon 285]

205. [persoon 286]

206. [persoon 287]

207. [persoon 288]

208. [persoon 289]

209. [persoon 290]

210. [persoon 291]

211. [persoon 292]

212. [persoon 293]

213. [persoon 294]

214. [persoon 295]

215. [persoon 296]

216. [persoon 297]

217. [persoon 298]

218. [persoon 299]

219. [persoon 300]

220. [persoon 301]

221. [persoon 302]

222. [persoon 303]

223. [persoon 304]

224. [persoon 305]

225. [persoon 306]

226. [persoon 307]

227. [persoon 308]

228. [persoon 309]

229. [persoon 310]

230. [persoon 311]

231. [persoon 312]

232. [persoon 313]

233. [persoon 314]

234. [persoon 315]

235. [persoon 316]

236. [persoon 317]

237. [persoon 318]

238. [persoon 319]

239. [persoon 320]

240. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen hebben uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat die ondergeschikten

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) heeft/ hebben uitgevaardigd in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 augustus 1978 en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

wat verdachte, zijnde vertegenwoordiger van Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojam ,op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van van 24 augustus 1978 tot en met 31 december 1981, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) opzettelijk heeft toegelaten en/of (in het bijzonder) geen en/of onvoldoende maatregelen heeft genomen om voornoemde misdrijven te voorkomen en/of te doen ophouden en/of te bestraffen

(art. 8 jo. 9 WOS (oud))

en/of

4.4

medeplichtigheid

dat hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of politiebeambten en/of bewakers en/of één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben/heeft gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

1. persoon 82]

2. [ persoon 83]

3. [ persoon 84]

4. [ persoon 85]

5. [ persoon 86]

6. [ persoon 87]

7. [ persoon 88]

8. [ persoon 89]

9. [ persoon 90]

10. [ persoon 91]

11. [ persoon 92]

12. [ persoon 93]

13. [ persoon 94]

14. [ persoon 95]

15. [ persoon 96]

16. [ persoon 97]

17. [ persoon 98]

18. [ persoon 99]

19. [ persoon 100]

20. [ persoon 101]

21. [ persoon 102]

22. [ persoon 103]

23. [ persoon 104]

24. [ persoon 105]

25. [ persoon 106]

26. [ persoon 107]

27. [ persoon 108]

28. [ persoon 109]

29. [ persoon 110]

30. [ persoon 111]

31. [ persoon 112]

32. [ persoon 113]

33. [ persoon 114]

34. [ persoon 115]

35. [ persoon 116]

36. [ persoon 117]

37. [ persoon 118]

38. [ persoon 119]

39. [ persoon 120]

40. [ persoon 121]

41. [ persoon 122]

42. [ persoon 123]

43. [ persoon 124]

44. [ persoon 125]

45. [ persoon 126]

46. [ persoon 127]

47. [ persoon 128]

48. [ persoon 129]

49. [ persoon 130]

50. [ persoon 131]

51. [ persoon 132]

52. [ persoon 133]

53. [ persoon 134]

54. [ persoon 135]

55. [ persoon 136]

56. [ persoon 137]

57. [ persoon 138]

58. [ persoon 139]

59. [ persoon 140]

60. [ persoon 141]

61. [ persoon 142]

62. [ persoon 143]

63. [ persoon 144]

64. [ persoon 145]

65. [ persoon 146]

66. [ persoon 147]

67. [ persoon 148]

68. [ persoon 149]

69. [ persoon 150]

70. [ persoon 151]

71. [ persoon 152]

72. [ persoon 153]

73. [ persoon 154]

74. [ persoon 155]

75. [ persoon 156]

76. [ persoon 157]

77. [ persoon 158]

78. [ persoon 159]

79. [ persoon 160]

80. [ persoon 161]

81. [ persoon 162]

82. persoon 163]

83. [ persoon 164]

84. [ persoon 165]

85. [ persoon 166]

86. [ persoon 167]

87. [ persoon 168]

88. [ persoon 169]

89. [ persoon 170]

90. [ persoon 171]

91. [ persoon 172]

92. [ persoon 173]

93. [ persoon 174]

94. [ persoon 175]

95. [ persoon 176]

96. [ persoon 177]

97. [ persoon 178]

98. [ persoon 179]

99. [ persoon 180]

100. [persoon 181]

101. [persoon 182]

102. [persoon 183]

103. [persoon 184]

104. [persoon 185]

105. [persoon 186]

106. [persoon 187]

107. [persoon 188]

108. [persoon 189]

109. [persoon 190]

110. [persoon 191]

111. [persoon 192]

112. [persoon 193]

113. [persoon 194]

114. [persoon 195]

115. [persoon 196]

116. [persoon 197]

117. [persoon 198]

118. [persoon 199]

119. [persoon 200]

120. [persoon 201]

121. [persoon 202]

122. [persoon 203]

123. [persoon 204]

124. [persoon 205]

125. [persoon 206]

126. [persoon 207]

127. [persoon 208]

128. [persoon 209]

129. [persoon 210]

130. [persoon 211]

131. [persoon 212]

132. [persoon 213]

133. [persoon 214]

134. [persoon 215]

135. [persoon 216]

136. [persoon 217]

137. [persoon 218]

138. [persoon 219]

139. [persoon 220]

140. [persoon 221]

141. [persoon 222]

142. [persoon 223]

143. [persoon 224]

144. [persoon 225]

145. [persoon 226]

146. [persoon 227]

147. [persoon 228]

148. [persoon 229]

149. [persoon 230]

150. [persoon 231]

151. [persoon 232]

152. [persoon 233]

153. [persoon 234]

154. [persoon 235]

155. [persoon 236]

156. [persoon 237]

157. [persoon 238]

158. [persoon 239]

159. [persoon 240]

160. [persoon 241]

161. [persoon 242]

162. [persoon 243]

163. [persoon 244]

164. [persoon 245]

165. [persoon 246]

166. [persoon 247]

167. [persoon 248]

168. [persoon 249]

169. [persoon 250]

170. [persoon 251]

171. [persoon 252]

172. [persoon 253]

173. [persoon 254]

174. [persoon 255]

175. [persoon 256]

176. [persoon 257]

177. [persoon 258]

178. [persoon 259]

179. [persoon 260]

180. [persoon 261]

181. [persoon 262]

182. [persoon 263]

183. [persoon 264]

184. [persoon 265]

185. [persoon 266]

186. [persoon 267]

187. [persoon 268]

188. [persoon 269]

189. [persoon 270]

190. [persoon 271]

191. [persoon 272]

192. [persoon 273]

193. [persoon 274]

194. [persoon 275]

195. [persoon 276]

196. [persoon 277]

197. [persoon 278]

198. [persoon 279]

199. [persoon 280]

200. [persoon 281]

201. [persoon 282]

202. [persoon 283]

203. [persoon 284]

204. [persoon 285]

205. [persoon 286]

206. [persoon 287]

207. [persoon 288]

208. [persoon 289]

209. [persoon 290]

210. [persoon 291]

211. [persoon 292]

212. [persoon 293]

213. [persoon 294]

214. [persoon 295]

215. [persoon 296]

216. [persoon 297]

217. [persoon 298]

218. [persoon 299]

219. [persoon 300]

220. [persoon 301]

221. [persoon 302]

222. [persoon 303]

223. [persoon 304]

224. [persoon 305]

225. [persoon 306]

226. [persoon 307]

227. [persoon 308]

228. [persoon 309]

229. [persoon 310]

230. [persoon 311]

231. [persoon 312]

232. [persoon 313]

233. [persoon 314]

234. [persoon 315]

235. [persoon 316]

236. [persoon 317]

237. [persoon 318]

238. [persoon 319]

239. [persoon 320]

240. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat zij

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) heeft/ hebben uitgevaardigd in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 augustus 1978 en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

bij en/of tot het plegen van welke (vorenomschreven) misdrijven hij, verdachte

en zijn mededaders tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 24 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

opzettelijk behulpzaam zijn geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen hebben verschaft,

door toen en daar opzettelijk

-voornoemde perso(o)n(en) ter beschikking heeft/ hebben gesteld aan hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of politiebeambten en/of bewakers en één of meer anderen en/of

-de onmenselijke omstandigheden in de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel in stand heeft/hebben gehouden

(art. 8 WOS (oud) jo. 48 Sr.)

Bijlage 2: De getuigenverzoeken

Door de verdediging zijn bij pleidooi de volgende (gedeeltelijk reeds eerder gedane) onderzoekswensen naar voren gebracht:

1. het horen als getuige van alle personen genoemd in het strafdossier vanuit Ethiopië,

waaronder:

a. a) [persoon 368];

b) [persoon 369];

c) [persoon 370];

d) [persoon 371];

e) [persoon 372];

f) [persoon 373];

g) [persoon 374];

h) [persoon 375];

i. i) [persoon 376];

j) [persoon 377];

k) [persoon 378];

1) [persoon 379];

m) Sergeant 1e klasse [persoon 380];

n) [persoon 381];

o) [persoon 382];

p) [persoon 383];

q) [persoon 384];

r) [persoon 385]

s) [persoon 386];

t) [persoon 387];

u) [persoon 388];

v) [persoon 389];

2. het horen als getuige van:

a. a) [persoon 390];

b) [persoon 391];

c) [persoon 392];

d) [persoon 393];

e) [persoon 394]

f) [persoon 395];

g) [persoon 396];

3. het horen als getuige van:

a. a) ‘[persoon 397]’ (politiecommandant;

b) ‘Kassa Ragaw’ of ‘Kassay Aragaw’ (

opvolger verdachte);

c) Onderzoekers politiekamp ‘[persoon 398]’ en ‘

majoor [persoon 399];

d) [persoon 400] (‘petty officer’);

4. het horen als getuige van:

a. a) [persoon 319, andere schrijfwijze];

b) [persoon 331];

c) [persoon 401];

5. het horen als getuige van een familielid van Kenfe Gebre Medihmen;

6. het horen als getuige van:

a. a) Mengistu Haile Mariam;

b) Fisseha Desta;

7. het nader horen als getuige van de personen:

a. a) [persoon 333];

b) [persoon 320];

c) [persoon 332];

d) [persoon 317];

e) [persoon 336, anders geschreven];

f) [persoon 318];

8. het benoemen en horen van een deskundige over het huidige regime in Ethiopië;

9. het benoemen en horen van een getuige-deskundige inzake mogelijke beïnvloeding van

de getuigen en de waarde van hun herinneringen en hun verklaringen, te weten prof P.

van Koppen;

10. het horen als getuige van:

a. a) [persoon 330]

b) [persoon 329];

11. het horen van getuige als [persoon 341];

12. het horen als getuigen van alle in het dossier genoemde ‘anonieme’ getuigen

13. het horen als getuige van de moeder van [persoon 333];

14. het horen als getuige van [persoon 111, anders geschreven];

15. het horen als getuige van [persoon 314];

16. het horen als getuige van [persoon 402];

17. het horen als getuige van:

a. a) [persoon 403];

b) [persoon 404];

18. het horen als getuigen van kadres;

19. het horen als getuige van [persoon 405];

20. het horen als getuige van de nicht van [persoon 316];

21. het horen als getuige van [persoon 316];

22. het horen als getuige van het familielid van [persoon 320];

23. het horen als getuige van [persoon 406];

24. het horen als getuige van het familielid van [persoon 320];

25. het horen als getuige van een vriend van [persoon 313];

26. het horen als getuige van:

a. a) de moeder van [persoon 325];

b) de tante van [persoon 325];

27. het horen als getuige van:

a. a) de moeder van [persoon 407];

b) de tante van [persoon 407];

28. het horen als getuige van:

a. a) [persoon 348, anders geschreven];

b) [persoon 361, anders geschreven]

29. het horen als getuige van:

a. a) [persoon 408];

b) [persoon 409];

c) [persoon 410];

d) [persoon 411];

30. het horen als getuige van de vriendin van [persoon 341];

31. het horen als getuige van de bewakers

32. het horen als getuige van [persoon 412];

33. het horen als getuige van Judith Neurink.

De verdediging heeft primair verzocht om het rapport van de deskundige Abbink niet te gebruiken. Subsidiair is verzocht om Abbink nogmaals te horen.

Bijlage 3: De bewezenverklaring

FEIT 1

Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978

1.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojjam, althans op plaatsen in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep van de bevolking daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat hij, verdachte, toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

1. persoon 1]

2. [ persoon 2]

3. [ persoon 3]

4. [ persoon 4]

5. [ persoon 5]

6. [ persoon 6]

7. [ persoon 7]

8. [ persoon 8]

9. [ persoon 9]

10. [ persoon 10]

11. [ persoon 11]

12. [ persoon 12]

13. [ persoon 13]

14. [ persoon 14]

15. [ persoon 15]

16. [ persoon 16]

17. [ persoon 17]

18. [ persoon 18]

19. [ persoon 19]

20. [ persoon 20]

21. [ persoon 21]

22. [ persoon 22]

23. [ persoon 23]

24. [ persoon 24]

25. [ persoon 25]

26. [ persoon 26]

27. [ persoon 27]

28. [ persoon 28]

29. [ persoon 29]

30. [ persoon 30]

31. [ persoon 31]

32. [ persoon 32]

33. [ persoon 33]

34. [ persoon 34]

35. [ persoon 35]

36. [ persoon 36]

37. [ persoon 37]

38. [ persoon 38]

39. [ persoon 39]

40. [ persoon 40]

41. [ persoon 41]

42. [ persoon 42]

43. [ persoon 43]

44. [ persoon 44]

45. [ persoon 45]

46. [ persoon 46]

47. [ persoon 47]

48. [ persoon 48]

49. [ persoon 49]

50. [ persoon 50]

51. [ persoon 51]

52. [ persoon 52]

53. [ persoon 53]

54. [ persoon 54]

55. [ persoon 55]

56. [ persoon 56]

57. [ persoon 57]

58. [ persoon 58]

59. [ persoon 59]

60. [ persoon 60]

61. [ persoon 61]

62. [ persoon 62]

63. [ persoon 63]

64. [ persoon 64]

65. [ persoon 65]

66. [ persoon 66]

67. [ persoon 67]

68. [ persoon 68]

69. [ persoon 69]

70. [ persoon 70]

71. [ persoon 71]

72. [ persoon 72]

73. [ persoon 73]

74. [ persoon 74]

75. [ persoon 75]

76. [ persoon 76]

77. [ persoon 77]

78. [ persoon 78]

79. [ persoon 79]

80. [ persoon 80]

81. [ persoon 81]

82. [ persoon 82]

83. [ persoon 83]

84. [ persoon 84]

85. [ persoon 85]

86. [ persoon 86]

87. [ persoon 87]

88. [ persoon 88]

89. [ persoon 89]

90. [ persoon 90]

91. [ persoon 91]

92. [ persoon 92]

93. [ persoon 93]

94. [ persoon 94]

95. [ persoon 95]

96. [ persoon 96]

97. [ persoon 97]

98. [ persoon 98]

99. [ persoon 99]

100. [persoon 100]

101. [persoon 101]

102. [persoon 102]

103. [persoon 103]

104. [persoon 104]

105. [persoon 105]

106. [persoon 106]

107. [persoon 107]

108. [persoon 108]

109. [persoon 109]

110. [persoon 110]

111. [persoon 111]

112. [persoon 112]

113. [persoon 113]

114. [persoon 114]

115. [persoon 115]

116. [persoon 116]

117. [persoon 117]

118. [persoon 118]

119. [persoon 119]

120. [persoon 120]

121. [persoon 121]

122. [persoon 122]

123. [persoon 123]

124. [persoon 124]

125. [persoon 125]

126. [persoon 126]

127. [persoon 127]

128. [persoon 128]

129. [persoon 129]

130. [persoon 130]

131. [persoon 131]

132. [persoon 132]

133. [persoon 133]

134. [persoon 134]

135. [persoon 135]

136. [persoon 136]

137. [persoon 137]

138. [persoon 138]

139. [persoon 139]

140. [persoon 140]

141. [persoon 141]

142. [persoon 142]

143. [persoon 143]

144. [persoon 144]

145. [persoon 145]

146. [persoon 146]

147. [persoon 147]

148. [persoon 148]

149. [persoon 149]

150. [persoon 150]

151. [persoon 151]

152. [persoon 152]

153. [persoon 153]

154. [persoon 154]

155. [persoon 155]

156. [persoon 156]

157. [persoon 157]

158. [persoon 158]

159. [persoon 159]

160. [persoon 160]

161. [persoon 161]

162. [persoon 162]

163. [persoon 163]

164. [persoon 164]

165. [persoon 165]

166. [persoon 166]

167. [persoon 167]

168. [persoon 168]

169. [persoon 169]

170. [persoon 170]

171. [persoon 171]

172. [persoon 172]

173. [persoon 173]

174. [persoon 174]

175. [persoon 175]

176. [persoon 176]

177. [persoon 177]

178. [persoon 178]

179. [persoon 179]

180. [persoon 180]

181. [persoon 181]

182. [persoon 182]

183. [persoon 183]

184. [persoon 184]

185. [persoon 185]

186. [persoon 186]

187. [persoon 187]

188. [persoon 188]

189. [persoon 189]

190. [persoon 190]

191. [persoon 191]

192. [persoon 192]

193. [persoon 193]

194. [persoon 194]

195. [persoon 195]

196. [persoon 196]

197. [persoon 197]

198. [persoon 198]

199. [persoon 199]

200. [persoon 200]

201. [persoon 201]

202. [persoon 202]

203. [persoon 203]

204. [persoon 204]

205. [persoon 205]

206. [persoon 206]

207. [persoon 207]

208. [persoon 208]

209. [persoon 209]

210. [persoon 210]

211. [persoon 211]

212. [persoon 212]

213. [persoon 213]

214. [persoon 214]

215. [persoon 215]

216. [persoon 216]

217. [persoon 217]

218. [persoon 218]

219. [persoon 219]

220. [persoon 220]

221. [persoon 221]

222. [persoon 222]

223. [persoon 223]

224. [persoon 224]

225. [persoon 225]

226. [persoon 226]

227. [persoon 227]

228. [persoon 228]

229. [persoon 229]

230. [persoon 230]

231. [persoon 231]

232. [persoon 232]

233. [persoon 233]

234. [persoon 234]

235. [persoon 235]

236. [persoon 236]

237. [persoon 237]

238. [persoon 238]

239. [persoon 239]

240. [persoon 240]

241. [persoon 241]

242. [persoon 242]

243. [persoon 243]

244. [persoon 244]

245. [persoon 245]

246. [persoon 246]

247. [persoon 247]

248. [persoon 248]

249. [persoon 249]

250. [persoon 250]

251. [persoon 251]

252. [persoon 252]

253. [persoon 253]

254. [persoon 254]

255. [persoon 255]

256. [persoon 256]

257. [persoon 257]

258. [persoon 258]

259. [persoon 259]

260. [persoon 260]

261. [persoon 261]

262. [persoon 262]

263. [persoon 263]

264. [persoon 264]

265. [persoon 265]

266. [persoon 266]

267. [persoon 267]

268. [persoon 268]

269. [persoon 269]

270. [persoon 270]

271. [persoon 271]

272. [persoon 272]

273. [persoon 273]

274. [persoon 274]

275. [persoon 275]

276. [persoon 276]

277. [persoon 277]

278. [persoon 278]

279. [persoon 279]

280. [persoon 280]

281. [persoon 281]

282. [persoon 282]

283. [persoon 283]

284. [persoon 284]

285. [persoon 285]

286. [persoon 286]

287. [persoon 287]

288. [persoon 288]

289. [persoon 289]

290. [persoon 290]

291. [persoon 291]

292. [persoon 292]

293. [persoon 293]

294. [persoon 294]

295. [persoon 295]

296. [persoon 296]

297. [persoon 297]

298. [persoon 298]

299. [persoon 299]

300. [persoon 300]

301. [persoon 301]

302. [persoon 302]

303. [persoon 303]

304. [persoon 304]

305. [persoon 305]

306. [persoon 306]

307. [persoon 307]

308. [persoon 308]

309. [persoon 309]

310. [persoon 310]

311. [persoon 311]

312. [persoon 312]

313. [persoon 313]

314. [persoon 314]

315. [persoon 315]

316. [persoon 316]

317. [persoon 317]

318. [persoon 318]

319. [persoon 319]

320. [persoon 320]

321. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk heeft behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of ten uitvoer heeft gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid heeft beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer mededader(s)

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (op exposurebijeenkomsten) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen heeft/ hebben uitgesproken en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    huiszoekingen heeft/hebben verricht/laten verrichten bij voornoemde perso(o)n(en) en/of hen heeft/hebben gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of gevangenis gebracht/laten brengen en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

1.2

toelaten

dat aan verdachte ondergeschikte personen (zoals (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders) en/of één of meer andere(n) tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was;

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

(in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 1]

  2. [persoon 2]

  3. [persoon 3]

4. [persoon 4]

5. [persoon 5]

6. [persoon 6]

7. [persoon 7]

8. [persoon 8]

9. [persoon 9]

10. [persoon 10]

11. [persoon 11]

12. [personn 12]

13. [persoon 13]

14. [persoon 14]

15. [persoon 15]

16. [persoon 16]

17. [persoon 17]

18. [persoon 18]

19. [persoon 19]

20. [persoon 20]

21. [persoon 21]

22. [persoon 22]

23. [persoon 23]

24. [persoon 24]

25. [persoon 25]

26. [persoon 26]

27. [persoon 27]

28. [persoon 28]

29. [persoon 29]

30. [persoon 30]

31. [persoon 31]

32. [persoon 32]

33. [persoon 33]

34. [persoon 34]

35. [persoon 35]

36. [persoon 36]

37. [persoon 37]

38. [persoon 38]

39. [persoon 39]

40. [persoon 40]

41. [persoon 41]

42. [persoon 42]

43. [persoon 43]

44. [persoon 44]

45. [persoon 45]

46. [persoon 46]

47. [persoon 47]

48. [persoon 48]

49. [persoon 49]

50. [persoon 50]

51. [persoon 51]

52. [persoon 52]

53. [persoon 53]

54. [persoon 54]

55. [persoon 55]

56. [persoon 56]

57. [persoon 57]

58. [persoon 58]

59. [persoon 59]

60. [persoon 60]

61. [persoon 61]

62. [persoon 62]

63. [persoon 63]

64. [persoon 64]

65. [persoon 65]

66. [persoon 66]

67. [persoon 67]

68. [persoon 68]

69. [persoon 69]

70. [persoon 70]

71. [persoon 71]

72. [persoon 72]

73. [persoon 73]

74. [persoon 74]

75. [persoon 75]

76. [persoon 76]

77. [persoon 77]

78. [persoon 78]

79. [persoon 79]

80. [persoon 80]

81. [persoon 81]

82. [persoon 82]

83. [persoon 83]

84. [persoon 84]

85. [persoon 85]

86. [persoon 86]

87. [persoon 87]

88. [persoon 88]

89. [persoon 89]

90. [persoon 90]

91. [persoon 91]

92. [persoon 92]

93. [persoon 93]

94. [persoon 94]

95. [persoon 95]

96. [persoon 96]

97. [persoon 97]

98. [persoon 98]

99. [persoon 99]

100. [persoon 100]

101. [persoon 101]

102. [persoon 102]

103. [persoon 103]

104. [persoon 104]

105. [persoon 105]

106. [persoon 106]

107. [persoon 107]

108. [persoon 108]

109. [persoon 109]

110. [persoon 110]

111. [persoon 111]

112. [persoon 112]

113. [persoon 113]

114. [persoon 114]

115. [persoon 115]

116. [persoon 116]

117. [persoon 117]

118. [persoon 118]

119. [persoon 119]

120. [persoon 120]

121. [persoon 121]

122. [persoon 122]

123. [persoon 123]

124. [persoon 124]

125. [persoon 125]

126. [persoon 126]

127. [persoon 127]

128. [persoon 128]

129. [persoon 129]

130. [persoon 130]

131. [persoon 131]

132. [persoon 132]

133. [persoon 133]

134. [persoon 134]

135. [persoon 135]

136. [persoon 136]

137. [persoon 137]

138. [persoon 138]

139. [persoon 139]

140. [persoon 140]

141. [persoon 141]

142. [persoon 142]

143. [persoon 143]

144. [persoon 144]

145. [persoon 145]

146. [persoon 146]

147. [persoon 147]

148. [persoon 148]

149. [persoon 149]

150. [persoon 150]

151. [persoon 151]

152. [persoon 152]

153. [persoon 153]

154. [persoon 154]

155. [persoon 155]

156. [persoon 156]

157. [persoon 157]

158. [persoon 158]

159. [persoon 159]

160. [persoon 160]

161. [persoon 161]

162. [persoon 162]

163. [persoon 163]

164. [persoon 164]

165. [persoon 165]

166. [persoon 166]

167. [persoon 167]

168. [persoon 168]

169. [persoon 169]

170. [persoon 170]

171. [persoon 171]

172. [persoon 172]

173. [persoon 173]

174. [persoon 174]

175. [persoon 175]

176. [persoon 176]

177. [persoon 177]

178. [persoon 178]

179. [persoon 179]

180. [persoon 180]

181. [persoon 181]

182. [persoon 182]

183. [persoon 183]

184. [persoon 184]

185. [persoon 185]

186. [persoon 186]

187. [persoon 187]

188. [persoon 188]

189. [persoon 189]

190. [persoon 190]

191. [persoon 191]

192. [persoon 192]

193. persoon 193]

194. [persoon 194]

195. [persoon 195]

196. [persoon 196]

197. [persoon 197]

198. [persoon 198]

199. [persoon 199]

200. [persoon 200]

201. [persoon 201]

202. [persoon 202]

203. [persoon 203]

204. [persoon 204]

205. [persoon 205]

206. [persoon 206]

207. [persoon 207]

208. [persoon 208]

209. [persoon 209]

210. [persoon 210]

211. [persoon 211]

212. [persoon 212]

213. [persoon 213]

214. [persoon 214]

215. [persoon 215]

216. [persoon 216]

217. [persoon 217]

218. [persoon 218]

219. [persoon 219]

220. [persoon 220]

221. [persoon 221]

222. [persoon 222]

223. [persoon 223]

224. [persoon 224]

225. [persoon 225]

226. [persoon 226]

227. [persoon 227]

228. [persoon 228]

229. [persoon 229]

230. [persoon 230]

231. [persoon 231]

232. [persoon 232]

233. [persoon 233]

234. [persoon 234]

235. [persoon 235]

236. [persoon 236]

237. [persoon 237]

238. [persoon 238]

239. [persoon 239]

240. [persoon 240]

241. [persoon 241]

242. [persoon 242]

243. [persoon 243]

244. [persoon 244]

245. [persoon 245]

246. [persoon 246]

247. [persoon 247]

248. [persoon 248]

249. [persoon 249]

250. [persoon 250]

251. [persoon 251]

252. [persoon 252]

253. [persoon 253]

254. [persoon 254]

255. [persoon 255]

256. [persoon 256]

257. [persoon 257]

258. [persoon 258]

259. [persoon 259]

260. [persoon 260]

261. [persoon 261]

262. [persoon 262]

263. [persoon 263]

264. [persoon 264]

265. [persoon 265]

266. [persoon 266]

267. [persoon 267]

268. [persoon 268]

269. [persoon 269]

270. [persoon 270]

271. [persoon 271]

272. [persoon 272]

273. [persoon 273]

274. [persoon 274]

275. [persoon 275]

276. [persoon 276]

277. [persoon 277]

278. [persoon 278]

279. [persoon 279]

280. [persoon 280]

281. [persoon 281]

282. [persoon 282]

283. [persoon 283]

284. [persoon 284]

285. [persoon 285]

286. [persoon 286]

287. [persoon 287]

288. [persoon 288]

289. [persoon 289]

290. [persoon 290]

291. [persoon 291]

292. [persoon 292]

293. [persoon 293]

294. [persoon 294]

295. [persoon 295]

296. [persoon 296]

297. [persoon 297]

298. [persoon 298]

299. [persoon 299]

300. [persoon 300]

301. [persoon 301]

302. [persoon 302]

303. [persoon 303]

304. [persoon 304]

305. [persoon 305]

306. [persoon 306]

307. [persoon 307]

308. [persoon 308]

309. [persoon 309]

310. [persoon 310]

311. [persoon 311]

312. [persoon 312]

313. [persoon 313]

314. [persoon 314]

315. [persoon 315]

316. [persoon 316]

317. [persoon 317]

318. [persoon 318]

319. [persoon 319]

320. [persoon 320]

321. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

(meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat die ondergeschikten

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (op exposurebijeenkomsten) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen heeft/hebben uitgesproken en/of ten uitvoer heeft/hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    huiszoekingen heeft/hebben verricht/laten verrichten bij voornoemde perso(o)n(en) en/of hen heeft/hebben gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of gevangenis gebracht/laten brengen en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

wat verdachte, zijnde vertegenwoordiger van Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojam, op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) opzettelijk heeft toegelaten en/of (in het bijzonder) geen en/of onvoldoende maatregelen heeft genomen om voornoemde misdrijven te voorkomen en/of te doen ophouden en/of te bestraffen

(art. 8 jo. 9 WOS)

En/of

1.3

medeplichtigheid

dat hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en/of één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was;

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

(in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 1]

  2. [persoon 2]

  3. [persoon 3]

4. [persoon 4]

5. [persoon 5]

6. [persoon 6]

7. [persoon 7]

8. [persoon 8]

9. [persoon 9]

10. [persoon 10]

11. [persoon 11]

12. [persoon 12]

13. [persoon 13]

14. [persoon 14]

15. [persoon 15]

16. [persoon 16]

17. [persoon 17]

18. [persoon 18]

19. [persoon 19]

20. [persoon 20]

21. [persoon 21]

22. [persoon 22]

23. [persoon 23]

24. [persoon 24]

25. [persoon 25]

26. [persoon 26]

27. [persoon 27]

28. [persoon 28]

29. [persoon 29]

30. [persoon 30]

31. [persoon 31]

32. [persoon 32]

33. [persoon 33]

34. [persoon 34]

35. [persoon 35]

36. [persoon 36]

37. [persoon 37]

38. [persoon 38]

39. [persoon 39]

40. [persoon 40]

41. [persoon 41]

42. [persoon 42]

43. [persoon 43]

44. [persoon 44]

45. [persoon 45]

46. [persoon 46]

47. [persoon 47]

48. [persoon 48]

49. [persoon 49]

50. [persoon 50]

51. [persoon 51]

52. [persoon 52]

53. [persoon 53]

54. [persoon 54]

55. [persoon 55]

56. [persoon 56]

57. [persoon 57]

58. [persoon 58]

59. [persoon 59]

60. [persoon 60]

61. [persoon 61]

62. [persoon 62]

63. [persoon 63]

64. [persoon 64]

65. [persoon 65]

66. [persoon 66]

67. [persoon 67]

68. [persoon 68]

69. [persoon 69]

70. [persoon 70]

71. [persoon 71]

72. [persoon 72]

73. [persoon 73]

74. [persoon 74]

75. [persoon 75]

76. [persoon 76]

77. [persoon 77]

78. [persoon 78]

79. [persoon 79]

80. [persoon 80]

81. [persoon 81]

82. [persoon 82]

83. [persoon 83]

84. [persoon 84]

85. [persoon 85]

86. [peroon 86]

87. [persoon 87]

88. [persoon 88]

89. [persoon 89]

90. [persoon 90]

91. [persoon 91]

92. [persoon 92]

93. [persoon 93]

94. [persoon 94]

95. [persoon 95]

96. [persoon 96]

97. [persoon 97]

98. [persoon 98]

99. [persoon 99]

100. [persoon 100]

101. [persoon 101]

102. [persoon 102]

103. [persoon 103]

104. [persoon 104]

105. [persoon 105]

106. [persoon 106]

107. [persoon 107]

108. [persoon 108]

109. [persoon 109]

110. [persoon 110]

111. [persoon 111]

112. [persoon 112]

113. [persoon 113]

114. [persoon 114]

115. [persoon 115]

116. [persoon 116]

117. [persoon 117]

118. [persoon 118]

119. [persoon 119]

120. [persoon 120]

121. [persoon 121]

122. [persoon 122]

123. [persoon 123]

124. [persoon 124]

125. [persoon 125]

126. [persoon 126]

127. [persoon 127]

128. [persoon 128]

129. [persoon 129]

130. [persoon 130]

131. [persoon 131]

132. [persoon 132]

133. [persoon 133]

134. [persoon 134]

135. [persoon 135]

136. [persoon 136]

137. [persoon 137]

138. [persoon 138]

139. [persoon 139]

140. [persoon 140]

141. [persoon 141]

142. [persoon 142]

143. [persoon 143]

144. [persoon 144]

145. [persoon 145]

146. [persoon 146]

147. [persoon 147]

148. [persoon 148]

149. [persoon 149]

150. [persoon 150]

151. [persoon 151]

152. [persoon 152]

153. [persoon 153]

154. [persoon 154]

155. [persoon 155]

156. [persoon 156]

157. [persoon 157]

158. [persoon 158]

159. [persoon 159]

160. [persoon 160]

161. [persoon 161]

162. [persoon 162]

163. [persoon 163]

164. [persoon 164]

165. [persoon 165]

166. [persoon 166]

167. [persoon 167]

168. [persoon 168]

169. [persoon 169]

170. [persoon 170]

171. [persoon 171]

172. [persoon 172]

173. [persoon 173]

174. [persoon 174]

175. [persoon 175]

176. [persoon 176]

177. [persoon 177]

178. [persoon 178]

179. [persoon 179]

180. [persoon 180]

181. [persoon 181]

182. [persoon 182]

183. [persoon 183]

184. [persoon 184]

185. [persoon 185]

186. [persoon 186]

187. [persoon 187]

188. [persoon 188]

189. [persoon 189]

190. [persoon 190]

191. [persoon 191]

192. [persoon 192]

193. [persoon 193]

194. [persoon 194]

195. [persoon 195]

196. [persoon 196]

197. [persoon 197]

198. [persoon 198]

199. [persoon 199]

200. [persoon 200]

201. [persoon 201]

202. [persoon 202]

203. [persoon 203]

204. [persoon 204]

205. [persoon 205]

206. [persoon 206]

207. [persoon 207]

208. [persoon 208]

209. [persoon 209]

210. [persoon 210]

211. [persoon 211]

212. [persoon 212]

213. [persoon 213]

214. [persoon 214]

215. [persoon 215]

216. [persoon 216]

217. [persoon 217]

218. [persoon 218]

219. [persoon 219]

220. [persoon 220]

221. [persoon 221]

222. [persoon 222]

223. [persoon 223]

224. [persoon 224]

225. [persoon 225]

226. [persoon 226]

227. [persoon 227]

228. [persoon 228]

229. [persoon 229]

230. [persoon 230]

231. [persoon 231]

232. [persoon 232]

233. [persoon 233]

234. [persoon 234]

235. [persoon 235]

236. [persoon 236]

237. [persoon 237]

238. [persoon 238]

239. [persoon 239]

240. [persoon 240]

241. [persoon 241]

242. [persoon 242]

243. [persoon 243]

244. [persoon 244]

245. [persoon 245]

246. [persoon 246]

247. [persoon 247]

248. [persoon 248]

249. [persoon 249]

250. [persoon 250]

251. [persoon 251]

252. [persoon 252]

253. [persoon 253]

254. [persoon 254]

255. [persoon 255]

256. [persoon 256]

257. [persoon 257]

258. [persoon 258]

259. [persoon 259]

260. [persoon 260]

261. [persoon 261]

262. [persoon 262]

263. [persoon 263]

264. [persoon 264]

265. [persoon 265]

266. [persoon 266]

267. [persoon 267]

268. [persoon 268]

269. [persoon 269]

270. [persoon 270]

271. [persoon 271]

272. [persoon 272]

273. [persoon 273]

274. [persoon 274]

275. [persoon 275]

276. [persoon 276]

277. [persoon 277]

278. [persoon 278]

279. [persoon 279]

280. [persoon 280]

281. [persoon 281]

282. [persoon 282]

283. [persoon 283]

284. [persoon 284]

285. [persoon 285]

286. [persoon 286]

287. [persoon 287]

288. [persoon 288]

289. [persoon 289]

290. [persoon 290]

291. [persoon 291]

292. [persoon 292]

293. [persoon 293]

294. [persoon 294]

295. [persoon 295]

296. [persoon 296]

297. [persoon 297]

298. [persoon 298]

299. [persoon 299]

300. [persoon 300]

301. [persoon 301]

302. [persoon 302]

303. [persoon 303]

304. [persoon 304]

305. [persoon 305]

306. [persoon 306]

307. [persoon 307]

308. [persoon 308]

309. [persoon 309]

310. [persoon 310]

311. [persoon 311]

312. [persoon 312]

313. [persoon 313]

314. [persoon 314]

315. [persoon 315]

316. [persoon 316]

317. [persoon 317]

318. [persoon 318]

319. [persoon 319]

320. [persoon 320]

321. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

(meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat zij

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (op exposurebijeenkomsten) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen heeft/hebben uitgesproken en/of ten uitvoer heeft/hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    huiszoekingen heeft/hebben verricht/laten verrichten bij voornoemde perso(o)n(en) en/of hen heeft/hebben gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of gevangenis gebracht/laten brengen en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

bij en/of tot het plegen van welke (vorenomschreven) misdrijven hij, verdachte

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,

door toen en daar opzettelijk

- meermalen, in ieder geval eenmaal, een zogehete (exposure)bijeenkomst te hebben geleid althans in ieder geval aanwezig te zijn geweest en/of

- opdrachten heeft gegeven voornoemde perso(o)n(en) te arresteren en/of

-voornoemde perso(o)n(en) ter beschikking heeft gesteld aan hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen en/of

-de onmenselijke omstandigheden in de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel in stand heeft gehouden

(art. 8 WOS (oud) jo. 48 Sr.)

FEIT 2

Marteling

2.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat hij, verdachte, toen en daar (telkens) in strijd met

het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 322]

  2. [persoon 136, anders geschreven]

  3. [persoon 323]

  4. [persoon 313, anders geschreven]

  5. [persoon 324]

  6. [persoon 325]

  7. [persoon 315]

  8. [persoon 326]

  9. [persoon 327]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) heeft gemarteld

Welke marteling hierin bestond dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) met het oogmerk informatie en/of een bekentenis te verkrijgen en/of voornoemde perso(o)n(en) te bestraffen en/of te intimideren en/of voornoemde perso(o)n(en) en/of één of meer derden te dwingen iets te doen of na te laten en/of om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) tegen (het) geslachtsde(e)l(en) en/of de (blote) voeten en/of hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voeten en handen van voornoemde perso(o)n(en) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of vervolgens heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen het gezicht en/of het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben vastgebonden aan de armen en/of handen en/of heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen de (blote) voeten en/of tegen het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen terwijl een of meer voornoemde perso(o)n(en) een bal of een ander voorwerp in zijn/haar mond had(den)

terwijl voornoemde perso(o)n(en) zich in gevangenschap bevonden

tengevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) ernstige pijn of ernstig lijden en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft/hebben ondervonden

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

2.2

toelaten

dat aan verdachte ondergeschikte personen (zoals (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders) en één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojjam, althans op plaatsen in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep van de bevolking en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 322]

  2. [persoon 136, anders geschreven]

  3. [persoon 323]

  4. [persoon 313, anders geschreven]

  5. [persoon 324]

  6. [persoon 325]

  7. [persoon 315]

  8. [persoon 326]

  9. [persoon 327]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) hebben gemarteld

welke marteling hierin bestond dat die ondergeschikten

met het oogmerk informatie en/of een bekentenis te verkrijgen en/of voornoemde perso(o)n(en) te bestraffen en/of te intimideren en/of voornoemde perso(o)n(en) en/of één of meer derden te dwingen iets te doen of na te laten en/of om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) tegen (het) geslachtsde(e)l(en) en/of de (blote) voeten en/of hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voeten en handen van voornoemde perso(o)n(en) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of vervolgens heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen het gezicht en/of het lichaam en/of tegen de blote voeten van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben vastgebonden aan de armen en/of handen en/of heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen de (blote) voeten en/of tegen het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen terwijl een of meer voornoemde perso(o)n(en) een bal of een ander voorwerp in zijn/haar mond had(den)

terwijl voornoemde perso(o)n(en) zich in gevangenschap bevonden

tengevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) ernstige pijn of ernstig lijden en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft/hebben ondervonden

wat verdachte, zijnde vertegenwoordiger van de Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojjam, op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojjam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) opzettelijk heeft toegelaten en/of (in het bijzonder) geen en/of onvoldoende maatregelen heeft genomen om voornoemde misdrijven te voorkomen en/of te doen ophouden en/of te bestraffen

(art. 8 jo. 9 WOS (oud))

en/of

2.3

medeplichtigheid

dat (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 322]

  2. [persoon 136, anders geschreven]

  3. [persoon 323]

  4. [persoon 313, anders geschreven]

  5. [persoon 324]

  6. [persoon 325]

  7. [persoon 315]

  8. [persoon 326]

  9. [persoon 327]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) hebben gemarteld

welke marteling hierin bestond dat (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen

met het oogmerk informatie en/of een bekentenis te verkrijgen en/of voornoemde perso(o)n(en) te bestraffen en/of te intimideren en/of voornoemde perso(o)n(en) en/of één of meer derden te dwingen iets te doen of na te laten en/of om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) tegen (het) geslachtsde(e)l(en) en/of de (blote) voeten en/of hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voeten en handen van voornoemde perso(o)n(en) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of vervolgens heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen het gezicht en/of het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen en/of

-meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben vastgebonden aan de armen en/of handen en/of heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met stokken, althans met een (hard) voorwerp tegen de (blote) voeten en/of tegen het lichaam van die voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen terwijl een of meer voornoemde perso(o)n(en) een bal of een ander voorwerp in zijn/haar mond had(den)

terwijl voornoemde perso(o)n(en) zich in gevangenschap bevonden

tengevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) ernstige pijn of ernstig lijden en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft/hebben ondervonden

bij en/of tot het plegen van welke (vorenomschreven) marteling hij, verdachte op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen hebben verschaft,

door toen en daar opzettelijk

-verhoorders uit Addis Abeba te laten komen naar het politiekamp en/of gevangenis van Debre Marcos en/of

-voornoemde perso(o)n(en) ter beschikking te stellen aan (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders en één of meer anderen

(art. 8 WOS (oud) jo. 48 Sr.)

FEIT 3

Doden op 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978

3.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojjam, althans in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep van de bevolking daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of schendingen van met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomsten en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was;

hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

tegen personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

  1. [persoon 4]

  2. [persoon 5]

  3. [persoon 6]

  4. [persoon 7]

  5. [persoon 8]

  6. [persoon 9]

  7. [persoon 10]

  8. [persoon 11]

  9. [persoon 12]

  10. [persoon 13]

  11. [persoon 14]

  12. [persoon 15]

  13. [persoon 16]

  14. [persoon 17]

  15. [persoon 18]

  16. [persoon 19]

  17. [persoon 20]

  18. [persoon 21]

  19. [persoon 22]

  20. [persoon 23]

  21. [persoon 24]

  22. [persoon 25]

  23. [persoon 26]

  24. [persoon 27]

  25. [persoon 28]

  26. [persoon 29]

  27. [persoon 30]

  28. [persoon 31]

  29. [persoon 32]

  30. [persoon 33]

  31. [persoon 34]

  32. [persoon 35]

  33. [persoon 36]

  34. [persoon 37]

  35. [persoon 38]

  36. [persoon 39]

  37. [persoon 40]

  38. [persoon 41]

  39. [persoon 42]

  40. [persoon 43]

  41. [persoon 44]

  42. [persoon 45]

  43. [persoon 46]

  44. [persoon 47]

  45. [persoon 48]

  46. [persoon 49]

  47. [persoon 50]

  48. [persoon 51]

  49. [persoon 52]

  50. [persoon 53]

  51. [persoon 54]

  52. [persoon 55]

  53. [persoon 56]

  54. [persoon 57]

  55. [persoon 58]

  56. [persoon 59]

  57. [persoon 60]

  58. [persoon 61]

  59. [persoon 62]

  60. [persoon 63]

  61. [persoon 64]

  62. [persoon 65]

  63. [persoon 66]

  64. [persoon 67]

  65. [persoon 68]

  66. [persoon 69]

  67. [persoon 70]

  68. [persoon 71]

  69. [persoon 72]

  70. [persoon 73]

  71. [persoon 74]

  72. [persoon 75]

  73. [persoon 76]

  74. [persoon 77]

  75. [persoon 78]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) een aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging heeft gepleegd (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen heeft gedood

welk(e) aanslag(en) op het leven en/of lichamelijke geweldpleging, en/of doden hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s)

-meermalen, althans eenmaal met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) in het lichaam en/ of het hoofd van voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geschoten en/of voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben gewurgd en/of doen stikken met een touw(en), althans een voorwerp en/of voornoemde perso(o)n(en) levend heeft/hebben begraven of een of meer andere vormen van geweld en/of andere geweldshandelingen op die voornoemde perso(o)n(en) heeft/ hebben toegepast/uitgeoefend ten gevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) zijn overleden

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

3.2

Uitlokking

dat [persoon 412] en/of [persoon 396] en/of bewakers en/of een of meer andere(n) tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojjam, althans in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep van de bevolking daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was;

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

tegen een (of meer) perso(o)n(en) die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam(en) (te weten burger(s) en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak),

te weten

  1. [persoon 4]

  2. [persoon 5]

  3. [persoon 6]

  4. [persoon 7]

  5. [persoon 8]

  6. [persoon 9]

  7. [persoon 10]

  8. [persoon 11]

  9. [persoon 12]

  10. [persoon 13]

  11. [persoon 14]

  12. [persoon 15]

  13. [persoon 16]

  14. [persoon 17]

  15. [persoon 18]

  16. [persoon 19]

  17. [persoon 20]

  18. [persoon 21]

  19. [persoon 22]

  20. [persoon 23]

  21. [persoon 24]

  22. [persoon 25]

  23. [persoon 26]

  24. [persoon 27]

  25. [persoon 28]

  26. [persoon 29]

  27. [persoon 30]

  28. [persoon 31]

  29. [persoon 32]

  30. [persoon 33]

  31. [persoon 34]

  32. [persoon 35]

  33. [persoon 36]

  34. [persoon 37]

  35. [persoon 38]

  36. [persoon 39]

  37. [persoon 40]

  38. [persoon 41]

  39. [persoon 42]

  40. [persoon 43]

  41. [persoon 44]

  42. [persoon 45]

  43. [persoon 46]

  44. [persoon 47]

  45. [persoon 48]

  46. [persoon 49]

  47. [persoon 50]

  48. [persoon 51]

  49. [persoon 52]

  50. [persoon 53]

  51. [persoon 54]

  52. [persoon 55]

  53. [persoon 56]

  54. [persoon 57]

  55. [persoon 58]

  56. [persoon 59]

  57. [persoon 60]

  58. [persoon 61]

  59. [persoon 62]

  60. [persoon 63]

  61. [persoon 64]

  62. [persoon 65]

  63. [persoon 66]

  64. [persoon 67]

  65. [persoon 68]

  66. [persoon 69]

  67. [persoon 70]

  68. [persoon 71]

  69. [persoon 72]

  70. [persoon 73]

  71. [persoon 74]

  72. [persoon 75]

  73. [persoon 76]

  74. [persoon 77]

  75. [persoon 78]

en/of één of meer anderen

 ( (meermalen) een aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging hebben gepleegd (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen hebben gedood

welk(e) aanslag(en) op het leven en/of lichamelijke geweldpleging, en/of doden hierin bestond(en) dat zij

-meermalen, althans eenmaal met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) in het lichaam en/ of het hoofd van voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geschoten en/of voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben gewurgd en/of doen stikken met een touw(en), althans een voorwerp en/of voornoemde perso(o)n(en) levend heeft/hebben begraven of een of meer andere vormen van geweld en/of andere geweldshandelingen op die voornoemde perso(o)n(en) heeft/ hebben toegepast/uitgeoefend

ten gevolge waarvan voornoemde perso(o)n(en) zijn overleden

welke misdrijven hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus 1978, in ieder geval in 1978 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojjam, althans in Ethiopië,

door middel van giftenbeloften, misbruik van gezag, geweld bedreiging ,misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt,

immers heeft hij (gebruikmakend van zijn positie als vertegenwoordiger van de Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojjam toen en daar

-schriftelijke en/of telefonisch bevel gegeven tot het (laten) doden (revolutionaire maatregelen) van voornoemde perso(o)n(en)

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

FEIT 4

Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981

4.1

medeplegen

dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojjam, althans op plaatsen in Ethiopië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep van de bevolking daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat hij, verdachte, toen en daar (telkens) in strijd met

 het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

 het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

 (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

1. persoon 82]

2. [ persoon 83]

3. [ persoon 84]

4. [ persoon 85]

5. [ persoon 86]

6. [ persoon 87]

7. [ persoon 88]

8. [ persoon 89]

9. [ persoon 90]

10. [ persoon 91]

11. [ persoon 92]

12. [ persoon 93]

13. [ persoon 94]

14. [ persoon 95]

15. [ persoon 96]

16. [ persoon 97]

17. [ persoon 98]

18. [ persoon 99]

19. [ persoon 100]

20. [ persoon 101]

21. [ persoon 102]

22. [ persoon 103]

23. [ persoon 104]

24. [ persoon 105]

25. [ persoon 106]

26. [ persoon 107]

27. [ persoon 108]

28. [ persoon 109]

29. [ persoon 110]

30. [ persoon 111]

31. [ persoon 112]

32. [ persoon 113]

33. [ persoon 114]

34. [ persoon 115]

35. [ persoon 116]

36. [ persoon 117]

37. [ persoon 118]

38. [ persoon 119]

39. [ persoon 120]

40. [ persoon 121]

41. [ persoon 122]

42. [ persoon 123]

43. [ persoon 124]

44. [ persoon 125]

45. [ persoon 126]

46. [ persoon 127]

47. [ persoon 128]

48. [ persoon 129]

49. [ persoon 130]

50. [ persoon 131]

51. [ persoon 132]

52. [ persoon 133]

53. [ persoon 134]

54. [ persoon 135]

55. [ persoon 136]

56. [ persoon 137]

57. [ persoon 138]

58. [ persoon 139]

59. [ persoon 140]

60. [ persoon 141]

61. [ persoon 142]

62. [ persoon 143]

63. [ persoon 144]

64. [ persoon 145]

65. [ persoon 146]

66. [ persoon 147]

67. [ persoon 148]

68. [ persoon 149]

69. [ persoon 150]

70. [ persoon 151]

71. [ persoon 152]

72. [ persoon 153]

73. [ persoon 154]

74. [ persoon 155]

75. [ persoon 156]

76. [ persoon 157]

77. [ persoon 158]

78. [ persoon 159]

79. [ persoon 160]

80. [ persoon 161]

81. [ persoon 162]

82. [ persoon 163]

83. [ persoon 164]

84. [ persoon 165]

85. [ persoon 166]

86. [ persoon 167]

87. [ persoon 168]

88. [ persoon 169]

89. [ persoon 170]

90. [ persoon 171]

91. [ persoon 172]

92. [ persoon 173]

93. [ persoon 174]

94. [ persoon 175]

95. [ persoon 176]

96. [ persoon 177]

97. [ persoon 178]

98. [ persoon 179]

99. [ persoon 180]

100. [persoon 181]

101. [persoon 182]

102. [persoon 183]

103. [persoon 184]

104. [persoon 185]

105. [persoon 186]

106. [persoon 187]

107. [persoon 188]

108. [persoon 189]

109. [persoon 190]

110. [persoon 191]

111. [persoon 192]

112. [persoon 193]

113. [persoon 194]

114. [persoon 195]

115. [persoon 196]

116. [persoon 197]

117. [persoon 198]

118. [persoon 199]

119. [persoon 200]

120. [persoon 201]

121. [persoon 202]

122. [persoon 203]

123. [persoon 204]

124. [persoon 205]

125. [persoon 206]

126. [persoon 207]

127. [persoon 208]

128. [persoon 209]

129. [persoon 210]

130. [persoon 211]

131. [persoon 212]

132. [persoon 213]

133. [persoon 214]

134. [persoon 215]

135. [persoon 216]

136. [persoon 217]

137. [persoon 218]

138. [persoon 219]

139. [persoon 220]

140. [persoon 221]

141. [persoon 222]

142. [persoon 223]

143. [persoon 224]

144. [persoon 225]

145. [persoon 226]

146. [persoon 227]

147. [persoon 228]

148. [persoon 229]

149. [persoon 230]

150. [persoon 231]

151. [persoon 232]

152. [persoon 233]

153. [persoon 234]

154. [persoon 235]

155. [persoon 236]

156. [persoon 237]

157. [persoon 238]

158. [persoon 239]

159. [persoon 240]

160. [persoon 241]

161. [persoon 242]

162. [persoon 243]

163. [persoon 244]

164. [persoon 245]

165. [persoon 246]

166. [persoon 247]

167. [persoon 248]

168. [persoon 249]

169. [persoon 250]

170. [persoon 251]

171. [persoon 252]

172. [persoon 253]

173. [persoon 254]

174. [persoon 255]

175. [persoon 256]

176. [persoon 257]

177. [persoon 258]

178. [persoon 259]

179. [persoon 260]

180. [persoon 261]

181. [persoon 262]

182. [persoon 263]

183. [persoon 264]

184. [persoon 265]

185. [persoon 266]

186. [persoon 267]

187. [persoon 268]

188. [persoon 269]

189. [persoon 270]

190. [persoon 271]

191. [persoon 272]

192. [persoon 273]

193. [persoon 274]

194. [persoon 275]

195. [persoon 276]

196. [persoon 277]

197. [persoon 278]

198. [persoon 279]

199. [persoon 280]

200. [persoon 281]

201. [persoon 282]

202. [persoon 283]

203. [persoon 284]

204. [persoon 285]

205. [persoon 286]

206. [persoon 287]

207. [persoon 288]

208. [persoon 289]

209. [persoon 290]

210. [persoon 291]

211. [persoon 292]

212. [persoon 293]

213. [persoon 294]

214. [persoon 295]

215. [persoon 296]

216. [persoon 297]

217. [persoon 298]

218. [persoon 299]

219. [persoon 300]

220. [persoon 301]

221. [persoon 302]

222. [persoon 303]

223. [persoon 304]

224. [persoon 305]

225. [persoon 306]

226. [persoon 307]

227. [persoon 308]

228. [persoon 309]

229. [persoon 310]

230. [persoon 311]

231. [persoon 312]

232. [persoon 313]

233. [persoon 314]

234. [persoon 315]

235. [persoon 316]

236. [persoon 319]

237. [persoon 318]

238. [persoon 319]

239. [persoon 320]

240. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

 wreed en/of onmenselijk heeft behandeld en/of

 (meermalen) hun persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

 tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of tenuitvoer heeft gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

 hen arbitrair van hun vrijheid heeft beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of één of meer mededader(s)

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) heeft/ hebben uitgevaardigd in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 1978 en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 15 augustus 1978 genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

4.2

Uitlokking

dat hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of politiebeambten en/of bewakers en één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

(in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

een (of meer) perso(o)n(en) die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam(en) (te weten burger(s) en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak),

te weten

1. [persoon 82]

2. [persoon 83]

3. [persoon 84]

4. [persoon 85]

5. [persoon 86]

6. [persoon 87]

7. [persoon 88]

8. [persoon 89]

9. [persoon 90]

10. [persoon 91]

11. [persoon 92]

12. [persoon 93]

13. [persoon 94]

14. [persoon 95]

15. [persoon 96]

16. [persoon 97]

17. [persoon 98]

18. [persoon 99]

19. [peroon 100]

20. [persoon 101]

21. [persoon 102]

22. [persoon 103]

23. [persoon 104]

24. [persoon 105]

25. [persoon 106]

26. [persoon 107]

27. [persoon 108]

28. [persoon 109]

29. [persoon 110]

30. [persoon 111]

31. [persoon 112]

32. [persoon 113]

33. [persoon 114]

34. [persoon 115]

35. [persoon 116]

36. [persoon 117]

37. [persoon 118]

38. [persoon 119]

39. [persoon 120]

40. [persoon 121]

41. [persoon 122]

42. [persoon 123]

43. [persoon 124]

44. [persoon 125]

45. [persoon 126]

46. [persoon 127]

47. [persoon 128]

48. [persoon 129]

49. [persoon 130]

50. [persoon 131]

51. [persoon 132]

52. [persoon 133]

53. [persoon 134]

54. [persoon 135]

55. [persoon 136]

56. [persoon 137]

57. [persoon 138]

58. [persoon 139]

59. [persoon 140]

60. [persoon 141]

61. [persoon 142]

62. [persoon 143]

63. [persoon 144]

64. [persoon 145]

65. [persoon 146]

66. [persoon 147]

67. [persoon 148]

68. [persoon 149]

69. [persoon 150]

70. [persoon 151]

71. [persoon 152]

72. [persoon 153]

73. [persoon 154]

74. [persoon 155]

75. [persoon 156]

76. [persoon 157]

77. [persoon 158]

78. [persoon 159]

79. [persoon 160]

80. [persoon 161]

81. [persoon 162]

82. [persoon 163]

83. [persoon 164]

84. [persoon 165]

85. [persoon 166]

86. [persoon 167]

87. [persoon 168]

88. [persoon 169]

89. [persoon 170]

90. [persoon 171]

91. [persoon 172]

92. [persoon 173]

93. [persoon 174]

94. [persoon 175]

95. [persoon 176]

96. [persoon 177]

97. [persoon 178]

98. [persoon 179]

99. [persoon 180]

100. [persoon 181]

101. [persoon 182]

102. [persoon 183]

103. [persoon 184]

104. [persoon 185]

105. [persoon 186]

106. [persoon 187]

107. [persoon 188]

108. [persoon 189]

109. [persoon 190]

110. [persoon 191]

111. [persoon 192]

112. [persoon 193]

113. [persoon 194]

114. [persoon 195]

115. [persoon 196]

116. [persoon 197]

117. [persoon 198]

118. [persoon 199]

119. [persoon 200]

120. [persoon 201]

121. [persoon 202]

122. [persoon 203]

123. [persoon 204]

124. [persoon 205]

125. [persoon 206]

126. [persoon 207]

127. [persoon 208]

128. [persoon 209]

129. [persoon 210]

130. [persoon 211]

131. [persoon 212]

132. [persoon 213]

133. [persoon 214]

134. [persoon 215]

135. [persoon 216]

136. [persoon 217]

137. [persoon 218]

138. [persoon 219]

139. [persoon 220]

140. [persoon 221]

141. [persoon 222]

142. [persoon 223]

143. [persoon 224]

144. [persoon 225]

145. [persoon 226]

146. [persoon 227]

147. [persoon 228]

148. [persoon 229]

149. [persoon 230]

150. [persoon 231]

151. [persoon 232]

152. [persoon 233]

153. [persoon 234]

154. [persoon 235]

155. [persoon 236]

156. [persoon 237]

157. [persoon 238]

158. [persoon 239]

159. [persoon 240]

160. [persoon 241]

161. [persoon 242]

162. [persoon 243]

163. [persoon 244]

164. [persoon 245]

165. [persoon 246]

166. [persoon 247]

167. [persoon 248]

168. [persoon 249]

169. [persoon 250]

170. [persoon 251]

171. [persoon 252]

172. [persoon 253]

173. [persoon 254]

174. [persoon 254]

175. [persoon 256]

176. [persoon 257]

177. [persoon 258]

178. [persoon 259]

179. [persoon 260]

180. [persoon 261]

181. [persoon 262]

182. [persoon 263]

183. [persoon 264]

184. [persoon 265]

185. [persoon 266]

186. [persoon 267]

187. [persoon 268]

188. [persoon 269]

189. [persoon 270]

190. [persoon 271]

191. [persoon 272]

192. [persoon 273]

193. [persoon 274]

194. [persoon 275]

195. [persoon 276]

196. [persoon 277]

197. [persoon 278]

198. [persoon 279]

199. [persoon 280]

200. [persoon 281]

201. [persoon 282]

202. [persoon 283]

203. [persoon 284]

204. [persoon 285]

205. [persoon 286]

206. [persoon 287]

207. [persoon 288]

208. [persoon 289]

209. [persoon 290]

210. [persoon 291]

211. [persoon 292]

212. [persoon 293]

213. [persoon 294]

214. [persoon 295]

215. [persoon 296]

216. [persoon 297]

217. [persoon 298]

218. [persoon 299]

219. [persoon 300]

220. [persoon 301]

221. [persoon 302]

222. [persoon 303]

223. [persoon 304]

224. [persoon 305]

225. [persoon 306]

226. [persoon 307]

227. [persoon 308]

228. [persoon 309]

229. [persoon 310]

230. [persoon 311]

231. [persoon 312]

232. [persoon 313]

233. [persoon 314]

234. [persoon 315]

235. [persoon 316]

236. [persoon 317]

237. [persoon 318]

238. [persoon 319]

239. [persoon 320]

240. [persoon 321]

en/of één of meer anderen

wreed en/of onmenselijk hebben behandeld en/of

(meermalen) hun persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of

tegen hen vonnissen hebben uitgesproken en/of tenuitvoer hebben gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of

hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd

welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat

  • -

    tegen voornoemde perso(o)n(en) (gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) heeft/ hebben uitgevaardigd in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 augustus 1978 en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of

  • -

    genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen

welke misdrijven hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

door middel van giften, beloften, misbruik van gezag, geweld bedreiging ,misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt,

immers heeft hij (gebruikmakend van zijn positie als als vertegenwoordiger van de Ethiopische overheid (Derg) in de provincie Gojam

toen en daar

-opdracht gegeven om aan voornoemde perso(o)n(en) gevangenis)straffen en/of andere maatregelen (zware arbeid) op te leggen en/of ten uitvoer te leggen en/of

- de onmenselijke omstandigheden in de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel in stand gehouden

(art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.)

en/of

4.3

toelaten

dat aan verdachte ondergeschikte personen (zoals hoofd(en) van de gevangenis(sen) te Debre Marcos en/of Metekel en/of politiebeambten en/of bewakers) en één of meer anderen, tezamen en in vereniging

op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december 1981 te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans in Ethiopië,

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

  • -

    die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben/heeft gehad en/of

  • -

    die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of

  • -

    die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of

  • -

    die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of

  • -

    die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of

  • -

    van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was en/of

  • -

    die feiten onmenselijke behandeling inhielden,

hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met

het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

(in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië,

personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

te weten

1. [persoon 82]

2. [persoon 83]

3. [persoon 84]

4. [persoon 85]

5. [peroon 86]

6. [persoon 87]

7. [persoon 88]

8. [persoon 89]

9. [persoon 90]

10. [persoon 91]

11. [persoon 92]

12. [persoon 93]

13. [persoon 94]

14. [persoon 95]

15. [persoon 96]

16. [persoon 97]

17. [persoon 98]

18. [persoon 99]

19. [persoon 100]

20. [persoon 101]

21. [persoon 102]

22. [persoon 103]

23. [persoon 104]

24. [persoon 105]

25. [persoon 106]

26. [persoon 107]

27. [persoon 108]

28. [persoon 109]

29. [persoon 110]

30. [persoon 111]

31. [persoon 112]

32. [persoon 113]

33. [persoon 114]

34. [persoon 115]

35. [persoon 116]

36. [persoon 117]

37. [persoon 118]

38. [persoon 119]

39. [persoon 120]

40. [persoon 121]

41. [persoon 122]

42. [persoon 123]

43. [persoon 124]

44. [persoon 125]

45. [persoon 126]

46. [persoon 127]

47. [persoon 128]

48. [persoon 129]

49. [persoon 130]

50. [persoon 131]

51. [persoon 132]

52. [persoon 133]

53. [persoon 134]

54. [persoon 135]

55. [persoon 136]

56. [persoon 137]

57. [persoon 138]

58. [persoon 139]

59. [persoon 140]

60. [persoon 141]

61. [persoon 142]

62. [persoon 143]

63. [persoon 144]

64. [persoon 145]

65. [persoon 146]

66. [persoon 147]

67. [persoon 148]

68. [persoon 149]

69. [persoon 150]

70. [persoon 151]

71. [persoon 152]

72. [persoon 153]

73. [persoon 154]

74. [persoon 155]

75. [persoon 156]

76. [persoon 157]

77. [persoon 158]

78. [persoon 159]

79. [persoon 160]

80. [persoon 161]

81. [persoon 162]

82. [persoon 163]

83. [persoon 164]

84. [persoon 165]

85. [persoon 166]

86. [persoon 167]

87. [persoon 168]

88. [persoon 169]

89. [persoon 170]

90. [persoon 171]

91. [persoon 172]

92. [persoon 173]

93. [persoon 174]

94. [persoon 175]

95. [persoon 176]

96. [persoon 177]

97. [persoon 178]

98. [persoon 179]

99. [persoon 180]

100. [persoon 181]

101. [persoon 182]

102. [persoon 183]

103. [persoon 184]

104. [persoon 185]

105. [persoon 186]

106. [persoon 187]

107. [persoon 188]

108. [persoon 189]

109. [persoon 190]

110. [persoon 191]

111. [persoon 192]

112. [persoon 193]

113. [persoon 194]

114. [persoon 195]

115. [persoon 196]

116. [persoon 197]

117. [persoon 198]

118. [persoon 199]

119. [persoon 200]

120. [persoon 201]

121. [persoon 202]

122. [persoon 203]

123. [persoon 204]

124. [persoon 205]

125. [persoon 206]

126. [persoon 207]

127. [persoon 208]

128. [persoon 209]

129. [persoon 210]

130. [persoon 211]

131. [persoon 212]

132. [persoon 213]

133. [persoon 214]

134. [persoon 215]

135. [persoon 216]

136. [persoon 217]

137. [persoon 218]

138. [persoon 219]

139. [persoon 220]

140. [persoon 221]

141. [persoon 222]

142. [persoon 223]

143. [persoon 224]

144. [persoon 225]

145. [persoon 226]

146. [persoon 227]

147. [persoon 228]

148. [persoon 229]

149. [persoon 230]

150. [persoon 231]

151. [persoon 232]

152. [persoon 233]

153. [persoon 234]

154. [persoon 235]

155. [persoon 236]

156. [persoon 237]

157. [persoon 238]

158. [persoon 239]

159. [persoon 240]

160. [persoon 241]

161. [presoon 242]

162. [persoon 243]

163. [persoon 244]

164. [persoon 245]

165. [persoon 246]

166. [persoon 247]

167. [persoon 248]

168. [persoon 249]

169. [persoon 250]

170. [persoon 251]

171. [persoon 252]

172. [persoon 253]

173. [persoon 254]

174. [persoon 255]

175. [persoon 256]

176. [persoon 257]

177. [persoon 258]

178. [persoon 259]

179. [persoon 260]

180. [persoon 261]

181. [persoon 262]

182. [persoon 263]

183. [persoon 264]

184. [persoon 265]

185. [persoon 266]

186. [persoon 267]

187. [persoon 268]

188. [persoon 269]

189. [persoon 270]

190. [persoon 271]

191. [persoon 272]

192. [persoon 273]

193. [persoon 274]

194. [persoon 275]

195. [persoon 276]

196. [persoon 277]

197. [persoon 278]

198. [persoon 279]

199. [persoon 280]

200. [persoon 281]

201. [persoon 282]

202. [persoon 283]

203. [persoon 284]

204. [persoon 285]

205. [persoon 286]

206. [persoon 287]

207. [persoon 288]

208. [persoon 289]

209. [persoon 290]

210. [persoon 291]

211. [persoon 292]

212. [persoon 293]

213. [persoon 294]

214. [persoon 295]

215. [persoon 296]

216. [persoon 297]

217. [persoon 298]

218. [persoon 299]

219. [persoon 300]

220. [persoon 301]

221. [persoon 302]

222. [persoon 303]

223. [persoon 304]

224. [persoon 305]

225. [persoon 306]

226. [persoon 307]