Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14751

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
NL17.13412
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, mondelinge uitspraak. Beroep ongegrond, verzoek afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.13412 en NL17.13413


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 7 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. J.Th.A. Bos),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Italië.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.13413, plaatsgevonden op 7 december 2017. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank in de zaak NL17.13412: verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter in de zaak NL17.13413: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. In geschil is allereerst of ten aanzien van Italië nog wel mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gelet op de door eiser aangehaalde bronnen waaruit blijkt van problemen in de opvang en de asielprocedure in Italië. Ook is in geschil of overdracht van eiser leidt tot een reëel risico op ernstige schade, gelet op de ziekte van eiser.

2. Vooropgesteld wordt dat uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat er weliswaar problemen zijn in de opvang van asielzoekers in Italië, maar dat de situatie niet vergelijkbaar is met die in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (onder meer het arrest M.O.S.H. tegen Nederland1). Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt deze lijn (zie de door verweerder aangehaalde uitspraak van 10 augustus 20162 en recentelijk nog: 30 mei 20173).

3. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie blijkt dat de opvangproblemen in Italië nog lang niet achter de rug zijn en dat nog steeds gesproken moet worden van een toevloed van asielzoekers naar dat land. Niet al deze bronnen zijn besproken in de hiervoor genoemde jurisprudentie. Dit betekent echter niet dat sprake is van een wezenlijk andere situatie, die moet leiden tot een ander oordeel. Daarbij komt dat ervan uit mag worden gegaan dat eiser, als Dublinclaimant, voor opvang in aanmerking komt. In zoverre heeft hij niet dezelfde positie als elke willekeurige asielzoeker die voor het eerst in Italië aankomt.

4. Ten aanzien van de medische problemen van eiser overweegt de rechtbank dat uit het door eiser ingebrachte patiëntendossier blijkt dat hij eind september 2017 voor het laatst gezien is door het GCA. Eiser heeft de ziekte van Hodgkin en is daarvoor behandeld in zijn land van herkomst en in Frankrijk. Weliswaar moet eiser vandaag voor onderzoek naar het ziekenhuis, maar daarmee is niet gezegd dat de gezondheidstoestand van eiser door de overdracht ernstig zal verslechteren, zoals bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië4. Er is geen medische informatie voorhanden die daarop wijst. De rechtbank gaat er wel van uit dat verweerder alle beschikbare medische informatie van eiser zal verschaffen aan Italië indien het komt tot overdracht.

5. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2017.

griffier

rechter en voorzieningenrechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 nr. 63469/09

2 ECLI:NL:RVS:2016:2278

3 ECLI:NL:RVS:2017:1454

4 Hof van Justitie van de Europese Unie 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127, punt 75