Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14749

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
NL17.12579, NL17.12580, NL17.12581
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA, Iran, bekering, medische problemen, beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.12579, NL17.12580 en NL17.12581


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

[eiseres 1] , eiseres 1,

[eiseres 2] , eiseres 2,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. B. Manawi),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.E. Jasper).


Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de drie afzonderlijke besluiten, genomen in de algemene asielprocedure, van verweerder van 6 november 2017 (de bestreden besluiten).


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verder is verschenen [naam], de zoon van eiser en eiseres 2 en broer van eiseres 1. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum] en bezitten de Iraanse nationaliteit. Eiser en eiseres 2 zijn de ouders van eiseres 1. Eén van de zoons van eiser en eiseres 2, [naam], woont in Nederland en is genaturaliseerd tot Nederlander. De twee andere zoons van eiser en eiseres 2 wonen in Noorwegen en in Engeland. Op 5 juni 2017 zijn eisers, met een visum kort verblijf voor familiebezoek, naar Nederland gereisd. Op 31 augustus 2017 hebben eisers aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

  2. Uit het advies van de Forensische Medische Maatschappij Utrecht (het FMMU-advies) van 16 september 2017 blijkt dat eiser op dat moment nog niet gehoord kon worden, vanwege psychische klachten en dat hij opnieuw gezien moet worden door een FMMU-arts voordat hij gehoord kan worden. Vervolgens zijn er meerdere afspraken bij de FMMU ingepland voor eiser, maar daar is hij steeds niet verschenen. Op 25 oktober 2017 heeft de toenmalige gemachtigde van eisers een brief, met vertaling, van eisers arts uit Iran overgelegd. Daaruit blijkt dat eiser psychische klachten heeft en dat hij recentelijk symptomen van dementie vertoont. Omdat eiser niet is verschenen bij de FMMU, is hij ingepland voor een nader gehoor, maar ook daar is hij niet verschenen.

  3. Uit het FMMU-advies van 10 oktober 2017 blijkt dat eiseres beperkingen van dien aard heeft dat zij definitief niet gehoord kan worden. Eiseres 1 heeft een verstandelijke beperking en diabetes.

  4. Eiseres 2 heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Iran is bekeerd tot het christendom en een aantal keren een huiskerk heeft bezocht. Terwijl eiseres 2 in Nederland was voor familiebezoek, heeft zij gehoord dat de vrouw die haar heeft laten kennismaken met het christendom, [vrouw], is opgepakt. De dochter van deze vrouw heeft eiseres 2 afgeraden om terug te komen naar Iran, omdat zij dan ook zal worden opgepakt.

  5. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De gestelde bekering van eiseres 2 tot het christendom acht verweerder niet geloofwaardig. Reeds daarom zijn de gestelde problemen als gevolg van de bekering ook niet geloofwaardig. Bovendien heeft eiseres summier en tegenstrijdig verklaard over waarom zij gezocht zou worden door de Iraanse autoriteiten. Omdat eiser en eiseres 1 niet gehoord konden worden, hebben zij geen verklaringen afgelegd over feiten of omstandigheden die in verband staan met vluchtelingschap of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor zover zij zich beroepen op de problemen van eiseres 2, verwijst verweerder naar het bestreden besluit in de zaak van eiseres 2, waarin de gestelde bekering ongeloofwaardig is bevonden.

  6. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  7. Namens eisers is aangevoerd dat het bestreden besluit in de zaak van eiser onvoldoende gemotiveerd is. Verweerder had in het kader van zijn vergewisplicht en onderzoeksplicht er alles aan moeten doen om meer informatie en duidelijkheid te krijgen over de (gezondheids-)situatie van eiser. In het verlengde daarvan betogen eisers dat de asielaanvragen van eisers niet geschikt waren om in de algemene asielprocedure te behandelen. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door de asielaanvragen niet in de verlengde asielprocedure te behandelen.

  8. De rechtbank overweegt dat de FMMU ten aanzien van eiseres 1 heeft vastgesteld dat zij definitief niet gehoord kan worden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat eiser, vanwege zijn dementie, niet gehoord kan worden. Verweerder had daarom geen nadere medische informatie over eiser nodig. Eiseres 2 is wel gehoord en heeft haar asielmotieven naar voren kunnen brengen. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte verweerder dan ook over voldoende informatie om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Daarom was het niet nodig de aanvragen in de verlengde asielprocedure te behandelen. Er is geen sprake van onzorgvuldigheid. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 24 augustus 2017 (NL17.5694, niet gepubliceerd) kan niet tot een ander oordeel leiden. In die procedure was sprake van een samenloop van bijzondere, individuele omstandigheden die maakten dat de algemene asielprocedure naar het oordeel van de rechtbank niet geschikt was. De omstandigheden die in de procedure van eisers aan de orde zijn, zijn niet vergelijkbaar.

  9. Namens eiser en eiseres 1 is betoogd dat uitzetting vanwege hun medische omstandigheden zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank oordeelt dat de medische toestand van eiser en eiseres nimmer kan leiden tot een asielvergunning. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak M’Bodj tegen de Belgische Staat van 18 december 2014 (ECLI:EU:C:2014:2452) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1733). Deze beroepsgrond faalt.

  10. In het kader van de ambtshalve toets aan artikel 64 van de Vw heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat eiser en eiseres 1 niet in staat zijn om te reizen of dat bij uitblijven van medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Eisers hebben daartegen geen beroepsgronden gericht.

  11. Ter zitting hebben eisers verzocht om aanhouding van hun beroepen totdat er meer duidelijkheid is over de medische behandeling van eiser en eiseres 1. De rechtbank wijst dit verzoek af. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan eventuele aanvullende medische informatie niet leiden tot een asielvergunning, zodat er geen aanleiding bestaat om de beroepen aan te houden. Mocht later uit aanvullende informatie blijken dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie of dat eiser dan wel eiseres niet in staat zijn om te reizen, dan staat het hen vrij een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw in te dienen.

  12. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde bekering van eiseres 2 tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. Aan zijn standpunt heeft verweerder onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Omdat eiseres 2 afkomstig is uit een land waar bekering tot een andere godsdienst dan de islam maatschappelijk onacceptabel en zelfs strafbaar is, wordt bijzondere waarde gehecht aan haar verklaringen over haar motieven voor en het proces van bekering. Deze verklaringen overtuigen volgens verweerder niet, gelet op het volgende. De kritiek die eiseres 2 heeft op de islam ziet niet op de essentie van de islam, maar voornamelijk op de uiterlijke kenmerken daarvan en de wijze waarop de islam in Iran is vormgegeven. Haar verklaringen zijn oppervlakkig en algemeen en getuigen niet van dieperliggende motieven voor de gestelde afkeer van de islam. Voorts heeft eiseres 2 haar proces van bekering niet inzichtelijk gemaakt. Omdat het gedrag van [vrouw] eiseres 2 aansprak, is zij meegegaan naar de huiskerk en dat is hoe zij haar geloof belijdt. Verder deed zij niets met het geloof, zo heeft zij verklaard, omdat zij daar geen tijd voor had of omdat ze te moe was. Verweerder stelt dat hieruit niet blijkt van een innerlijke overtuiging en oprechte interesse in het christendom. Bovendien is eiseres 2 in Nederland slechts één of twee keer naar de kerk geweest. Voorts is niet gebleken van een bewuste keuze om zich te bekeren, nu zij heeft verklaard dat dit een spontane actie was. Eiseres 2 heeft verder oppervlakkig en in algemeenheden verklaard over wat haar bekering dan wel de huiskerkbijeenkomsten haar in haar persoonlijke leven hebben opgeleverd. Tot slot heeft verweerder overwogen dat de kennis van eiseres 2 over het christendom zeer summier, dan wel onjuist is.

  13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met de hiervoor weergegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig is. De rechtbank volgt eiseres 2 niet in haar betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Dat eiseres 2 beperkte intellectuele capaciteiten heeft en zich veel zorgen maakt om haar man en dochter, maakt niet dat van haar niet verwacht mag worden dat zij inzicht kan geven in haar motieven voor en het proces van bekering. Dat zij vanwege haar omstandigheden niet het vermogen heeft om consistent, coherent en volledig te verklaren, is niet met (medische) documenten onderbouwd. Eiseres 2 heeft ter zitting nader toegelicht dat zij al langer sympathie had voor het christendom maar zich vanwege haar persoonlijke omstandigheden niet eerder kon bekeren. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder niet mocht toetsen of de gestelde bekering geloofwaardig is.
    Omdat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde bekering niet geloofwaardig is, heeft hij zich reeds daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de daaruit voortvloeiende problemen ook niet geloofwaardig zijn.

  14. De rechtbank volgt eiseres 2 verder niet in haar stelling dat ook als haar bekering niet geloofwaardig wordt bevonden, zij desondanks als afvallige aangemerkt moet worden. Verweerder heeft immers zowel de afvalligheid als de bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden.

  15. De rechtbank concludeert dat verweerder de asielaanvragen van eisers terecht heeft afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. De laatste beroepsgrond van eisers, namelijk dat indien aan één van hen alsnog een asielvergunning wordt verleend, de anderen op grond van artikel 8 van het EVRM ook aanspraak maken op verblijf in Nederland, faalt daarom ook.

  16. De beroepen zijn ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.