Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14712

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
09/827043-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft vier jonge meisjes aangerand. Het eerste meisjes, dat slechts twee jaar oud was, heeft hij in de openbare bibliotheek in het bijzijn van haar moeder – die een leesboek aan het uitzoeken was – op haar mond gezoend. Een ander meisje, dat slechts zeven jaar oud was, heeft hij op de kermis zelfs een tongzoen gegeven. Het spreekt voor zich dat zowel zijn slachtoffertjes als ook hun ouders hierdoor erg geschrokken zijn. Op de kermis heeft verdachte daarna nog zijn hand bij twee meisjes op de billen gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827043-17

Datum uitspraak: 3 november 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 2 mei 2017 en 20 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.E. Rebel en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.W. van Rijn, advocaat te Katwijk ZH, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 december 2016 te Leiden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- het onverhoeds/ongemerkt benaderen van [slachtoffer 1] en/of

- ( vervolgens) plotseling/onverhoeds met beide handen vastpakken van het hoofd

van [slachtoffer 1] ,

die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het kussen op de mond;

subsidiair

hij op of omstreeks 12 december 2016 te Leiden met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het met beide handen vastpakken van het hoofd van [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) kussen op de mond van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 03 oktober 2016 te Leiden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit opzettelijk ontuchtig (tong)zoenen op/tegen/in de mond van [slachtoffer 2] door verdachte en bestaande

dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte die [slachtoffer 2] (onverhoeds) (stevig) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) naar zich toe heeft getrokken en/of (daarbij) (vervolgens) die [slachtoffer 2] onverhoeds op/tegen/in de mond heeft ge(tong)zoend

subsidiair

hij op of omstreeks 03 oktober 2016 te Leiden met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (tong)zoenen op/tegen de mond van die [slachtoffer 2] ;

3.

hij op of omstreeks 03 oktober 2016 te Leiden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten (vooralsnog) (een) onbekend gebleven meisje(s) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen, bestaande uit het (onverhoeds) (stevig) beanderen van die /dat meisj(es) van en/of het onverhoeds wrijven over, althans aanraken van de billen en/of (onverhoeds) doen van zijn hand onder de rok van die/dat meisje(s) door verdachte en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte die onbekend gebleven meisje(s)(telkens) (onverhoeds) heeft benaderd en/of (onverhoeds) heeft gewreven over de billen, althans de billen heeft aangeraakt en/of onder zijn hand onder het/de rokje(s) van die (vooralsnog) onbekend gebleven meisje(s) heeft gedaan.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 8 januari 2017 heeft [getuige 1] aangifte gedaan van aanranding van haar dochter [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [geboortedatum 2] . Een man zou haar dochter op de mond hebben gekust. De verdachte wordt ervan verdacht dit feit (feit 1) te hebben gepleegd.

Voorts is op 3 oktober 2016 door [getuige 2] aangifte gedaan van aanranding van haar dochter [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). Ook zij geeft aan dat een man haar dochter op de mond heeft gekust. De verdachte wordt ervan verdacht ook dit feit (feit 2) te hebben gepleegd.

Verdachte wordt tot slot verweten zich op 3 oktober 2016 (meermalen) schuldig te hebben gemaakt aan aanranding van een of meer onbekend gebleven meisjes. Hiervoor is hij op 3 oktober 2016 als verdachte aangehouden (feit 3).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten ontkent, doch zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft betoogd dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Feit 1

Op 8 januari 2017 heeft [getuige 1] tegenover de politie verklaard dat zij op 12 december 2016 met haar dochters, onder wie haar dochter [slachtoffer 1] van twee jaar oud, in de bibliotheek in Leiden was. Aangeefster heeft verklaard dat zij op haar hurken zat terwijl [slachtoffer 1] links van haar stond. Er kwam een man vanaf de linkerzijde om hun heen lopen. De man kwam heel dichtbij. Aangeefster heeft verklaard dat zij opzij keek en toen zag dat de man het gezicht van [slachtoffer 1] vasthield met beide handen en dat hij zijn open mond op de mond van [slachtoffer 1] plaatste. Het duurde even voordat ze besefte wat ze zag en toen begon zij gelijk te gillen. De man kwam heel langzaam omhoog, keek haar aan en liep vervolgens met zijn handen in zijn zakken weg zonder iets te zeggen.2 Aangeefster heeft verklaard dat [slachtoffer 1] in de wc in het Frans tegen haar zei: “de mijnheer heeft mij gekust”.3

Bibliotheekmedewerker I. [getuige 3] heeft verklaard dat hij op 12 december 2016 werkzaam was in de bibliotheek te Leiden en dat hij zag dat een mevrouw gehurkt zat met haar gezicht richting een boekenkast en dat naast deze vrouw een jong meisje met blond haar stond. [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat er een man richting het meisje liep.

[getuige 3] zag dat de man een beweging maakte alsof hij over het hoofd van het meisje met blond haar wilde aaien.4 [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat de man bukte naar het meisje en dat de man met zijn gezicht naar het gezicht van het meisje ging en haar op de mond zoende. [getuige 3] heeft deze man als volgt omschreven: man, licht getint, 40/50 jaar, 1.70/1.75 m, zwart stekelig haar, groene jas, lichte kleur broek. [getuige 3] heeft verklaard dat de man vaker in de bibliotheek komt, eerder de bibliotheek is uitgestuurd en regelmatig met een rode opvallende jas rondloopt.5

Nog geen vijf minuten nadat het voorval had plaatsgevonden, kwam de politie ter plaatse.6 Verbalisant Tasma heeft gerelateerd dat getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de man die het meisje een kus had gegeven op beeld stond bij binnenkomst en bij het verlaten van de bibliotheek. De beelden zijn ter plekke opgeroepen op een computer en [getuige 3] heeft tegen Tasma gezegd dat de man op de beelden de man is die het blonde meisje heeft gekust.

De verbalisant herkende deze man als de hem ambtshalve bekende verdachte [verdachte] .7

De rechtbank is van oordeel dat de vorenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewijs vormen voor bewezenverklaring van feit 1 primair. Zowel de moeder van [slachtoffer 1] als getuige [getuige 3] hebben gezien dat een man [slachtoffer 1] op haar mond heeft gekust en die man is herkend als de verdachte.

Feiten 2 en 3 8

(feit 2)

Op 3 oktober 2016 heeft [getuige 2] aangifte gedaan van aanranding van haar dochter [slachtoffer 2] . [getuige 2] heeft bij de aangifte verklaard dat zij rond 13:15 uur op de kermis in Leiden waren. Zij stond ongeveer anderhalve meter bij haar dochter [slachtoffer 2] vandaan. Ineens kwam er een man aan die naar [slachtoffer 2] liep. De man stak zijn hand uit naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 2] gaf hem een hand terug. [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat de man [slachtoffer 2] naar zich toetrok en zich voorover boog. Zij zag de man van achteren. De man gaf [slachtoffer 2] een zoen en liep vervolgens rustig weg. Met het weglopen gaf hij [slachtoffer 2] een aai over haar hoofd. [slachtoffer 2] zei tegen haar dat zij de man niet kende en dat hij aan haar mond had gelikt.9 [getuige 2] heeft de man omschreven als een getinte man met een volle zwarte baard en kort zwart warrig haar en een lengte van ongeveer 1.70 meter. De man deed haar een beetje aan een zwerver denken.10

[getuige 4] heeft verklaard dat zij op 3 oktober 2016 op de kermis in Leiden was. Er stond een klein meisje naast haar. Een onverzorgde man kwam aanlopen die zijn hand uitstak naar het meisje om haar een hand te geven. Het meisje stak ook haar hand uit, maar aan de blik van het meisje was te zien dat zij het vreemd vond. De man trok het meisje naar zich toe en gaf haar een kus op de mond. [getuige 4] heeft de man weggeduwd en de man liep toen weg.11 [getuige 4] heeft de man omschreven als onverzorgd, licht getint, eind 50, en hij droeg een spijkerbroek.12

[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , heeft verklaard dat zij met haar ouders en zus op de kermis was en dat een man haar een hand gaf en dat hij haar toen in haar mond heeft gelikt. De man likte haar vijf a zes seconden in haar mond. [slachtoffer 2] vond het kussen heel vies.13

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande wettig en overtuigend is komen vast te staan dat [slachtoffer 2] door een man onverhoeds op haar mond is gekust en dat hij ook met zijn tong in haar mond is geweest. Voor beantwoording van de vraag of het verdachte is geweest die zich hieraan schuldig heeft gemaakt, is het volgende van belang.

(feit 3)

[getuige 5] heeft verklaard dat hij tijdens Leidens Ontzet rond 14:30 à 15:00 uur op de kermis was en dat hij een man zag staan die zijn aandacht trok. De man had een hele vieze broek aan en hij had een biertje bij zich. [getuige 5] heeft gezien dat de man heel dicht tegen een meisje van zes à acht jaar oud aan ging staan. Hij zag dat de man zijn hand op de billen van het meisje legde. De man is later door de politie aangehouden.14

Ook [getuige 6] heeft verklaard dat hij op 3 oktober 2016 op de kermis in Leiden was. Rond 11:30 uur heeft hij gezien dat een man met een baard die er onverzorgd uitzag naar drie meisjes tussen de tien en dertien jaar oud toeliep en één van die meisjes van achteren beetpakte bij de kont. Rond 14:30 uur heeft [getuige 6] de man weer gezien. Hij heeft de man toen naar de grond gewerkt. De man had een baard, een heel vieze broek en stonk. [getuige 6] heeft verklaard dat hij toen twee mensen van de spoorwegpolitie zag die de man in de boeien hebben geslagen.15

Op 3 oktober 2016 is omstreeks 14:53 verdachte, die werd vastgehouden door medewerkers van de spoorwegpolitie, aangehouden door onder meer verbalisant De Vries, die verdachte heeft omschreven als licht getint, zwarte baard en ongeveer 1,75 meter.16 De kleding die verdachte op dat moment droeg, was sterk verontreinigd.17

De rechtbank stelt vast dat het door aangeefster en getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] opgegeven signalement past bij het uiterlijk van verdachte en bij de kleding die hij op 3 oktober 2016 bij zijn aanhouding droeg. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verdachte de man is die op 3 oktober 2016 op de kermis in Leiden een heel jong meisje op de mond heeft gezoend en bij twee andere meisjes de hand op de billen heeft gelegd.

Gelet op de aard van de handelingen en de omstandigheid dat ze onverhoeds hebben plaatsgevonden bij minderjarige slachtoffers, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van handelingen die als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1. primair

hij op 12 december 2016 te Leiden, door een andere feitelijkheid, te weten

- het onverhoeds benaderen van [slachtoffer 1] en

- ( vervolgens) onverhoeds met beide handen vastpakken van het hoofd van [slachtoffer 1] ,

die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het kussen op de mond.

2. primair

hij op 03 oktober 2016 te Leiden, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit opzettelijk (tong)zoenen in de mond van [slachtoffer 2] door verdachte en bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte die [slachtoffer 2] onverhoeds heeft vastgepakt en vervolgens naar zich toe heeft getrokken.

3.

hij op 03 oktober 2016 te Leiden, door een andere feitelijkheid onbekend gebleven meisjes heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het onverhoeds aanraken van de billen en bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte die onbekend gebleven meisjes onverhoeds heeft benaderd.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden zal worden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan verdachte de bijzondere voorwaarden zullen worden opgelegd zoals is geadviseerd door de reclassering in het advies d.d. 5 april 2017, en dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat - voor zover de rechtbank komt tot bewezenverklaring van een of meer aan verdachte ten laste gelegde feiten - aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die gelijk is aan de door hem in voorarrest doorgebrachte tijd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie dient te worden gevolgd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft vier jonge meisjes aangerand. Het eerste meisjes, dat slechts twee jaar oud was, heeft hij in de openbare bibliotheek in het bijzijn van haar moeder – die een leesboek aan het uitzoeken was – op haar mond gezoend. Een ander meisje, dat slechts zeven jaar oud was, heeft hij op de kermis zelfs een tongzoen gegeven. Het spreekt voor zich dat zowel zijn slachtoffertjes als ook hun ouders hierdoor erg geschrokken zijn. Op de kermis heeft verdachte daarna nog zijn hand bij twee meisjes op de billen gelegd. Uit het dossier blijkt dat zijn optreden veel onrust en ergernis heeft veroorzaakt bij het publiek dat gezien heeft wat verdachte deed.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 21 september 2017. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten – ook na 3 oktober 2016. Daarbij gaat het echter niet om dit soort feiten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op omtrent verdachte opgemaakte rapportages van 8 en 9 mei 2017 door psycholoog T. ’t Hoen, respectievelijk psychiater M.H. Diawara, en de reclasseringsrapportages van 5 april 2017 en 16 oktober 2017 (voortgangsverslag).

Hieruit is gebleken dat bij verdachte sprake is van schizofrenie. Het stellen van een volledige diagnose en de behandeling van verdachte worden echter bemoeilijkt door een cultuur- en taalbarrière. De behandeling is tot dusver beperkt gebleven tot het verschaffen van medicatie. Voortdurende begeleiding door de medewerkers van het sociaal pension waar verdachte woont lijkt van groot belang. De reclassering heeft geadviseerd bij een eventuele veroordeling van verdachte aan hem een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldplicht en een behandelverplichting bij I-PSY, een instelling die gespecialiseerd is in andere talen en culturen.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, met na te melden bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een proeftijd van twee jaren, een passende en geboden reactie vormt.

De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 57, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair :

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

ten aanzien van feit 2 primair

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

ten aanzien van feit 3:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 5 (VIJF) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich op uiterlijk 6 november 2017 tussen 9.00 uur en 12.00 uur meldt bij de Reclassering Nederland regio Zuid-West via 088-8041301 en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Daarnaast dient de veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die hem door of namen de reclassering worden gegeven;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt bij I-PSY of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling;

- zal verblijven op het adres [adres] (sociaal pension) zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland regio Zuid-West tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.A. Vinken voorzitter,

mr. E.A.G.M. van Rens, rechter,

mr. M.P.M. Loos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 november 2017.

1 Wanneer hierna ten aanzien van feit 1 wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016344747, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche (DH), afdeling thematische opsporing (DH), team zeden (DH), met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 77).

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 23 en 24.

3 Proces-verbaal van aangifte, blz. 25.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 32.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 33.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 43.

7 Proces-verbaal van bevindingen blz. 67

8 Wanneer hierna ten aanzien van feiten 2 en 3 wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016275730, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche (DH), afdeling thematische opsporing (DH), team zeden (DH), met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 56).

9 Proces-verbaal van aangifte, blz. 18.

10 Proces-verbaal van aangifte, blz. 19.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 31.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 32.

13 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 35.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 21-22.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 29-30.

16 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 8.

17 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 37.