Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14710

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
09/827537-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door verdachte geschetste gang van zaken is een grove inschattingsfout geweest, maar deze kan gezien het hiervoor overwogene niet als wederrechtelijke vrijheidsberoving worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827537-16

Datum uitspraak: 13 oktober 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 september 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2016 te 's-Gravenhage opzettelijk N. [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte

- de fiets van die [slachtoffer] in zijn, verdachte's, woning gezet en/of

tegen die [slachtoffer] gezegd dat als hij zijn fiets terug wilde, hij binnen

moest komen en/of

- ( nadat die [slachtoffer] de woning van verdachte binnen was gegaan) de deur van

die woning dicht gedaan en/of op slot gedaan en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij op de bank moest gaan zitten en/of

- ( meermalen) tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij niet weg mocht.

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

Op 19 augustus 2016 is [slachtoffer] enige tijd bij verdachte binnen in diens woning aan de [adres 2] te ’s-Gravenhage geweest. De vraag ligt voor of verdachte [slachtoffer] toen en daar wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd of beroofd gehouden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen dient te worden, en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan verdachte de bijzondere voorwaarde zal worden opgelegd dat hij zich onder toezicht van de reclassering zal laten stellen en verplichte behandeling zal ondergaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsvrouw betoogd – zakelijk weergegeven - dat verdachte geenszins opzet heeft gehad op de wederrechtelijk vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Verdachte heeft uitsluitend de intentie gehad om de fiets van [slachtoffer] te maken, en hij heeft slechts met dat doel de fiets van [slachtoffer] in zijn woning gezet. Weliswaar heeft [slachtoffer] verklaard dat hij de woning niet uit mocht van verdachte, maar die verklaring wordt in onvoldoende mate gesteund door ander bewijs. De zich in het dossier bevindende – voor verdachte belastende - verklaringen van andere personen kunnen op dit onderdeel niet als steunbewijs worden beschouwd, nu zij afkomstig zijn van dezelfde bron, te weten [slachtoffer] , aldus de raadsvrouw.

Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat het mogelijk zo zou kunnen zijn dat [slachtoffer] ervan is geschrokken dat zijn familie en buren naar hem op zoek waren, zodanig dat hij als gevolg daarvan verdachte heeft beschuldigd van het ten laste gelegde.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank stelt voorop dat bewezenverklaring van een strafbaar feit niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Het voorschrift, vastgelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing in die zin dat niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Bij de eis van de dubbele bevestiging gaat het erom dat er twee van elkaar onafhankelijke bronnen zijn om tot bewezenverklaring te komen. De strekking van artikel 342, tweede lid, Sv vereist bijkomend bewijs uit een van de getuige onafhankelijke bron.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem op 19 augustus 2016 heeft aangeboden zijn fiets te repareren. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij aan verdachte heeft gezegd dat dit niet hoeft, maar dat verdachte toch de fiets heeft opgepakt en in zijn woning heeft gebracht. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem aan de arm de woning in heeft meegetrokken. In de woning ging hij op de bank zitten en tv kijken. De verdachte ging de fiets repareren. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij geen banaan wilde eten, maar dat dit van verdachte moest en dat hij meermalen aan verdachte heeft gevraagd of hij weg mocht en dat verdachte telkens ‘nee’ zei. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij bang was. Tot slot heeft [slachtoffer] verklaard dat toen hij weer met de fiets naar buiten ging, verdachte hem in de gang een kus en een knuffel heeft gegeven.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 19 augustus 2016 [slachtoffer] heeft geholpen met het maken van zijn fiets. Hij heeft daartoe de fiets van [slachtoffer] in zijn woning geplaatst. Verdachte heeft verklaard dat hij de fiets van [slachtoffer] naar binnen heeft meegenomen omdat het gereedschap in de woning lag. Verdachte heeft verklaard dat hij aan [slachtoffer] heeft gezegd dat hij in de woonkamer op de bank kon gaan zitten en tv kon kijken. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer] een banaan te eten heeft aangeboden, maar dat hij [slachtoffer] niet heeft gedwongen dit te eten. Na ongeveer een half uur was de fiets gemaakt en is [slachtoffer] met zijn fiets weggegaan.

Volgens verdachte is er op 19 augustus 2016 geen sprake geweest van een situatie waarin [slachtoffer] verdachtes huis uit wilde terwijl verdachte hem heeft gedwongen om in huis te blijven. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] niet tegen hem gezegd dat hij weg wilde en was ook niet aan [slachtoffer] te zien dat hij boos of verdrietig was.

Volgens verdachte klopt het wel dat de voordeur van de woning dicht was toen [slachtoffer] met zijn fiets de woning verliet. Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat de deur op een gegeven moment moet zijn dichtgewaaid. Verdachte heeft tot slot verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft gekust of geknuffeld, en dat hij uitsluitend op vrouwen valt en geen voorkeur heeft voor jonge personen.

In het dossier bevinden zich naast de verklaringen van [slachtoffer] en van verdachte, de aangifte van de vader van [slachtoffer] en verklaringen van de buurman van [slachtoffer] , [getuige 1] , en van vriendjes van [slachtoffer] , onder wie [getuige 2] en [getuige 3] . De rechtbank heeft aangaande deze personen vastgesteld dat zij niet uit eigen waarneming hebben verklaard over hetgeen zich in de woning van verdachte tussen hem en [slachtoffer] heeft afgespeeld. Over dat onderdeel hebben de getuigen slechts verklaard wat zij daarover van [slachtoffer] hebben gehoord. Wel hebben de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] verklaard dat zij hebben gezien dat [slachtoffer] op 19 augustus 2016 met zijn fiets uit de woning van verdachte kwam.

Voorts is gebleken dat in de woning van verdachte onderzoek is verricht waarbij geen ter zake dienende goederen zijn aangetroffen. Ook is onderzoek verricht in de auto van verdachte, waarbij twee laptops en een navigatiesysteem in beslag zijn genomen, en zijn bij de aanhouding van verdachte twee telefoons onder hem in beslag genomen. Uit het dossier is niet gebleken dat hieruit voor verdachte belastende informatie naar voren is gekomen.

Het vorenstaande in onderlinge verband en samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat waar het gaat om de essentie van het ten laste gelegde feit, namelijk de opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, uitsluitend de belastende verklaring van [slachtoffer] als bewijsmiddel voorligt. Dit betreft dan de verklaring dat verdachte tegen hem had gezegd dat als hij zijn fiets terug wilde, hij binnen moest komen, dat verdachte de deur op slot had gedaan en dat hij tegen [slachtoffer] had gezegd dat hij op de bank moest gaan zitten en niet weg mocht. Dit zijn immers die onderdelen van de tenlastelegging die zien op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het meenemen van de fiets de woning in en ook het dichtdoen van de voordeur maken op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat er sprake is van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De hiervoor genoemde verklaringen van de getuigen zijn, voorzover het de essentiële onderdelen betreft, gebaseerd op wat [slachtoffer] zelf hierover heeft verteld. De inhoud van die verklaringen levert voor het overige geen zelfstandig bewijs op. Zij sluiten de lezing van verdachte over wat er is gebeurd, niet uit.

Ander belastend bewijs tegen verdachte is niet uit het onderzoek naar voren gekomen.

Dit maakt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Het komt de rechtbank zonder meer aannemelijk voor dat de gang van zaken op 19 augustus 2016 voor de achtjarige [slachtoffer] , zijn ouders en andere betrokkenen verontrustend is geweest. De door verdachte geschetste gang van zaken is een grove inschattingsfout geweest, maar deze kan gezien het hiervoor overwogene niet als wederrechtelijke vrijheidsberoving worden aangemerkt.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

4 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.M. Drok, voorzitter,

mr. S.W.E. de Ruiter, rechter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2017.