Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14702

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
AWB 17/8839
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

irak, asiel, geaardheid, geloofwaardigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8839


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. de Raad),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder

(gemachtigde: mr. D. Berben).


Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.A.H. Ali. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 6 november 2015 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor problemen heeft ondervonden in zijn land van herkomst.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser worden geloofwaardig geacht. De gestelde seksuele geaardheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen worden niet geloofwaardig geacht.

3. Eiser heeft in beroep verweerders conclusie over de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd, wordt hieronder ingegaan.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn onderzoek naar de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser heeft verricht overeenkomstig Werkinstructie (WI) 2015/9. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van dat asielmotief wordt rekening gehouden met het feit dat seksuele gerichtheid niet met sluitend bewijs aannemelijk kan worden gemaakt, terwijl anderzijds als uitgangspunt geldt dat het louter stellen ervan niet voldoende is. De vreemdeling krijgt in het gehoor de kans om zijn relaas te doen en aan hem worden vragen gesteld over thema’s die in de WI staan beschreven. Het hangt af van de specifieke zaak welk gewicht toekomt aan de antwoorden op deze vragen, maar in zijn algemeenheid ligt het zwaartepunt op antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (o.a. bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is.

5. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop hij zich bewust is geworden van zijn homoseksualiteit en wat dit met hem deed.

6. Daarnaast heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe hij langzamerhand tot acceptatie van zijn homoseksualiteit is gekomen. In dat verband heeft verweerder gewezen op eisers verklaringen over diens psychische klachten en de verklaring dat hij probeerde zijn geaardheid te vergeten door bij de federale politie te gaan werken. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt hoe een en ander is te rijmen met de gestelde acceptatie.

7. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers verklaringen over de verschillende relaties met jongens aan de oppervlakte blijven. Ook heeft eiser niet kunnen uitleggen hoe de relatie met zijn huidige partner zich heeft ontwikkeld.

Verder heeft verweerder terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiser, noch diens partner in hun afzonderlijke aanmeldgehoren en eerste gehoren hebben gemeld dat zij een relatie hebben.

8. Aan het bestreden besluit is mede ten grondslag gelegd dat eiser en zijn partner tegenstrijdig hebben verklaard over precieze plaats waar zij zijn betrapt tijdens het hebben van seks. Ook is door verweerder gewezen op de verklaringen van eiser over de situatie waarin hij met zijn partner is betrapt. Eisers reactie dat hij er niet op bedacht hoefde te zijn dat de leidinggevende hun kon betrappen, laat onverlet dat eiser heeft verklaard op de hoogte te zijn van het feit dat deze leidinggevende de sleutel had tot alle kamers in het gebouw. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat niet valt in te zien dat eiser en zijn partner het risico op betrapping hebben genomen.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is.

De stelling dat eiser lid is van het COC leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid wordt beoordeeld aan de hand van eigen verklaringen van de vreemdeling.

10. Nu de door eiser ondervonden problemen in het land van herkomst uitsluitend zijn gesteld in relatie tot de niet geloofwaardig bevonden seksuele gerichtheid, heeft verweerder die problemen terecht evenmin als geloofwaardig aangemerkt.

11. Voor zover eiser ter onderbouwing van zijn verklaringen in beroep nog kopieën heeft overgelegd van twee documenten betreffende het onderzoek naar het incident waarbij eiser is betrapt, heeft verweerder de rechtbank laten weten dat Bureau Documenten geen uitspraak kan doen over de authenticiteit van beide documenten. In het licht van hetgeen hierboven is overwogen, leiden de beide documenten dan ook niet tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen.

12. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.