Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14700

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 12198
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

priveleven, art. 8 EVRM, verlenging duur inreisverbod van 2 naar 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/12198

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. M.C. Heijnneman,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2017 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een ‘verblijfsvergunning privéleven op grond van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.

Verweerder heeft bij besluit van 2 juni 2017 (het bestreden besluit) het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Gambiaanse nationaliteit. Eiser is op 19 december 2009 Nederland ingereisd. Verweerder heeft eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ’verblijf bij echtgenote’, geldig van 5 januari 2010 tot 5 januari 2011, laatstelijk verlengd tot 5 januari 2016.

Bij besluit van 6 januari 2012 is deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 2 februari 2011. Het daartegen door eiser ingediende bezwaar is bij besluit van

4 januari 2013 ongegrond verklaard. Het door eiser hiertegen ingestelde beroep heeft hij op 20 juni 2013 ingetrokken.

2. Eiser heeft vervolgens in de periode van 2013 tot 2016 meerdere aanvragen ingediend voor verblijfsvergunningen met verschillende verblijfsdoelen. Verweerder heeft alle aanvragen afgewezen. Deze afwijzingen staan in rechte vast.

7. Eiser heeft op 20 februari 2017 een aanvraag ingediend voor een ‘verblijfsvergunning privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM’. Bij besluit van 21 maart 2017 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tevens is de duur van het opgelegde inreisverbod van twee jaar, opgelegd bij besluit van 21 mei 2014, verhoogd naar vijf jaar.

8. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet over een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) beschikt, noch in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder heeft verder overwogen dat er geen sprake is van beschermingswaardig privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat niet gebleken is dat de sociale banden die eiser in Nederland is aangegaan, de gebruikelijke banden overstijgen. Dat eiser steunverklaringen heeft overgelegd van vrienden, kennissen en instanties, Nederlands spreekt en hier gewerkt heeft is daartoe onvoldoende. Het gezin Vercijs, waar eiser verblijft en dat hij ondersteunt, krijgt hulp van instanties; het is niet aangetoond dat zij geheel van eiser afhankelijk zijn. Daarbij komt dat eiser zijn privéleven heeft geïntensiveerd tijdens illegaal verblijf. Eisers uitzetting is dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Verder heeft eiser een substantieel deel van zijn leven in Gambia gewoond en zijn de banden met Gambia sterker dan die met Nederland. De tegenwerping aan eiser van het mvv-vereiste leidt volgens verweerder verder niet tot een onbillijkheid van overwegende aard, zodat geen aanleiding wordt gezien tot toepassing van de hardheidsclausule ingevolge artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

9. Eiser heeft aangevoerd dat zijn beroep op vrijstelling van het mvv-vereiste ten onrechte is afgewezen. Hij is volledig geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en heeft intensieve, sociale contacten opgebouwd, die de gebruikelijke banden overstijgen. Zo vervult eiser in het gezin Vercijs, waar zowel moeder als zoon met psychische en fysieke gezondheidsproblemen te kampen hebben, een bijzondere en ondersteunende rol. Hij heeft ter onderbouwing van zijn rol in dit gezin onder meer een verklaring van hen van 31 maart 2017 overgelegd alsook een brief van de moeder en zoon individueel. Daarnaast is het signaleringsplan van Emergis en het medicatiepaspoort van mevrouw Vercijs overgelegd. Verder heeft eiser ondersteunende brieven van zijn sociale netwerk overgelegd, voorzien van paspoortidentificaties, een handtekeningenlijst en een overeenkomst met betrekking tot het vrijwilligerswerk dat hij verricht. Bovendien is eiser verwesterd en zal hij bij terugkeer in Gambia niet meer geaccepteerd worden. Daarbij komt dat hij geen familie meer heeft in Gambia. Er is sprake van subjectieve belemmeringen die leiden tot een ‘certain degree of hardship’ bij terugkeer. Ten slotte is eiser van mening dat verweerder ten onrechte de duur van het inreisverbod heeft verhoogd omdat artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb niet van toepassing is op eiser. Tevens is het opleggen van het inreisverbod in strijd met artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Afwijzing verblijfsvergunning

10. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een mvv.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder l, is van het vereiste van een geldige mvv op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

11. Niet betwist is dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. In geschil is de vraag of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste omdat zijn uitzetting in strijd komt met het recht op respect voor zijn privéleven.

12. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder meer het arrest Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (nr. 50435/99) en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2, volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven en privéleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Uitgangspunt bij die belangenafweging is dat de banden die eiser is aangegaan met Nederland de gebruikelijke banden dienen te overstijgen en dat alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich na het wegen van de betrokken belangen op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet gebleken is van een bijzondere uit het recht op eerbiediging van het privéleven voortvloeiende verplichting voor de Nederlandse overheid om eiser verblijf hier te lande toe te staan. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser vanaf 2009 tot heden in totaal 13 maanden rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning. Na 2 februari 2011 heeft eiser geen rechtmatig verblijf meer gehad. Het door eiser gestelde privéleven is door eiser grotendeels opgebouwd in een periode waarin geen sprake is geweest van rechtmatig verblijf. In deze periode heeft eiser er niet op mogen vertrouwen dat hij zijn banden met Nederland kon intensiveren. Dat eiser Nederlands spreekt, vriendschappen onderhoudt, een uitgebreide kennissenkring heeft opgebouwd en vrijwilligerswerk verricht is inherent aan zijn langdurige verblijf in Nederland maar betreft geen binding die de gebruikelijke banden overstijgen. Eiser heeft als bijzondere omstandigheid gewezen op de ondersteunende rol die hij vervult binnen het gezin Vercijs. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt evenwel dat het gezin niet alleen door eiser ondersteund wordt maar tevens begeleid wordt door Emergis, een instantie voor geestelijke gezondheidszorg en een luistertherapeute. Daarnaast is de echtgenoot van mw. Vercijs in een beschermde woonvoorziening opgenomen vanwege een Autisme Spectrum Stoornis. Het gezin wordt derhalve niet alleen door eiser maar ook door hulpverlenende instanties ondersteund. De band die eiser met het gezin onderhoudt is dan ook niet zodanig bijzonder dat eiser voor het uitoefenen van zijn privéleven gebonden is aan Nederland. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser op de leeftijd van 27 jaar naar Nederland is gekomen. Hij heeft tot aan zijn vertrek in Gambia gewoond en derhalve een substantieel deel van zijn leven aldaar doorgebracht tegenover een verblijf van acht jaar in Nederland. Hij spreekt de taal van het land en is bekend met de Gambiaanse cultuur. Voor zover eiser stelt dat hij geen sociaal netwerk meer heeft in het land van herkomst omdat zijn familie overleden zou zijn, heeft eiser dit laatste op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet hierop heeft verweerder kunnen aannemen dat eiser nog steeds banden heeft met Gambia en dat hij daar weer privéleven kan opbouwen.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de weigering eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste geen schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven betekent.

Inreisverbod

16. Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw kan verweerder bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, vaardigt Onze Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

Ingevolge artikel 6.5a, vierde lid, van het Vb bedraagt, in afwijking van het eerste tot en met derde lid, de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die:

(…)

d. zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.

17. De rechtbank overweegt dat verweerder met toepassing van artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb de duur van het opgelegde inreisverbod verhoogd heeft van twee naar vijf jaar. Uit de tekst van de bepaling blijkt dat deze van toepassing is op een vreemdeling die in Nederland heeft verbleven, het grondgebied van Nederland heeft verlaten en Nederland opnieuw is ingereisd terwijl er een inreisverbod aan de vreemdeling is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser in 2009 legaal is ingereisd en dat hem met ingang van 5 januari 2010 een reguliere verblijfsvergunning is verleend. Eisers verblijfsvergunning is bij besluit van 6 januari 2012 met terugwerkende kracht ingetrokken per 2 februari 2011. Verweerder heeft eiser bij besluit van 21 mei 2014 een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Niet gesteld noch gebleken is dat eiser sinds zijn inreis in Nederland het grondgebied van Nederland is uitgereisd en opnieuw is ingereisd terwijl het inreisverbod van kracht was. Verweerder heeft dan ook ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook onjuist gemotiveerd.

18. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het verhogen van de duur van het inreisverbod naar vijf jaar. Voor het overige wordt het beroep ongegrond verklaard.

19. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit voor zover dat inhoudt een verhoging van de duur van het inreisverbod naar vijf jaar. Bepaald wordt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

20. Er is aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van eiser. Het betreft de kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 495,- wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een inreisverbod voor de duur van vijf jaar is opgelegd;

- herroept het primaire besluit van 21 maart 2017 voor zover daarbij een inreisverbod voor de duur van vijf jaar is opgelegd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 990,- (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiser;

- gelast dat verweerder het griffierecht van € 168,- (honderdachtenzestig euro) aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: