Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14638

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
NL17.2175
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen en daarbij betrokken dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze op het voornemen. Eiser heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij deze wel heeft ingediend. Eiser heeft na het indienen van de zienswijze, maar voor het besluit nog een andere brief verstuurd. In deze brief, welke verweerder wel heeft ontvangen, heeft eiser verwezen naar een brief met dezelfde datum als de zienswijze. Bovendien heeft eiser hierin vermeld dat hij zijn zienswijze wilde aanvullen. Verweerder had uit deze brief kunnen en ook moeten opmaken dat een eerdere brief van eiser niet in het dossier terecht was gekomen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2175

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] ,

van Iraakse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).


Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en daarbij betrokken dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze op het voornemen. Eiser heeft betoogd dat hij bij brief van 24 februari 2017 een zienswijze heeft ingediend. Een afschrift daarvan heeft hij in beroep overgelegd.

2. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 10 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9079 en de uitspraak van 31 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2002:AH9079) dat de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen, gelet op de bepalingen inzake de zogenoemde voornemenprocedure die in asielzaken in de plaats is gekomen van de bezwaarprocedure, moet worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op de aanvraag. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij een zienswijze heeft ingediend.

3. Hoewel verweerder terecht heeft opgemerkt dat eiser geen bewijs van verzending van de zienswijze heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een zienswijze heeft verstuurd. Eiser heeft in een brief van 15 april 2017, waarbij hij inzage vraagt in een werkinstructie, verwezen naar een eerdere brief van 24 februari 2017. Niet in geschil is dat deze brief door verweerder nog vóór het bestreden besluit is ontvangen. Verweerder had uit deze brief kunnen, en naar het oordeel van de rechtbank ook moeten opmaken dat een eerdere brief van eiser niet in het dossier terecht was gekomen. Nu verweerder wist dat de termijn voor het indienen van een zienswijze op 15 april 2017 reeds was verstreken en eiser in de brief van 15 april 2017 de woorden “zodat ik mijn zienswijze (…) kan aanvullen” heeft gebruikt, had verweerder bovendien kunnen vermoeden dat de niet ontvangen brief van 24 februari 2017 de zienswijze betrof. Verweerder had daarover bij eiser eenvoudig navraag kunnen doen. Dat verweerder zich daartoe niet verplicht voelde, omdat de termijn voor het indienen van een zienswijze reeds was verstreken, volgt de rechtbank niet. Immers, op grond van artikel 3.116, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt ook rekening gehouden met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Verweerder heeft dit ook expliciet in de aanbiedingsbrief bij het voornemen vermeld.

4. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet zorgvuldig heeft voorbereid. Hoewel verweerder in het verweerschrift en ter zitting op de in de zienswijze aangevoerde gronden is ingegaan, wordt op deze wijze onvoldoende recht gedaan aan de waarborg die de voornemenprocedure beoogt te bieden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser door het niet al bij de besluitvorming betrekken van de zienswijze in zijn belangen is geschaad. Om deze reden ziet de rechtbank geen aanleiding het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 21 april 2017;

- draagt verweerder op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 990, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.