Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14637

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
NL17.10889
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handelen in strijd met Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Verweerder heeft bij het aanvullend gehoor Dublin geen gebruik gemaakt van een registertolk, omdat er niet tijdig een registertolk beschikbaar was. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat er sprake was van vereiste spoed. De argumenten van verweerder die zien op de aanmeldfase en de Algemene Asielprocedure gaan niet op, omdat het gehoor niet in deze kaders heeft plaatsgevonden. De verwijzing naar de termijnen in de Dublinverordening volgt de rechtbank evenmin, omdat er al een claimakkoord lag. Verweerder heeft bovendien ook niet gemotiveerd waarom er geen tolk beschikbaar was. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10889

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

van Eritrese nationaliteit,

v-nummer [v-nummer] ,

eiseres

(gemachtigde: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers),

en

de minister van Veiligheid en Justitie thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.W. Oude Lenferink).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10890, plaatsgevonden op 7 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

2. Niet in geschil is dat eiseres in het kader van de herverdeling van asielzoekers door Italië aan Spanje is overgedragen. Evenmin is in geschil dat zij in deze landen als meerderjarige staat geregistreerd. Het geschil spitst zich toe op het gebruik van een niet-beëdigde tolk door verweerder en op de gestelde minderjarigheid van eiseres.

3. Eiseres heeft allereerst betoogd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor het aanvullend gehoor van 22 augustus 2017 niet tijdig een registertolk beschikbaar was. De motivering in het voornemen zag op het AMV Aanmeldgehoor van 21 juni 2017, waarbij echter wel gebruik is gemaakt van een registertolk. Ten tijde van het aanvullend gehoor verbleef eiseres niet langer op een centrale opvanglocatie, waardoor deze motivering voor dit gehoor niet opgaat. Nu het claimakkoord dateert van 31 juli 2017, waarna vervolgens een overdrachtstermijn van 6 maanden geldt, valt niet in te zien waarom in dit specifieke geval er niet tijdig een registertolk beschikbaar zou kunnen zijn. Gelet hierop is sprake van een motiveringsgebrek althans van een onzorgvuldig besluit, aldus eiseres.

3.1.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, wordt, indien van het eerste lid wordt afgeweken, dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.

3.2.

Verweerder heeft op het voorblad van het rapport Aanvullend gehoor aangegeven dat geen gebruik is gemaakt van een registertolk, omdat er niet tijdig een beëdigde tolk beschikbaar was. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat de spoedeisende inzet is ingegeven door de vereiste spoed in de Dublinprocedure. Gelet op de aard en de termijnen van de Dublinprocedure is sprake van spoed en lag het niet in de rede om te wachten op de beschikbaarheid van een beëdigde tolk, aldus verweerder.

3.3.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) stelt artikel 28, vierde lid, van de Wbtv, gelezen in samenhang met het derde lid, wat betreft de motivering geen andere eis aan verweerder dan dat hij de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen dient te zijn. Anders dan in het geval dat het register voor beëdigde tolken en vertalers voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat is, in het geval dat een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf onvoldoende. Verweerder dient dan nader toe te lichten om welke reden geen beëdigde tolk beschikbaar was, opdat kan worden nagegaan of zorgvuldig met de afnameplicht is omgegaan. De rechtbank verwijst in dit kader naar uitspraken van de Afdeling van onder meer 19 februari 2013, 201204533/1/V1 (www.raadvanstate.nl), 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:378, en 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:600.

3.4.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen beëdigde tolk tijdig beschikbaar was. Uit artikel 28, derde lid, van de Wbtv volgt dat deze motivering enerzijds moet zien op de vereiste spoed en anderzijds op de feitelijke beschikbaarheid. De rechtbank zal allereerst beoordelen of in de situatie van eiseres de vereiste spoed, als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv, is gelegen in de aard en termijn van de Dublinprocedure.

3.4.1.

De rechtbank stelt vast dat een groot deel van de motivering in het voornemen van 26 september 2017, namelijk de eerste drie alinea’s op pagina 2, ziet op de situatie in de Aanmeldfase, nu hierin wordt verwezen naar de eerste screening en het verblijf van de vreemdeling in de centrale ontvangstlocatie. Dit deel van de motivering kan dan ook niet dienen ter onderbouwing van de vereiste spoed ten tijde van het Aanvullend gehoor.

3.4.2.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder verder verwezen naar preambule 5 van de Dublinverordening, waaruit volgt dat de lidstaten met name snel moeten kunnen vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen. In het geval van eiseres hebben de Spaanse autoriteiten zich op 31 juli 2017 verantwoordelijk gesteld voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. Nu er ten tijde van het aanvullend gehoor dus al een claimakkoord lag, en verweerder, uitgezonderd opschorting als gevolg van de beroepsprocedure, nog ruim vijf maanden van de overdrachtstermijn resteerde, kan verwijzing naar preambule 5 van de Dublinverordening in de situatie van eiseres niet zonder nadere motivering dienen als onderbouwing van de vereiste spoed.

3.4.3.

De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van deze rechtbank van 11 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7720, volgt de rechtbank evenmin. In deze uitspraak ging het om een Aanmeldgehoor tijdens de Aanmeldfase. In die situatie spelen verweerders argumenten met betrekking tot de eerste screening, het tijdig onderkennen van Dublinaspecten teneinde het snel kunnen vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat en het niet langdurig verblijven van de vreemdeling in de centrale opvanglocatie wel een rol. Het Aanvullend gehoor heeft echter niet plaatsgevonden binnen de Aanmeldfase, maar was een op zichzelf staand gehoor. Eiseres verbleef ten tijde van het Aanvullend gehoor ook niet op de centrale opvanglocatie.

3.4.4.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van het voorschrift neergelegd in artikel 28, eerste lid, van de Wbtv. Daarmee heeft verweerder het voorschrift neergelegd in artikel 28, vierde lid, van de Wbtv geschonden. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd.

4. De rechtbank zal beoordelen of er mogelijkheden zijn tot finale geschilbeslechting, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.1.

Ter zitting heeft verweerder een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:891. In deze uitspraak heet de Afdeling overwogen dat de vereiste spoed als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv is gelegen in de aard en termijnen van de Algemene Asielprocedure. De rechtbank volgt verweerder niet in diens standpunt dat deze uitspraak ook van toepassing is op de Dublinprocedure en/of de asielprocedure in het algemeen. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de Afdeling in deze uitspraak specifiek in gaat op de termijnen van de Algemene Asielprocedure, de mogelijkheden voor verlenging van deze termijnen en de bedoeling van de regelgever met het stellen van deze termijnen. Verweerder heeft niet nader toegelicht waarom deze uitspraak desondanks ook op de situatie van eiseres van toepassing zou zijn, nu het Aanvullend gehoor niet in het kader van de Algemene Asielprocedure heeft plaatsgevonden. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat de hele planning omgegooid zou moeten worden, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft dan ook niet alsnog een op grond van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv vereiste deugdelijke motivering gegeven.

4.2.

Verweerder heeft bovendien enkel een standpunt ingenomen ten aanzien van vereiste spoed en heeft geen motivering gegeven over de beschikbaarheid. Zo heeft verweerder geen inzicht gegeven in het aantal beëdigde tolken in de betreffende taal dat staat geregistreerd, de hoogte van de vraag naar deze tolken in de betreffende periode, dan wel andere redenen waarom er ten tijde van het aanvullend gehoor geen beëdigde tolk in de betreffende taal beschikbaar was. Ook om deze reden heeft verweerder niet alsnog een deugdelijke motivering gegeven.

4.3.

De rechtbank ziet voorts geen aanleiding de schending door verweerder van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren op grond van het betoog van verweerder dat niet is gebleken dat eiseres in haar belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigde tolk zonder dat verweerder daarvoor een deugdelijke reden heeft gegeven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.1.

Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wbtv (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 936, nr.3) dient het vereiste van het gebruik van een beëdigde tolk ter waarborging van de kwaliteit en de integriteit van de tolken. Binnen het Nederlandse rechtsbestel spelen de tolken en vertalers een onmisbare rol. De beslissingen die genomen worden in zaken waarbij een tolk of vertaler betrokken is, zijn doorgaans (deels) gebaseerd op het werk van de tolk of vertaler. Indien de kwaliteit van de tolk of vertaler onvoldoende gewaarborgd is, kan dit ongewenste gevolgen hebben ten aanzien van de beslissingen die op hun werk gebaseerd zijn. De gevolgen van misbruik van vertrouwelijke gegevens door een tolk of vertaler of indien deze geen onpartijdige positie inneemt zijn doorgaans groot. Het kan ertoe leiden dat een politie- of gerechtelijk onderzoek moet worden stopgezet of dat bijvoorbeeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) het vluchtverhaal van een asielzoeker onjuist wordt weergegeven met alle gevolgen van dien. De integriteit van ingeschakelde tolken en vertalers valt niet los te zien van het begrip kwaliteit.

In de toelichting bij artikel 28 staat onder meer dat het van groot belang is dat binnen de strafrechtsketen en de vreemdelingenketen enkel gebruik wordt gemaakt van gerechtstolken en beëdigd vertalers waarvan de kwaliteit en integriteit gewaarborgd is. Via een afnameplicht wordt gewaarborgd dat de genoemde instanties, waaronder de IND, ook enkel van deze gerechtstolken en beëdigde vertalers gebruik maken.

De verplichting van het vierde lid, om indien geen gebruik wordt gemaakt van een gerechtstolk of beëdigd vertaler dit voorzien van een motivering schriftelijk vast te leggen, biedt enerzijds een waarborg dat zorgvuldig met de afnameverplichting wordt omgegaan en biedt voorts duidelijkheid wie als tolk of vertaler heeft gefungeerd.

4.3.2.

Blijkens het voorgaande hecht de wetgever groot belang aan het waarborgen van de kwaliteit en integriteit van de tolken en daarmee aan de afnameverplichting van beëdigde tolken. Het passeren van een schending van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv op grond van de stelling dat niet is gebleken dat de vreemdeling daardoor in diens belangen is geschaad zou afbreuk doen aan de waarborgen die de Wbtv juist beoogd te bieden. Dat verweerder ook kwaliteitseisen stelt aan niet-beëdigde tolken, maakt dat niet anders. (Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 1 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7163.)

4.4

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te houden of zelf in de zaak te voorzien.

5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 495,-). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 17 oktober 2017;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van
    € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S.T. Belt, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.P.H. Evers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.