Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14618

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
NL17.12516
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Asiel, opvolgende aanvraag, uitslag Bureau Documenten niet eerder dan bij bestreden besluit door verweerder overgelegd, schending equality of arms, beroep mondeling gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.12516


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Vermeij),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylomez).


Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 november 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Hierbij is eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.12517, plaatsgevonden op 5 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Masshoor. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Eiser heeft aan deze opvolgende asielaanvraag nieuwe documenten overgelegd die betrekking hebben op de vorige procedure. Verweerder heeft Bureau Documenten onderzoek laten doen naar vier van deze documenten. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder het beginsel van equality of arms heeft geschonden, door de uitslag van het documentenonderzoek niet eerder dan bij het bestreden besluit aan de gemachtigde van eiser te hebben verzonden. Hierdoor is eiser de mogelijkheid ontnomen om een contra-expertise te laten uitvoeren. Verweerder heeft eiser in het bestreden besluit dan ook niet kunnen tegenwerpen dat hij geen contra-expertise heeft overgelegd. Dat het aan de vreemdeling is om bij een opvolgende asielaanvraag de authenticiteit van overgelegde documenten aan te tonen, maakt niet dat in het geval verweerder er desalniettemin voor kiest Bureau Documenten onderzoek te laten doen, verweerder dan het beginsel van hoor en wederhoor moet naleven en eiser de mogelijkheid moet bieden om een contra-expertise te laten uitvoeren. Dat de resultaten van een contra-expertise mogelijk niet kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit is hiermee onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en zal om die reden worden vernietigd. Aan de beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

Het beroep is gegrond.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Sleeswijk Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.