Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14617

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
SGR 17/3071
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:181, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wbp-verzoek ingediend voor ander doel dan waarvoor bevoegdheid is gegeven, misbruik van wettelijke bevoegdheid, beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2018/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , woonachtig te [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, verweerder

(gemachtigde: W. Nomen).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2016 (het primaire besluit) is verweerder aan eisers verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) tegemoet gekomen.

Bij besluit van 20 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 29 juni 2017 heeft verweerder aangegeven van het indienen van een verweerschrift af te zien.

Bij brief van 16 november 2017 heeft verweerder nadere informatie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Bij brief van 6 oktober 2016 heeft eiser verweerder, onder verwijzing naar artikel 35 van de Wbp, verzocht om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens in het kader van zijn eerdere verzoek van 12 augustus 2015 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiser heeft verweerder verzocht om een begrijpelijk en volledig overzicht, met daarin een omschrijving van het doel of doeleinden van de verwerking van zijn persoonsgegevens, alsmede een lijst van ontvangers. Verder heeft eiser verweerder gevraagd mededeling te doen over de logica die ten grondslag ligt aan de (geautomatiseerde) verwerking van zijn persoonsgegevens, alsmede de juridische grondslag.

1.2

Bij brief van 9 november 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

1.3

Bij het primaire besluit, uitgebracht binnen de termijn van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan als bedoeld in artikel 35 van de Wbp. Verweerder heeft eiser medegedeeld dat:

- de persoonsgegevens van eiser die door verweerder zijn verwerkt zijn NAW-gegevens zijn;

- verweerder deze gegevens heeft opgenomen in zijn digitale postregistratiesysteem, met het doel om de binnenkomst van correspondentie van eiser te registreren en om langs elektronische weg correspondentie aan eiser aan te maken en te registreren;

- de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft eisers NAW-gegevens betreffen;

- de ontvangers van deze gegevens de medewerkers zijn die correspondentie van eiser behandelen en de commissie bezwaarschriften;

- de herkomst van deze gegevens de correspondentie is die eiser naar de gemeente heeft gestuurd;

- de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van deze gegevens is dat de postregistratie, het aanmaken van uitgaande brieven en de behandeling van bezwaarschriften, waaronder het verstrekken van dossiers aan de commissie bezwaarschriften, in de gemeente volledig geautomatiseerd is; en

- de wettelijke grondslag voor de verwerking van deze gegevens artikel 8, aanhef en onder e, van de Wbp is.

Verweerder heeft in het primaire besluit voorts aangegeven het ernstige vermoeden te hebben dat eiser met zijn verzoek in het kader van de Wbp misbruik maakt van de mogelijkheden die de wet hem biedt.

1.4

Bij brief van 29 december 2016 heeft eiser tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en zijn bezwaargronden ingediend. Eiser heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld – samengevat – dat verweerder aan zijn informatieverzoek niet volledig is tegemoet gekomen en dat hij wil weten welke persoonsgegevens van hem op het VNG Forum (een internetforum voor gemeenteambtenaren) zijn geplaatst.

1.5

Bij brief van 13 februari 2017 heeft eiser verweerder wederom in gebreke gesteld.

1.6

Bij brief van 16 februari 2017 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers ingebrekestelling prematuur was. Volgens verweerder bedroeg de termijn om op het bezwaar te beslissen ingevolge artikel 7:10, eerste lid, in samenhang met artikel 7:13, van de Awb, twaalf in plaats van zes weken, omdat er een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van (proces)recht. Verweerder betoogt daartoe dat ten aanzien van eiser en/of zijn gemachtigde in het verleden al meermaals door de rechtbank is geoordeeld dat er in het kader van een Wob-verzoek misbruik van bevoegdheden is gemaakt, dat in een tweetal zaken door de civiele rechter een schadevergoeding aan de gemeente is toegekend, dat eisers gemachtigde eerder een Wob-verzoek heeft ingediend met een aanbod voor afkoop en dat eisers gemachtigde al eens wegens ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 2:2 van de Awb als gemachtigde van eiser is geweigerd. Verweerder betoogt verder dat er in casu voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Wbp-verzoek en het bezwaarschrift niet zijn ingediend om na te kunnen gaan waar gegevens over eiser zijn vastgelegd en verwerkt, maar met het enkele doel om ten laste van de overheid een dwangsom en proceskosten te incasseren. Hierbij baseert verweerder zich erop dat eiser bij diverse gemeenten in 2015 een soortgelijk Wob-verzoek en in 2016 een soortgelijk Wbp-verzoek heeft ingediend, dat eiser verweerder nagenoeg meteen na het verstrijken van de termijn om op het Wbp-verzoek te beslissen in gebreke heeft gesteld, dat hij in deze ingebrekestelling niet heeft vermeld om welk verzoek het ging – met het vermoedelijke doel om te voorkomen dat verweerder tijdig zou onderkennen op welk verzoek de ingebrekestelling toezag waardoor eiser van rechtswege dwangsommen zou verbeuren – dat eiser zich weer door de gemachtigde [gemachtigde] heeft laten bijstaan die, zoals blijkt uit eerdergenoemde jurisprudentie, al meerdere malen misbruik van de Wob en (proces)recht heeft gemaakt, en dat uit de website van de onderneming van eisers gemachtigde, uit diens eerdere verklaringen en uit het bezwaarschrift blijkt dat hij werkt op basis van “no cure no pay”, wat volgens vaste jurisprudentie een aanwijzing is dat er sprake is van misbruik van recht. Verder voert verweerder aan dat indien eiser werkelijk wil weten welke persoonsgegevens van hem op het VNG Forum zijn geplaatst, het voor de hand had gelegen dat hij bij de VNG zelf een verzoek had ingediend. De omstandigheid dat eiser zijn verzoek niet tot de VNG heeft gericht – dat geen bestuursorgaan is en waarbij dus ook niet op grond van de Awb dwangsommen kunnen worden verbeurd – is volgens verweerder nog een indicatie dat er misbruik wordt gemaakt van de Wbp.

3. Eiser bestrijdt dat sprake is van misbruik van recht. Volgens eiser zijn er concrete aanwijzingen dat verweerder in strijd met de Wbp en zonder zijn toestemming zijn persoonsgegevens heeft gepubliceerd op het VNG Forum. Omdat een groot aantal bestuursorganen hierdoor mogelijk onrechtmatig kennis heeft genomen van eisers persoonsgegevens, is het doel van eisers inzageverzoek volgens hem legitiem. Eiser voert verder aan dat uit de tekst van artikel 35 van de Wbp voortvloeit dat de verantwoordelijke aan de verzoeker een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens moet verstrekken, los van het doel dat de verzoeker met zijn verzoek voor ogen heeft, en dat de Hoge Raad bij arrest van 29 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ4663) al heeft geoordeeld dat een ander doel dan inzage nog geen misbruik van recht oplevert. Hoewel dit volgens eiser niet betekent dat een inzageverzoek zonder doel mag worden ingediend of dat een bezwaar of beroep tegen een inzagebesluit in geen geval niet-ontvankelijk kan worden verklaard, blijkt hieruit volgens eiser wel dat de drempel voor verweerder hierbij hoog ligt. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2375) en 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4135) stelt eiser voorts dat voor de conclusie dat sprake is van misbruik van recht zwaarwichtige gronden zijn vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Deze drempel is volgens eiser in zijn geval niet gehaald. Dat eiser bij diverse gemeenten een soortgelijk verzoek heeft ingediend, mag verweerder hem naar eigen zeggen niet aanrekenen, nu uit de systematiek van de Wbp voortvloeit dat iedere verantwoordelijke aanspreekbaar is voor de door hem verwerkte gegevens. Indien aannemelijk is dat meerdere bestuursorganen de Wbp schenden door privacygevoelige informatie te delen op het VNG Forum, staat het eiser naar eigen zeggen vrij om bij al die bestuursorganen een inzageverzoek in te dienen. Daarbij merkt eiser op dat hij wel degelijk ook bij de VNG zelf een verzoek heeft ingediend en dat deze rechtbank bij beschikking van 18 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:5404) hem in het gelijk heeft gesteld en de VNG heeft bevolen om nadere inzage te verstrekken. Eiser stelt verder dat de ingebrekestelling voldoende adequaat is geformuleerd en dat niet valt in te zien waarom verweerder op basis van de door hem gebezigde bewoordingen de aanvraag en de ingebrekestelling niet aan elkaar zou kunnen koppelen. Verder stelt eiser dat zijn gemachtigde in zijn geval niet werkt op basis van “no cure no pay”. Gelet op het voorgaande zijn de argumenten van verweerder volgens eiser onvoldoende om te concluderen dat hij zijn bevoegdheden evident onjuist heeft aangewend. Eiser stelt dat hij een duidelijk en objectiveerbaar belang heeft bij zijn inzageverzoek. Dat ten aanzien van eiser en/of zijn gemachtigde eerder misbruik van recht is geconstateerd doet daaraan volgens eiser niet af. Daarbij betoogt eiser dat hij met zijn gemachtigde [gemachtigde] in verschillende procedures wel op juiste en evenwichtige wijze gebruik heeft gemaakt van zijn rechtens toegekende bevoegdheden. Hierbij verwijst eiser onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:414). Eiser wijst er voorts op dat de door verweerder in dit verband aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam, van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:1754) een uitspraak van de voorzieningenrechter is, en dat de rechtbank op 27 maart 2017 in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan (ROT 16/3472) en heeft geoordeeld dat jegens [gemachtigde] geen ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 2:2 van de Awb bestaan. Door enkel te verwijzen naar onvergelijkbare zaken uit het verleden, waarin wel geconcludeerd is dat sprake was van misbruik van recht, geeft verweerder volgens eiser blijk van vooringenomenheid.

Eiser betoogt voorts dat zijn ingebrekestelling van 13 februari 2017 niet prematuur was. Nu in het geval van eiser niet binnen zes weken is medegedeeld dat er een bezwaarschriftencommissie was ingesteld, moest verweerder volgens eiser binnen de reguliere beslistermijn van zes weken op het bezwaar beslissen. Daarbij merkt eiser op dat uit zijn dossier onvoldoende blijkt dat er een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld.

Eiser stelt verder dat hij ingevolge artikel 49, eerste en tweede lid, van de Wbp recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, nu verweerder eisers persoonsgegevens in strijd met de Wbp heeft gepubliceerd op het VNG Forum, waardoor eisers eer en goede naam en zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt aangetast.

Tot slot stelt eiser dat verweerder hem in het kader van finale geschillenbeslechting een overzicht moet verstrekken ex artikel 35, tweede lid, van de Wbp waarin per geplaatst bericht wordt vermeld welke (identificeerbare) gegevens zijn verwerkt op het VNG Forum, vergezeld van een volledige lijst van ontvangers.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Ingevolge artikel 15 van Boek 3 van het BW vindt artikel 13 buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Zoals de Afdeling in meerdere uitspraken heeft overwogen (vergelijk de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

5.2

Vast staat dat eiser en/of zijn gemachtigde meerdere keren misbruik van recht in het kader van een Wob-verzoek is tegengeworpen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 oktober 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:5278), door de Afdeling bevestigd in hoger beroep bij uitspraak van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2311), de uitspraak van deze rechtbank van 5 november 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:14064) en de uitspraak van deze rechtbank van 31 augustus 2016 (AWB 16/2585). Dat in een aantal door eiser aangehaalde uitspraken nadrukkelijk niet de conclusie is getrokken dat sprake was van misbruik van recht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de gevallen waarin dat wel is gebeurd in casu buiten beschouwing moeten worden laten.

De rechtbank stelt verder vast dat in het kader van het Wob-verzoek van 12 augustus 2015, dat aan het onderhavige Wbp-verzoek ten grondslag ligt, door verweerder in het bestreden besluit ook het vermoeden is uitgesproken dat sprake was van misbruik van recht, en dat hiertegen geen beroep is ingesteld. Zulks is ter zitting door partijen bevestigd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat deze rechtbank bij uitspraak van 31 augustus 2016 (AWB 16/2585) heeft geoordeeld dat in het kader van een vergelijkbaar Wob-verzoek van 12 augustus 2015, ingediend bij een ander college, ook sprake was van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat bij het Wob-verzoek waarop het huidige Wbp-verzoek voortborduurt, is geconcludeerd dat sprake was van misbruik van een wettelijke bevoegdheid, weegt zwaar mee bij de beantwoording van de vraag of daar thans eveneens sprake van is. Ook weegt hier zwaar mee dat ter zitting door de gemachtigde is bevestigd dat thans 35 tot 40 procedures aanhangig zijn waarbij eveneens sprake is van een identiek onderliggend WOB-verzoek van 12 augustus 2015 op basis waarvan gemeentes vervolgens om Wbp-gegevens is verzocht.

Verder staat vast dat deze rechtbank in een civiele procedure bij beschikking van 18 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:5404) heeft geconcludeerd dat de VNG als beheerder van het VNG Forum – dat is geopend zodat gemeenten met elkaar konden overleggen over de wijze van aanpak en afhandeling van de vele, veelal louter voor het innen van dwangsommen ingediende, Wob-verzoeken – is aan te merken als verwerker van persoonsgegevens op het VNG Forum en daarmee als verantwoordelijke als bedoeld in artikel 35 van de Wbp. De rechtbank heeft in voornoemde beschikking voorts vastgesteld dat aan eisers bij de VNG ingediende Wbp-verzoek bij brieven van 16 augustus 2016 en 14 november 2016 al grotendeels tegemoet is gekomen, nu bij die brieven een overzicht is gegeven van de (op het VNG Forum) verwerkte persoonsgegevens en een overzicht van de (wijze van) verwerking daarvan. Het feit dat eiser ten tijde van het indienen van het onderhavige verzoek in het kader van de Wbp bij verweerder al een verzoek bij de VNG had ingediend – het orgaan dat eisers persoonsgegevens daadwerkelijk op het VNG Forum heeft verwerkt en over die gegevens beschikte – en dat aan eisers inzageverzoek zelfs al ten dele was tegemoet gekomen, geeft aanleiding om aan te nemen dat eisers bij verweerder ingediende vergelijkbare inzageverzoek met geen ander doel is ingediend dan om een dwangsom te innen. Eiser wist immers al welke gegevens van hem waren verwerkt en op welke wijze. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband nog op dat verweerder bij brief van 16 november 2017 heeft kenbaar gemaakt dat, hoewel niet kan worden uitgesloten dat medewerkers van verweerder in de periode tot 1 april 2017 op het VNG Forum aan discussies over eiser hebben deelgenomen, ten aanzien daarvan geen inzicht kan worden verschaft, nu de VNG het forum heeft opgeschoond door discussies offline te halen en na verloop van tijd definitief te verwijderen, met als gevolg dat de VNG geen gegevens van voor 1 april 2017 meer heeft. Buiten beschouwing gelaten of de VNG over back-ups van de discussies van voor 1 april 2017 beschikt, staat daarmee vast dat verweerder ten aanzien daarvan in ieder geval geen inzage (meer) kan verschaffen.

Verder acht de rechtbank van belang dat eiser kort na het verstrijken van de termijn van vier weken waarbinnen verweerder op eisers Wbp-verzoek moest reageren en kort na het verstrijken van de termijn waarbinnen op eisers bezwaar moest worden beslist, ingebrekestellingen naar verweerder heeft verzonden. Ook dit duidt erop dat het eiser om het innen van een dwangsom te doen was.

5.3

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat het eiser niet lijkt te gaan om het verkrijgen van de gevraagde persoonsgegevens, maar louter om het grootschalig in den lande incasseren van geldsommen ten laste van de overheid. Eiser weet immers precies welke persoonsgegevens hij in augustus 2015 het kader van zijn eerdere misbruik verzoeken op grond van de Wob aan de diverse gemeenten heeft verstrekt – zo ook de onderhavige - en voorts ook op welke wijze deze door de gemeenten en de VNG zijn verwerkt. De rechtbank is van oordeel dat aldus de bevoegdheid om een Wbp-verzoek in te dienen is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Er is misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt ook voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarvoor de Wbp is gebruikt.

Gelet op het voorgaande behoeft eisers betoog dat zijn ingebrekestelling van 13 februari 2017 niet prematuur was, dat hij recht heeft op een schadevergoeding en dat verweerder hem in het kader van finale geschillenbeslechting een overzicht moet verstrekken van zijn op het VNG Forum verwerkte gegevens, vergezeld van een volledige lijst van ontvangers, ook geen verdere bespreking.

6. Het beroep is niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.