Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14593

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
AWB 17/13922
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv, 8 EVRM, meerderjarige dochter, Irak, Yezidi, verkeerde beleid toegepast, motiverinsgebrek belangenafweging, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/13922

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.E. de Poorte,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.P. Pijnenburg.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 augustus 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren ter zitting aanwezig [broer] , broer van eiseres (referent), [vader] , vader van eiseres en referent, [moeder] , moeder van eiseres en referent, [broer van eiseres en referent] , broer van eiseres en referent, en M. Oublal, tolk Arabisch.

Overwegingen

  1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] , bezit de Iraakse nationaliteit en behoort tot de Yezidi minderheid. Aan referent, geboren op [geboortedatum] en ook van Iraakse nationaliteit, is door verweerder op 28 september 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 18 november 2015 heeft referent aanvragen ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zijn ouders en twee meerderjarige zussen, waaronder eiseres. De aanvragen voor de ouders en één van de zussen zijn ingewilligd. Bij besluit van 11 november 2016 (het primaire besluit) is de aanvraag voor eiseres afgewezen. Omdat eiseres niet valt onder één van de categorieën genoemd in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (zij is immers de zus van referent), is getoetst of zij op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking komt voor verblijf bij haar familieleden in Nederland. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ‘more than the normal emotional ties’, zodat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De aanvraag is daarom afgewezen.

  2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en in dat kader heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar referent en zijn broer zijn verschenen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zodat er geen belangenafweging plaats hoeft te vinden. Daartoe heeft verweerder overwogen dat een wellicht ander begrip van afhankelijkheid in de cultuur van eiseres en de slechte veiligheidssituatie in Irak, niet maken dat uitgegaan moet worden van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Met betrekking tot de stelling dat eiseres op dit moment alleen in een Yezidi-vluchtelingenkamp verblijft, stelt verweerder allereerst dat het bevreemding wekt dat dit pas tijdens de hoorzitting op 18 juli 2017 naar voren is gebracht, terwijl zij daar volgens haar broer op dat moment al 18 tot 20 maanden verbleef. Voor zover wel van verblijf in het bedoelde kamp uitgegaan moet worden, maken de genoemde omstandigheden aldaar niet dat er sprake is van ‘more than the normal emotional ties’.

Verweerder heeft ook een subsidiair standpunt ingenomen, omdat ten tijde van de aanvraag volgens het beleid van verweerder wel beschermenswaardig familieleven werd aangenomen tussen ouders en meerderjarige kinderen. Dit standpunt luidt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uitvalt. Daarbij weegt zwaar dat er geen sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ en dat er geen sprake is van inmenging. De omstandigheid dat eiseres in een tentenkamp voor Yezidi’s verblijft, maakt niet dat de belangenafweging in haar voordeel uitvalt. Allereerst verwijst verweerder naar zijn standpunt hieromtrent zoals hiervoor weergegeven. Daarnaast verschilt de situatie van eiseres niet van andere Yezidi’s die in het genoemde kamp verblijven. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij ‘dubbel’ behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep – zij is namelijk een alleenstaande vrouw én Yezidi – stelt verweerder dat dit een beroep op algemene omstandigheden in het land van herkomst is, zonder dat daarbij is aangegeven in hoeverre dit een belemmering voor eiseres persoonlijk oplevert. Deze omstandigheden kunnen daarom niet in haar voordeel meewegen. Tot slot weegt wel in het voordeel van eiseres mee dat er sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Irak uit te oefenen. Verweerder concludeert dat het algemene belang van de Nederlandse Staat om een restrictief toelatingsbeleid te voeren, zwaarder weegt.

4. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Allereerst is tussen partijen in geschil welk toetsingskader van toepassing is. Eiseres heeft in beroep betoogd dat verweerder ten onrechte het vereiste van ‘more than normal emotional ties’ heeft gesteld, omdat WBV 2016/11 nog niet in werking was getreden ten tijde van haar aanvraag.

6. Bij het besluit van verweerder van 4 september 2016, nummer WBV 2016/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) (WBV 2016/11) is in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc opgenomen dat gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen wordt aangenomen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouders.

7. Uit artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is. De mvv-aanvraag van eiseres is op 18 november 2015 door verweerder ontvangen, dat wil zeggen voor inwerkingtreding van WBV 2016/11. Verweerder had de aanvraag van eiseres moeten toetsen op grond van het beleid dat gold ten tijde van de aanvraag. Op dat moment was in paragraaf B7/3.8.1 opgenomen dat altijd gezinsleven werd aangenomen tussen ouders en hun meerderjarige kinderen. De beroepsgrond slaagt.

8. Ten aanzien van verweerders subsidiaire standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uitvalt, overweegt de rechtbank als volgt.

9. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend dient te zijn.

10. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres behoort tot de Yezidi minderheid en is afkomstig uit Alqosh, in de provincie Ninewa, welke door verweerder is aangewezen als een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef onder b, sub 3, van de Vw. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat eiseres als ontheemde alleenstaande vrouw in een tentenkamp voor gevluchte Yezidi’s in [naam] (provincie Ninewa) verblijft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte aan eiseres en referent tegengeworpen dat het bevreemding wekt dat dit pas tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht. De beslissing op bezwaar is immers een volledige heroverweging van het primaire besluit en de hoorzitting is bedoeld om alle relevante feiten en omstandigheden ten behoeve van deze heroverweging in kaart te brengen. Alle gezinsleden van eiseres bevinden zich in Nederland. Er zijn ook geen andere mannelijke familieleden meer aanwezig in Irak die haar kunnen beschermen. Zij heeft geen opleiding genoten, heeft nooit gewerkt en is altijd financieel afhankelijk geweest van haar vader. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat financiële ondersteuning vanuit Nederland op dit moment niet mogelijk is. Eiseres is niet getrouwd en heeft feitelijk altijd behoord tot het gezin van haar ouders.

11. Verweerder heeft deze omstandigheden niet kenbaar meegewogen in zijn belangenafweging en zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit een beroep op algemene omstandigheden in het land van herkomst betreft en dat de situatie van eiseres niet verschilt van die van andere Yezidi’s die in het vluchtelingenkamp verblijven. De hiervoor onder 10 weergegeven omstandigheden zijn immers niet alleen algemene omstandigheden in het land van herkomst, maar zijn op eiseres toegespitste bijzondere, individuele omstandigheden.

12. Verweerder heeft verder vastgesteld dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Irak uit te oefenen en dat dit in het voordeel van eiseres meeweegt. De rechtbank verwijst naar verweerders Werkinstructie 2015/4, waarin staat dat het bestaan van een objectieve belemmering zwaar weegt, maar niet maakt dat de belangenafweging op voorhand in het voordeel van de vreemdeling uitvalt. Vervolgens wordt een aantal situaties genoemd waarin ondanks het bestaan van een objectieve belemmering, toch geen sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat geen van deze situaties van toepassing is in het geval van eiseres en dat verweerder daar bovendien in het bestreden besluit niet op in is gegaan. Verweerder had duidelijk moeten maken op welke wijze invulling kan worden gegeven aan het gezinsleven.

13. De rechtbank concludeert dat verweerder niet kenbaar alle feiten en omstandigheden heeft meegewogen in de belangenafweging en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging niet het voordeel van eiseres is uitgevallen. Er is sprake van een motiveringsgebrek.

14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de rechtbank draagt verweerder op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen vier weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 990,- (negenhonderdnegentig euro) te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.