Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14589

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
AWB 17/14894, AWB 17/14847, AWB 17?14848
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanraag; niet-ontvankelijk; originele brief Afghaanse ambassade; getuigenverklaringen; verwijtbaarheidstoets; geen nova; geen Bahaddar-situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 17/14894, AWB 17/14847 en AWB 17/14848

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 november 2017 in de zaken tussen

[eiser], eiser,

[eiseres] , eiseres, en

[eiser 2] , eiser 2,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. M. Taheri,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. E. Sweerts.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de drie afzonderlijke besluiten van verweerder van 13 september 2017 waarbij de opvolgende asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk zijn verklaard (de bestreden besluiten).

Verweerder heeft op 25 oktober 2017 schriftelijk gereageerd op de in beroep door eisers overgelegde stukken.

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser 2, geboren op [geboortedatum], is van Afghaanse nationaliteit en heeft op 25 april 2012 tegelijk met zijn twee zussen een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser, geboren op [geboortedatum], en eiseres, geboren op [geboortedatum] - eveneens van Afghaanse nationaliteit en ouders van eiser 2 - hebben op 7 maart 2013 asielaanvragen ingediend. Aan deze aanvragen ligt het volgende ten grondslag. Eiser werkte als bewaker in Kabul bij een opslagruimte. Na te zijn mishandeld door leden van de Taliban, heeft hij hen onder bedreiging geholpen goederen in te laden in vrachtwagens. Dat werd gezien door buren, die hem vervolgens beschuldigden van diefstal en het meewerken met de Taliban. Eiser vreest voor de eigenaren van die goederen. Eisers zijn in 1996 gevlucht en hebben, na in Iran en Griekenland te hebben verbleven, asiel in Nederland aangevraagd.

3. Bij besluit van 16 november 2012 is (uiteindelijk) een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de periode van vijf jaar verleend aan eiser 2 en zijn twee zussen.

4. Bij besluiten van 26 september 2013 zijn de asielaanvragen van eiser en eiseres afgewezen. Bij besluiten van 22 april 2014 zijn de verblijfsvergunningen van eiser 2 en zijn twee zussen ingetrokken.

5. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 19 december 2014 zijn de beroepen tegen de afwijzing van de aanvragen van eiser en eiseres ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder bevreemdend mocht vinden dat eiser niet wist hoe hij de eigenaar van de opslag moest bereiken bij diens afwezigheid en dat hij de eigenaar niet heeft ingelicht over de overval en voorts dat verweerder mocht twijfelen aan de door eiser gestelde problemen nu eiser wisselend heeft verklaard over de wijze waarop de overval plaatsvond. Volgens de rechtbank ontbeert het asielrelaas reeds hierom positieve overtuigingskracht.

6. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, ook van 19 december 2014, zijn de beroepen tegen de intrekking van de verleende verblijfsvergunningen ongegrond verklaard, nu het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is geacht en het asielrelaas van eiser 2 en zijn twee zussen volledig afhankelijk is van dat van eiser. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 14 april 2015 het hoger beroep tegen beide uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, ongegrond verklaard.

7. Eisers hebben op 24 maart 2015 voor de tweede maal asielaanvragen ingediend en daarbij nieuwe stukken overgelegd. Die aanvragen zijn bij drie besluiten van 30 maart 2015 afgewezen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft bij uitspraak van 23 april 2015 de beroepen tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De Afdeling heeft op 23 juni 2015 het hoger beroep daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 juli 2015 heeft de Afdeling het herzieningsverzoek van eisers tegen de uitspraak van 23 juni 2015 afgewezen.

8. Eisers hebben op 22 oktober 2015 voor de derde maal asiel aangevraagd en wederom nieuwe stukken overgelegd. Die aanvragen zijn bij drie besluiten van 26 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft bij uitspraak van 23 november 2015 de beroepen tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De Afdeling heeft in hoger beroep deze uitspraak op 16 december 2015 bevestigd.

9. Eisers hebben op 11 september 2017 voor de vierde maal asiel aangevraagd en wederom nieuwe stukken overgelegd. Eisers hebben betoogd dat met deze stukken, gelezen in samenhang met de andere – in de eerdere asielprocedures overgelegde – stukken, de juistheid van het asielrelaas van eiser aannemelijk wordt gemaakt.

Het betreft de volgende stukken:

1) originele brief aan de Afghaanse Ambassade te Den Haag van 12 februari 2016;

2) originele brief van de Afghaanse Ambassade van 28 maart 2017;

3) kopie van verklaring van 14 april 2016 (met vertaling);

4) kopie van verklaring van 26 oktober 2016 (met vertaling);

5) kopie van verklaring van 29 oktober 2016 (met vertaling);

6) kopie van verklaring van 25 januari 2017 (met vertaling);

7) kopie van verklaring van 31 januari 2017 (met vertaling);

8) kopie van verklaring van 1 mei 2016 (met vertaling).

10. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten de aanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat de overgelegde stukken niet zijn aan te merken als nieuwe elementen of bevindingen (nova). Weliswaar is de brief van de ambassade, stuk 2), origineel, maar de onder 3) tot en met 8) genoemde stukken, waarnaar in deze brief wordt verwezen, niet. Bovendien heeft eiser niet de documenten van de bronnen waarnaar de brieven verwezen, overgelegd. Voor zover het getuigenverklaringen betreft, werpt verweerder tegen dat deze niet afkomstig zijn van een objectief verifieerbare bron. Tot slot werpt verweerder tegen dat niet valt in te zien dat deze stukken niet tijdens de eerdere asielprocedures hadden kunnen worden overgelegd.

11. Eisers hebben daartegen in beroep aangevoerd dat verweerder uit had moeten gaan van de authenticiteit van de overgelegde kopiestukken en dat daarmee het asielrelaas van eiser wordt bevestigd. In beroep is een brief van de Afghaanse ambassade te Den Haag van 17 oktober 2017 overgelegd waarin de authenticiteit van de kopiestukken wordt bevestigd en waarin deze zijn gestempeld. Eisers voeren voorts aan dat zelfs als deze stukken niet als nova kunnen worden aangemerkt, de Bahaddar-exceptie ertoe leidt dat eisers niet kunnen worden uitgezet. Eisers geven tekst en uitleg over de registratie van onroerende zaaktransacties in Afghanistan en leggen daartoe in beroep een stuk over. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat de twee dochters/zussen van eisers inmiddels wel een verblijfsstatus hebben gekregen. Op 25 oktober 2017 hebben eisers een verklaring van het ministerie van Buitenlandse Zaken van Afghanistan toegezonden aan de rechtbank en aan verweerder.

12. Verweerder heeft bij brief van 25 oktober 2017 gereageerd op de brief van de Afghaanse ambassade van 17 oktober 2017 en geconcludeerd dat deze niet leidt tot een ander standpunt. Ter zitting heeft verweerder hetzelfde geconcludeerd over de verklaring van het ministerie van Buitenlandse zaken van Afghanistan die eisers op 25 oktober 2017 hebben overgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

13. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat eerder in rechte is komen vast te staan dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is en dat de twee daarna volgende asielaanvragen niet hebben geleid tot een ander oordeel over dat relaas.

14. Bij de beoordeling of de in deze asielprocedure overgelegde stukken zouden kunnen leiden tot een ander oordeel en daarom zijn aan te merken als nova, is het volgende van belang. Tot de omzetting van Richtlijn 2013/32/EU (de nieuwe Procedurerichtlijn) in het nationale recht op 20 juli 2015, gold dat overgelegde stukken bij een opvolgende asielaanvraag niet als nova konden worden aangemerkt als deze stukken tijdens de eerdere asielprocedure(s) hadden kunnen, en dus moeten, worden overgelegd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2718) blijkt dat deze verwijtbaarheidstoets ook na de omzetting van de nieuwe Procedurerichtlijn nog steeds is aan te merken als geldend recht.

15. Eiser heeft tijdens het gehoor dat op 11 september 2017 is gehouden (het gehoor opvolgende aanvraag) het volgende verklaard: “Na de laatste negatieve uitspraak ben ik een paar keer naar de Afghaanse ambassade gegaan en [heb ik] gevraagd of mijn zaak kan worden onderzocht en [verzocht] informatie in te winnen in Afghanistan over mijn zaak.” Vervolgens verklaart hij dat zij niet naar hem hebben geluisterd. Daarna heeft zijn advocaat gezegd dat hij het zou proberen en heeft deze een brief gestuurd aan de Afghaanse ambassade, aldus eiser. De rechtbank begrijpt dat hier wordt bedoeld de brief van 12 februari 2016, stuk nr. 1) genoemd onder 9.

16. Hieruit leidt de rechtbank af dat eisers zich niet al ten tijde van zijn eerdere asielprocedures, maar pas daarna, hebben gewend tot de Afghaanse ambassade voor het verkrijgen van bewijs van zijn asielrelaas. Ter zitting hebben eisers verwezen naar de verklaring van de Afghaanse ambassade van 17 oktober 2017, waarin melding wordt gemaakt van vergeefse verzoeken van eisers in 2014 en 2015 aan de ambassade om onderzoek te doen. Deze passage is echter niet te rijmen met de hiervoor aangehaalde expliciete verklaring van eiser zelf tijdens zijn gehoor opvolgende aanvraag. Om die reden acht de rechtbank niet aannemelijk dat er daadwerkelijk sprake is geweest van eerdere pogingen van eisers om met hulp van de ambassade aan bewijs te komen. Ook de uitleg van eisers dat zij eerst – zonder resultaat – andere wegen hebben bewandeld om aan bewijs te komen, is niet toereikend. Van hen had mogen worden verwacht dat zij al bij hun eerste asielaanvraag zoveel mogelijk bewijs van het asielrelaas hadden ingebracht.

17. De conclusie is dat de onder 1) tot en met 8) genoemde stukken terecht niet als nova zijn aangemerkt. Dat de bijlagen bij de brief van de ambassade, stuk 2), zowel door de ambassade als door het ministerie van Buitenlandse Zaken van Afghanistan als echt worden aangemerkt, doet aan deze conclusie niet af.

18. Ook het in beroep overgelegde stuk over de wijze van registratie van transacties van onroerende zaken in Afghanistan, kan niet als novum worden aangemerkt, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit stuk niet eerder had kunnen, en daarom moeten, worden overgelegd.

19. Het gestelde feit dat de twee dochters/zussen van eisers inmiddels wel een verblijfsvergunning hebben gekregen, is evenmin aan te merken als een novum. Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat het hier gaat om verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in aanmerking komen voor een asielvergunning voor bepaalde tijd als gezinslid, in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Vw, nu deze dochters/zussen meerderjarig zijn.

20. Anders dan eisers in beroep hebben aangevoerd, leidt de Bahaddar-exceptie er niet toe dat de overgelegde stukken, ook al zijn deze niet aan te merken als nova, voor verweerder hadden moeten leiden tot verlening van een asielvergunning aan eisers. Nu het asielrelaas van eisers nog steeds als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt, is niet aannemelijk geworden dat uitzetting van eisers naar Afghanistan onmiskenbaar zal leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

21. De beroepen zijn ongegrond.

22. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.