Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14588

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
NL17.12854 en NL17.12855
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin-Italië, mondelinge uitspraak, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.12854 en NL17.12855


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 30 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.E. Jasper).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Italië.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank in de zaak NL17.12854: verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter in de zaak NL17.12855: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. In geschil is of ten aanzien van Italië nog wel mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gelet op de door eiser aangehaalde bronnen waaruit blijkt van problemen in de opvang en de procedure voor asielzoekers in Italië.

2. Vooropgesteld wordt dat uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat er weliswaar problemen zijn in de opvang van asielzoekers in Italië, maar dat de situatie niet vergelijkbaar is met die in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (onder meer het arrest M.O.S.H. tegen Nederland, nr. 63469/09). Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt deze lijn (zie de door verweerder aangehaalde uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278, en recentelijk nog: 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454).

3. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie blijkt dat de opvangproblemen in Italië nog lang niet achter de rug zijn en dat nog steeds gesproken kan worden van een toevloed van asielzoekers naar dat land. Niet al deze bronnen zijn besproken in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling. Dit betekent echter niet dat sprake is van een wezenlijk andere situatie, die moet leiden tot een ander oordeel. Daarbij komt dat er vanuit mag worden gegaan dat eiser, ten aanzien van wie Italië de claim heeft geaccepteerd, als Dublinclaimant voor opvang in aanmerking komt. In zoverre heeft hij niet dezelfde positie als elke willekeurige asielzoeker die in Italië aankomt. Ten aanzien van de asielprocedure acht de rechtbank de in de bronnen beschreven problemen niet zodanig ernstig dat eiser geen deugdelijke beslissing kan krijgen op zijn asielaanvraag en dat hij geen deugdelijk rechtsmiddel heeft als de aanvraag wordt afgewezen. De slotsom is dat verweerder nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Verweerder heeft daarom de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser niet aan zich hoeven trekken.

4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

griffier

rechter en voorzieningenrechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.