Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14585

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
C/09/510604 / HA ZA 16-551
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen uit hoofde ledenlening en participatiereserve coöperatie FloraHolland rechtsgeldig verpand? Uitleg statuten. Artikel 3:83 lid 2 BW beding goederenrechtelijke werking. HR Coface/Intergamma. Bestaande vorderingen op datum faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6657
RI 2018/22
NJF 2018/296
JOR 2018/103 met annotatie van G.J.C. Rensen en A. Steneker
INS-Updates.nl 2018-0010
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/510604 / HA ZA 16-551

Vonnis van 13 december 2017

in de zaak van

[de curator] , in hoedanigheid van:
1. curator in het faillissement van de vennootschap onder firma [de VOF] V.O.F ., handelend onder de naam [handelsnaam VOF] (hierna: [de VOF] ),

2. bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van [A] (hierna: [A] ), vennoot van de [de VOF] ,
3. bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van [B] (hierna: [B] ), vennoot van de [de VOF] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.J. Hordijk te Naaldwijk,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
rechtsopvolgster onder algemene titel van de Coöperatieve Rabobank Westland U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

Partijen worden hierna de curator en Rabobank genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 april 2016, met 14 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 17 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 10 augustus 2016, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 november 2016;

  • -

    de akte houdende uitlaten inzake opzegging lidmaatschap en besluiten ten aanzien van ledenlening en participatiereserve, met producties 15 tot en met 18, van de curator.

  • -

    de antwoordakte na comparitie van Rabobank.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Rabobank heeft daarvan gebruik gemaakt bij brief van 15 december 2016 en de curator bij brief van eveneens 15 december 2016. Die brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht en maken onderdeel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 10 december 2013 zijn de [de VOF] alsmede haar vennoten [A] en [B] (hierna tezamen in vrouwelijk enkelvoud: [de V.O.F. c.s.] ) in staat van faillissement verklaard, onder gelijktijdige intrekking van de op 29 november 2013 aan de [de VOF] voorlopig verleende surseance van betaling, met de aanstelling van de curator als zodanig.

2.2.

Bij beschikkingen van 8 mei 2015 van deze rechtbank zijn de faillissementen van [A] en [B] opgeheven onder gelijktijdig van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling, met de aanstelling de curator als bewindvoerder.

2.3.

[de V.O.F. c.s.] was lid van de coöperatie Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. (hierna: FloraHolland). FloraHolland is per 1 januari 2008 ontstaan door een juridische fusie van de te Naaldwijk, gemeente Westland, gevestigde Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. (oud) en de te Aalsmeer gevestigde Coöperatie Bloemenveiling Aalsmeer U.A. FloraHolland heeft bij deze fusie onder algemene titel alle vermogensbestanddelen verkregen van de twee coöperaties die door de fusie zijn opgehouden te bestaan.

2.4.

De geldende statuten van FloraHolland (per 2013) luiden, voor zover relevant:

“(…) Verkrijging van het (gewone) lidmaatschap.
Artikel 6.
1. Lid van de coöperatie kunnen zijn:
a. Natuurlijke personen en rechtspersonen die niet in staat van faillissement verkeren en één of meer bedrijven uitoefenen, waarin sierteeltproducten worden geteeld.
b. Rechtspersonen die niet in staat van faillissement verkeren en van welke de

deelgenoten (leden of vennoten) één of meer bedrijven uitoefenen als onder a. bedoeld.

(…)
7.Het lidmaatschap is persoonlijk en derhalve niet vatbaar voor overdracht of overgang. Niettemin kan het bestuur in daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende gevallen, zoals bijvoorbeeld overlijden, juridische fusie of splitsing en wijziging van rechtsvorm, na overleg met betrokkenen regelingen treffen ertoe strekkend dat een rechtverkrijgende geheel of gedeeltelijk voor de toepassing van daarvoor in aanmerking komende bepalingen, zoals die met betrekking tot de ledenlening of de participatierekening, in de plaats treedt van zijn rechtsvoorganger.’

(…)
Einde van het lidmaatschap.
Artikel 8.
1. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
c. door opzegging door het bestuur volgens artikel 11;
(…)

Lidmaatschap. Opzegging door het bestuur.
Artikel 11.
1. Het bestuur kan aan een lid het lidmaatschap – met ingang van het eerstvolgende boekjaar en zonder inachtneming van een opzeggingstermijn – opzeggen:
a. indien het lid een of meer vereisten voor het lidmaatschap heeft verloren;

(…)
Geldmiddelen.
Artikel 15.
De ter bereiking van het doel van de coöperatie benodigde gelden kunnen onder meer worden verkregen door:
(….)
d. het aangaan van geldleningen en kredieten, onder meer door het instellen van een ledenlening;

(…)

Ledenlening.
Artikel 17.
1. Ieder lid neemt deel in de ledenlening aan de coöperatie door eventuele inhouding voor dit doel (…)

Ten name van elk lid zal in de boeken van de coöperatie een afzonderlijke rekening betreffende zijn tegoed in de ledenlening worden bijgehouden.
2. Over het tegoed in de ledenlening vergoedt de coöperatie een jaarlijkse rente. Het rentepercentage wordt vastgesteld door het bestuur. De rente wordt jaarlijks op een door het bestuur vast te stellen tijdstip aan de leden betaalbaar gesteld.
3. De bedragen die op grond van het bepaalde in lid 1 van dit artikel worden bijgeschreven op de ledenlening, zullen telkens in de eerste maand van het negende boekjaar, volgend op dat waarin de eerdergenoemde bijschrijvingen plaatsvond, worden afgelost. De algemene ledenvergadering kan, op voorstel van het bestuur, besluiten alle in een of meer jaren bijgeschreven bedragen (“jaarlagen”) op de ledenleningen van de leden eerder of later af te lossen.
4. Na het eindigen van het lidmaatschap wordt het tegoed op de ledenlening aan het oud-lid dan wel diens rechtverkrijgende(n) voldaan als volgt.
Gedurende de drie kalenderjaren na het jaar waarin het lidmaatschap eindigde, blijft het voorgaande lid van toepassing.
Het alsdan nog niet terugbetaalde wordt voldaan binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening over het laatste boekjaar van de driejaarsperiode.

(…)
Participatiereserve.
Artikel 34.
1. De participatiereserve is de som van de ten name van de afzonderlijke leden in de boeken van de coöperatie geadministreerde participatierekeningen. De participatiereserve behoort tot het eigen vermogen van de coöperatie.
2. Bijschrijvingen op de participatierekeningen vinden plaats als bepaald in artikel 33 leden 1 en 2.
3. Op voorstel van het bestuur kan de algemene vergadering besluiten, dat de in een boekjaar op de participatierekeningen bijgeschreven bedragen (…) aan de leden of hun rechtverkrijgende betaalbaar worden gesteld uiterlijk in het eenentwintigste boekjaar na het boekjaar waarin de toevoeging geschiedde.
(…)
5. (…)
b. Voorts kan het bestuur besluiten dat de contante waarde van het saldo van de participatierekening van een lid of oud-lid dat onherroepelijk in staat van faillissement is verklaard, wordt uitgekeerd binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening van de coöperatie over het boekjaar waarin het vonnis tot faillietverklaring onherroepelijk is geworden.
(…)
7. Een participatierekening is niet vatbaar voor overdracht of overgang, verminderd de toepassing van artikel 6 lid 7.(…)”

2.5.

De bedrijfsactiviteiten van [de V.O.F. c.s.] werden gefinancierd door Rabobank. In dat kader verkreeg [de V.O.F. c.s.] (hoofdelijk) meerdere financieringen, tot zekerheid voor de nakoming waarvan [de V.O.F. c.s.] bij akte van verpanding van november 2009 aan Rabobank heeft verpand:

“1. Alle huidige en toekomstige vordering(en) van de pandgever op Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. (…), hierna te noemen: veiling, met uitzondering van vorderingen wegens levering van agrarische producten door de pandgever aan de veiling voor zover deze laatstbedoelde vorderingen direct opeisbaar zijn.

2. De vorderingen op Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. (…), hierna te noemen: afnemer, uit hoofde van door de pandgever aan de afnemer geleverde producten.

De pandgever verpandt aan de bank tevens, zoals overeengekomen, alle rechten met betrekking tot het onderpand die de pandgever heeft of mocht hebben jegens derden (…).”

2.6.

Op 30 november 2009 heeft Rabobank mededeling gedaan van voormeld pandrecht aan FloraHolland.

2.7.

Per datum faillissement beliep het saldo van de door [de V.O.F. c.s.] bij FloraHolland aangehouden ledenlening € 92.636,79 en van de participatierekening
€ 12.390,48.

2.8.

De e-mail van 17 januari 2014 van Rabobank aan FloraHolland luidt, voor zover relevant:

“(…) Zoals wellicht bekend is onlangs voor [de VOF] faillissement uitgesproken.
Blijkens bijgaande akte van verpanding zijn alle huidige en toekomstige veilinggelden, ledenrekening en/of participatiereserve’s aan Rabobank Westland verpand.
Vriendelijk verzoek ik u de tegoeden over te maken (….).
Kunt u mij een indicatie geven over de hoogte van de tegoeden en op welk moment wij deze tegoeden kunnen verwachten?(…)”
2.9. De e-mail van FloraHolland aan Rabobank van 3 juni 2014 luidt, voor zover relevant:

“(…)Wij hebben nog de volgende tegoeden onder ons inzake [de VOF] . Aan ledenlening een bedrag van € 92.636,79 en aan participatiereserve een bedrag van € 12.390,48. Deze bedragen kunnen nog wat toenemen vanwege het leveren van producten in 2013 en 2014 aan onze Coöperatie door [de VOF] .
Dit wordt besloten tijdens de voorjaarsledenvergaderingen van 2014 en 2015 van onze Coöperatie waarin de jaarrekening en de daarbij horende resultaatverdeling over 2013 en in 2015 over het boekjaar 2014 wordt vastgesteld door de ledenvergadering van onze Coöperatie. Conform het bepaalde in onze statuten en reglementen kunnen wij deze tegoeden dan omstreeks september 2015 uitbetalen.
Wij verzoeken u om in overleg met de curator ons te laten weten aan wie wij bevrijdend deze tegoeden dan kunnen uitbetalen. (…)”
2.10. Per 12 november 2015 heeft Rabobank een bedrag van € 3.585.230,=, te vermeerderen met rente en kosten, van [de V.O.F. c.s.] te vorderen.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert:

I. te verklaren voor recht dat de aanspraken c.q. tegoeden c.q. saldi van de door de [de VOF] , althans [A] en [B] aangehouden ledenlening(en) c.q. – rekening(en) en participatiereserve(s), alsmede de daarop gevallen rente, niet zijn verpand aan Rabobank;

II. Rabobank te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt de curator dat op de participatiereserve en ledenlening geen rechtsgeldig pandrecht ten behoeve van Rabobank kan zijn gevestigd, omdat de participatierekening en de ledenlening niet vatbaar zijn voor overdracht en daarmee evenmin voor verpanding. Bovendien zijn de aanspraken op de participatierekening en het (volledige) saldo van de ledenlening toekomstige vorderingen die na datum faillissement zijn ontstaan. Gelet op het voorgaande is de boedel in het faillissement van de [de VOF] rechthebbende tot voornoemde aanspraken. Omdat FloraHolland de ledenlening en de participatiereserve heeft geadministreerd op naam van [A] en [B] , ieder voor de onverdeelde helft, voert de curator deze procedure zowel in het faillissement van de [de VOF] als in de wettelijke schuldsaneringsregelingen van [A] en [B] .

3.3.

Rabobank voert verweer. Rabobank stelt zich onder verwijzing naar de hiervoor genoemde akte van verpanding op het standpunt dat de vorderingen van [de V.O.F. c.s.] op FloraHolland uit hoofde van de participatierekening en de ledenlening rechtsgeldig aan haar zijn verpand.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de vorderingen van [de V.O.F. c.s.] op FloraHolland rechtsgeldig aan Rabobank zijn verpand.

4.2.

De vorderingen van [de V.O.F. c.s.] op FloraHolland zijn te verdelen in vorderingen op grond van de ledenlening en vorderingen op grond van de participatierekening.

Bestaande of toekomstige vorderingen?

4.3.

De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering uit hoofde van de ledenlening en de vordering uit hoofde van de participatierekening zijn aan te merken als toekomstige vorderingen. Zij bestonden nog niet op datum faillissement.
Hij heeft er in dit verband op gewezen dat, op grond van de statuten, de vordering uit hoofde van de ledenlening pas is ontstaan doordat aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (1) het faillissement van [de V.O.F. c.s.] werd uitgesproken, (2) het bestuur van FloraHolland heeft het lidmaatschap van [de V.O.F. c.s.] opgezegd wegens het niet meer voldoen aan de eisen voor het lidmaatschap althans alle betrokkenen houden het er op dat het lidmaatschap van [de V.O.F. c.s.] is geëindigd wegens het niet meer voldoen aan de eisen voor het lidmaatschap en (3) de jaarrekening van FloraHolland over het laatste boekjaar van de driejaarsperiode is vastgesteld.
Met betrekking tot de vordering uit hoofde van de participatierekening geldt volgens de curator dat deze vordering pas is ontstaan nadat (1) het faillissement van [de V.O.F. c.s.] werd uitgesproken en (2) de jaarrekening van FloraHolland over het jaar waarin het faillissement werd uitgesproken is vastgesteld. Dit alles heeft volgens de curator plaatsgevonden na datum faillissement, zodat de vorderingen pas na datum faillissement zijn ontstaan en pas toen tot het vermogen van [de V.O.F. c.s.] zijn gaan behoren. Op grond van artikel 35 lid 2 Faillissementswet (hierna: Fw) is de vestiging bij voorbaat van een pandrecht op een vordering die op datum faillissement nog niet bestaat niet mogelijk. De vordering uit hoofde van de ledenlening en de vordering uit hoofde van de participatierekening vallen daarom niet onder het pandrecht van Rabobank. [de V.O.F. c.s.] was ten gevolge van het faillissement met betrekking tot deze vorderingen immers niet meer beschikkingsbevoegd, aldus de curator.

4.4.

De rechtbank volgt de curator hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen op grond van de statuten reeds voor datum faillissement zijn ontstaan. Dat geldt zowel voor de ledenlening als voor de participatiereserve. In beide gevallen gaat het om een vordering ter zake van bedragen die op grond van de statuten door FloraHolland als tegoed op de ledenrekening/participatierekening van het betreffende lid worden bijgeschreven en als hoofdregel na verloop van tijd zullen worden afgelost/uitgekeerd, dan wel na het einde van het lidmaatschap zullen worden afgelost/uitgekeerd (artikel 17 respectievelijk artikel 34 statuten). De gebondenheid tot betaling is – anders dan de curator betoogt – niet afhankelijk van een verklaring van (het bestuur van) FloraHolland of van het betreffende lid of een soortgelijke handeling. Aan de opzegging van het lidmaatschap door het bestuur en de vaststelling van de jaarrekening komt in dit verband dan ook geen bijzondere betekenis toe. Zij hebben slechts invloed op het moment van opeisbaarheid van de betreffende vordering en niet op het moment van het ontstaan van de vordering. Een en ander brengt met zich dat de vordering uit hoofde van de ledenlening en de vordering uit hoofde van de participatiereserve op datum faillissement bestaande vorderingen waren, zij het onder een tijdsbepaling dan wel opschortende voorwaarde (de aflossing/uitkering zou na verloop van tijd (kunnen) plaatsvinden). De situatie genoemd in artikel 35 lid 2 Fw, dat het goed eerst na aanvang van de dag van de faillietverklaring door de failliet is verkregen, doet zich dus niet voor.

Participatierekening

4.5.

Met betrekking tot de participatierekening heeft de curator gesteld dat [de VOF] en FloraHolland een onoverdraagbaarheidsbeding als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW, met goederenrechtelijke werking zijn overeengekomen. De curator verwijst hiertoe naar artikel 34 lid 7 van de statuten. Volgens de curator is als gevolg van dit beding de vordering uit hoofde van de participatierekening niet overdraagbaar en daarmee op grond van de artikelen 3:83 lid 2 BW, 3:98 BW en 3:228 BW – in hun onderling verband gelezen – evenmin vatbaar voor verpanding. De Rabobank betwist dat dat de statutair bepaalde onoverdraagbaarheid van de participatierekening leidt tot onverpandbaarheid.

4.6.

Beoordeeld dient aldus te worden of artikel 34 lid 7 statuten, waarbij de overdraagbaarheid van een vordering is uitgesloten, ook verpanding van die vordering uitsluit. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat vermogensrechten, zoals de vordering uit hoofde van de participatiereserve, overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet (artikel 3:83 lid 1 BW). Verder kan de overdraagbaarheid van vorderingsrechten door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten (artikel 3:83 lid 2 BW). Hetgeen met betrekking tot de overdracht is bepaald, geldt ook voor de vestiging van een beperkt recht, zoals het hier aan de orde zijnde pandrecht, op een vordering (artikel 3:98 BW).

4.7.

In het onderhavige geval is in de statuten (artikel 34 lid 7) bepaald dat een participatierekening niet voor overdracht vatbaar is. Rabobank heeft aangevoerd dat het onoverdraagbaarheidsbeding daarmee niet ziet op het saldo op de betreffende rekening. De rechtbank volgt Rabobank daarin niet. De door FloraHolland door middel van de participatierekening geboden faciliteit bestaat eruit dat op de participatierekening bedragen worden bij- en afgeschreven ten behoeve van het betreffende lid en dat het saldo na verloop van tijd aan dat lid betaalbaar kan worden gesteld. Andere faciliteiten biedt de participatierekening niet. Tegen die achtergrond kan het in artikel 34 lid 7 van de statuten opgenomen beding, dat bepaalt dat de participatierekening niet voor overgang of overdracht vatbaar is, niet anders worden begrepen dan dat daarmee is beoogd de overdraagbaarheid van het vorderingsrecht ter zake van het saldo op de participatierekening uit te sluiten.

4.8.

Voor het antwoord op de vraag of het onoverdraagbaarheidsbeding tevens in de weg staat aan verpanding van de vorderingen uit hoofde van de participatiereserve, moet eerst de vraag worden beantwoord of artikel 34 lid 7 statuten is aan te merken als een beding met goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW. Immers, als het geen beding met goederenrechtelijke werking is maar een beding met slechts verbintenisrechtelijke werking, leidt schending van het beding niet tot niet-overdraagbaarheid van de vorderingen, maar slechts tot een tekortschieten van de schuldeiser in zijn verplichting om de vordering niet over te dragen. Het antwoord op voormelde vraag moet plaatsvinden door uitleg van de statuten aan de hand van de zogeheten Haviltex maatstaf. Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.

4.9.

De onoverdraagbaarheid van de participatierekening is opgenomen in artikel 34 lid 7 statuten. Om lid van de coöperatie te kunnen worden, heeft Vreugdenhil de statuten moeten aanvaarden. In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een beding tussen de schuldenaar en de schuldeiser, als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW.

4.10.

Bij de uitleg van artikel 34 lid 7 statuten neemt de rechtbank als uitgangspunt dat deze in beginsel naar objectieve maatstaven moet plaatsvinden. Statuten zijn immers naar hun aard bestemd de rechtspositie van de betrokkenen bij de organisatie van de rechtspersoon op een eenvormige wijze te beïnvloeden, terwijl deze betrokkenen geen invloed hebben gehad op de wijze waarop de statuten zijn verwoord. Evenmin hebben zij inzicht in de overwegingen die aan de formulering van de statuten grondslag liggen. Voor een uitleg naar objectieve maatstaven bestaat in het onderhavige geval te meer aanleiding, nu artikel 34 lid 7 statuten naar zijn aarde mede is bestemd om de rechtspositie van derden, die de bedoeling van de opstellers van de statuten niet kennen, op uniforme wijze te regelen.

4.11.

In het licht van het voorgaande acht de rechtbank bij de uitleg van artikel 34 lid 7 statuten van doorslaggevend belang dat de formulering van het beding “Een participatierekening is niet vatbaar voor overdracht of overgang” erop wijst dat de opstellers van de statuten niet hebben bedoeld om aan de schuldeiser een verplichting op te leggen om niet te doen, maar dat zij juist de onoverdraagbaarheid van het uit de participatierekening voortvloeiende vorderingsrecht zelf hebben willen regelen. De bepaling is immers gericht tot de schuldeiser, maar zegt niets over de aard van de vordering. Aldus blijkt uit de formulering van het beding dat daarmee goederenrechtelijke werking is beoogd en is de vordering uit hoofde van de participatierekening niet overdraagbaar.

4.12.

Op grond van artikel 3:228 BW moet het te verpanden goed overdraagbaar zijn. Gelet op deze bepaling brengt voorgaand oordeel dat de overdraagbaarheid van de vordering uit hoofde van de participatierekening statutair is uitgesloten, met zich mee dat die vordering niet verpandbaar was.

4.13.

Rabobank heeft er nog op gewezen dat het feit dat een vordering niet overdraagbaar is, niet in de weg hoeft te staan aan verpanding van de vordering. Op grond van artikel 3:246 BW wordt de pandhouder niet zelf de schuldeiser, maar (slechts) inningsbevoegd ter zake van de nakoming van de verplichtingen door de schuldenaar. Voor FloraHolland maakt dit niet uit; zij hoeft slechts aan een ander te betalen, aldus Rabobank. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van artikel 3:228 BW geen ruimte laat voor verpanding van ingevolge artikel 3:83 lid 2 BW niet overdraagbare vorderingen, tenzij partijen de verpanding uitdrukkelijk wel mogelijk hebben gemaakt. Daarbij is van belang dat partijen met de overeengekomen goederenrechtelijke werking van de uitsluiting van de overdraagbaarheid, juist beoogd hebben zoveel mogelijk te voorkomen dat de schuldenaar buiten zijn wil, ter zake van de nakoming van zijn verbintenis – te weten het uitbetalen van het saldo van de participatiereserve – geconfronteerd zou kunnen worden met een andere dan de oorspronkelijke schuldeiser. Indien in weerwil van de tekst van de wet zou worden aangenomen dat de vordering niet kan worden overgedragen, maar wel kan worden verpand, leidt dit ertoe dat de schuldenaar alsnog door een rechtshandeling van de schuldeiser en in strijd met de gemaakte afspraak, tegenover een andere dan de oorspronkelijke schuldeiser in de vorm van een inningsbevoegde pandhouder kan komen te staan.

4.14.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de vordering uit hoofde van de participatierekening vanwege artikel 34 lid 7 van de statuten niet verpandbaar is, beroept Rabobank zich bij wijze van verweer op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Zonder onderhavige verpanding, was [de V.O.F. c.s.] niet althans niet op gelijke voorwaarden door Rabobank gefinancierd, aldus Rabobank. Andere feiten of omstandigheden heeft Rabobank in dit kader niet aangevoerd.
Wat daarvan ook zij, naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om met succes een beroep te doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de nodige terughoudendheid moet worden betracht.

4.15.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat geen rechtsgeldig pandrecht ter zake de vordering uit hoofde van de participatiereserve tot stand is gekomen. De gevorderde verklaring voor recht zal in zoverre worden toegewezen.

Ledenlening

4.16.

Met betrekking tot de ledenlening heeft de curator gesteld dat het lidmaatschap van FloraHolland niet overdraagbaar is (artikel 6 lid 7 van de statuten) en dat elk lid verplicht deelneemt in de ledenlening (artikel 17 lid 1 van de statuten). Volgens de curator is vanwege de koppeling met het lidmaatschap ook de vordering uit hoofde van de ledenlening niet overdraagbaar en daarmee op grond van de artikelen 3:83 lid 2 BW, 3:98 BW en 3:228 BW – in hun onderling verband gelezen – evenmin vatbaar voor verpanding.

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat de stellingname van de curator dat de vordering uit hoofde van de ledenlening niet voor overdracht en daarmee niet voor verpanding vatbaar is, onjuist is. De hoofdregel uit artikel 3:83 lid 1 BW houdt in dat een vorderingsrecht overdraagbaar is. De statuten van FloraHolland bevatten geen bepalingen die zich tegen de overdracht van de vordering uit hoofde van de ledenlening verzetten. Dat het lidmaatschap zelf niet overdraagbaar is, maakt het voorgaande niet anders. Anders dat de curator betoogt, is de vordering uit hoofde van de ledenlening bovendien geen afhankelijk recht. De vordering gaat immers niet teniet als het lidmaatschap van de coöperatie eindigt. De conclusie is dan ook dat noch de wet noch de aard van de vordering uit hoofde van de ledenlening zich verzet tegen de overdracht ervan.

4.18.

Dat betekent dat de vordering uit hoofde van de ledenlening verpandbaar was. Met de pandakte tussen [de V.O.F. c.s.] en Rabobank en mededeling van het pandrecht aan FloraHolland is op rechtsgeldige wijze een openbaar pandrecht gevestigd. De gevorderde verklaring voor recht zal in zoverre worden afgewezen.


Proceskosten

4.19.

De Rabobank wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van de curator begroot op € 1.495,75 (zijnde € 77,75 kosten dagvaarding, € 288 griffierecht en 2½ punt x tarief II à € 452 maakt € 1.130 aan salaris advocaat).
4.20. Voor veroordeling in de gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de aanspraken c.q. tegoeden c.q. saldi van de door de [de VOF] , althans [A] en [B] aangehouden participatiereserve(s), alsmede de daarop gevallen rente, niet zijn verpand aan Rabobank;

5.2.

veroordeelt Rabobank in de kosten van de procedure, aan de zijde van de curator begroot op € 1.495,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.1

1 type: 1486 coll: 2226