Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14570

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
NL17.13731
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel van bewaring, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13731


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.K.H. Blom),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).


Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.M. Nikolopoulos. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling en ter zitting heeft eiser verklaard dat hij in 1994 onder de naam [naam 1], geboren op [geboortedatum] 1970 en met de Liberiaanse nationaliteit, naar Nederland is gereisd en alhier asiel heeft aangevraagd, maar dat zijn werkelijke gegevens zijn [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1970 en van Nigeriaanse nationaliteit.

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:


3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten.

Als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eiser:


4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser voert aan dat hij buiten zijn schuld niet, althans te laat, kennis heeft genomen van het besluit van verweerder van 9 oktober 2017 tot intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en van het terugkeerbesluit dat hij Nederland binnen 28 dagen moest verlaten. Verweerder heeft dit besluit heeft verzonden naar een adres waarvan verweerder wist dat eiser daar niet meer verbleef, te weten [adres], [postcode], [plaats]. Voor zover eiser hiermee de zware grond 3c bestrijdt, overweegt de rechtbank dat eisers standpunt niet slaagt. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat eiser op 9 oktober 2017 in de BRP op het adres [adres], te [plaats] stond ingeschreven, naar welk adres het besluit met aangetekende post is verstuurd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder derhalve dit besluit zoals voorgeschreven in artikel 3.104, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bekend heeft gemaakt. Dat eiser, zoals hij stelt, geen kennis heeft gekregen van de aan hem opgelegde terugkeertermijn, dient dan ook voor zijn rekening en risico te komen. Verweerder heeft de zware grond 3c derhalve aan de maatregel ten grondslag mogen leggen.

Nu eiser verder geen van de genoemde gronden heeft bestreden concludeert de rechtbank dat verweerder alle gronden aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Nu sprake is van ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 5.1b van het Vb, is ingevolge het eerste lid aan de voorwaarden voor inbewaringstelling voldaan.

Eiser voert verder aan dat in het bewaringsdossier ten onrechte de stukken ontbreken ten aanzien van het hem opgelegde stationsverbod en de briefing daarover bij de politie. Voor zover eiser hiermee betoogt dat zijn staandehouding onrechtmatig was, althans dat de rechtmatigheid daarvan niet kan worden beoordeeld, wordt hij niet gevolgd.

Eiser is op 26 november 2017 op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw staande gehouden op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ter vaststelling van de

identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 26 november 2017 ([cijferreeks]) blijkt dat twee verbalisanten eiser op 26 november 2017 voor de ingang van de oosthal van [centraal station] zagen staan. Hen was ambtshalve bekend dat eiser een stationsverbod heeft en dat hij onrechtmatig in Nederland verblijft, omdat hij sinds 25 november 2017 met een foto in de briefing van de TOV (Taakorganisatie Vreemdelingen) staat vermeld als overlastpleger waaraan een gebiedsverbod voor [centraal station] is opgelegd. Nu de verbalisanten van eisers illegale status op de hoogte waren kon door hen, gelet op het beleid neergelegd in paragraaf A2/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden aangenomen. De staandehouding was daarmee rechtmatig. Dit blijkt voldoende uit de beschikbare stukken.

Eiser voert verder aan dat hij zo snel mogelijk vrijwillig naar Nigeria wil terugkeren en dat hij dit ook in het kader van de oplegging van de maatregel heeft aangegeven. Voor zover eiser hiermee betoogt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, concludeert de rechtbank dat dit betoog niet slaagt. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting terecht erop gewezen dat eiser weliswaar tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel heeft verklaard dat hij aan zijn vertrek naar Nigeria wil meewerken, maar ook dat hij geen geld heeft voor een vliegticket. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser ter zitting heeft aangegeven over een jaar in Nederland onder opgaaf van zijn werkelijke identiteit en nationaliteit opnieuw een verblijfsaanvraag te willen indienen, waaruit niet blijkt dat hij voornemens is te vertrekken. Verder acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting kon aangeven dat er op 12 december 2017 een chartervlucht naar Nigeria staat gepland, zodat er zicht is op een spoedige uitzetting. Gelet op dit alles dient de belangenafweging in het voordeel van verweerder uit te vallen.

Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.