Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14546

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
NL17.13381
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel van bewaring, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13381


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 augustus 2017 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 1 december 2017 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser heeft gesteld de Egyptische nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.

Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 oktober 2017 (in de zaak NL17.10463) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig was.

Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering was. Hij verwijst hiertoe naar de voortgangsrapportage van 23 november 2017 en het verslag van het vertrekgesprek van 21 november 2017, waaruit blijkt dat de op 21 november 2017 geplande presentatie bij de Egyptische vertegenwoordiging op het laatste moment door de consul is geannuleerd. Eiser stelt dat deze gang van zaken voor rekening en risico van verweerder dient te komen, te meer omdat niet inzichtelijk is gemaakt waarom eiser door de vertegenwoordiging van Egypte geweigerd is.

In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering was. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op

6 september 2017 aan de Egyptische autoriteiten heeft verzocht om ten behoeve van eiser een laissez passer (LP) af te geven. Hoewel uit de voortgangsrapportage inderdaad blijkt dat de presentatie van eiser bij de Egyptische vertegenwoordiging op 21 november 2017 niet is doorgegaan, blijkt daaruit ook dat er zo spoedig mogelijk een nieuwe presentatie zal worden gepland. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat er niet alsnog binnen een redelijke termijn een presentatie zal plaatsvinden. Voor zover eiser betoogt dan hem op 21 november 2017 om persoonlijke redenen de toegang tot de Egyptische vertegenwoordiging is geweigerd, wordt overwogen dat dit betoog bij gebrek aan nadere onderbouwing niet kan slagen. De beroepsgrond slaagt niet.

Eiser voert verder aan dat hij een redelijke vent is die is gesteld op zijn vrijheid, en dat daarom een meldplicht volstaat. Voor zover eiser hiermee betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan, verwijst de rechtbank naar hetgeen in de eerdere uitspraak van 18 september 2017 (in de zaak NL17.8010) al ten aanzien van het toepassen van een lichter middel is overwogen. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.