Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14545

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
NL17.13440
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel van bewaring, beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13440

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).


Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.M. Nikolopoulos. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1969 en dat hij de Griekse en Australische nationaliteit bezit. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven eiser in de door hem opgegeven dubbele nationaliteit te volgen.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:


3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven.

Als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eiser:


4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

2. Eiser bestrijdt alle zware en lichte gronden. Eiser voert voorts aan dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, nu het is genomen door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, waaraan op 26 oktober 2017 ontslag is verleend. Eiser betoogt verder dat verweerder hem zonder een terugkeerbesluit niet aan Australië mag overdragen, maar ook dat tegen hem als gemeenschapsonderdaan geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd. Gelet op eisers Griekse nationaliteit is uitzetting naar Australië volgens hem daarbij in strijd met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Eiser betoogt verder dat niet is voldaan aan de voorwaarden die gelden voor detentie van EU-burgers, nu geen sprake is van een ongewenstverklaring en een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde. Daarnaast voert eiser aan dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van verweerder van 11 april 2017, waarbij is bepaald dat hij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad, en dat hij de beslissing op bezwaar in Nederland mag afwachten. Eiser stelt verder dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen omdat de bewaring psychisch belastend is, hij op eigen gelegenheid uit Nederland wil vertrekken en hij dreigt te worden uitgezet naar Australië. Verder stelt eiser dat er ten onrechte geen lichter middel is toegepast omdat hij kan verblijven bij het [opvang] in [plaats], hij onder begeleiding staat van maatschappelijk werkers en hij zich aan een meldplicht houdt. Eiser verzoekt om verhoging van de standaardschadevergoeding met honderd procent omdat primaire rechten zijn geschonden, de vreemdelingenbewaring onnodig en onrechtmatig is, de bewaring onnodig lang duurt en hij wordt bedreigd met uitzetting naar Australië.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder het besluit van 11 april 2017 waarbij is bepaald dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad en hij Nederland binnen vier weken moet verlaten op 14 oktober 2017 door uitreiking in persoon aan eiser heeft bekendgemaakt. Eiser heeft tegen dit besluit op 19 november 2017 een bezwaarschrift ingediend. Op dit bezwaarschrift is nog niet beslist. In het besluit van 11 april 2017 is vermeld dat eiser binnen vier weken bezwaar kan maken tegen dit besluit en hij het besluit op bezwaar in Nederland mag afwachten.

3.2

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat hij het besluit op zijn bezwaar in Nederland mag afwachten nu dit in het besluit van 11 april 2017 staat vermeld. Verweerders betoog dat het bezwaarschrift geen schorsende werking toekomt omdat het te laat is ingediend, slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder eerst ter zitting zich op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een niet-ontvankelijk bezwaarschrift. Verweerder heeft eiser hiervan niet schriftelijk op de hoogte gesteld en hem evenmin in de gelegenheid gesteld redenen voor de termijnoverschrijding aan te geven. Daarbij komt dat in het besluit niet wordt vermeld dat uitsluitend aan een tijdig ingediend bezwaarschrift schorsende werking toekomt. Verweerders stelling dat eiser dit had moeten begrijpen gelet op de vermelde bezwaartermijn, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel dient verweerder de voorwaarden voor een ingrijpend rechtsgevolg als schorsende werking expliciet in het besluit te vermelden.

3.3

Nu eiser vanwege de nog openstaande bezwaarprocedure niet uitzetbaar is, dient verweerder het bezwaar van eiser met voortvarendheid te behandelen. Verweerder heeft dit nagelaten. Niet is gebleken dat verweerder het bezwaarschrift van 19 november 2017 reeds in behandeling heeft genomen. ter . Het dossier bevat een ontvangstbevestiging noch herstelverzuimbrief en gemachtigde van verweerder kon ter zitting desgevraagd niet aangeven wanneer een beslissing op bezwaar valt te verwachten. Gelet hierop acht de rechtbank de maatregel van bewaring onrechtmatig vanaf het moment van opleggen nu eiser al ten tijde van de oplegging van de maatregel niet uitzetbaar was en nu dit door verweerder kennelijk niet, althans niet tijdig, is onderkend.

3.4

Het beroep is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep behoeven de overige gronden geen verdere inhoudelijke bespreking.

3.5

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 17 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 1 x € 105,- (verblijf politiecel) en 16 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1385,-.

Voor de door eiser bepleitte verhoging van de schadevergoeding met honderd procent ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1385,-, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.

griffier

Rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.