Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14537

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
NL17.13681
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Cubaanse nationaliteit, vrijheidsontnemende maatregel, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13681

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Zitting

Datum: 4 december 2017.

Zitting hebben:

mr. M. Soffers, rechter,

mr. D.D. van Loopik, griffier.

Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens verschenen is P. van Nieuwenhuizen, tolk Spaans.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en vervolgens onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

Op 27 november 2017 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 november 2017 waarbij aan eiser, naar gesteld geboren op [geboortedatum] 1984 en van Cubaanse nationaliteit, de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is opgelegd.

De gemachtigde van eiser heeft het beroep bij schriftelijke gronden van 4 december 2017 toegelicht. Hoewel de gemachtigde van eiser begrip heeft voor het feit dat er op het Aanmeldcentrum Schiphol momenteel veel asielaanvragen door Cubanen worden ingediend en zij van de Raad voor Rechtsbijstand heeft vernomen dat asielaanvragen van Cubanen verder worden behandeld in de verlengde asielprocedure nadat zij een nader gehoor hebben gehad, stelt zij ook dat de vrijheidsontnemende maatregel gelet op eisers Cubaanse nationaliteit hierdoor van meet af aan, en in ieder geval vanaf het moment dat vast is komen te staan dat zijn Cubaanse paspoort authentiek is, onrechtmatig was. De gemachtigde van eiser verzoekt om opheffing van de maatregel en schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel heeft mogen opleggen.

Eiser heeft in Nederland asiel aangevraagd en verweerder heeft besloten om zijn asielverzoek in de grensprocedure te behandelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiertoe mogen besluiten. Er is geen reden om aan te nemen dat verweerder niet binnen vier weken een beslissing kan nemen. Verweerder wil eisers nader gehoor afwachten voordat hij beslist of eiser de behandeling van zijn asielverzoek in vrijheid mag afwachten. Of eiser de behandeling van zijn asielverzoek in vrijheid mag afwachten is afhankelijk van zijn verhaal. Er zijn geen redenen in eisers persoon gelegen op basis waarvan verweerder deze beslissing niet had mogen nemen. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat het voor hem erg zwaar is om vast te zitten. Hoewel de rechtbank dit begrijpt, constateert de rechtbank ook dat eiser hierin niet verschilt van anderen waaraan een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Het feit dat eiser een paspoort heeft maakt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat verweerder deze beslissing niet mocht nemen. Ook de omstandigheid dat asielverzoeken van andere Cubanen in de verlengde asielprocedure worden behandeld maakt niet dat verweerder niet eerst het nader gehoor mag afwachten. Voor zover een beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt gedaan, kan dit wegens het ontbreken van een nadere onderbouwing niet slagen.

Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.