Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14461

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2886 en AWB - 17_7120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsbijstand vordering benadeelde partij in proces [proces]

Op grond van het beleid van verweerder kan voor een vordering benadeelde partij een toevoeging worden verstrekt als het om een complexe vordering/schade gaat of Bureau Slachtofferhulp geen hulp kan verlenen. Slachtofferhulp heeft bijstand verleend en vorderingen benadeelde partij opgesteld en ingediend. Het ontmoedigingsbeleid van het Openbaar Ministerie heeft niet tot gevolg gehad dat Slachtofferhulp geen hulp kon verlenen. Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een complexe vordering. Er is sprake van feitelijke complexiteit nu het een bijzondere, omvangrijke strafzaak met maatschappelijke impact betreft. De vordering benadeelde partij kan niet los worden gezien van het complexe strafproces [proces]. Ten aanzien van de juridische complexiteit staat vast dat over de vraag naar rechtstreekse schade een inhoudelijk juridisch debat is gevoerd. In redelijkheid kan niet staande worden gehouden dat de rechtzoekende met een feitelijk betoog zijn vordering zelf had kunnen en moeten onderbouwen en daarbij geen juridische rechtsbijstand behoefde. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvragen om extra uren niet heeft mogen afwijzen op de enkele grond dat ten onrechte een toevoeging was verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 17/2886 en SGR 17/7120

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: [eiseres])

[eiseres], kantoor houdend te [plaats], eiseres,

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: W.C.M. Smits).

Procesverloop

Bij besluiten van 28 oktober 2016 en 29 november 2016 heeft verweerder de eerste en de tweede aanvraag om extra uren voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluiten van 13 maart 2017, verzonden op 15 maart 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. De beroepen met zaaknummer SGR 17/2886 en SGR 17/7120 zijn gevoegd behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, tevens eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is rechtsbijstandverlener en werkzaam bij een kantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma van verweerder. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door verweerder naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.

2. Op 7 maart 2016 heeft eiseres een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand ter zake van de vordering van eiser als benadeelde partij in het strafproces dat bekend staat onder de naam “[proces]”. In het kader van het High Trust-programma heeft verweerder op 16 maart 2016 een toevoeging aan eiseres verleend. Op 14 september 2016 heeft eiseres een aanvraag voor vergoeding van extra uren ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om extra uren rechtsbijstand afgewezen. Verweerder stelt zich in het primaire besluit op het standpunt dat er geen sprake is van een toevoegwaardig rechtsbelang. Verweerder laat op grond van de High Trust afspraken de toevoeging in stand, maar wijst de aanvraag om extra uren af. Subsidiair geeft verweerder aan dat als er wel sprake zou zijn van een toevoegwaardig rechtsbelang, de aanvraag om extra uren in verband met het proportionaliteitsbeginsel afgewezen wordt. Een tweede aanvraag om extra uren is bij besluit van 29 november 2016 op gelijke gronden afgewezen.

Ten aanzien van het beroep van eiser

3.1.

De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. Als eiser geen procesbelang heeft is hij niet ontvankelijk. Eiser voert aan dat hij procesbelang heeft omdat de zaak waarop de toevoeging ziet nog niet onherroepelijk is. De uitkomst van deze zaak is van belang voor de beslissing of in hoger beroep rechtsbijstand aan hem zal worden verleend. Verder heeft de gemachtigde van eiser onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2905, aangevoerd dat het voor de vraag naar het procesbelang bepalend is of ten tijde van de aanvraag van de extra uren de rechtsbijstand reeds was verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hetgeen door eiser wordt aangevoerd onvoldoende is om een direct belang aan te nemen.

3.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraken van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0700, en de hiervoor genoemde uitspaak van 2 november 2016) vervalt het procesbelang van een rechtzoekende bij een besluit als hier aan de orde indien de rechtsbijstand waarvoor vergoeding is aangevraagd al daadwerkelijk is verleend en de zaak is beëindigd en het al dan niet toekennen van de toevoeging voor hem geen financiële of andere gevolgen heeft. Anders dan de gemachtigde van eiser betoogt, volgt uit de door haar aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, dat het procesbelang niet beoordeeld moet worden naar het moment van de aanvraag om extra uren, maar naar het moment van de uitspraak van de rechtbank.

3.3.

In de zaak waarop de toevoeging ziet is op 9 december 2016 uitspraak gedaan in eerste aanleg. Op deze datum is de rechtsbijstand voor de toevoeging met kenmerk [kenmerk] dan ook beëindigd. De rechtbank overweegt verder dat de omstandigheid dat hoger beroep is ingesteld onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. De rechtbank acht hierbij van belang dat voor de hoger beroepsprocedure in de zaak [proces] een aparte toevoeging kan worden verkregen. Een mogelijk vergelijkbaar besluit in het kader van de toevoeging in hoger beroep is een toekomstig belang en voldoet niet om als procesbelang te worden aangemerkt. Niet is gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat de behandeling van dit beroep financiële of andere gevolgen heeft voor eiser. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang.

Ten aanzien van het beroep van eiseres

4.1.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

4.2.

Verweerder heeft zijn beleid met betrekking tot toevoegingsaanvragen die betrekking hebben op de toevoeging als benadeelde partij in een strafproces vastgelegd in de werkinstructie Z110 vordering benadeelde partij in strafproces. In deze werkinstructie is –ten tijde van belang in deze zaak- onder het kopje “Toevoegbeleid” het volgende bepaald:

“In eerste instantie is het Bureau Slachtofferhulp de aangewezen voorziening om de rechtzoekende als benadeelde partij bij te staan. Je kunt een toevoeging verstrekken als het om een complexe vordering/schade gaat of Slachtofferhulp geen hulp kan verlenen (..).”

Deze bepaling geldt zowel voor zaken met materiële schade als voor zaken met uitsluitend immateriële schade.

4.3.

Ingevolge de werkinstructie Eerste aanvraag extra uren wordt een aanvraag om extra uren niet toegekend indien geconstateerd wordt dat de toevoeging ten onrechte is aangevraagd onder High Trust.

5. Omdat verweerder zich primair op het standpunt stelt dat hij aan beantwoording van het verzoek om vergoeding van extra uren niet toekomt nu hij de toevoeging ten onrechte heeft verstrekt, zal de rechtbank zich eerst uitspreken over de vraag of verweerder zich terecht op dit standpunt beroept.

5.1.

Eiseres beroept zich als eerste op het vertrouwensbeginsel. In dit kader gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 7 maart 2016 in de aanvraag aangegeven dat de toevoeging betrekking heeft op een vordering benadeelde partij in het strafproces [proces]. Vervolgens heeft eiseres op 16 maart 2016 contact opgenomen met de High Trust lijn van verweerder omdat het afgeven van de toevoeging op zich liet wachten. Tijdens het telefoongesprek is aan bod gekomen dat de toevoeging ziet op de toevoeging benadeelde partij in de strafzaak [proces]. Aan eiseres is medegedeeld dat de vertraging niet met de strafzaak [proces] te maken had, maar dat bepaalde belastinggegevens nog gecontroleerd moesten worden. Eiseres heeft haar weergave van dit gesprek bevestigd in haar brief van 17 maart 2016 aan verweerder. Bij besluit van 16 maart 2016, verzonden op 18 maart 2016, heeft verweerder de toevoeging verstrekt. Op 18 maart 2016 heeft de regiezitting in de strafzaak [proces] plaatsgevonden, waarbij eiseres aanwezig was. Verweerder heeft, eveneens op 18 maart 2016, per e-mail gereageerd op de brief van eiseres van 17 maart 2016. Hierbij heeft verweerder eiseres verzocht om de aanvraag in te trekken.

5.2.

Eiseres voert aan dat zij zowel in de toevoegingsaanvraag als tijdens het telefoongesprek van 16 maart 2016 de juiste informatie heeft verstrekt. Verweerder heeft op geen enkele manier aangegeven dat een toevoeging in de zaak [proces] problemen zou kunnen opleveren. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het telefoongesprek van 16 maart 2016 meebrengt dat verweerder de toevoeging ondubbelzinnig heeft toegezegd omdat verweerder er in dat gesprek blijk van heeft gegeven ervan op de hoogte te zijn dat het om de [proces] zaak ging. Door zich achteraf op het standpunt te stellen dat de toevoeging ten onrechte is verstrekt handelt verweerder dan ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Voorts voert eiseres aan dat zij pas werd geïnformeerd over het (gewijzigde) standpunt van verweerder, nadat zij, onder meer ten behoeve van de regiezitting op 18 maart 2016, reeds de nodige uren in rechtsbijstand had gestoken.

5.3.

Verweerder voert aan dat eiseres als High Trust advocaat bij twijfel omtrent de toevoegwaardigheid van een zaak voorafgaand aan de aanvraag hierover de helpdesk van verweerder had moeten bellen, hetgeen zij heeft nagelaten. Voorts voert verweerder aan dat de inhoudelijke toevoegwaardigheid van de zaak niet tijdens het telefoongesprek van 16 maart 2016 aan de orde is gekomen. Verweerder heeft bovendien onmiddellijk gereageerd op de brief van eiseres van 17 maart 2017. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel is volgens verweerder daarom onterecht.

5.4.

De rechtbank overweegt dat het voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen, concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:422). De rechtbank overweegt dat onder de High Trust-werkwijze van verweerder toevoegingen niet worden gecontroleerd voordat deze worden verleend. De enkele omstandigheid dat eiseres op het aanvraagformulier heeft aangegeven dat de toevoeging ziet op de strafzaak [proces] kan dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit wordt niet anders door wat eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van het telefoongesprek van 16 maart 2016. In het telefoongesprek stond de vraag centraal waarom het afgeven van de toevoeging op zich liet wachten. Hoewel gedurende het telefoongesprek duidelijk werd dat de toevoegingsaanvraag betrekking had op de strafzaak [proces], is naar het oordeel van de rechtbank, tijdens dit gesprek geen ondubbelzinnige toezegging gedaan die zou maken dat eiseres er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat toevoegingen voor benadeelde partijen in de strafzaak [proces] zonder meer waren toegestaan. Indien eiseres voorafgaande aan de regiezitting van 18 maart 2016, in afwijking van de reguliere High Trustwerkwijze, zekerheid had willen verkrijgen over de toevoeging in deze zaak, had het op haar weg gelegen om de vraag naar de toevoegwaardigheid expliciet aan verweerder voor te leggen. Nu zij dat niet heeft gedaan kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. De omstandigheid dat eiseres reeds uren in de zaak had gestoken vanwege de regiezitting maakt het voorgaande niet anders. Dat eiseres pas in een laat stadium, een dag voor de regiezitting, contact heeft opgenomen met verweerder, is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiseres komt.

6.1.

Eiseres voert verder aan dat het beleid van verweerder zoals neergelegd in de werkinstructie Z110 onredelijk en achterhaald is gezien het internationale recht en de internationale opvattingen. Zij verwijst hierbij naar de Europese Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012, tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (hierna: Richtlijn 2012/29/EU) en naar de Aanbevelingen van het Comité ter zake de Uitbanning van Rassendiscriminatie. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het beleid zoals neergelegd in de werkinstructie Z110 niet achterhaald of kennelijk onredelijk is. De rechten van slachtoffers strekken volgens verweerder niet zo ver dat er een onbeperkt recht op rechtsbijstand bestaat.

6.2.

De rechtbank overweegt dat zowel uit de Richtlijn 2012/29/EU als uit de Aanbevelingen van het Comité ter zake de Uitbanning van Rassendiscriminatie niet volgt dat voor benadeelde partijen in een strafzaak een onbeperkt recht op rechtsbijstand bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 13 en artikel 14 van de Richtlijn 2012/29/EU, waarin staat dat de voorwaarden en procedureregels inzake de toegang van slachtoffers tot rechtsbijstand en het recht op vergoeding van de kosten door het nationale recht bepaald worden. Eiseres heeft niet nader onderbouwd dat het beleid in strijd is met de Richtlijn 2012/29/EU of anderszins gemotiveerd waarom dit beleid onredelijk of achterhaald is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beleid van de werkinstructie Z110 niet in strijd is met wettelijke bepalingen en acht dit beleid ook anderszins niet onredelijk.

7. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er sprake is van een toevoegwaardig rechtsbelang.

7.1.

Uit het hiervoor onder 4.2 weergegeven beleid van verweerder volgt dat een toevoeging wordt verstrekt als het om een complexe vordering/schade gaat of Bureau Slachtofferhulp (hierna: Slachtofferhulp) geen hulp kan verlenen.

7.2.

Ten aanzien van de vraag of Slachtofferhulp hulp heeft kunnen verlenen overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft een e-mail overlegd van 15 juni 2017 van Slachtofferhulp waarin staat dat in het kader van de strafzaak [proces] de gebruikelijke hulp aan slachtoffers is verleend en voor twaalf personen een vordering benadeelde partij is opgesteld en ingediend. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat Slachtofferhulp uiteindelijk voor achttien personen een vordering benadeelde partij heeft opgesteld. Voorts staat in genoemde e-mail dat het Openbaar Ministerie in de aanloop naar de zitting een ontmoedigingsbeleid heeft gevoerd door aan te geven dat alleen slachtoffers die werden bijgestaan door een advocaat welkom waren op zitting. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij aangegeven dat indien een groter aantal slachtoffers hun vordering wilden toelichten, dit niet-ontvankelijkheid van de vorderingen tot gevolg kon hebben. Slachtofferhulp heeft vervolgens de slachtoffers die hun vordering ter zitting wilden toelichten doorverwezen naar een advocaat. Uiteindelijk hebben deze slachtoffers afgezien van het ter zitting toelichten van hun vordering.

7.3.

De rechtbank overweegt dat Slachtofferhulp bijstand heeft verleend en vorderingen benadeelde partij heeft opgesteld en ingediend. Ten aanzien van de bijstand ter zitting merkt de rechtbank op dat gelet op artikel 51e van het Wetboek van Strafvordering voor de benadeelde partijen geen spreekrecht bestond. Wel was het mogelijk om ter zitting de vordering benadeelde partij toe te lichten. Uit de e-mail van 15 juni 2017 volgt dat Slachtofferhulp voornemens was om de vorderingen ter zitting toe te lichten, maar dat Slachtofferhulp vanwege de houding van het Openbaar Ministerie gekozen heeft voor een andere aanpak waarbij zij advocaten hebben ingeschakeld. Het gegeven dat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt heeft gesteld dat voor de vorderingen benadeelde partij het optreden van advocaten gewenst was voor een ordentelijk verloop van de strafzaak, is een omstandigheid die de samenwerking tussen het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp raakt. De rechtbank is van oordeel dat het ontmoedigingsbeleid van het Openbaar Ministerie niet tot gevolg had dat Slachtofferhulp geen hulp kon verlenen.

7.4.

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van een complexe vordering/schade overweegt de rechtbank als volgt. De strafzaak [proces] is een proces tegen een parlementariër, waarbij sprake is van 6000 aangiftes tegen [persoon A] en waarbij sprake is van grote media-aandacht. Het proces heeft geleid tot onrust en beroering in de samenleving. Tevens is sprake van meerdere zittingsdagen, een aparte zittingslocatie en een groot aantal benadeelde partijen. Lange tijd is onduidelijk geweest hoe en of de belangen van de benadeelde partijen meegenomen zouden worden in het strafproces. De rechtbank Amsterdam heeft in een uitspraak van 31 juli 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7156) in een zaak die eveneens vergoeding van rechtsbijstand in het proces [proces] betrof, overwogen:

“Van een “een complexe vordering/schade”, zoals beschreven in verweerders werkinstructie, is niet uitsluitend sprake bij een juridisch complexe vordering of juridisch complexe schade. De complexiteit van een vordering kan immers ook worden bepaald door andere factoren. Daarnaast kan, anders dan verweerder veronderstelt, de aard van een vordering niet geheel los worden gezien van de aard van het proces in het kader waarvan die vordering is of wordt gedaan, nu de aard van de vordering mede door dat proces wordt bepaald. De uitlatingen van de verdachte in het proces vormen de gestelde bron van de schade die ten grondslag ligt aan de vordering van de benadeelde partij. De slachtoffers in het proces voegen zich als benadeelde partijen in dat proces. De behandeling van de vordering benadeelde partij maakt onderdeel uit van het proces. Kortom, de vordering en het proces zijn onderling op vele manieren met elkaar verbonden en het komt de rechtbank daarom voor dat het niet geheel zuiver is om proces en vordering los van elkaar te beoordelen als complex of niet complex.”

De rechtbank neemt deze overweging over en komt tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in deze zaak geen sprake was van feitelijke complexiteit.

7.5.

Ten aanzien van de juridische complexiteit merkt de rechtbank op dat zij met eiseres van oordeel is dat de vraag of sprake is van rechtstreekse schade een vraag is die aan de rechtbank ter beoordeling voorligt zodat verweerder het gestelde ontbreken van rechtstreekse schade niet aan de afwijzing ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte overweegt dat de complexiteit doorgaans reden zal zijn om de vordering niet mee te nemen in het strafproces, nu een dergelijke uitleg van het beleid van verweerder tot gevolg zou hebben dat bijstand aan een slachtoffer in een strafzaak nooit vanwege juridische complexiteit tot een toevoeging zou kunnen leiden. Verder staat vast dat over de vraag of sprake is geweest van rechtstreekse schade door alle betrokken partijen een inhoudelijk juridisch debat is gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan eveneens van de juridische complexiteit –mede gelet op het bijzonder karakter en de maatschappelijke impact van deze zaak- niet in redelijkheid staande worden gehouden dat deze geen juridische rechtsbijstand vereiste en dat eiser zelf met een feitelijk betoog zijn vordering had kunnen en moeten onderbouwen. De omstandigheid dat de Hoge Raad zich in 1996 eerder over deze materie heeft uitgelaten leidt niet tot een ander oordeel.

7.6.

Dit leidt tot het oordeel dat verweerder de aanvragen om extra uren niet heeft mogen afwijzen op de enkele grond dat ten onrechte een toevoeging was verstrekt. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding tot finale geschillenbeslechting over te gaan en zal verweerder in de gelegenheid stellen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1).


Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eiseres gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat verweerder (een) nieuw(e) besluit(en) neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €168,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.