Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
09/777072-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander dan wel anderen schuldig gemaakt aan een afpersing alsook tweemaal aan afdreiging.

De verdachte en zijn mededaders(s) heeft/hebben de slachtoffers gedwongen tot de afgifte van geld, omdat er anders bekend zou worden gemaakt dat zij pedofiel zijn en dat zij met een minderjarige meisje hadden afgesproken. De verdachte heeft zich op een speciale website voorgedaan als een 15-jarig meisje en aldus met de slachtoffers gechat en een afspraak voor een ontmoeting met hen gemaakt. Het eerste slachtoffer is ook nog bedreigd met geweld. Het tweede slachtoffer werd gedwongen om bij een pinautomaat € 500 te pinnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777072-16

Datum uitspraak: 7 december 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [postcode] te [woonplaats] , [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.A. Pronk en van hetgeen door de raadsman van de verdachte

mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 27 mei 2016 tot en met 7 juni 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft

gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 20 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het het toevoegen van de woorden: "Ik kan je zo je kankertanden uit je kankerbek slaan" en/of uit het stevig

(aan) de arm en/of pols (van die [slachtoffer] ) vastpakken en/of trekken en/of beletten weg te lopen en/of op een bankje te laten zitten

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 mei 2016 tot en met 7 juni 2016 in de gemeente [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 20 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers heeft hij, verdachte, tegen die [slachtoffer] gezegd en/of gedreigd naar de politie te gaan met het letterlijke

bewijs dat hij een pedofiel zou zijn en/of dat hij afgesproken had met een meisje van 15 jaar;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 5 juni 2016 in de gemeente [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 500 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers heeft hij,

verdachte, die [slachtoffer] even vast gehouden bij de bovenarm en/of gezegd dat hij, [slachtoffer] , met zijn, verdachtes, minderjarige zusje heeft gechat en/of een telefoon laten zien met foto's en/of berichtjes van die [slachtoffer] waaruit zou blijken dat hij met een minderjarig meisje had gechat en/of afgesproken en/of gezegd dat hij, verdachte, die aan de politie zou laten zien en/of gevraagd hoe dat probleem opgelost kon worden en/of hem begeleid naar een pinautomaat en/of hem daar gevraagd om 500 euro.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich in de periode van 27 mei 2016 tot en met 7 juni 2016 te [plaats] samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing en afdreiging (feit 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief) en ook of hij zich in de periode van 1 juni 2016 tot en met 5 juni 2016 te [plaats] samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan afdreiging (feit 2).

De verdachte heeft bekend dat hij deze feiten heeft gepleegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief en feit 2 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief:

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

23 november 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever, d.d. 13 juli

2016, opgenomen in het dossier [dossiernummer] , proces-verbaalnummer 16,

met bijlagen, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 182-186);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van ontvangst klacht, d.d. 13 juli

2016, opgenomen in het dossier [dossiernummer] , proces-verbaalnummer 17,

inhoudende de klacht van [slachtoffer] (p. 188-189);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 juli 2016,

met bijlagen, opgenomen in het dossier [dossiernummer] , proces-verbaalnummer

9 ( p. 148-174).

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

23 november 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever, d.d. 23 juli

2016, opgenomen in het dossier [dossiernummer] , proces-verbaalnummer 22,

inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 287-288);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van ontvangst klacht, d.d. 23 juli

2016, opgenomen in het dossier [dossiernummer] , proces-verbaalnummer 10,

inhoudende de klacht van [slachtoffer] (p. 292-293);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 12 juli

2016, opgenomen in het dossier [dossiernummer] , proces-verbaalnummer 11,

inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 191-194);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, d.d. 13 juli 2016, met bijlagen,

opgenomen in het dossier [dossiernummer] , proces-verbaalnummer 14, inhoudende

whatsapp gesprekken van [slachtoffer] (p. 195- 228).

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 7 juni 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 20 euro, toebehorende aan die [slachtoffer] , welke bedreiging met geweld bestond uit het toevoegen van de woorden: "Ik kan je zo je kankertanden uit je kankerbek slaan";

en

hij in de periode van 27 mei 2016 tot en met 7 juni 2016 in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, of openbaring van een geheim, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 20 euro, toebehorende aan [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] gedreigd naar de politie te gaan met het letterlijke bewijs dat hij een pedofiel zou zijn en dat hij afgesproken had met een meisje van 15 jaar;

2.

hij in de periode van 1 juni 2016 tot en met 5 juni 2016 in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 500 euro, toebehorende aan [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] even vast gehouden bij de bovenarm en gezegd dat hij, [slachtoffer] , met zijn, verdachtes, minderjarige zusje heeft gechat en een telefoon laten zien met foto's en berichtjes van die [slachtoffer] waaruit zou blijken dat hij met een minderjarig meisje had gechat en afgesproken en gezegd dat hij, verdachte, die aan de politie zou laten zien en gevraagd hoe dat probleem opgelost kon worden en hem begeleid naar een pinautomaat en hem daar gevraagd om 500 euro.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 64 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met een ander dan wel anderen schuldig gemaakt aan een afpersing alsook tweemaal aan afdreiging.

De verdachte en zijn mededaders(s) heeft/hebben de slachtoffers gedwongen tot de afgifte van geld, omdat er anders bekend zou worden gemaakt dat zij pedofiel zijn en dat zij met een minderjarige meisje hadden afgesproken. De verdachte heeft zich op een speciale website voorgedaan als een 15-jarig meisje en aldus met de slachtoffers gechat en een afspraak voor een ontmoeting met hen gemaakt. Het eerste slachtoffer is ook nog bedreigd met geweld. Het tweede slachtoffer werd gedwongen om bij een pinautomaat € 500 te pinnen.

Door deze afpersing en afdreigingen heeft/hebben de verdachte en zijn mededader(s) een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Zeker in het huidige digitale tijdperk, waarin iedereen op internet zomaar een willekeurig profiel kan aanmaken, zijn voornoemde feiten zeer verwerpelijk.

Er hebben slechts twee slachtoffers aangifte gedaan, maar de verdachte heeft aangegeven dat zij niet de enigen zijn die slachtoffer zijn geworden van deze handelwijze. De rechtbank rekent het de verdachte en zijn mededader(s) zwaar aan dat zij slachtoffers hebben gekozen die interesse toonden voor minderjarige meisjes, omdat de bereidheid bij deze personen om aangifte te doen laag zou zijn.

De rechtbank acht voorts het schijnbare gemak waarmee de feiten werden bedacht en uitgevoerd, zoals ook uit de in het dossier bevindende chat-berichten blijkt, zeer verontrustend.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten veelal langdurige psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde ondervinden. De verdachte en zijn mededaders(s) hebben alleen oog gehad voor hun eigen financiële gewin en geen enkel respect getoond voor de slachtoffers en hun bezittingen.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij inmiddels inziet dat zijn handelen heel verwerpelijk is geweest en dat hij de slachtoffers enorm heeft gekwetst.

De persoon van de verdachte

De verdachte is nog niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op diverse voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) en van Stichting Jeugdbescherming west betreffende de persoon van de verdachte.

Blijkens de meest recente rapporten Stichting Jeugdbescherming west en de Raad, respectievelijk d.d. 16 november 2017 en 21 november 2017, is er bij de verdachte

op alle leefgebieden sprake van een positieve ontwikkeling.

Geadviseerd wordt de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen,

nu de verdachte ruim een maand in voorlopige hechtenis heeft verbleven en hiermee de eerste consequenties van zijn delictgedrag direct heeft ervaren en zich daarnaast

goed aan de hem opgelegde schorsende voorwaarden heeft gehouden en

niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook de afspraken met de Waag is de verdachte goed nagekomen en dit traject heeft hij positief afgerond.

Indien er een onvoorwaardelijke straf opgelegd moet worden, dan wordt een straf geadviseerd die gelijk staat aan de duur van het voorlopige hechtenis van de verdachte.

Een onvoorwaardelijke werkstraf heeft op dit moment weinig pedagogische meerwaarde. De verdachte heeft een dagbesteding en werkt in het weekend. Hij lijkt er

voorts voldoende van doordrongen te zijn dat zijn delictgedrag onacceptabel was. Voortzetting van de verplichte begeleiding door de jeugdreclassering wordt niet nodig gevonden omdat er geen risicofactoren en begeleidingsdoelen meer zijn waarop

deze begeleiding zich zou moeten richten.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de heer Stokvis, werkzaam als jeugdreclasseerder/jeugdbeschermer bij Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden en gehoord als deskundige, bevestigd dat de verdachte op alle leefgebieden een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De verdachte kan naar zichzelf kijken en reflecteren en is ervan doordrongen dat hij willens en weten mensen pijn heeft gedaan voor zijn eigen financiële gewin. De verdachte gaat naar school en heeft werk en heeft geen verkeerde vrienden meer. De heer Stokvis heeft voorts aangegeven dat de verdachte zelf op de aangewezen weg verder kan gaan en geen reclasseringsbegeleiding meer nodig heeft.

Tevens is meegedeeld dat de verdachte een nieuwe start heeft gemaakt en een voorwaardelijke straf thans voldoende strafbeleving zal zijn.

De op te leggen straf

De rechtbank is, gelet op de ernst en de doortraptheid van de feiten, allereerst van oordeel dat het opleggen van een werkstraf een gepasseerd station is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

De rechtbank ziet wel aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden.

Met Stichting Jeugdbescherming west ziet de rechtbank geen reden om de verplichte begeleiding van de jeugdreclassering voort te zetten, nu de verdachte op alle leefgebieden een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en ook inziet dat zijn handelen fout is geweest.

De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van zijn straf reeds in voorarrest doorgebracht.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich ten aanzien van feit 2 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman en de verdachte hebben de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, die betrekking heeft op de geleden materiële schade ad € 500,-, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 500,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 1 juni 2016 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 317 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

1 eerste en tweede alternatief/cumulatief en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1 eerste alternatief/cumulatief

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 1 tweede alternatief/cumulatief

medeplegen van afdreiging;

feit 2

medeplegen van afdreiging;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 64 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 14 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden algemene voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde

zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

ten aanzien van feit 2

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2016 tot

aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Kramer, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

en mr. M.F.M. de Groot, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2017.

Mr. De Groot is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.