Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14385

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
NL17.3037
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Eritrese nationaliteit niet aannemelijk gemaakt, weinig kennis van afkomst vader, veiligheidssituatie Somalië, ambtsbericht oktober 2017, geen 15C, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3037


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).


Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 27 november 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen eisers voogd van Nidos, [voogd], en als tolk A.O. Adam.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 2002.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij overwegend in Somalië heeft gewoond, maar de Eritrese nationaliteit heeft omdat zijn vader Eritreeër was. Eisers familie werd in Somalië door zijn vaders naam voor Ethiopiërs aangezien, waardoor zij problemen hebben ondervonden waarbij eisers broer en vader vermoord zijn.

3. Verweerder gaat op grond van eisers verklaringen uit van de Somalische herkomst en nationaliteit van eiser. Verweerder heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser via zijn vader de Eritrese nationaliteit heeft verkregen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser over onvoldoende kennis beschikt over de Eritrese herkomst van zijn vader terwijl dit wel van eiser verwacht mag worden nu hij met zijn vader tot 2015 in gezinsverband heeft geleefd. Evenmin acht verweerder geloofwaardig dat eiser problemen heeft ondervonden omdat hij vanwege zijn vaders naam in Somalië voor Ethiopiër werd aangezien. Ook de moorden op eisers broer en vader worden hierdoor niet geloofwaardig geacht.

4. Eiser erkent niet veel over de Eritrese afstamming van zijn vader te weten, maar stelt dat verweerder hem dit niet mag tegenwerpen. Hij wijst op zijn jonge leeftijd en stelt dat het in zijn cultuur niet gebruikelijk is hierover vragen te stellen. Het is volgens eiser niet vreemd dat hij de Eritrese afstamming van zijn vader niet eerder heeft ontdekt. Hij werd in 2007 al gepest en mishandeld vanwege de Ethiopische naam van zijn vader, die een Ethiopische afstamming deed vermoeden. Maar toen eiser hiernaar vroeg bij zijn moeder, zei zij enkel hierover met de docent te gaan praten. Pas toen eiser in 2010 met zijn gezin naar Ethiopië vluchtte, ontdekte hij de Eritrese afstamming van zijn vader. Eiser betwist onvoldoende te hebben verklaard over de dood van zijn vader en broer. Eiser stelt dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hij gedetailleerd verklaard heeft, zeker over de dingen die hij heeft kunnen waarnemen, zoals over het lichaam van zijn overleden vader en de begraafplaats van zijn vader, broer en schoonzus. Omdat hij minderjarig is, dient verweerder hem het voordeel van de twijfel te geven. Eiser voert verder aan dat, ook indien zijn gestelde afstamming niet aannemelijk wordt geacht, hij niet kan terugkeren naar Somalië vanwege de slechte veiligheidssituatie. Hij verwijst naar informatie van VluchtelingenWerk Nederland van mei 2016 ‘Veelgestelde vragen Somalië - Terugkeer uit het westen en verwestering’, naar informatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek van 1 mei 2017, en naar het Algemeen Ambtsbericht Zuid- en Centraal-Somalië van oktober 2017. Eiser stelt als minderjarige zonder netwerk een risico te lopen te worden gerekruteerd door de Al-Shabaab, dan wel op straat terecht te komen. Zelfs indien er vanuit wordt gegaan dat hij weer contact zal kunnen opnemen met zijn moeder en zich bij haar zal kunnen voegen, kan zij niet de nodige bescherming bieden als alleenstaande vrouw die problemen met haar eigen familie heeft vanwege het huwelijk met eisers vader.

5.1

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder had moeten uitgaan van zijn Eritrese nationaliteit en ten onrechte zijn asielrelaas heeft getoetst aan de situatie in Somalië. De rechtbank stelt vast dat eiser geen documenten heeft overgelegd waarmee hij zijn nationaliteit kan aantonen zodat eiser met zijn verklaring zijn gestelde nationaliteit aannemelijk moet maken. Hierin is eiser niet geslaagd. De enkele stelling dat zijn vader de Eritrese nationaliteit bezit en eiser daardoor ook, is onvoldoende. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser basale informatie over de gestelde Eritrese herkomst van zijn vader niet kan verstrekken. Zo weet eiser niet in welk jaar, plaats of land zijn vader is geboren. Ook weet hij niet of zijn vader ooit in Eritrea heeft gewoond. Van eiser kan, ondanks zijn minderjarigheid worden verwacht, dat hij meer informatie over zijn vader met wie hij tot 2015 in gezinsverband heeft gewoond kan verstrekken.

5.2

Gelet op eisers verklaringen dat hij in [plaats] is geboren, het feit dat hij Somalisch spreekt, familieleden in Somalië heeft en een groot deel van zijn leven in Somalië heeft gewoond, heeft verweerder terecht aangenomen dat eiser de Somalische nationaliteit heeft. Verweerder heeft terecht getoetst of eiser bij terugkeer naar Somalië een risico loopt op vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De ter zitting door eisers gemachtigde opgeworpen vraag of Somalië hem wel zal accepteren, maakt dat niet anders. Mogelijke obstakels betreffende eisers toekomstige uitzetting zijn niet bepalend voor de vraag welke nationaliteit eiser bezit en aan welk land verweerder de gestelde vrees voor vervolging dient te toetsen.

5.3

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder op goede gronden heeft kunnen concluderen dat eiser in Somalië geen vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico loopt een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te moeten ondergaan. Eiser heeft verklaard dat hij vanwege de Eritrese afstamming van zijn vader in Somalië problemen heeft ondervonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser de Eritrese afstamming van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt. Zoals hiervoor reeds is overwogen weet eiser de meest basale informatie over zijn vader niet. Eiser heeft niet kunnen verklaren wanneer zijn vader is geboren of zijn vader in Somalië of (in het gebied van het huidige) Eritrea is geboren; of zijn vader ooit in (het huidige gebied van) Eritrea heeft gewoond en wanneer zijn vader naar Somalië gekomen is. Zijn vader zou hem ook nooit verteld hebben over Eritrea. Eiser weet niet of zijn vader broers of zussen heeft. Dit heeft verweerder terecht bevreemdend geacht, nu eiser samen met zijn vader is opgegroeid en tot zijn dertiende levensjaar bij hem heeft doorgebracht. Dat eiser nauwelijks iets weet over zijn vader en diens familie, heeft verweerder terecht afgezet tegen de patriarchale maatschappij waar eiser vandaan komt. Dat de achternaam van eisers vader hetzelfde is als de voormalige president van Ethiopië, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat eisers familie voor Ethiopiërs werd aangezien. Ondanks eisers minderjarige leeftijd, mag verweerder een geloofwaardige onderbouwing van eisers asielrelaas verwachten. Omdat verweerder op goede gronden eisers Eritrese nationaliteit en afstamming en de veronderstelde Ethiopische afstamming onvoldoende aannemelijk heeft geacht, heeft verweerder ook de problemen die hieruit volgens eiser zouden zijn voortgevloeid niet aannemelijk kunnen achten. Zo heeft verweerder de moord op eisers broer en vader vanwege hun afstamming, op goede gronden onvoldoende aannemelijk geacht. Dat eiser gedetailleerd heeft verklaard over het lichaam van zijn overleden vader, maakt niet aannemelijk dat zijn vader is vermoord vanwege zijn afstamming.

5.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat het eiser niet ontbreekt aan een netwerk in Somalië. Eiser heeft immers verklaard dat zijn ooms van moederszijde in [plaats] verblijven. Ook zijn tante van moederszijde, [tante], waar eiser telefonisch contact mee heeft, verblijft in [plaats]. Van haar heeft eiser begrepen dat zijn moeder samen met zijn twee broers, zes kinderen van zijn overleden broer en een pleegdochter in [plaats] verblijven. Dat het eiser ontbreekt aan een netwerk wordt daarom niet gevolgd. Evenmin heeft verweerder de moeder van eiser moeten aanmerken als een alleenstaande vrouw nu de gestelde problemen met familie vanwege de gestelde afkomst van eisers vader niet geloofwaardig zijn bevonden.

5.5

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de veiligheidssituatie in Somalië niet zodanig is dat elke vreemdeling enkel en alleen door diens aanwezigheid aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt. Op basis van het ambtsbericht van maart 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de situatie in Mogadishu, hoewel zorgwekkend, niet van dusdanige aard is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ter zitting heeft verweerder in reactie op eisers beroep op het ambtsbericht van oktober 2017 gesteld dat het recente ambtsbericht geen aanleiding is het huidige beleid aan te passen. De recente aanslagen in Mogadishu, hoe verschrikkelijk ook, maken niet dat de situatie in Mogadishu zodanig is veranderd dat thans sprake is van een situatie als hiervoor bedoeld. De rechtbank ziet geen grond om dit standpunt van verweerder voor onjuist te houden.

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op7 december 2017.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.