Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14320

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
NL17.5885 en 17.5886(vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2017:10006). Gebrek hersteld, afvalligheid aangemerkt als afzonderlijk relevant element. Gestelde afvalligheid, gestelde homoseksuele gerichtheid en gestelde bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: NL 17.5885 (beroep) en NL 17.5886 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 9 november 2017 in de zaak tussen

[de man] , geboren op [geboortedatum] 1985, van Iraanse nationaliteit, eiser/verzoeker,

hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft 27 juli 2017 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en G. de Vries, tolk in de taal Farsi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 17 augustus 2017 (de tussenuitspraak) heeft (de voorzieningenrechter van) deze rechtbank en zittingsplaats verweerder in de gelegenheid gesteld om een motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van die tussenuitspraak.

Bij besluit van 21 augustus 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering.

Eiser heeft op 16 oktober 2017 tegen het bestreden besluit II aanvullende beroepsgronden ingediend.

Op grond van artikel 8:51c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) partijen op 17 oktober 2017 medegedeeld dat zij het onderzoek sluit.

Overwegingen

1. Onder verweerder wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Voor de relevante feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de tussenuitspraak, volstaat de rechtbank op deze plaats met een verwijzing naar die tussenuitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2017:10006).

Bestreden besluit I

3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat aan het bestreden besluit I een motiveringsgebrek kleeft. Verweerder heeft hierop het bestreden besluit II genomen. Op grond van artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep van eiser mede geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Hoewel door verweerder niet expliciet opgenomen in het bestreden besluit II, begrijpt de rechtbank dat in dit besluit het bestreden besluit I integraal geacht moet worden te zijn opgenomen. Om die reden heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit I en zal het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De rechtbank ziet wel aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Bestreden besluit II

5. Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft overwogen, heeft eiser aan de onderhavige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een afvallige, in Iran ter dood veroordeelde homoseksueel, en in Nederland en Spanje bekeerde, Iraniër is.

6. Verweerder heeft, met het bestreden besluit II, de volgende relevante elementen onderscheiden:

a. a) De nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser;

b) De seksuele gerichtheid van eiser;

c) De bekering tot het christendom door eiser, en;

d) De afvalligheid van het islamitisch geloof van eiser.

7. Met het bestreden besluit II heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder besloten dat aan eiser geen reguliere verblijfsvergunning wordt verstrekt, geen uitstel van vertrek verleend, aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren en bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Verweerder legt aan het bestreden besluit II ten grondslag dat het relevante element a) geloofwaardig wordt geacht. De overige relevante elementen worden echter ongeloofwaardig geacht. Op basis van het geloofwaardig geachte relevante element kan eiser, aldus verweerder, niet worden aangemerkt als vluchteling onder het Vluchtelingenverdrag, noch heeft hij daarmee aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.

8. Eiser is het met het bestreden besluit II niet eens. Hij stelt dat verweerder het asielrelaas niet heeft beoordeeld volgens zijn eigen werkinstructies. Eiser merkt daarbij op dat verweerder, aangezien die laatste zelf heeft erkend dat het voor eiser lastig is bewijsmiddelen te achterhalen en over te leggen, ten onrechte zelf geen onderzoek heeft ingesteld naar het asielrelaas van eiser en aan de wel door eiser overgelegde bewijsmiddelen, in de vorm van foto’s en verklaringen, te weinig gewicht toekend. Eiser stelt dat verweerder, mede vanwege die onjuiste toepassing van de werkinstructies, ten onrechte de relevante elementen b), c) en d) ongeloofwaardig heeft geacht.

9. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

10. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak het bestreden besluit I niet op inhoud getoetst. De vraag of verweerder zich al dan niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiser en zijn gestelde bekering ongeloofwaardig heeft mogen achten, dient derhalve nog te worden beantwoord. Nu het bestreden besluit I integraal moet worden geacht te zijn opgenomen in het bestreden besluit II, zal de rechtbank die vragen beantwoorden in het kader van de toetsing van het bestreden besluit II.

A. Seksuele gerichtheid

11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) beziet verweerder bij de beoordeling van een gestelde seksuele gerichtheid – kort gezegd – de verklaringen over de in de werkinstructie 2015/9 vermelde aspecten, de overige verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal in hun onderlinge samenhang. Verweerder zal daarbij in de regel terecht veel waarde hechten aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Hoewel de omstandigheid dat een vreemdeling ontoereikend verklaart niet altijd hoeft te betekenen dat verweerder de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig acht, mag verweerder in beginsel aan ontoereikende verklaringen van de vreemdeling over zijn eigen ervaringen wel een doorslaggevende waarde toekennen. Om zijn beoordeling inzichtelijk te maken, is het in dat geval niet nodig dat hij ook nog aangeeft hoe de overige tegenwerpingen en de overige verklaringen van de vreemdeling over de andere aspecten uit de werkinstructie concreet meewegen in zijn beoordeling van de door die vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1256.

12. De rechtbank is van oordeel dat eiser volgens werkinstructie 2015/9 is gehoord, alle thema’s die in deze werkinstructie zijn immers tijdens het nader gehoor uitgevraagd, en heeft verweerder deze verklaringen in onderlinge samenhang bezien en beoordeeld. Voor zover eiser anders betoogt, kan de rechtbank hem niet volgen. Het enkele feit dat de beoordeling van verweerder niet dezelfde is als die eiser voor ogen heeft, maakt niet dat reeds daarom niet in lijn is gehandeld met werkinstructie 2015/9.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de gestelde seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig heeft geacht.

14. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser, zoals verweerder ook in het bestreden besluit II niet ten onrechte heeft gesteld, wisselend en vaag heeft verklaard over het moment waarop hij achter zijn homoseksuele gerichtheid is gekomen, wat deze persoonlijke kennis met hem heeft gedaan en hoe hij uiteindelijk is gekomen tot een vorm van zelfacceptatie. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij gedurende een periode van – ongeveer – drie jaren achter zijn homoseksuele gerichtheid kwam, terwijl hij later heeft verklaard dat hij zich van zijn seksuele gerichtheid bewust is geworden tijdens een gesprek met zijn psycholoog op één bepaalde dag en datum. Dat verweerder bij deze tegenwerping onvoldoende rekening heeft gehouden met het FMMU-rapport, zoals eiser in zijn beroep stelt, volgt de rechtbank niet. Uit het rapport blijkt, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, dat eiser extra tijd nodig heeft om data te combineren met bepaalde gebeurtenissen. Gesteld noch gebleken is dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om na te denken tijdens het nader gehoor alvorens hij antwoord gaf op de vragen van de gehoormedewerker. Verweerder heeft verder de verklaringen van eiser omtrent zijn zelfacceptatie vaag en summier mogen achten. Eiser heeft slechts algemeen verklaard over de betekenis van zijn seksuele gerichtheid in relatie tot het feit dat hij afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit niet algemeen geaccepteerd is en waarop zelfs de doodstraf staat. Eiser heeft hierover verklaard dat hij “het heeft gevoeld”. Weliswaar heeft eiser deze verklaring in de correcties en aanvullingen wel aangevuld en nader omschreven, maar verweerder heeft hierover terecht gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij ook tegen verweerder sluitende en concludente verklaringen kan afleggen over de wijze waarop hij zichzelf als homoseksueel heeft geaccepteerd. Dit geldt in het geval van eiser temeer, zo heeft verweerder ook niet ten onrechte in het bestreden besluit overwogen, aangezien hij zelf in krachtige bewoordingen heeft verklaard dat hij zijn homoseksuele gerichtheid in het begin niet heeft kunnen en willen accepteren. De verklaring van eiser hoe hij is gekomen tot zelfacceptatie is dan, zo is de rechtbank van oordeel, niet ten onrechte door verweerder tegengeworpen als summier.

15. Ook heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat de overige verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn eigen ervaringen vaag en bevreemdingwekkend zijn. Verweerder heeft bijvoorbeeld niet ten onrechte de wijze waarop eiser stelt een seksuele relatie te hebben gekregen met [de persoon 1] gedurende het vervullen van de militaire dienst bevreemdingwekkend geacht. Volgens de verklaringen van eiser is [de persoon 1] op een goed moment op eiser afgelopen en heeft hij aan hem medegedeeld dat hij graag met eiser samen wilde zijn. Deze verklaring heeft verweerder bevreemdingweekend mogen achten, zeker nu het voorval heeft plaatsgevonden in een land waar homoseksualiteit strafbaar is gesteld met de doodstraf. De stellingen van eiser dat [de persoon 1] en hij van elkaar wisten dat ze homoseksueel waren, omdat homoseksuelen dat in elkaars ogen kunnen zien, dat er in de militaire dienst “een andere sfeer hangt” en dat je “ook vaak vrije tijd [hebt]”, maakt het voorgaande niet anders. Ook de verklaring van eiser in beroep dat iedereen die een seksuele relatie aangaat met een ander, dat doet met iemand die men daarvoor niet kende, is, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, volstrekt onvoldoende om te verklaren waarom een man in een land als Iran, op een wijze zoals die door eiser tijdens het nader gehoor is geschetst, met alle risico’s van dien en niet gehinderd door enige twijfel of gêne, in een militaire setting op een andere man afstapt en zegt dat het een goed idee zou zijn als ze samen zouden zijn. Ook heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat het opmerkelijk is dat eiser zijn latere vriendje [de persoon 2] ontving in zijn eigen woning, die, wat precies de feitelijke situatie ten aanzien van waar de voordeur precies zat en in hoeverre de ouders van eiser diens laatste zijn privacy gunde en respecteerden, direct gelegen was boven de woning van zijn ouders, terwijl de ouders van eiser nooit iets hebben gemerkt van de relatie van eiser met [de persoon 2] . Tot slot heeft verweerder ten aanzien van de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte overwogen dat het opmerkelijk is dat hij, gelet op het feit dat hij thans drie jaar in Europa verblijft, slechts het bestaan weet van één homobelangenvereniging. Dat dit volgens eiser duidt op 'sjabloon-denken', nog daargelaten dat eiser niet omschrijft wat hier precies 'sjabloon-denken' aan is, kan de rechtbank niet volgen. Weliswaar is niet vereist dat eiser contact legt met andere homo's via homobelangenverenigingen, maar het is opmerkelijk te noemen dat eiser, die niet langer een doodsstraf hoeft te vrezen vanwege zijn seksuele gerichtheid, zich niet zou verdiepen in het homoleven in Europa.

16. Gelet op het feit dat verweerder de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, kan de rechtbank niet anders concluderen dat verweerder ook niet ten onrechte aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft gelegd dat de stelling van eiser dat hij, vanwege die gestelde seksuele gerichtheid, ter dood is veroordeeld, van welke veroordeling hij overigens zelf geen documenten heeft kunnen overleggen, ongeloofwaardig wordt geacht. Dat verweerder, zoals eiser in zijn beroep heeft gesteld, ten onrechte de bewijslast voor het achterhalen van stukken uit Iran volledig bij eiser en zijn familie heeft gelegd, kan de rechtbank niet volgen. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat van eiser, die reeds meer dan drie jaar in Europa verblijft, een grotere inspanning had mogen worden verwacht tot het verkrijgen van stukken, dan wel tot het overleggen van stukken waaruit die inspanning blijkt.

B. Bekering tot het christendom

17. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag verweerder er bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde bekering vanuit gaan dat aan een bekering steeds een welbewuste en weloverwogen keuze van een vreemdeling voorafgaat en om die reden mag verweerder dan ook een doorslaggevend gewicht toekennen aan de motieven voor en het proces van die gestelde bekering. Verweerder mag in dit verband meewegen dat een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging niet geaccepteerd is. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3515.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gestelde bekering van eiser tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

19. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat de verklaringen van eiser omtrent zijn motieven voor en het proces van zijn gestelde bekering summier en wisselend zijn. Eiser stelt in zijn beroep weliswaar dat verweerder in het bestreden besluit II niet deugdelijke heeft gemotiveerd waarom de verwijdering van eiser van de islam, de bekering van eiser tot het christendom en het proces van die bekering ongeloofwaardig worden geacht, maar op welke plaatsen deze motivering te kort schiet geeft eiser niet aan. Ook de stelling van eiser ter zitting, dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat de bekering van eiser een mengvorm was van een actieve en passieve bekering, kan niet slagen. Verweerder heeft in het bestreden besluit II afdoende gemotiveerd waarom hij de verklaringen voor en het proces van bekering van eiser ongeloofwaardig acht. Verweerder wijst daarbij op de redenen die eiser heeft opgegeven voor zijn bekering, te weten zijn vage en algemene verklaring dat hij rust vond in het christendom. De enkele stelling van eiser dat verweerder onvoldoende de passieve bekering van eiser heeft meegewogen in het bestreden besluit II, kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft verklaard dat hij de hand van God heeft gezien in het feit dat hij, nadat hij na zijn overdracht aan Spanje nog € 16,- bij zich had aan overgebleven zakgeld, precies hetzelfde aantal euro’s bij zich had toen hij weer in Nederland kwam, maar hoe dit heeft bijgedragen aan zijn bekering heeft hij niet nader kunnen uitleggen tijdens het nader gehoor of ter zitting.

20. Voor zover eiser met zijn beroep, en de daarbij gevoegde verklaringen van kerkgangers, heeft willen stellen dat uit de bijgevoegde verklaringen blijkt dat hij zich daadwerkelijk heeft bekeerd, kan de rechtbank hem niet volgen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zouden deze stukken kunnen dienen ter staving van de door eiser gestelde bekering, maar die stukken laten onverlet dat eiser (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn bekering het proces dat daartoe heeft geleid. Zie de hierboven reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016.

C. Afvalligheid van het islamitisch geloof

21. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit I de relevante elementen onjuist heeft vastgesteld, door de gestelde afvalligheid van het islamitisch geloof van eiser niet als afzonderlijk relevant element te beschouwen en te beoordelen op geloofwaardigheid en, indien de afvalligheid geloofwaardig wordt geacht, de zwaarwegendheid van dat element. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het door de rechtbank geconstateerde gebrek hersteld door de gestelde afvalligheid als afzonderlijk relevant element aan te merken en deze op geloofwaardigheid te beoordelen. De rechtbank zal hierna bezien of verweerder redelijkerwijs tot de door hem gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling heeft kunnen komen.

22. Verweerder heeft in dit verband – kort gezegd – gesteld dat van eiser, gelet op de gevolgen die het afvallen van de staatsreligie kan hebben, namelijk het opgelegd krijgen van de doodstraf, heldere verklaringen mogen worden verwacht over het moment van zijn afvalligheid en de redenen die aan die afvalligheid ten grondslag hebben gelegen. Verweerder stelt dat eiser wisselend en vaag heeft verklaard over zijn gestelde afvalligheid. Zo heeft eiser wisselend verklaard over het moment waarop hij afstand van het islamitisch geloof heeft genomen en heeft hij slechts in vage en summiere bewoordingen verklaard over zijn redenen om niet langer dat geloof aan te hangen. Van eiser had mogen worden verwacht, aldus verweerder, dat hij elementen van de islam had kunnen aangeven die in zijn ogen voor hem niet voldeden of niet aansloten bij zijn persoonlijke levensopvattingen op dat moment.

23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde afvalligheid van het islamitisch geloof van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

24. De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat verweerder niet is gehouden om ten aanzien van alle denkbare thema’s, waarvan een gestelde seksuele gerichtheid of een gestelde bekering er enkele zijn, werkinstructies te maken. Hoewel een werkinstructie kan bijdragen aan de inzichtelijkheid van de beoordeling door verweerder, dient verweerder in alle gevallen deugdelijk te motiveren hoe en waarom hij een relevant element ongeloofwaardig acht. Het enkele feit dat een werkinstructie ten aanzien van de beoordeling van een gestelde afvalligheid ontbreekt maakt, anders dan eiser in zijn beroep stelt, niet dat om die reden het bestreden besluit II onzorgvuldig is genomen. Verweerder heeft in de zaak van eiser, anders dan die laatste in beroep stelt, met het bestreden besluit II deugdelijk gemotiveerd waarom de gestelde afvalligheid van eiser ongeloofwaardig moet worden geacht.

25. De stelling van eiser dat die beoordeling nog steeds in het licht van zijn gestelde seksuele gerichtheid en zijn gestelde bekering heeft plaatsgevonden, volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit II heeft verweerder overduidelijk gemotiveerd waarom de afvalligheid – als een op zichzelf staand relevant element – niet geloofwaardig wordt geacht. Dat de argumentatie van verweerder enige overlap vertoont met de andere twee asielmotieven is niet verwonderlijk, aangezien eiser zelf heeft gesteld dat zijn afvalligheid verband houdt met zijn gestelde seksuele gerichtheid. Daarnaast heeft verweerder – kennelijk in lijn met zijn beoordeling van een gestelde bekering – bezien of er aan de afvalligheid van eiser een weloverwogen keuze ten grondslag heeft gelegen.

26. Verweerder heeft eiser verder, anders dan eiser stelt, niet opnieuw hoeven horen naar aanleiding van de tussenuitspraak. Met de door eiser reeds gegeven verklaringen tijdens het nader gehoor heeft verweerder in het bestreden besluit II afdoende kunnen motiveren waarom de gestelde afvalligheid niet geloofwaardig wordt geacht. De stelling van eiser dat een aanvullend gehoor in zijn geval juist in de reden lag, aangezien zijn afvalligheid een van zijn vluchtmotieven was, kan de rechtbank in het geheel niet volgen. Eiser heeft in het nader gehoor namelijk verklaard dat hij geen specifieke problemen heeft ondervonden vanwege zijn afkeer van de islam en hadden de strubbelingen tussen eiser en zijn familie betreffende zijn afkeer van de islam niets te maken met zijn vertrek uit Iran. Geringe indicaties zijn derhalve door eiser niet gesteld, zoals verweerder ter zitting ook heeft aangegeven. Overigens heeft eiser in beroep ook niet aangegeven wat hij tijdens een aanvullend gehoor graag had willen toelichten of nader uiteen had willen zetten.

27. Dat verweerder in het bestreden besluit II onterecht geen rekening heeft gehouden met de het feit dat eiser zal worden bestempeld als een afvallige moslim, zoals eiser in zijn beroep stelt, volgt de rechtbank niet. Eiser stelt weliswaar dat hij in Iran zal opvallen omdat hij thans reeds geruime tijd heeft verbleven in christelijke kringen en dat hem daarom de status van afvallige zal worden toegedicht, maar, nog daargelaten dat eiser niet heeft aangegeven door wie hem die status zal worden toegedicht, objectief bewijs hiervoor heeft hij niet geleverd. Daarnaast kan worden verwacht dat eiser zich, nu hij voorafgaand aan zijn vlucht naar Europa bijna dertig jaar in Iran heeft gewoond en geleefd en zich daar, er vanuit gaande dat hij vanaf zijn twintigste geen moslim meer was, bijna tien jaar als gesteld afvallige moslim heeft kunnen handhaven, ook bij terugkeer naar Iran kan vestigen en handhaven.

28. Het beroep van eiser op artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan hem, tot slot, niet baten. Dit artikel ziet immers op nieuwe feiten en omstandigheden die voor de door verweerder te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. In de zaak van eiser is evenwel al een beslissing genomen. Verweerder heeft derhalve niet een nieuw voornemen hoeven uitbrengen op grond van dat artikel. Overigens is eiser na het nemen van het bestreden besluit II in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen ten aanzien van dat besluit en heeft hij van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt door het formuleren van aanvullende beroepsgronden.

D. Vluchtelingschap/reëel risico op ernstige schade

29. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser op basis van het geloofwaardig geachte relevante element a) niet kan worden aangemerkt als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, noch heeft hij daarmee aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft derhalve niet ten onrechte de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

E. Kennelijk ongegrond

30. Verweerder heeft in het bestreden besluit II tevens besloten de asielaanvraag van eiser af te wijzen als kennelijk ongegrond. Verweerder legt hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat eiser zich na illegale binnenkomst in Nederland niet onverwijld bij hem heeft gemeld met een verzoek om internationale bescherming. Eiser is namelijk Nederland ingereisd in 2015 en heeft vervolgens gewacht tot 14 april 2017 met het indienen van een asielaanvraag. De enkele stelling van eiser dat hij zich wel iedere keer na binnenkomst onverwijld tot verweerder heeft gewend met een verzoek om internationale bescherming, nog daargelaten dat die stelling evident onjuist is gelet op het feit dat eiser langer dan achttien maanden hier te lande heeft verbleven zonder het doen van een asielaanvraag, is voor de rechtbank onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van de aan hem verleende bevoegdheid in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

F. Vertrektermijn en inreisverbod

31. Verweerder heeft tot slot bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. Verweerder heeft dit ook mogen doen casu quo moeten doen gelet op het bepaalde in artikel 62, eerste lid, in combinatie met het tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Persoonlijke omstandigheden van eiser die nopen tot het toekennen van een langere vertrektermijn dan wel van het afzien van het opleggen van een inreisverbod zijn gesteld noch gebleken.

32. De beroepsgrond van eiser dat verweerder de vertrektermijn niet kan terugbrengen tot nul dagen indien op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000, opschortende werking aan het besluit van verweerder is toegekend, slaagt niet. Gelet op het bepaalde in artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000, is het eerste lid, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de beroepstermijn zolang geen beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 62, eerste lid (cursivering: de rechtbank). Anders dan eiser stelt is een vertrektermijn van nul dagen derhalve niet in strijd met artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000. Voor zover eiser heeft willen stellen dat de verplichting van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 dient te worden uitgevoerd binnen vier weken na de beëindiging van het rechtmatig verblijf, en dat daarom de vertrektermijn niet kan worden teruggebracht naar nul dagen, kan de rechtbank hem niet volgen. Artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000 spreekt immers over de verplichting van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 en niet over de termijn waarbinnen aan die verplichting moet worden voldaan.

G. Conclusie

33. Het beroep is ongegrond.

H. Voorlopige voorziening

34. Verweerder heeft in de rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit I aan eiser medegedeeld dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft van dat besluit, waardoor de behandeling van het beroep niet in Nederland mag worden afgewacht. De uitspraak op een eventueel ingediend verzoek om een voorlopige voorziening mag wel in Nederland worden afgewacht, zo heeft verweerder opgenomen in de rechtsmiddelenclausule. Hierop heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

35. Nadat eiser een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, heeft verweerder bij faxbericht van 31 juli 2017 aan de gemachtigde van eiser laten weten dat de rechtsmiddelenclausule, zoals eiser terecht in zijn verzoekschrift opmerkt, onjuist is en dat het instellen van beroep wel schorsende werking heeft.

36. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

37. Gelet op het voorgaande is de rechtbank evenwel van oordeel dat er aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank zal daarom, gelet op het bepaalde in het Bpb, in aanvulling op de reeds uitgesproken proceskostenveroordeling in overweging 4. verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 495,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). De totale kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt derhalve begroot op een bedrag van

€ 1.732,50.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.732,50 (zegge: één duizend en zevenhonderdtweeëndertig euro en vijftig eurocent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Wal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier

(voorzieningen)rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze einduitspraak – alsmede tegen de tussenuitspraak – kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak. Hoger beroep vreemdelingenzaken. Postbus 16113. 2500 BC ’s-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de einduitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.