Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14301

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
C/09/534803 / JE RK 17-1232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing, verlenging ondertoezichtstelling en ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/534803 / JE RK 17-1232

C/09/540241 / JE RK 17-1968

C/09/541536 / JE RK 17-2138

Datum uitspraak: 17 november 2017

Beschikking van de kinderrechter

Machtiging tot uithuisplaatsing

Verlenging ondertoezichtstelling

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

In de zaken naar aanleiding van de verzoeken (I en II) van:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats 1]

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2]

De kinderrechter merkt in deze zaken als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H.S. Franken te Den Haag.

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. M.S. Krol te Rotterdam.

En in de zaak naar aanleiding van het verzoek (III) van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige 3] geboren op [geboortedag 3] 2017,
hierna te noemen: [minderjarige 3]

In deze zaak merkt de rechtbank als belanghebbenden aan:de vader en de moeder voornoemd.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 11 juli 2017 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangehouden in afwachting van de resultaten van het bij die beschikking gelastte onderzoek van de Raad. De behandeling van het verzoek is aangehouden tot deze terechtzitting.

Bij beschikking d.d. 1 november 2017 van de kinderrechter in deze rechtbank is [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 2 november 2017 tot 16 november 2017. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze terechtzitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking d.d. 11 juli 2017 (I);
- voornoemde beschikking d.d. 1 november 2017 (III);

- de verzoekschriften met bijlagen (I, II en III), en de wijziging daarvan (II);
- het advies van de Raad, tevens advies als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (I en II);

- de fax met bijlagen van 9 november 2017 van de zijde van de gecertificeerde instelling;

- de brief met bijlagen van 9 november 2017 van de zijde van de advocaat van de vader;

- de brief van de zijde van de moeder, ter terechtzitting overhandigd.

Op 14 november 2017 is de behandeling van de zaak (I) ter zitting met gesloten deuren voortgezet en heeft de kinderrechter de zaken (II en III) behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. H.S. Franken;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.S. Krol.

Feiten

- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn erkend door de vader.

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3]

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven afwisselend bij de vader en de moeder.
- [minderjarige 3] verblijft feitelijk bij de moeder, in een moeder-kind huis.

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 22 november 2016 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 23 november 2016 tot 23 november 2017.

Verzoeken en verweer

Verzoeken I en II

De verzoeken van de gecertificeerde instelling strekken tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar (verzoek II) en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling (verzoek I). De gronden voor deze verzoeken zijn, blijkens de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, gelegen in het volgende. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vraag of de ouders afzonderlijk voor de minderjarigen kunnen zorgen en de veiligheid van de minderjarigen kunnen waarborgen. [minderjarige 1] verzuimt nog steeds op school en gaat niet vooruit in haar ontwikkeling. Zowel op cognitief als op sociaal emotioneel gebied loopt zij achter. Ze hangt op een ongezonde manier aan haar ouders en lijkt niet los te kunnen komen om zich verder te ontwikkelen. Ook [minderjarige 2] stagneert in zijn ontwikkeling en laat een taalachterstand zien. Het is gebleken dat de ouders de thuissituatie mooier voordoen dan die is en er wordt informatie achtergehouden waardoor de hulpverlening op het verkeerde been wordt gezet. De ouders delen de zorgen van de hulpverlening niet en ontkennen de stagnering van de ontwikkeling van de minderjarigen. Het lukt de ouders niet om zich aan de gemaakte afspraken te houden. De bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarigen zijn ondanks alle hulp niet weggenomen. Zowel de Waag, Ipse de Brugge als Tom in de Buurt is betrokken geweest bij het gezin. Helaas is deze hulpverlening niet van de grond gekomen en om deze reden vroegtijdig gestopt. Volgens de ouders ligt dit niet aan hen. De Raad onderschrijft in zijn rapport de visie van de jeugdbeschermer en is van mening dat alle kinderen uit huis geplaatst moeten worden. Er is een geschikt pleeggezin gevonden waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen geplaatst kunnen worden.

Verzoek III

Het verzoek van de Raad strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van negen maanden. De grond voor dit verzoek is, blijkens de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, gelegen in het volgende. De concrete bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige is gelegen in het feit dat de ouders onvoldoende in staat zijn [minderjarige 3] basale zorg en veiligheid te bieden, in de onvoldoende emotionele beschikbaarheid van de moeder en in de hulp mijdende houding van beide ouders. Het ontbreekt aan voldoende stabiliteit, stimulans en continuïteit in de opvoedingssituatie. De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid die bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren omdat de hulpverlening niet goed van de grond komt en geen positief resultaat oplevert. De Raad heeft aangegeven dat [minderjarige 3] in de opvoedingsomgeving bij de ouders onvoldoende gestimuleerd zal worden, wat tot een ontwikkelingsachterstand zal leiden. Omdat de ouders door hun hulp mijdende houding onvoldoende leerbaar zijn gebleken, acht de Raad het onwaarschijnlijk dat ouders hier binnen afzienbare tijd voldoende verandering in aan kunnen en zullen brengen. De Raad meent om deze reden dat het noodzakelijk is om [minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een pleeggezin.

De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat er een pleeggezin is gevonden waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen kunnen opgroeien en dat er een pleeggezin is gevonden voor [minderjarige 3] Het plaatsten van de drie minderjarigen in één pleeggezin is onmogelijk gebleken. Beiden pleeggezinnen hebben onderling contact met elkaar en staan open voor contact met de ouders en bezoekregelingen. Beiden zijn heden beschikbaar om de minderjarigen op te vangen. Vanwege de spanningen is er bij zowel [minderjarige 1] als bij [minderjarige 2] sprake van schoolverzuim. De gecertificeerde instelling is van mening dat het in het belang van de minderjarigen is dat er snel duidelijkheid komt. De begeleiders van het moeder-kind project waar de moeder (maximaal) drie weken samen met [minderjarige 3] kon verblijven waren positief. De moeder heeft zich aan de afspraken gehouden. Daarentegen hebben zij ook gezegd dat het voor hen niet mogelijk is iets te zeggen over het toekomstperspectief vanwege het korte tijdsbestek. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen over het verschil tussen de visie van de ouders enerzijds en de visie van de hulpverlening anderzijds. De ouders geven aan dat zij openstaan voor hulpverlening, maar bieden weerstand zodra er hulp wordt geboden. Het is een terugkerend patroon waar wisseling van de geboden hulpverlening naar verwachting geen verandering in zal brengen. In reactie op hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, heeft de gecertificeerde instelling gesteld dat er twee jaar geleden al een NIFP‑onderzoek aan de ouders is geadviseerd, maar dat de moeder toen niet wilde meewerken.

Mr. Krol heeft, namens de moeder, bepleit dan wel verzocht de zaken naar de meervoudige kamer van de rechtbank te verwijzen. De raadsvrouw stelt dat een beslissing van drie rechters de acceptatie van die beslissing bij de ouders mogelijk zal vergroten. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht een deskundige te benoemen in de zin van artikel 810a, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv) om bij de moeder een persoonlijkheidsonderzoek af te nemen en ouderschapsbeoordeling uit te laten voeren. De raadsvrouw heeft daar het volgende aan ten grondslag gelegd. Het verzoek met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van negen maanden is een verkapt verzoek tot gezagsbeëindiging. Op deze manier wordt de ouders geen enkele kans geboden. Er dient onderzocht te worden of de geboden hulpverlening wel passend is en voldoende aansluit bij de moeder. Het onderzoek van de Raad zegt niets over de opvoedvaardigheden van de ouders, aldus de raadsvrouw.

Mr. Franken heeft, namens de vader, bepleit dan wel verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen af te wijzen. Volgens de ouders bevat het rapport van de Raad onjuistheden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven al enige tijd bij de vader en dit gaat goed. De ouders staan open voor hulpverlening. [minderjarige 1] mist haar moeder enorm. De problemen zullen naar alle waarschijnlijkheid alleen maar erger worden als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader ook nog eens moet missen, aldus de raadsvrouw.

De moeder heeft aangegeven dat de geboden hulpverlening niet passend is en dat zij zelf ook actief zijn geweest in het opperen van alternatieven, maar dat daar geen gehoor aan is gegeven.

De vader heeft aangegeven zich aan te sluiten bij hetgeen door de moeder naar voren is gebracht. De vader heeft daarnaast aangegeven dat hij zich behoorlijk in de steek gelaten voelt door de hulpverlening.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling (nog) aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 3] uit te spreken en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen als verzocht. Voort is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aanwezig zijn.

Verzoeken I, II en II

De kinderrechter stelt voorop dat zij niet twijfelt aan de liefde van de ouders voor hun kinderen en hun wil het goede voor hen te doen. De kinderrechter twijfelt ook niet aan de intentie van de ouders om te willen veranderen en vanaf nu hun volledige medewerking te verlenen aan de noodzakelijk geachte hulpverlening. De kinderrechter constateert echter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beiden een forse ontwikkelingsachterstand hebben die niet zomaar wordt weggenomen door de liefde en de goede bedoelingen van de ouders. Om die ontwikkelingsachterstand ten goede te keren is stabiliteit, structuur en voldoende ondersteuning en stimulering over een langere periode nodig. De kinderrechter is van oordeel dat, op basis van de door de verschillende betrokken hulpverleners verstrekte informatie, voldoende vaststaat dat de ouders de vereiste stabiliteit, structuur, ondersteuning en stimulering op dit moment niet kunnen bieden. Gelet op de verstrekte informatie is de kinderrechter eveneens van oordeel dat de ouders die stabiliteit, structuur, ondersteuning en stimulering ook niet binnen afzienbare termijn zullen kunnen bieden, ook niet indien zij daarbij ondersteund worden door hulpverleners. De kinderrechter is derhalve met de Raad en de gecertificeerde instelling van oordeel dat de opvoedingscapaciteiten van de ouders onvoldoende tegemoet komen aan de ontwikkelingsbehoeften van de minderjarigen. Daartoe is redengevend dat de ouders de ernst van de problematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onvoldoende lijken in te zien en dat zij tot op heden niet in staat zijn geweest een ingezet hulpverlengingstraject af te maken. Illustratief hierbij is dat de vader, ondanks alle problemen rond het gezin, een nieuwe relatie is begonnen en dat hij zijn nieuwe partner vrijwel direct in het leven van de minderjarigen heeft geïntroduceerd zonder zich daarbij kennelijk te realiseren dat dit zeer ingrijpend is voor de minderjarigen. Daarbij is ook illustratief dat de ouders het zelden eens lijken te zijn met de hen vanuit de hulpverlening of school aangereikte adviezen. Door en namens de moeder is voorgesteld om de minderjarigen met zeer intensieve gezinsondersteuning thuis te laten wonen, maar gelet op alle signalen met betrekking tot het gebrek aan intrinsieke motivatie bij en het gebrek aan mogelijkheden van de ouders om te veranderen, verwacht de kinderrechter niet dat een zodanig traject voldoende zal veranderen om de situatie voor de minderjarigen ten goede te keren. Nu de ontwikkelingsachterstand van de minderjarigen al fors is, is de kinderrechter van oordeel dat geen tijd meer kan worden verloren door af te wachten of de ouders het vanaf nu wellicht anders zullen doen. Hoewel dit zeer verdrietig en ingrijpend is voor zowel de ouders als [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing van de minderjarigen op dit moment de enige mogelijkheid is om de ontwikkelingsachterstand van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten goede te keren en tevens te voorkomen dat [minderjarige 3] een ontwikkelingsachterstand zal oplopen. De kinderrechter is van oordeel dat lang genoeg geprobeerd is een uithuisplaatsing te voorkomen en dat de maatregel thans in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.

De kinderrechter zal derhalve alle verzoeken toewijzen zoals verzocht, met dien verstande dat de termijnen van de maatregelen zo zullen worden bepaald dat de einddatum daarvan gelijk is.

Verwijzing naar de meervoudige kamer
De kinderrechter zal – gelet op het voorgaande – de verzoeken nu zonder verdere vertraging toewijzen en de zaken derhalve niet verwijzen naar een zitting van de meervoudige kamer. Mr. Krol heeft weliswaar gesteld dat een beslissing van drie rechters de acceptatie van die beslissing bij de ouders mogelijk ten goede zal komen, maar de kinderrechter heeft de stellige indruk dat zulks geen verschil zal maken voor de acceptatie van de beslissing door de ouders.

Benoeming deskundige
De kinderrechter overweegt dat zij op grond van artikel 810a, tweede lid, Rv een deskundige kan benoemen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. De kinderrechter is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat niet langer kan worden gewacht met de uithuisplaatsing, zodat de ontwikkeling van de minderjarigen niet verder stagneert. De kinderrechter is daarom ten slotte van oordeel dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen het door mr. Krol verzochte NIFP-onderzoek. De kinderrechter is van oordeel dat een nog langere periode van onzekerheid met onvoldoende stabiliteit, structuur, ondersteuning en stimulering zeer nadelig is voor de verdere ontwikkeling van de minderjarigen. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Eerste uithuisplaatsing van minderjarigen onder de 12 jaar

De kinderrechter overweegt ten slotte dat zij bewust afwijkt van de in de rechtbank Den Haag gangbare gewoonte om de eerste uithuisplaatsing van minderjarigen onder de 12 jaar voor de duur van maximaal zes maanden uit te spreken. Daartoe is redengevend dat reeds veel hulpverlening is ingezet ter voorkoming van de uithuisplaatsing, zodat de verwachting niet gerechtvaardigd is dat binnen een termijn van zes maanden veel zal zijn veranderd in de situatie van de ouders en de minderjarigen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De kinderrechter verwacht dat de ouders het niet eens zullen zijn met deze beslissing. Het staat hen uiteraard vrij daarvan in hoger beroep te gaan. De kinderrechter heeft in verband daarmee overwogen de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, maar is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat de uithuisplaatsing niet langer kan worden uitgesteld. De beslissing zal derhalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

De kinderrechter:

Ten aanzien van verzoek II

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 23 november 2017 tot met 17 november 2018 met behoud van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;

Ten aanzien van verzoek I

machtigt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 17 november 2017 tot 17 november 2018, zijnde de duur van de (verlengde) ondertoezichtstelling;

Ten aanzien van verzoek III

stelt [minderjarige 3] van 17 november 2017 tot 17 november 2018 onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

en

machtigt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 17 november 2017 tot 17 augustus 2018;

verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.M. Leurs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.