Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1429

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
NL17.422
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afghaanse. Opvolgende asielaanvraag. Documenten nieuwe elementen? Bekering ongeloofwaardig? Motiveringsgebrek. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.422


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.E. Jasper.


Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL17.421, plaatsgevonden op 9 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig T. Wasseghi, tolk in de Dari-taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Afghaanse nationaliteit, heeft op 20 januari 2017 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij de eerder ongeloofwaardig geachte bedreiging door de Taliban nu wel aannemelijk kan maken aan de hand van een tweetal documenten. Tevens heeft hij aan de aanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot het Christendom is bekeerd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij dit besluit is bepaald dat eiser het Nederlandse grondgebied onmiddellijk moet verlaten en dat aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar wordt opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de door eiser overgelegde documenten niet als nieuwe elementen kunnen worden aangemerkt en dat zijn bekering ongeloofwaardig is.

3. Op wat eiser daartegen heeft ingebracht wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Documenten

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) doen zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voor, indien de authenticiteit van de stukken waarmee de desbetreffende vreemdeling de door hem gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wil aantonen niet is vastgesteld. Het ligt op de weg van een vreemdeling om de authenticiteit van de aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde documenten aan te tonen. De staatssecretaris kan een vreemdeling daarbij tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de documenten te laten beoordelen, maar dit doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van die vreemdeling. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste jurisprudentie verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3804).

5. Verweerder is aan eiser tegemoetgekomen door de documenten die hij aan de aanvraag ten grondslag heeft gelegd, naar hij stelt een dreigbrief van de Taliban en een verklaring van aangifte, te laten onderzoeken door het Bureau Documenten (thans: Team Onderzoek en Expertise Documenten). Dat bureau heeft echter geen oordeel kunnen vellen vanwege het gebrek aan referentiemateriaal. Het ligt dan op de weg van eiser om alsnog de authenticiteit van deze documenten aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat eiser daarin niet is geslaagd. Eiser heeft immers slechts gesteld dat de documenten in overeenstemming zijn met zijn relaas, dat de Afghaanse autoriteiten wel in staat zouden zijn om documentonderzoek te verrichten en dat ook onbevoegdelijk afgegeven documenten als referentiemateriaal zouden kunnen dienen. Met deze stellingen is niet aannemelijk geworden dat de door eiser overgelegde documenten authentiek zijn.

Bekering

6. Verweerder past bij een door een vreemdeling aan een asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging een vaste gedragslijn toe. Deze houdt in dat vragen worden gesteld die zijn onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering en over de persoonlijke betekenis ervan. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Aan de beantwoording wordt bijzondere waarde toegekend als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of de staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is. Ten slotte wordt verwacht dat een vreemdeling vragen kan beantwoorden over de manier waarop hij zijn geloof stelt te uiten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat deze gedragslijn de rechterlijke toets kan doorstaan. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste jurisprudentie verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2187).

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers bekering heeft onderzocht conform zijn vaste gedragslijn.

8. Verweerder heeft aan de hand van dit onderzoek allereerst aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaring dat hij zich ongelukkig voelde in tegenspraak is met verklaringen uit zijn voorgaande procedure waaruit blijkt dat hij zijn vak van kleermaker en het leren van de Engelse taal als ‘leuk’ en ‘passievol’ omschrijft. Eiser heeft daartegen ingebracht dat verweerder deze eerdere verklaringen over een tweetal concrete activiteiten ten onrechte als een duiding van zijn welzijn in het algemeen heeft opgevat. Er is dan ook geen sprake van verklaringen die met elkaar in tegenspraak zijn, zodat deze tegenwerping niet kan bijdragen aan het oordeel dat zijn bekering ongeloofwaardig is, aldus eiser. De rechtbank volgt eiser in deze stelling.

9. Verder heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij geen inzicht heeft kunnen verschaffen in de relatie tussen het gegeven dat hij zich ongelukkig voelde en zijn afkeer van de Islam. Daartegen heeft eiser ingebracht dat hij hierover wel degelijk verklaard heeft. Zo heeft hij tijdens zijn voorgaande procedure verklaard dat er sprake was van een vete tussen de Taliban en zijn familie waardoor eerst zijn opa en oom en later ook zijn vader door leden van deze organisatie om het leven zijn gebracht. Dit deel van eisers relaas is door verweerder geloofwaardig geacht. Eiser heeft verder verklaard dat de verantwoordelijkheid van het gezin door het verlies van zijn vader op hem als oudste zoon is overgegaan en dat dit zwaar op zijn gemoed drukte. Ook heeft hij verklaard dat zijn depressieve gevoelens na aankomst in Nederland niet beter werden waardoor hij niet kon slapen en geen initiatief nam om anderen te ontmoeten, wat een verder negatief effect had op zijn psychisch welzijn. Eiser heeft daarbij opgemerkt dat voortdurend gebed tot Allah, zowel in Afghanistan als in Nederland, niet werd verhoord zodat een geleidelijk proces van afkeer jegens de Islam is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op deze verklaringen niet aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij door zijn gemoedstoestand afstand heeft genomen van zijn oorspronkelijke religie. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het kader van dit onderzoek naar eisers persoonlijke beweegredenen voor het verlaten van de Islam niet aan eiser kunnen tegenwerpen dat andere mensen geweld afkeuren maar toch bij hun oorspronkelijke geloof blijven.

10. Verweerder kan evenmin worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over het moment waarop hij de Islam precies verlaten heeft. Eiser heeft daartegen ingebracht dat hij gedurende een bepaalde periode de Islam zonder innerlijke overtuiging praktiseerde en uit dien hoofde als trouwe moslim gold. Hij deed dit echter om te voorkomen dat hij zou opvallen als ongelovige, dan wel als afvallige. Verweerder heeft daarop in het bestreden besluit gereageerd met de opmerking dat eiser deze ‘vergaande semantische tegenstrijdigheid’ niet heeft onderbouwd. Nu onduidelijk is wat verweerder daarmee precies bedoelt, en dit ook ter zitting niet kon worden opgehelderd, oordeelt de rechtbank dat deze tegenwerping niet als ondersteuning van de afwijzing kan dienen.

11. Ook ten aanzien van het moment van bekering heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser enerzijds heeft gesteld dat hem op een specifiek moment door God dan wel door de Heilige Geest een handreiking werd gedaan, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij na een relatief korte periode van kerkbezoek en Bijbelstudie zelf de keuze heeft gemaakt om zich te bekeren. Eiser heeft daartegen ingebracht dat hij beide verklaringen naar voren heeft gebracht als aspecten van zijn proces van bekering. Dit proces heeft een aanvang genomen bij de eerste keer dat hij een kerk bezocht, toen de voorganger/dominee na de dienst voor hem ging bidden. Op dat moment sloeg de vonk over, aldus eiser, en werd zijn interesse voor het christelijk geloof gewekt. Deze interesse heeft ertoe geleid dat eiser zich is gaan verdiepen in het christelijk geloof door zijn kerkbezoek voort te zetten en door Bijbelstudie. Door deze verdieping is eiser tot de conclusie gekomen dat het Christendom het ware geloof was voor hem (pagina 14 gehoor opvolgende aanvraag). Daarvan heeft hij vervolgens getuigenis afgelegd en nadien is hij gedoopt. Gelet op deze verklaringen is de rechtbank met eiser van oordeel dat niet kan worden gesproken van verklaringen die met elkaar in tegenspraak zijn, maar veeleer van het benoemen van aspecten van een innerlijk bekeringsproces dat eiser als zodanig heeft ervaren.

12. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom eisers bekering ongeloofwaardig zou zijn. Verweerder heeft zich daarom onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is of een reëel risico loopt op ernstige schade, een en ander als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover het de beoordeling van de door eiser gestelde bekering betreft. Gelet op de aard van deze beoordeling ziet de rechtbank geen mogelijkheid om te komen tot een finale beslechting van het geschil. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Daarbij wordt op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht een punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. Met ingang van 1 januari 2017 bedraagt de waarde per punt € 495,- zodat na vermenigvuldiging met wegingsfactor 1 de hoogte van de te vergoeden proceskostenveroordeling in deze zaak € 990,- bedraagt.

Beslissing


De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij eisers bekering ongeloofwaardig is geacht;

 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-

(negenhonderdnegenennegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.