Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14235

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
NL17.4108
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Afghanistan, bekering christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig, geen reëel risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer, geen 15c situatie in Afghanistan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4108


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw M. Masshoor. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995 en de Afghaanse nationaliteit te hebben.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- Eiser stelt [eiser] te zijn, geboren op [geboortedatum] 1995, met de Afghaanse nationaliteit. Eiser stelt tevens van Hazara afkomst te zijn;

- Eiser stelt dat hij hier te lande is bekeerd tot het christendom (protestantisme) en dat hij om die reden niet terug kan keren naar Afghanistan;

- Eiser stelt op driejarige leeftijd uit Afghanistan te zijn vertrokken, vanwege een gestelde familievete.

3. Verweerder volgt eiser in zijn verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser wordt echter niet gevolgd in zijn stelling dat hij is bekeerd tot (de protestantse stroming binnen) het christendom. De problemen die (de vader van) eiser stelt te hebben gehad door de familievete, worden door verweerder wel geloofwaardig geacht.

4. Eiser voert, kort en zakelijk weergegeven, aan dat zijn verklaringen aangaande (de verschillende aspecten van) zijn bekering ten onrechte ongeloofwaardig worden bevonden. Ook is er volgens eiser intussen in Afghanistan sprake van een dusdanige uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 15c van Richtlijn 2004/38/EG, dat hij alleen al op grond daarvan in aanmerking zou moeten komen voor een asielvergunning voor bepaalde tijd.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verklaringen over zijn bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden en acht daarbij het volgende van belang.

5.1

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ten aanzien van zijn proces van bekering vaag en summier heeft verklaard. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij uitgebreid en gedetailleerd kon verklaren over zijn bewuste keuze voor het christendom. Dit, gelet op het feit dat eiser uit een land komt waar het christendom niet geaccepteerd wordt en hij in de korte tijd van vier maanden is bekeerd. Eiser verklaart op dit punt echter vooral hoe hij met het christendom in aanraking is gekomen, maar hij maakt niet voldoende inzichtelijk waarom hij zich zo aangetrokken voelde tot het christendom. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers algemene verklaringen over liefde, hoop en blijdschap hiertoe onvoldoende zijn. Ook heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom de Islam niet meer voor hem voldeed. Eisers argument, dat hij deze religie in de Arabische taal niet begreep heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende kunnen achten.

5.2

Voorts heeft verweerder het opmerkelijk mogen achten dat eiser niet concreter kon verklaren over de dag van zijn doop. Eiser treedt weinig in detail over de gebeurtenissen van die dag. Los van het feit dat een doop geen inzicht in het proces van bekering of het motief daarvoor biedt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in de uitspraak van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3502) heeft geoordeeld, heeft verweerder van eiser mogen verwachten dat hij hierover uitvoeriger zou kunnen verklaren. Voorts heeft verweerder het opmerkelijk mogen achten dat eiser zich heeft laten dopen, zonder dat was gebleken dat hij gedegen basiskennis had van het christendom. Verweerder heeft niet ten onrechte opgemerkt dat eiser niet de kern van het christendom kon opnoemen. Eisers antwoord, dat het christendom liefde en blijdschap is, heeft verweerder onvoldoende mogen achten om de kern te omschrijven. Ook heeft eiser ontwijkend antwoord gegeven op de vraag wat het christendom uniek maakt ten opzichte van andere religies. Verweerder heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers relaas.

5.3

Verweerder heeft voorts kunnen concluderen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in Nederland aan het christelijke geloof invulling geeft. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser niet de naam kon noemen van de kerk die hij wekelijks zou bezoeken. Dit doet eveneens afbreuk doet aan de oprechtheid van eisers gestelde bekering.

5.4

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder niet was gehouden om eiser aanvullend te horen. Dat de bekering van eiser zich in de loop der tijd verder heeft ontwikkeld, is geen reden voor een aanvullend gehoor. Uit het dossier blijkt dat verweerder tijdens de gehoren uitgebreid met eiser heeft gesproken over zijn bekering en dat verweerder op grond hiervan voldoende informatie had om een besluit te nemen over eisers asielaanvraag. Het is aan eiser om tijdens zijn gehoren zo uitgebreid mogelijk over zijn asielrelaas te verklaren. Verweerder heeft zich, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers informatie onvoldoende grond bood voor een asielvergunning. Deze grond slaagt derhalve niet.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in Afghanistan geen sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). De rechtbank verwijst hiervoor naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Voorts verwijst de rechtbank naar de recente beslissingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 16 mei 2017, M.M. tegen Nederland (15993/09) en van 11 juli 2017, E.K. tegen Nederland (72586/11). Uit de door eiser aangehaalde stukken blijkt niet dat de algehele veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen sinds deze uitspraken dusdanig is verslechterd dat een burger die daar naartoe terugkeert door zijn enkele aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Uit de aangehaalde informatie volgt weliswaar dat de situatie in Afghanistan onverminderd zorgwekkend is, maar niet dat sprake is van een dermate hoge mate van willekeurig geweld in Afghanistan dat aangenomen dient te worden dat burgers die daar naartoe terugkeren alleen door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige schade. Ook het feit dat Duitsland tijdelijk de uitzettingen van Afghanen heeft opgeschort, maakt het bovenstaande oordeel niet anders.

7. Voorts is eisers stelling, dat hij als Hazara te vrezen heeft voor de Taliban, onvoldoende om aan te nemen dat er sprake zal zijn van risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt en ook is hiervan niet gebleken. Het feit dat eiser op jonge leeftijd is vertrokken uit Afghanistan en hierdoor geen sociaal netwerk heeft daar, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.