Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14233

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
NL17.3822
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Afghanistan, asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig, geen 15-c situatie in Afghanistan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3822


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw F. Flippo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1992 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 8 december 2015 zijn asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft gekregen met de Taliban vanwege de aankondiging van de uithuwelijking van zijn zus. Eiser en zijn moeder waren het niet eens met de uithuwelijking en hebben dit kenbaar gemaakt aan eisers vader. De Taliban zijn vervolgens, waarschijnlijk door de vader, op de hoogte gesteld van het protest van eiser en zijn moeder. Vervolgens zijn de Taliban eisers huis op een avond binnengevallen, maar kon eiser met zijn zus ontsnappen. De volgende dag heeft de moeder van eiser hem en zijn zus naar de stad gebracht. Eisers zus is daar gebleven en ondergedoken. Eiser is met zijn moeder verder gereisd naar een andere plek, waar eiser is ondergebracht bij kennissen van eisers moeder. Eiser heeft ook aangegeven problemen te hebben ondervonden omdat hij Oezbeek is.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen vanwege uithuwelijking zus;

- etnische problemen.

Verweerder volgt eiser in zijn verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder acht de gestelde problemen vanwege de uithuwelijking van zijn zus echter niet geloofwaardig.

4. Eiser voert aan hij wel degelijk wist aan wie zijn zus werd uitgehuwelijkt. Hij weet dan wel zijn naam niet, maar hij weet zijn bijnaam wel. Verweerder moet er rekening mee houden dat eiser een simpele, ongeschoolde man is, afkomstig uit een gesloten en afgelegen dorpje. Verweerder heeft er ook ten onrechte geen rekening mee gehouden dat eisers vader verslaafd is. Verweerder heeft voorts ten onrechte geconcludeerd dat er geen sprake is van een artikel 15-c situatie in Afghanistan, meer specifiek in de provincie waar eiser vandaan komt. Eiser verwijst hiervoor naar rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch en naar het gegeven dat Duitsland is gestopt met het uitzetten van Afghanen naar Afghanistan.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, en overweegt daartoe het volgende.

5.2

Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser vaag en summier verklaard heeft over de man aan wie zijn zus zou zijn uitgehuwelijkt en over de omstandigheden van de uithuwelijking. Dat eiser een bijnaam kon noemen, is onvoldoende concreet om aan te nemen dat eiser precies weet om wie het gaat. Ook heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat, ook als hij geen exacte data kan noemen, van hem verwacht mag worden dat hij preciezer kan omschrijven wanneer de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft de stelling dat dit ‘ergens in november’ plaatsvond onvoldoende concreet mogen achten.

Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom zijn vader aan de Taliban zou hebben verteld dat hij en zijn moeder tegen het huwelijk waren. Verweerder heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet zeker weet of zijn vader het aan de Taliban heeft verteld, maar dat hij dit afleidt uit het feit dat een aantal personen zijn huis binnen was gevallen. Eisers enkele niet nader onderbouwde stelling dat zijn vader drugsverslaafd is en dat hier rekening mee gehouden moet worden door verweerder, is hiertoe onvoldoende. Bovendien blijkt uit het nader gehoor van 9 september 2016 dat eiser geen concreet antwoord kan geven op de vraag en meerdere keren ontwijkend antwoordt op de vraag. Eisers stelling, dat hij een simpele man is afkomstig uit een klein dorpje, brengt aan het bovenstaande geen verandering met zich mee.

5.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in Afghanistan in het algemeen geen sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Voorts verwijst de rechtbank naar de recente beslissingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens (het EHRM) van 16 mei 2017, M.M. tegen Nederland (15993/09) en van 11 juli 2017, E.K. tegen Nederland (72586/11). Uit de door eiser aangehaalde stukken blijkt niet dat de algehele veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Faryab, dan wel het Pashtun Kot district in het bijzonder, sinds deze uitspraken dusdanig is verslechterd dat een burger die daar naartoe terugkeert door zijn enkele aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De rechtbank acht daartoe van belang dat veel van de in het rapport van Amnesty International van oktober 2017 opgenomen cijfers met betrekking tot aan het conflict gerelateerde slachtoffers zien op de periode tot en met het jaar 2016. Ervan uit mag worden gegaan dat het EHRM die informatie reeds bij zijn oordeel over de situatie in Afghanistan heeft betrokken. Voor zover in de stukken van Amnesty International bronnen zijn genoemd die gedateerd zijn na de hiervoor bedoelde uitspraken van het EHRM, is de rechtbank van oordeel dat daaruit niet blijkt dat er sinds die datum sprake is van een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in Afghanistan dat er thans wel sprake is van situatie als hiervoor bedoeld. Uit de aangehaalde informatie volgt weliswaar dat de situatie in Afghanistan onverminderd zorgwekkend is, maar niet dat sprake is van een dermate hoge mate van willekeurig geweld in Afghanistan dat aangenomen dient te worden dat burgers die daar naartoe terugkeren alleen door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige schade. Het feit dat Duitsland tijdelijk de uitzettingen van Afghanen heeft opgeschort, maakt het bovenstaande oordeel niet anders.

Ten aanzien van eisers stelling, dat hij als Oezbeek gevaar loopt in Afghanistan, heeft hij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft dan ook voldoende gemotiveerd dat Oezbeken geen kwetsbare groep zijn nu Oezbeken in de regio waar eiser vandaan komt in de meerderheid zijn.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.