Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14220

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
C-09-541279-KG ZA 17-1346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser strafrechtelijk veroordeeld in Curaçao. Tenuitvoerlegging van gevangenisstraf aan Nederland overgedragen op basis van de “Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de overdracht van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een veroordeling tot een vrijheidsstraf”.

Eiser wil nu in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling (vi) op basis van strafrecht Curaçao (dat is na 2/3 van de straf). De Nederlandse regelgeving: vi na 12 maanden plus 1/3 van de restantperiode. In casu dus twee maanden meer. Voorzieningenrechter: na de overdracht van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf geldt de regelgeving van het aangezochte land. Geen ruimte om daar in individuele gevallen van af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/541279 / KG ZA 17-1346

Vonnis in kort geding van 21 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende te Penitentiaire Inrichting [locatie 1] ,

eiser,

advocaat mr. M.M.J.P. Penners te Sittard ,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties, de door [eiser] overgelegde producties en de op 14 november 2017 gehouden mondelinge behandeling van de zaak, bij welke gelegenheid van de zijde van de Staat pleitnotities zijn overgelegd en de voorzieningenrechter vonnis heeft bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 november 2017 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is bij vonnis van 9 juni 2014 door het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden.

2.2.

De tenuitvoerlegging van deze straf is op 1 december 2016 op Curaçao aangevangen.

2.3.

Bij brief van 5 december 2016 heeft [eiser] de Curaçaose autoriteiten verzocht om overdracht van de tenuitvoerlegging van de hem in Curaçao opgelegde gevangenisstraf naar Nederland.

2.4.

Bij ministeriële beschikking van 11 april 2017 is dit verzoek door de Curaçaose autoriteiten toegewezen. In deze beschikking wordt overwogen dat de expiratiedatum van de [eiser] opgelegde straf is vastgesteld op 25 mei 2018 en zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling op 26 november 2017.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te gebieden zijn voorwaardelijke invrijheidstelling te doen ingaan per 26 november 2017 en de Staat te verbieden om de hem in Curaçao opgelegde gevangenisstraf op en na die datum nog ten uitvoer te leggen, zulks op straffe verbeurte van dwangsommen, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe wordt – samengevat – het volgende aangevoerd. Conform het Wetboek van Strafrecht van Curaçao treedt de voorwaardelijke invrijheidstelling - zakelijk weergegeven - in werking zodra de veroordeelde 2/3 gedeelte van zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft ondergaan. De detentieperiode van [eiser] is gestart op 1 december 2016. Zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling vangt daarmee aan na 26 november 2017. [eiser] is echter op 6 september 2017 vanuit Penitentiaire Inrichting [locatie 2] bericht dat zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling zal aanvangen na 26 januari 2018. Daarbij wordt aangesloten bij de Nederlandse regelgeving inzake voorwaardelijke invrijheidsstelling, op basis waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling bij een gevangenisstraf van 18 maanden intreedt na tenminste 12 maanden, plus 1/3 van de restantperiode, in casu twee maanden. Bij e-mailbericht van 31 augustus 2017 heeft dhr. [A] , senior selectiefunctionaris bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Veiligheid en Justitie, evenwel desgevraagd nog bericht dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling van [eiser] aanvangt na 26 november 2017. Van deze tegenstrijdige en onduidelijke informatie mag [eiser] niet de dupe worden. De Staat handelt onrechtmatig door in strijd met de eerdere berichtgeving jegens [eiser] uit te gaan van de Nederlandse regelgeving. Om te voorkomen dat [eiser] na 26 november 2017 ten onrechte in de gevangenis verblijft, dient vóór die datum een beslissing te zijn genomen over de datum van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling. [eiser] heeft daarom spoedeisend belang bij het gevorderde.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vordering(en) ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven om van de vordering(en) van [eiser] kennis te nemen.

4.2.

[eiser] stelt er - ter voorkoming van onrechtmatige tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf - belang bij te hebben dat vóór 26 november 2017 wordt beoordeeld of na die datum verdere tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf rechtmatig is. Het spoedeisend belang bij zijn vordering(en) is daarmee gegeven.

4.3.

Op grond van de Onderlinge regeling (hierna: de regeling) als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de overdracht van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een veroordeling tot een vrijheidsstraf kunnen bedoelde personen in het kader van deze samenwerking verzoeken om overdracht van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf aan één van de andere Caraïbische delen van het Koninkrijk waarop deze regeling van toepassing is.

4.4.

Ingevolge artikel 7 lid 1 van de regeling (stcrt. 1 juli 2014, nr. 17583) heeft overdracht van de tenuitvoerlegging in de zin van deze regeling tot gevolg dat het aangezochte land het recht tot tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf verkrijgt en dat dit alle ten aanzien van de tenuitvoerlegging relevante bevoegdheden en verantwoordelijkheden behelst. In de artikelsgewijze toelichting op de regeling is opgenomen dat de veroordeelde na overdracht dan ook volledig zal vallen “onder de rechtsmacht van het aangezochte land, hetgeen betekent dat regelgeving en procedures van dat aangezochte land op het gebied van bijvoorbeeld detentie, gratie en voorwaardelijke invrijheidsstelling onverkort op hem van toepassing zijn”.

4.5.

Gelet op het vorenstaande stelt de Staat zich naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter met recht op het standpunt dat de bij de overdracht van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] in acht te nemen datum voor zijn voorlopige invrijheidsstelling dwingend voortvloeit uit het bepaalde in voormelde regeling. Uitgangspunt daarbij is immers dat - zakelijk weergegeven - na overdracht de regelgeving van het aangezochte land van toepassing is. Dat brengt mee dat er geen ruimte is om daar in individuele gevallen van af te wijken. Dat is in beginsel niet anders in het geval de Staat de veroordeelde op enig moment abusievelijk andersluidend bericht. Niet zonder belang daarbij is voorts dat de betreffende senior selectiefunctionaris in het bericht van 31 augustus 2017 -waar [eiser] zich op beroept - het nodige voorbehoud in acht heeft genomen door te stellen dat – voor zover hij kon zien – terzake de voorwaardelijke invrijheidsstelling van [eiser] zou worden uitgegaan van 26 november 2017.

4.6.

Voor zover [eiser] wil betogen dat de Staat op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden is om na 26 november 2017 de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf te staken overweegt de voorzieningenrechter dat in het bericht waarop [eiser] zich beroept geen aanleiding voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel besloten ligt.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

weigert de gevraagde voorziening;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en 618,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken

op 21 november 2017.

fl